Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Renkum

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum 2020

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieRenkum
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum 2020
CiteertitelVerordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum 2020
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpalgemeen
Eigen onderwerp
Externe bijlageToelichting

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 2.1.3, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

24-12-2019nieuwe regeling

18-12-2019

gmb-2019-312435

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum 2020

De raad van de gemeente Renkum;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 november 2019;

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a en 2.1.4b, (2.1.5, eerste lid,) 2.1.6, (2.1.7, 2.3.6) en 2.6.6, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

gelet op de kadernota Sociaal Domein gemeente Renkum 2019;

gezien het advies van Commissie inwoners;

overwegende dat:

  • -

    inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

  • -

    van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;

  • -

    inwoners die zelf, dan wel samen met hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen;

  • -

    het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van de kadernota 2019 als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

  • -

    het wenselijk is om wijzigingen door te voeren op het gebied van de meerkostenregeling en de eigen bijdrage.

 

besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum 2020

HOOFDSTUK 1: Begripsomschrijvingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

De begripsbepalingen uit de wet maatschappelijke ondersteuning, hierna (wet) en het daarop berustende landelijke uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (hierna ‘uitvoeringsbesluit’), de landelijke uitvoeringsregeling Wmo 2015 (hierna ‘uitvoeringsregeling’) en de nadere regels maatschappelijke ondersteuning Renkum, (hierna besluit), zijn van overeenkomstige toepassing op deze verordening. Voorts wordt in deze verordening verstaan onder:

  • a.

    besluit maatschappelijke ondersteuning: het door het College vastgestelde besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum;

  • b.

    college: College van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum;

  • c.

    aanbieder (professioneel of niet-professioneel): natuurlijke persoon of rechtspersoon die (jegens het college) gehouden is een algemene voorziening of maatwerkvoorziening te leveren ter ondersteuning van de cliënt;

  • d.

    aanvraag: een aanvraag is een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen;

  • e.

    algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers -dan wel met een lichte toetsing-, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning’;

  • f.

    andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • g.

    bijdrage: eigen bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;

  • h.

    cliënt: de inwoner met een ondersteuningsvraag;

  • i.

    gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • j.

    getrimd gemiddeld tarief: een gemiddeld tarief voor de vaststelling van een pgb, dat gehanteerd wordt in geval van drie of meer tarieven van gecontracteerde leveranciers van de betreffende voorziening. Hierbij worden het hoogste en laagste tarief niet meegenomen in de berekening van het gemiddelde;

  • k.

    gemiddeld tarief: een tarief voor de vaststelling van een pgb, dat gehanteerd wordt in geval van twee tarieven van gecontracteerde leveranciers van de betreffende voorziening, waarbij het gemiddelde van deze twee tarieven wordt bepaald. In geval van één tarief van een gecontracteerde leverancier van de betreffende voorziening, wordt het gemiddelde tarief voor de vaststelling van het pgb bepaald door dit tarief;

  • l.

    melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • m.

    niet-professionele aanbieder: tot deze groep behoren personen – behorend tot het sociaal netwerk van de cliënt – die niet in het bezit zijn van de relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de desbetreffende taken;

  • n.

    ondersteuningsvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • o.

    pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

  • p.

    professionele aanbieder: tot deze groep behoren personen die:

    • werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren takenof werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007), en die in het bezit zijn van de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken;

    • aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel, die in het bezit zijn van zowel de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken als een beschikking geen loonheffingen (BGL) en die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken of werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007) ;

  • q.

    puntbestemming: een door het college als zodanig aangewezen bestemming waar de cliënt met gebruik maken van sociaal-recreatief vervoer naar toe kan reizen, waarbij deze bestemming verder ligt dan 25 kilometer vanaf het woonadres van deze inwoner;

  • r.

    mijn plan: schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder het gesprek, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 8 van de wet, inclusief een door het college noodzakelijk geachte maatwerkvoorziening en de daarmee beoogde resultaten;

  • s.

    sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

  • t.

    sociaal-recreatief vervoer: vervoer dat niet naar werk, school of dagbesteding is en dat geen grondslag heeft in een andere wet dan de Wmo 2015. Het gaat om vervoer zoals naar de winkel, kapper, sport- of hobbyclub, theater, bioscoop, pretpark, familie/vriendenbezoek, etcetera;

  • u.

    uitvoeringsregeling; de landelijke uitvoeringsregeling voor de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • v.

    uitvoeringsbesluit: het landelijke uitvoeringsbesluit voor de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • w.

    wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

HOOFDSTUK 2: Melding, gesprek en aanvraag

Artikel 2. Melding

  • 1.

    Een ondersteuningsvraag kan door of namens een cliënt vorm-vrij bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van de melding en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. De ontvangstbevestiging bevat informatie over:

    • a.

      het gebruik van onafhankelijke cliëntondersteuning;

    • b.

      de mogelijkheid om binnen zeven dagen na de melding een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 van de wet in te dienen.

Artikel 3. Gesprek

  • 1.

    Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • f.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren;

    • h.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • i.

      welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en

    • j.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2.

    Als de gegevens van de cliënt en zijn situatie genoegzaam bekend zijn, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, afzien van een gesprek.

Artikel 4. Verslag

  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.

  • 2.

    Het college stelt nadere regels over de verslaglegging van het onderzoek.

Artikel 5. Advisering

  • 1.

    Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviseur om advies vragen.

  • 2.

    De cliënt, zijn huisgenoten en andere betrokkenen zoals mantelzorgers verlenen hun medewerking aan de totstandkoming van een door de adviseur uit te brengen advies.

  • 3.

    Het college kan ter uitvoering van het in dit artikel bepaalde nadere regels stellen.

Artikel 6. Aanvraag

  • 1.

    Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening schriftelijk of elektronisch indienen bij het college.

  • 2.

    Het college kan ter uitvoering van het in dit artikel bepaalde nadere regels stellen.

HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening

Artikel 7. Criteria voor maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan de cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen:

      • I.

        op eigen kracht;

      • II.

        met gebruikelijke hulp;

      • III.

        met mantelzorg;

      • IV.

        met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

      • V.

        met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

    • b.

      De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde gesprek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en/of

    • c.

      ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen:

      • I.

        op eigen kracht;

      • II.

        met gebruikelijke hulp;

      • III.

        met mantelzorg;

      • IV.

        met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

      • V.

        met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

    • d.

      De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde gesprek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde.

Artikel 8. Voorwaarden en weigeringsgronden

  • 1.

    Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      voor zover voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een andere voorziening bestaat;

    • b.

      voor zover voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een andere voorziening is verstrekt die hiervoor een oplossing biedt;

    • c.

      voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk zijn zelfredzaamheid kan handhaven of verbeteren;

    • d.

      voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen zijn zelfredzaamheid kan handhaven of verbeteren;

    • e.

      indien het een maatwerkvoorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

    • f.

      indien eerder aan de cliënt een maatwerkvoorziening is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn, zoals vastgelegd in de nadere regels, van de maatwerkvoorziening nog niet verstreken is, tenzij:

      • I.

        deze maatwerkvoorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

      • II.

        de cliënt aan het college een naar het oordeel van het college te bepalen redelijke vergoeding verstrekt in de kosten van de aangevraagde maatwerkvoorziening;

      • III.

        de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning;

      • IV.

        de cliënt aannemelijk kan maken dat - in verband met bijzondere omstandigheden door het intensief gebruik - een eerdere afschrijving van de maatwerkvoorziening noodzakelijk is dan de afschrijvingstermijn zoals is vastgelegd in de nadere regels.

    • g.

      voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht.

  • 2.

    Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Renkum.

  • 3.

    Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      indien de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt tot renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld;

    • b.

      ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen;

    • c.

      voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of woonruimten betreft bij een specifiek op inwoners met een beperking gericht te renoveren of nieuw te bouwen woongebouw, waarbij de aanpassingen redelijkerwijs meegenomen kunnen worden;

    • d.

      indien de noodzaak van de verhuizing het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij zelfredzaamheid of participatie en er redelijkerwijs geen reden voor verhuizing aanwezig is;

    • e.

      indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, terwijl dit redelijkerwijs wel van hem kon worden gevraagd, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.

  • 4.

    Een cliënt kan voor een maatwerkvoorziening voor vervoer in aanmerking komen wanneer beperkingen, chronische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een collectief systeem geheel of gedeeltelijk onmogelijk maken, of wanneer een collectief systeem niet aanwezig is.

  • 5.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor vervoer van en naar de dichtst bij zijn woon- of verblijfplaats gelegen door het college geschikt geachte dagbesteding.

  • 6.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor regionaal sociaal-recreatief vervoer tot een afstand van 25 kilometer vanaf zijn woonadres of naar een puntbestemming. Deze maatwerkvoorziening bestaat uit een door het college aangewezen vervoersvoorziening voor maximaal 1500 kilometer per kalenderjaar. De cliënt is hiervoor een eigen bijdrage verschuldigd conform het in de nadere regels opgenomen tarief. Dit tarief wordt jaarlijks geïndexeerd.

  • 7.

    Indien het college eerder een vervoermiddel, bijvoorbeeld een scootmobiel, aan de cliënt heeft verstrekt bedraagt het maximale aantal kilometers waarvoor de maatwerkvoorziening voor regionaal sociaal-recreatief vervoer wordt verstrekt 750 kilometer per kalenderjaar. Ook hierbij gaat het om regionaal sociaal-recreatief vervoer tot een afstand van 25 kilometer vanaf het woonadres of naar een puntbestemming. De cliënt is hiervoor een eigen bijdrage verschuldigd conform het in de nadere regels opgenomen tarief. Dit tarief wordt jaarlijks geïndexeerd.

  • 8.

    Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 9. Beschikking

Het college stelt nadere regels over de inhoud van de beschikking.

Artikel 10. Pgb algemeen

  • 1.

    Het college verstrekt een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb in overeenstemming met de bepalingen van artikel 2.3.6 van de wet en onverminderd het bepaalde in dit artikel, indien de cliënt een budgetplan heeft overlegd dat voldoet aan de in lid 3 van dit artikel opgenomen eisen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 3.

    Het budgetplan voldoet aan de volgende eisen:

    • a.

      de cliënt motiveert zijn keuze voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb;

    • b.

      de cliënt motiveert zijn keuze voor een professionele of niet-professionele aanbieder;

    • c.

      de cliënt beschrijft welke kosten zijn verbonden aan de ondersteuning.

  • 4.

    Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan geen hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen betrekken van een niet professionele aanbieder die behoort tot zijn sociale netwerk.

  • 5.

    Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan dienstverlening betrekken van een niet-professionele aanbieder op voorwaarde dat dit doelmatiger is dan dienstverlening geleverd door een professionele aanbieder, gelet op:

    • a.

      de frequentie van de ondersteuning;

    • b.

      het type ondersteuning;

    • c.

      de aard van de ondersteuningsvraag waaraan met de verstrekking van een pgb tegemoet wordt gekomen;

    • d.

      de duur van de ondersteuningsvraag, en

    • e.

      de mate van verplichting die voortvloeit uit het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden voor de persoon van wie de ondersteuning wordt betrokken.

  • 6.

    De niet-professionele aanbieder, overlegt aan het college, een verklaring omtrent gedrag (niet ouder dan twee jaar).

  • 7.

    Het pgb wordt niet verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      Kosten voor bemiddeling;

    • b.

      Kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • c.

      Kosten voor het uitvoeren van een pgb-administratie;

    • d.

      Kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

    • e.

      Kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering;

    • f.

      Loondoorbetaling bij ziekte, vervanging bij ziekte en claims. Deze kosten zijn verzekerd via de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

  • 8.

    Een pgb is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorzieningen behoren te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.

  • 9.

    De cliënt deelt het college op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de toekenning van het pgb.

  • 10.

    Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

  • 11.

    Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 11. Pgb voor dienstverlening

  • 1.

    Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen:

    • a.

      Het tarief voor professionele aanbieders.

    • b.

      Het tarief voor niet-professionele aanbieders.

  • 2.

    Het college bepaalt de hoogte van het tarief van het pgb voor professionele aanbieders op het tarief dat cliënt in het budgetplan heeft opgenomen tot een maximum van 80% van het (getrimde) gemiddelde van het tarief voor de door het college gecontracteerde ondersteuning in natura.

  • 3.

    Het college bepaalt de hoogte van het tarief van het pgb voor niet-professionele aanbieders op het tarief dat cliënt in het budgetplan heeft opgenomen tot een maximum van € 20,- per uur.

  • 4.

    Dienstverlening geboden door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de cliënt wordt beschouwd als dienstverlening door een niet-professionele aanbieder.

  • 5.

    Dienstverlening geboden door een persoon werkzaam bij een instelling of een zelfstandige zonder personeel die behoort tot het sociale netwerk van de cliënt wordt beschouwd als dienstverlening door een niet-professionele aanbieder.

  • 6.

    Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 12. Pgb voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen

  • 1.

    Het college bepaalt de hoogte van het eenmalige pgb voor hulpmiddelen en andere maatregelen geleverd door een professionele aanbieder op 80% van het (getrimd) gemiddelde van de tarieven van de door het college gecontracteerde leveranciers van de betreffende maatwerkvoorziening in natura. Indien geen leveranciers zijn gecontracteerd, dan verstrekt de cliënt drie door hem opgevraagde offertes aan het college en wordt de goedkoopst adequate offerte gehanteerd.

  • 2.

    Het college bepaalt de hoogte van het eenmalige pgb voor woningaanpassingen geleverd door een professionele aanbieder door een door het college aangewezen bouwkundig adviseur.

  • 3.

    De cliënt onderhoudt gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende en verzekert deze toereikend.

  • 4.

    De cliënt verstrekt op verzoek van het college een nota of factuur en een betalingsbewijs van de aangeschafte maatwerkvoorziening.

  • 5.

    Indien een, met een pgb aangeschafte, zaak binnen de periode waarover het pgb is verstrekt, niet langer wordt gebruikt of het recht daarop is komen te vervallen, meldt de cliënt dit direct aan het college.

  • 6.

    De cliënt houdt zich aan de verplichtingen die in een eventuele bruikleenovereenkomst zijn opgenomen.

  • 7.

    De cliënt is verplicht om zorgvuldig om te gaan met de verstrekte voorziening.

  • 8.

    Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 13. Controle

Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten

Artikel 14. Bijdrage in de kosten

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:

    • a.

      voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning. Deze bijdrage is bescheiden van aard, wordt door de aanbieder duidelijk kenbaar gemaakt en wordt door de aanbieder zelf geïnd.

    • b.

      voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

  • 2.

    De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb:

    • a.

      is verschuldigd zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruikt maakt dan wel gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, en

    • b.

      is conform het uitvoeringsbesluit, maximaal € 19,00 per bijdrageperiode conform het uitvoeringsbesluit voor de cliënt en zijn echtgenoot tezamen.

    • c.

      het in lid 2 sub b van dit artikel bepaalde geldt niet indien sprake is van een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang; de eigen bijdrage voor deze maatwerkvoorzieningen is afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot.

  • 3.

    Een cliënt is geen bijdrage in de kosten verschuldigd bij:

    • a.

      activerend werk verricht door deze cliënt als/ bij wijze van een integrale benadering van arbeidsmatige dagbesteding en beschut werk conform de Participatiewet;

    • b.

      bemoeizorg gedurende een instabiele situatie van deze inwoner;

    • c.

      een spoedeisende maatwerkvoorziening in overeenstemming met artikel 2.3.3 van de wet, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet en de aanvraag van de cliënt.

  • 4.

    Het totaal van de bijdragen voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb gaat de kostprijs niet te boven.

  • 5.

    De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over het kind.

  • 6.

    Conform artikel 2.1.5. lid 3 van de wet is geen eigen bijdrage verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.

  • 7.

    Een cliënt kan voor een periode van maximaal 13 weken per kalenderjaar, tijdens verblijf buiten Nederland, voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb in aanmerking komen, indien deze maatwerkvoorziening een voortzetting is van een reeds binnen Nederland aangevangen maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb.

    Wanneer deze inwoner tijdens verblijf in het buitenland, zorgverleners betrekt die niet onder de Nederlandse belastingwetgeving vallen, dan wordt het pgb voor de hele periode waarin deze inwoner in het buitenland verblijft verlaagd op grond van het voor dat land geldende aanvaardbaarheidspercentage van het Zorginstituut Nederland.

  • 8.

    De bijdrage is verschuldigd per bijdrageperiode conform het uitvoeringsbesluit. De inkomensbedragen en de percentages die gelden voor de berekening van de eigen bijdrage zijn gelijk aan de maximale bedragen en percentages zoals opgenomen in het uitvoeringsbesluit.

    De in rekening te brengen eigen bijdragen zijn gebaseerd op de, door de gemeente aan het CAK verstrekte tarieven van de betreffende maatwerkvoorzieningen.

Artikel 15. Kostprijs maatwerkvoorziening

  • 1.

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt bepaald:

    • a.

      door een aanbesteding;

    • b.

      na een consultatie in de markt.

  • 2.

    De hoogte van een pgb wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in artikel 11 en artikel 12 van deze verordening.

HOOFDSTUK 5: Wijzigingen in de situatie, intrekking, terugvordering

Artikel 16. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1.

    Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beschikking als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beschikking als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking zou hebben geleid;

    • b.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden, of

    • e.

      de cliënt de maatwerkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt.

  • 3.

    Een beschikking waarin het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb verstrekt kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 4.

    Als het college een beschikking op grond van het tweede lid, onder a, d en e heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura of het ten onrechte genoten pgb.

  • 5.

    Ingeval het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken, kan deze maatwerkvoorziening worden teruggevorderd.

HOOFDSTUK 6: Kwaliteit en veiligheid

Artikel 17. Kwaliteitseisen ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

  • 2.

    Het college kan in nadere regels eisen stellen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig, in overleg met de cliënt, ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 18. Prijs kwaliteitsverhouding

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • 1°.

        een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

      • 2°.

        de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 19. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

HOOFDSTUK 7: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten

Artikel 20. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1.

    Mantelzorgers van cliënten kunnen door middel van een melding bij Renkum voor Elkaar voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking komen ongeacht het aantal cliënten dat zij verzorgen.

  • 2.

    De jaarlijkse blijk van waardering bestaat uit een (laagdrempelige) activiteit(en), waarbij oog is voor verschillende groepen mantelzorgers, georganiseerd door Renkum voor Elkaar.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel.

HOOFDSTUK 8: Klachten, medezeggenschap en inspraak

Artikel 21. Klachtregeling

  • 1.

    Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners met een ondersteuningsvraag ten aanzien van geleverde diensten of voorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 22. Medezeggenschap

  • 1.

    Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van inwoners met een ondersteuningsvraag over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van geleverde diensten of voorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 23. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval inwoners met een ondersteuningsvraag of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

HOOFDSTUK 9: Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 24. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 25. Indexering

Het College indexeert jaarlijks de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende besluit geldende bedragen aan de hand van de daartoe contractueel vastgelegde prijsindex.

Artikel 26. Overgangsrecht

  • 1.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum van 2019-2, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 2.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum van 2019-2 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum 2020.

  • 3.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum van 2019-2 wordt beslist met inachtneming van die Verordening.

  • 4.

    Van het in lid 2 en 3 gestelde kan in bijzondere omstandigheden ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

Artikel 27. Inwerkingtreding, intrekking en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van bekendmaking op overheid.nl, onder gelijktijdige intrekking van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum van 2019-2.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum 2020.

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2019

De raad van de gemeente Renkum

De voorzitter, A.M.J. (Agnes) Schaap

De griffier, mr. Joyce I.M. le Comte