Regeling vervallen per 01-01-2018

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning maatwerkvoorzieningen 2017

Geldend van 15-02-2017 t/m 31-12-2017

Intitulé

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning maatwerkvoorzieningen gemeente Roermond 2017

Voorwoord

In de beleidsregels geeft het college een nadere uitwerking aan vigerende wet- en regelgeving ten behoeve van het nemen van beslissingen. Na vaststelling van de beleidsregels kan hiernaar in beschikkingen eenvoudig worden verwezen. De bevoegdheid tot het vaststellen van deze beleidsregels is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 4:81 Awb bepaalt dat een bestuursorgaan beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.

 

Naast deze beleidsregels zijn er nog de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2015 (hierna: Verordening) en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2017 (hierna: Besluit) en de Nadere regels tegemoetkoming meerkosten chronisch zieken 2017 (hierna: Nadere regels). De Verordening is vastgesteld door de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft een aantal verordenende bevoegdheden gedelegeerd aan het college. De gedelegeerde regelgeving moet het college vaststellen in de vorm van algemeen verbindende voorschriften en dus is het college niet bevoegd dat te regelen in de vorm van beleidsregels. Beleidsregels zijn namelijk geen algemeen verbindende voorschriften. De gedelegeerde regelgeving is opgenomen in het Besluit en de Nadere regels.

 

Leeswijzer

Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en in hoofdstuk 2 komt de toegangsprocedure aan bod. Hoofdstuk 3 besteedt aandacht aan het algemene beoordelingskader en de algemene toegangscriteria die bij alle resultaten/maatwerkvoorzieningen moeten worden getoetst.

 

Hoofdstuk 4

De doeleinden zelfredzaamheid en participatie uit de wet zijn uitgewerkt in meer specifieke resultaten. Daarbij worden per resultaat mogelijke maatwerkvoorzieningen genoemd. Het woord maatwerkvoorziening geeft al aan dat deze voorziening op de cliënt is toegesneden. Daarom kan niet limitatief worden aangegeven welke maatwerkvoorzieningen het college kan aanbieden. De meest voorkomende maatwerkvoorzieningen worden in hoofdstuk 4 genoemd.

 

Hoofdstuk 5

Dit hoofdstuk gaat uitgebreider in op de verstrekkingsvormen: de maatwerkvoorziening in natura en het persoonsgebonden budget.

 

Hoofdstuk 6

In dit hoofdstuk besteden we kort aandacht aan de bijdrage in de kosten.

 

Hoofdstuk 7

Hoofdstuk 7 besteedt aandacht aan het onderscheid tussen beëindigen, intrekken en herzien. Daarnaast wordt ingegaan op de bevoegdheid tot terugvorderen en het terugvorderen bij een in natura verstrekte maatwerkvoorziening.

 

Hoofdstuk 8

De controle op de klachtenafhandeling door aanbieders is het onderwerp van hoofdstuk 8.

 

Hoofdstuk 9

In hoofdstuk 9 komt de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers aan bod, waarbij onder ander wordt benoemd waaruit deze blijk van waardering bestaat.

 

Hoofdstuk 10

Het college heeft nadere regels voor wat betreft de tegemoetkoming meerkosten vastgesteld. Deze zijn in een separaat document voorgelegd aan en vastgesteld door het college.

 

In deze beleidsregels is een aantal opsommingen opgenomen. Dit zijn geen limitatieve opsommingen tenzij anders is aangegeven.

 

Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2017.

  • 2.

    De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning maatwerkvoorzieningen gemeente Roermond 2016 worden met ingang van 1 januari 2017 ingetrokken.

HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • -

    Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • -

    Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2015.

  • -

    Besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2017.

  • -

    Nadere regels: Nadere regels tegemoetkoming meerkosten chronisch zieken 2017.

Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht, de Verordening, het Besluit en de Nadere regels.

HOOFDSTUK 2. PROCEDURE

(HOOFDSTUK 2 VERORDENING)

De wet kent een uitgebreide toegangsprocedure tot (maatwerk)voorzieningen die kan bestaan uit twee stappen:

  • 1.

    Fase 1:

    • a.

      De melding.

    • b.

      Persoonlijk plan (keuze voor cliënt).

    • c.

      Het onderzoek, dat bestaat uit in ieder geval:

      • -

        de in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet genoemde verplichte onderwerpen;

      • -

        het gesprek.

  • 2.

    Fase 2:

    • a.

      De aanvraag (indien de cliënt ervoor kiest een maatwerkvoorziening aan te vragen).

    • b.

      Het besluit op de aanvraag (binnen twee weken na de aanvraag).

De cliënt moet na de afronding van het onderzoek zelf een aanvraag indienen. De wet bevat geen termijn waarbinnen de cliënt de aanvraag moet indienen. Indien de cliënt door eigen toedoen geen aanvraag indient en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt, dan komt dat voor rekening en risico van de cliënt. Aan de melding komt de betekenis dan te ontvallen. Het kan zijn dat de cliënt enige tijd wacht met het indienen van de aanvraag. Dan is het ter beoordeling van de klantmanager/generalist of sprake is van een aanvraag of van een nieuwe melding, waarbij opnieuw onderzoek moet plaatsvinden.

Indien de uitgebreide toegangsprocedure niet noodzakelijk wordt geacht (bijv. bij een aanpassing van een maatwerkvoorziening), kan in voorkomende gevallen afgeweken worden van de hier beschreven procedure.

afbeelding binnen de regeling

HOOFDSTUK 3. MAATWERKVOORZIENINGEN: BEOORDELINGEN

Het beoordelingskader en de toegangscriteria voor aanspraken op maatwerkvoorzieningen worden bepaald door de wet (zoals de doelgroep en de eigen verantwoordelijkheid) en de Verordening (criteria om in aanmerking te komen voor een (maatwerk)voorziening). Daarnaast geldt natuurlijk onverkort dat sprake moet zijn van maatwerk.

3.1 ALGEMEEN BEOORDELINGSKADER

Bij het beoordelen van aanspraken moet worden gekeken naar:

  • 1.

    Is de cliënt ingezetene van de gemeente?

  • 2.

    Valt de cliënt onder de doelgroep van de wet?

  • 3.

    Zijn er andere mogelijkheden, zoals de eigen kracht, mantelzorger(s) of iemand uit het sociale netwerk?

  • 4.

    Is sprake van gebruikelijke hulp? (m.n. bij huishoudelijke ondersteuning en begeleiding).

  • 5.

    Zijn er - deels - voorliggende voorzieningen beschikbaar?

  • 6.

    Zijn er - deels - algemeen gebruikelijke voorzieningen beschikbaar?

  • 7.

    Zijn er - deels - algemene voorzieningen beschikbaar?

3.1.1 Ingezetene

(Artikel 3.2 onder b Verordening)

Een belangrijk uitgangspunt met betrekking tot het vaststellen van de doelgroep heeft te maken met het feitelijke woon- en verblijfadres van de cliënt. Een gemeente is voor wat betreft de hoofddoelen zelfredzaamheid en participatie namelijk alleen verantwoordelijk indien een cliënt ingezetene is van de betreffende gemeente.

3.1.2 Doelgroep

Het college moet tevens beoordelen of de cliënt behoort tot de doelgroep van de wet. De doelgroep bestaat uit personen die in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam zijn of in staat zijn tot participatie. Kinderen die jonger zijn dan 18 jaar vallen, voor wat betreft maatwerkvoorzieningen, alleen onder de wet als het gaat om hulpmiddelen, woningaanpassingen en vervoer (m.u.v. vervoer van en naar de jeugdinstelling en vervoer naar school). Voor het overige vallen ze (grotendeels) onder de Jeugdwet.

3.1.3 Eigen verantwoordelijkheid

(Artikel 3.1 lid 2 Verordening)

De eigen verantwoordelijkheid van de ingezetene is een belangrijke pijler van de wet. De wet is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van voorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem zelf of met hulp van mantelzorgers, huisgenoten en personen uit het sociale netwerk op te lossen. Tot die eigen verantwoordelijkheid van de ingezetene behoort ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden – zijn eigen sociale netwerk – alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Het is immers heel normaal dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Met de Wmo 2015 wil de regering het automatisme doorbreken dat ingezetenen zich bij elke hulpvraag tot de overheid wenden.

Uitgangspunt van de wet is dat iedere ingezetene eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen. Onder de eigen verantwoordelijkheid wordt de eigen kracht, de hulp van mantelzorgers, de hulp van personen uit het sociale netwerk en gebruikelijke hulp verstaan.

Eigen verantwoordelijkheid betekent bijvoorbeeld de aanschaf en het gebruik van zoveel mogelijk strijkvrije kleding om onnodig beroep op een hulp te voorkomen. Nieuwe technische mogelijkheden kunnen bekeken worden en bieden mogelijk een oplossing waardoor er minder beroep op hulp hoeft te worden gedaan.

Ook bij woonvoorzieningen speelt de eigen verantwoordelijkheid een grote rol. Naarmate mensen ouder worden, mag van mensen worden verwacht dat ze daarmee rekening houden. Ouderdom komt immers met gebreken. Zo mag een gemeente veronderstellen dat de oudere die de badkamer gaat renoveren - ook al zijn er nog geen beperkingen - rekening houdt met het gegeven dat hij een dagje ouder wordt. Dat betekent dat de persoon in kwestie aan een douche (met douchestoel) moet denken in plaats van uitsluitend een bad. Daar spelen allerlei individuele factoren natuurlijk in mee, bijv. of er plaats is voor een douche.

Een ander voorbeeld van de eigen verantwoordelijkheid is dat er bij het vergroten van de woning er van uit mag worden gegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast. Indien in een woning een traplift, een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd was, dan kan als gevolg hiervan geen beroep op de wet worden gedaan.

3.1.4 Gebruikelijke hulp

(Artikel 3.1 lid 2 onder b verordening)

Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening indien de cliënt huisgenoten heeft die wel in staat zijn hulp te bieden bij bijvoorbeeld het voeren van een gestructureerd huishouden of het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen. Dit wordt gebruikelijke hulp genoemd (zie uitgebreider 4.1.2.4. en 4.2.2.1.)

3.1.5 Voorliggende voorzieningen

(Artikel 3.1 lid 2 onder f en 3.2 lid 2 onder e verordening)

Voorliggende voorzieningen zijn voorzieningen op grond van een andere wet. Een voorliggende voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening voor zover deze voorliggende voorziening een passende en toereikende oplossing biedt of de kosten van de maatwerkvoorziening als niet noodzakelijk heeft aangemerkt. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval bij een rollator die in de Zorgverzekeringswet als niet noodzakelijk is aangemerkt.

Bij voorliggende voorzieningen kan onder andere gedacht worden aan:

  • Zittend ziekenvervoer op grond van de Zorgverzekeringswet;

  • Hulpmiddelen op grond van de Zorgverzekeringswet;

  • Verblijfsindicatie op grond van de Wet Langdurige Zorg.

Verblijfsindicatie op grond van de Wet Langdurige zorg

Het college mag een maatwerkvoorziening weigeren indien de cliënt een aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg ingevolge de Wet langdurige zorg. Het is zelfs mogelijk te weigeren indien er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande (artikel 2.3.5 lid 6 van de wet).

Uitzonderingen

Er zijn twee uitzonderingen op deze hoofdregel:

  • De hoofdregel geldt niet voor cliënten met een laag zorgzwaartepakket (zzp), die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Wlz nog niet in een instelling verbleven. Onder cliënten met een laag zzp worden verstaan: cliënten die zijn aangewezen op een zorgzwaartepakket 1 VV, 2 VV, 3 VV, 4 VV, 3 LG, 1 ZGaud, of 1 ZGvis, dan wel, voor een meerderjarige cliënt, op een zorgzwaartepakket 1 VG, 2 VG of 3 VG.

  • De hoofdregel geldt niet voor cliënten met een (mogelijke) aanspraak op verblijf die:

    • -

      thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel, collectief vervoer of een woningaanpassing hebben aangevraagd;

    • -

      zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd.

3.1.6 Algemeen gebruikelijke voorzieningen

(Artikel 3.2 onder a verordening)

Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening indien de maatwerkvoorziening voor de persoon van de cliënt algemeen gebruikelijk is of indien er sprake is van algemeen gebruikelijke kosten. Met het criterium algemeen gebruikelijk wordt beoogd te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van betrokken cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Algemeen gebruikelijke kosten zijn kosten die iedereen heeft of zou kunnen hebben. Algemeen gebruikelijke kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die voldoet aan de volgende criteria:

  • de voorziening is in de reguliere handel verkrijgbaar;

  • de voorziening is niet speciaal voor personen met een beperking bedoeld;

  • de voorziening is niet duurder dan vergelijkbare producten.

Er moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. Bij de afzonderlijke resultaten wordt specifieker ingegaan op algemeen gebruikelijke voorzieningen.

Uitzondering

In individuele gevallen kan een voorziening die op zichzelf als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, vanwege omstandigheden aan de kant van de cliënt toch niet als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Deze uitzondering kan zich voordoen indien:

  • de cliënt een inkomen heeft dat door aantoonbare kosten van de beperkingen onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm ligt;

  • een nog niet afgeschreven zaak ten gevolge van een plotseling optredende beperking moet worden vervangen.

3.1.7 Algemene voorzieningen

(Artikel 3.1 lid 2 onder e verordening)

Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen kunnen privaat zijn, publiek of een combinatie van beide. Bij algemene voorzieningen gaat het vaak om voorzieningen die op de een of andere laagdrempelige wijze via dienstverlening worden aangeboden. Enerzijds kan bijvoorbeeld gedacht worden aan rolstoel- of scootmobielpools en anderzijds aan zaken als een klussendienst, een boodschappenservice, een was- en strijkservice, een maaltijdbezorgdienst, et cetera.

De cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening indien er een algemene voorziening is die:

  • daadwerkelijk beschikbaar is voor de cliënt;

  • financieel gedragen kan worden door de cliënt.

    Het college moet beoordelen of de cliënt in redelijkheid de algemene voorziening kan betalen. Het is vervolgens aan de cliënt om dit te weerleggen. De cliënt moet aannemelijk maken dat de alge-mene voorziening financieel niet gedragen kan worden;

  • passend en toereikend is voor de cliënt.

3.2 ALGEMENE TOEGANGSCRITERIA

3.2.1 Langdurig noodzakelijk

(Artikel 3.1 lid 2 verordening)

In de Verordening is aangegeven dat een maatwerkvoorziening slechts wordt verstrekt wanneer sprake is van een langdurige noodzaak. Deze bepaling geeft een tweetal begrenzingen aan met betrekking tot het verstrekken van voorzieningen, t.w. een begrenzing in tijd en de noodzakelijkheid. Voor het criterium ‘langdurig noodzakelijk’ is ook gekozen vanwege het nadrukkelijkere beroep op de cliënt om problemen zelf of met het netwerk op te lossen, zeker als die problemen kortdurend zijn.

Begrenzing in tijd:

Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. De grens wordt bepaald door de vraag: gaat het probleem over of is het blijvend. Kenmerkend voor een blijvend probleem is dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment van aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij periodes van verbetering en terugval elkaar opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. Bij een cliënt die terminaal is, is er sprake van een blijvend probleem. De (medisch) adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vaststaat dat de beperking van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in aanmerking komt.

Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, kan worden gevormd door situaties waarin voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden of begeleiding nodig is, bijvoorbeeld bij een ontregeld huishouden of na een operatie.

Noodzakelijkheid:

Een voorziening wordt alleen verstrekt wanneer deze (medisch) noodzakelijk is.

3.2.2 Goedkoopst passende voorziening

(Artikel 3.1 lid 3 verordening)

Maatwerkvoorzieningen dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel passend als de meest goedkope maatwerkvoorziening te zijn. Zijn er twee of meer maatwerkvoorzieningen passend, dan zal gekozen worden voor de goedkoopste maatwerkvoorziening. Indien de cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens passend is) komen de meerkosten van die duurdere voorziening voor rekening van de cliënt.

In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een persoonsgebonden budget gebaseerd op de goedkoopst passende voorziening.

3.3 ALGEMENE WEIGERINGSGRONDEN

3.3.1 Reeds gemaakte kosten

(Artikel 3.2 onder c verordening)

Uitgangspunt is dat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien de kosten voorafgaand aan het moment van de melding zijn gemaakt. Er wordt vanuit gegaan dat de cliënt zijn beperkingen op eigen kracht kan oplossen.

3.3.2 Eerder verstrekte voorziening

(Artikel 3.2 onder d verordening)

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een reeds eerder verstrekte voorziening in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening is nog niet verstreken, dan wordt de aanvraag in beginsel afgewezen.

Normale afschrijvingstermijn

Het college verstaat onder de normale afschrijvingsduur de technische afschrijvingsduur. Dit houdt in dat het college niet gehouden is een economisch afgeschreven voorziening in te nemen en nieuwe maatwerkvoorziening te verstrekken.

Geen verwijtbaarheid

Een uitzondering kan worden gemaakt als de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. Hieronder wordt ook verstaan het risico dat verzekerd kan worden met een opstalverzekering. Het is eveneens redelijk te achten dat de cliënt – indien een andere dan hemzelf schade heeft veroorzaakt – diegene aansprakelijk stelt.

3.3.3 Niet voldoen aan verplichtingen

(Artikel 3.2 onder f en 2.4 verordening)

De cliënt heeft onder andere de volgende algemene verplichtingen:

  • Inlichtingenplicht.

    Op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het de cliënt redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn om het besluit tot toekenning van de maatwerkvoorziening te heroverwegen.Dit stelt het college in staat om te beoordelen of het beroep op die maatwerkvoorziening of het daaraan gekoppelde persoonsgebonden budget nog terecht is. Verstrekt de cliënt niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de toekenning van de maatwerkvoorziening of het daaraan gekoppelde persoonsgebonden budget. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de cliënt vragen.

    Het niet naleven van de inlichtingenverplichting kan leiden tot:

    • -

      Buiten behandeling laten of afwijzen van de aanvraag of

    • -

      Beëindigen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en/of

    • -

      Herzien/intrekken van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en terugvorderen.

  • Medewerkingsplicht.

    De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met de (beoordeling van de) aanspraak op maatwerkvoorzieningen. Deze medewerkingsverplichting geldt ook voor huisgenoten indien het gaat om de beoordeling van eventuele gebruikelijke hulp.

    Het niet of onvoldoende meewerken aan het onderzoek kan leiden tot:

    • -

      Afwijzen van de aanvraag, indien onvoldoende informatie bekend is.

    • -

      Beëindigen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en/of

    • -

      Herzien/intrekken van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en terugvorderen.

3.3.4 Vermijdbaarheid en voorzienbaarheid

(Artikel 3.2 onder g en h verordening)

De cliënt kan alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komen als de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet vermijdbaar was en de voorziening niet voorzienbaar was. Achtergrond is dat van iedereen mag worden verwacht tijdig te anticiperen op ondersteuningsvragen die te voorzien zijn, hetzij rekening te houden met zijn of haar beperkingen in keuzes die worden gemaakt. Het verhuizen naar een woning waarvan bij verhuizing duidelijk is dat deze niet geschikt is voor de cliënt en/of zijn huisgenoten betekent ook dat er geen aanspraak bestaat op woonvoorzieningen.

Voorzienbaarheid

Indien er een voorziening in de woning is aangebracht, zoals een douchescherm of een bad, en het was op dat moment te voorzien dat deze voorziening in de toekomst niet meer adequaat zou zijn bestaat geen aanspraak op compensatie in het kader van de wet. Voorzienbaarheid moet goed onderzocht worden en in kaart gebracht.

Voorzienbaarheid is moeilijk vast te stellen. Van belang is wanneer en wat de cliënt had kunnen weten. Als een cliënt een aantal jaar geleden een bad heeft laten plaatsen en in de jaren daarna gezondheidsklachten heeft ontwikkeld, kan gesteld worden dat de problemen niet te voorzien waren. Echter is het wel mogelijk dat op het moment dat de gezondheidsklachten ontstonden, cliënt al had kunnen voorzien dat er problemen met de woning zouden ontstaan en kan dus verwacht worden van een cliënt dat hij rekening houdend met deze verwachting nagedacht zou hebben over bijvoorbeeld verhuizen.

3.4 COLLECTIEVE VOORZIENINGEN

(Artikel 3.4 lid 2 verordening)

Een collectieve voorziening is een maatwerkvoorziening die individueel wordt verstrekt maar door meerdere personen tegelijk gebruikt kan worden. Deze voorzieningen worden speciaal georganiseerd voor mensen met beperkingen én zijn bedoeld voor “gemeenschappelijk gebruik”. Men deelt het gebruik dus met anderen. Voorbeelden van collectieve voorzieningen zijn het collectief vervoer en begeleiding groep.

3.5 HARDHEIDSCLAUSULE

(Artikel 10.1 verordening)

De individuele omstandigheden van de cliënt, zoals zijn persoonskenmerken en behoeften, kunnen het noodzakelijk maken af te wijken van de Verordening. Dit gebeurt met een stevige onderbouwing onder toepassing van de in de Verordening opgenomen hardheidsclausule.

Dit afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de cliënt. Met nadruk is gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule is een uitzondering en geen regel. Het college geeft in verband met precedentwerking dan ook steeds duidelijk aan waarom in een bepaalde situatie wordt afgeweken.

HOOFDSTUK 4 MAATWERKVOORZIENINGEN: BEOORDELINGEN

4.1 VOEREN VAN EEN GESTRUCTUREERD HUISHOUDEN

4.1.1 Omschrijving resultaat

Onder het voeren van een gestructureerd huishouden kunnen een aantal (sub)resultaten worden benoemd, zoals:

  • a.

    Een schoon en leefbaar huis.

    Het resultaat van de ondersteuning is dat de betrokkene beschikt over een schoon en leefbaar huis. Dit betekent dat men gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. Tot een schoon en leefbaar huis behoort het zwaar en licht huishoudelijk werk. Het gaat om alle activiteiten teneinde het huis, exclusief de tuin, maar inclusief balkon en berging, schoon en leefbaar te houden. Het gaat concreet om activiteiten als stofzuigen, schoonmaken van badkamer, keuken en toilet, het schoonmaken van vloeren en het schoonhouden van de andere ruimten die onder de wet vallen. Voor het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers wordt geen passende maatwerkvoorziening getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie.

  • b.

    Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften.

    In elk huishouden zijn boodschappen voor de dagelijkse activiteiten nodig. De ondersteuning is beperkt tot die levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, die dagelijks en/of wekelijks in elk huishouden worden gebruikt. Het is algemeen aanvaard dat mensen deze boodschappen geclusterd doen door één maal per week de voorraad in huis te halen. Daarbij sluit de gemeente aan door uit te gaan van één maal per week boodschappen doen. Ook het bereiden van maaltijden valt onder dit resultaat. In de meeste situaties kan van een maaltijdservice gebruik worden gemaakt voor de warme maaltijd. Ook zijn er kant- en klaar maaltijden te koop die een oplossing kunnen bieden.

  • c.

    Beschikken over gewassen (en gestreken) kleding.

    De dagelijkse kleding moet met enige regelmaat worden schoongemaakt. Dit betekent het wassen, drogen en in bepaalde situaties strijken van bovenkleding en soms het verrichten van eenvoudige herstelwerkzaamheden. Het gaat hierbij uitsluitend over normale kleding voor alledag. Daarbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken hoeft te worden. Met het kopen van kleding moet hiermee rekening worden gehouden. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te kunnen maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droogruimte of een droger. Onder dit resultaatgebied valt niet het doen van kledinginkopen.

  • d.

    Het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren.

    De ouder(s) is/zijn primair verantwoordelijk voor de zorg voor de kinderen. De gemeente kan tijdelijk de ouderrol op zich nemen indien de ouder(s) niet in staat is/zijn de zorg van de kinderen op zich te nemen. Er kan gekeken worden of kinderopvang mogelijk is. Kinderopvang is de verantwoordelijkheid van ouders, werkgever en overheid ( kinderopvangtoeslag).

4.1.2 Beoordelingskader

Bij het beoordelen van de aanspraak wordt gekeken naar het algemene beoordelingskader (zie 3.1), de algemene toegangscriteria (zie 3.2) en algemene weigeringsgronden (zie 3.3). Daarnaast moet worden beoordeeld of de cliënt voldoet aan de geldende criteria.

4.1.2.1 Voorliggende voorzieningen.

Voorliggende voorzieningen zijn voorzieningen op grond van een andere wet die aan de ondersteuning bij het voeren van een gestructureerd huishouden in de weg staan. Zorgverlof op basis van de Wet Arbeid en Zorg gaat bijvoorbeeld voor op hulp bij het huishouden voor opvang van de kinderen. Zorg vanuit de Wlz is voorliggend op de Wmo 2015. Er bestaat het risico dat vanuit andere wetten wordt verwezen naar de Wmo 2015, terwijl die andere wetten zelf mogelijkheden bieden.

4.1.2.2 Algemeen gebruikelijke voorzieningen.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarvan, gelet op de omstandigheden van betrokken cliënt, aannemelijk is te achten dat de cliënt daarover zou (hebben kunnen) beschikken, ook als hij of zij geen beperkingen had. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen, die voorgaan op verstrekking van huishoudelijke ondersteuning, zijn:

  • wasmachine

  • wasdroger

Deze opsomming laat onverlet dat in ieder individueel geval moet worden beoordeeld of de voorziening voor de betreffende cliënt algemeen gebruikelijk is.

4.1.2.3 Algemene voorzieningen

Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk zijn en zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning. Voorbeelden daarvan zijn:

  • kinderopvang (crèche, overblijfmogelijkheden op school)

  • voor- en naschoolse opvang / oppascentrale

  • maaltijddienst

  • hondenuitlaatservice

  • boodschappendienst

  • was- en strijkservice

  • glazenwasser

Indien de cliënt een aanvraag heeft ingediend, maar gebruik kan maken van een algemene voorziening, dan krijgt de cliënt wel een beschikking. In die beschikking staat vermeld dat de aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt afgewezen, omdat de cliënt gebruik kan maken van een algemene voorziening.

4.1.2.4 Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp is van toepassing indien er huisgenoten aanwezig zijn die in staat zijn huishoudelijke taken uit te voeren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen volwassenen vanaf 23 jaar en kinderen en jongeren tot 23 jaar. In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat de indicatiesteller ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.

  • 1.

    Kinderen ouder dan 8 jaar en jonger dan 12 jaar (basisschool) kunnen helpen met eigen speelgoed / spullen opruimen, tafel dekken en afruimen, afwassen, afdrogen, vaatwasser inruimen en uitruimen, kleding in de wasmand gooien.

  • 2.

    Kinderen van 12 – 18 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken, hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

  • 3.

    Een 18-23 jarige wordt verondersteld de volgende taken van een 1-persoonshuishouden uit te kunnen voeren die zijn te normeren naar 5 uur per week. De taken zijn:

  • • schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en een kamer;

  • • de was doen;

  • • boodschappen doen;

  • • maaltijd verzorgen;

  • • afwassen en opruimen.

  • 4.

    Vanaf 23 jaar wordt iemand geacht de huishoudelijke taken volledig over te nemen.

Aspecten waar (geen) rekening mee wordt gehouden:

Wens huisgenoten/niet gewend zijn.

Er wordt geen rekening gehouden met het feit of huisgenoten al dan niet willen of al dan niet gewend zijn huishoudelijk werk te doen. In situaties dat huisgenoten nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, kan via een tijdelijke indicatie van maximaal 6 weken hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. Deze voorziening kan alleen worden toegekend als er niemand in het huishouden aanwezig is die de instructies kan geven.

Trainbaarheid.

Bij het bepalen van de gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met de trainbaarheid van de huisgenoten. Dit wordt per individu beoordeeld. Het niet meer trainbaar zijn wordt dus niet standaard aangenomen bij een bepaalde leeftijdsgrens.

Studie of werkzaamheden.

Studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke hulp af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van een particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners.

Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn (7 dagen of langer aaneengesloten). Daardoor zijn zij immers feitelijk niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver chauffeurs die in het buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken.

Leeftijd.

Leeftijd is niet doorslaggevend in het bepalen van gebruikelijke hulp. Het zegt niets over het daadwerkelijk functioneren van iemand. Ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk worden geacht de gebruikelijke hulp voor hun rekening te nemen.

Kamerverhuur.

Personen die een (pension)kamer huren worden niet tot huisgenoten gerekend. Het moet dan gaan om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen.

Bij mensen die zelfstandig (denk aan woongroepen, kamerverhuur, kloosterlingen, meerdere generaties in een huis) samenwonen op een adres en gemeenschappelijke ruimten delen, wordt verondersteld dat het aandeel in het schoonmaken van die ruimten bij uitval van een van de huisgenoten wordt overgenomen door de andere huisgenoten. De eventuele indicatie voor hulp bij het huishouden betreft dan alleen de eigen woonruimte (kamers) van de cliënt. Indien alle bewoners zorgbehoevend zijn, betreft de indicatie eveneens een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimten.

Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van huisgenoten, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien de cliënt dit niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn worden niet geïndiceerd en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap.

Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat daar hulp bij het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg niet door de cliënt wordt betaald. Dan gaat het immers om reeds aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging.

Kangoeroewoningen/mantelzorgwoningen.

Bij enkele woningen – veelal in het landelijke gebied – doet zich de situatie voor dat aparte wooneenheden hetzelfde huisnummer delen. Alle bewoners worden in principe tot de huisgenoten gerekend waardoor er sprake is van gebruikelijke hulp. Of er sprake is van een aparte huishouding in een woning met één huisnummer wordt beoordeeld aan de hand van de volgende vragen:

  • -

    Is er sprake van een aparte keuken?

  • -

    Is er sprake van een aparte woonkamer?

  • -

    Is er sprake van een aparte slaapkamer?

  • -

    Is er sprake van een aparte badkamer/toiletruimte?

Indien alle vragen met “ja” kunnen worden beantwoord, is sprake van gescheiden wooneenheden. In dat geval kunnen niet alle bewoners worden aangemerkt als huisgenoten en zal er geen sprake zijn gebruikelijke hulp.

4.1.3 Hulp bij het huishouden

De maatwerkvoorziening ten behoeve van het voeren van een huishouden zal meestal bestaan uit hulp bij het huishouden. De compensatie voorziet in het voorkomende individueel concrete cliëntgeval op een of meer van de navolgende activiteiten (Bij de ‘aandachtsgebieden’ 1 t/m 6 en 9 is sprake van hulp bij het huishouden. In combinatie met 7 en/of 8 is er sprake van hulp bij het huishouden plus):

  • 1.

    Boodschappen.

  • 2.

    Bereiding broodmaaltijden.

  • 3.

    Bereiding warme maaltijd.

  • 4.

    Licht huishoudelijk werk in huis: stof afnemen, opruimen.

  • 5.

    Zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, dweilen, bedden verschonen.

  • 6.

    Wasverzorging, sorteren, wassen, drogen, vouwen, strijken, opbergen.

  • 7.

    Organisatie van het huishouden, begeleiden bij uitvoering.

  • 8.

    Verzorging en/of tijdelijke opvang van kinderen.

  • 9.

    Incidenteel grondig werk.

4.1.3.1 Omvang en normering

Bij het bepalen van de omvang wordt een normering gehanteerd (zie bijlage 1).

4.1.3.2 Vorm

Hulp bij het huishouden wordt toegekend in:

  • Natura; de hulp is in dienst bij de een door de gemeente gecontracteerde aanbieder.

  • Natura-alpha: dit is een speciale constructie via zorg-in-natura-aanbieders. Deze aanbieders bemiddelen en nemen de administratieve lasten over. Cliënten en hulpen kiezen hier bewust voor vanwege o.a. belastingtechnische voordelen.

  • Persoonsgebonden budget: de cliënt koopt zelf hulp bij het huishouden in.

4.2 HET VERMOGEN OM ZELFSTANDIG TE LEVEN, HET HEBBEN VAN EEN DAGSTRUCTUUR, DEELNAME AAN HET MAATSCHAPPELIJK VERKEER EN HET VOEREN VAN REGIE DAAROVER

4.2.1 Omschrijving resultaat

Bij dit resultaatsgebied gaat het om het bevorderen, behoud of het compenseren van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, teneinde opname in een instelling, verwaarlozing en/of escalatie(s) te voorkomen.

Zelfredzaamheid wordt in de wet gedefinieerd als het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie betekent deelname aan het maatschappelijk verkeer.

Bij zelfredzaamheid en participatie gaat het erom dat iemand:

  • voor zichzelf kan zorgen c.q. de regie kan voeren over het dagelijks leven en besluiten kan nemen;

  • het vermogen heeft tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis en in relatie met vrienden en familie;

  • het vermogen heeft om zelf in zijn dagstructurering te voorzien.

Onder ADL (algemene dagelijkse levensverrichtingen)-activiteiten vallen de activiteiten die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten.

Activiteiten van begeleiding betreffen:

1.Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, c.q. het voeren van regie.

  • hulp bij initiëren of compenseren van eenvoudige of complexe taken, besluiten nemen en gevolgen daarvan wegen;

  • regelen van randvoorwaarden op het gebied van wonen, onderwijs, werk, inkomen,

  • iets kopen/betalen, het stimuleren tot en voorbereiden van een gesprek met dit type instanties. Dit betreft niet het meegaan naar/aanwezig zijn bij het gesprek (van instanties als gemeenten, woningbouwverenigingen, UWV, onderwijsinstellingen maar ook bijvoorbeeld banken mag deskundigheid in communicatie met diverse doelgroepen worden verwacht. Hulp bij het meegaan naar winkels en dergelijke behoort tot de eigen verantwoordelijkheid of kan worden ingevuld door vrijwilligers);

  • hulp bij plannen, stimuleren en voorbespreken van activiteiten;

  • hulp bij initiëren of compenseren van op/bijstellen van dag/weekplanning; dagelijkse routine; (hierbij moet worden gedacht aan opstaan, wassen, aankleden, eten en op tijd klaar staan);

  • inzicht geven in (mogelijke) gevolgen van besluiten;

  • hulp bij zich aan regels/afspraken houden, corrigeren van besluiten of gedrag.

2.Het ondersteunen bij praktische vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid.

  • hulp bij uitvoeren of overnemen van eenvoudige of complexe taken/activiteiten, of bij oplossen van praktische problemen die buiten de dagelijkse routine vallen;

  • hulp bij uitvoeren van vaardigheden die geleerd zijn tijdens Wlz- of GGZ-behandeling, zoals sociale vaardigheden (hierbij moet worden gedacht aan het maken van afspraak voor bezoek en sturen van een (verjaardags)kaart);

  • hulp bij het beheren van (huishoud)geld;

  • hulp bij de administratie (alleen in de zin van oefenen);

  • hulp bij gebruik openbaar vervoer (alleen in de zin van oefenen);

  • hulp bij of overnemen van post openmaken, voorlezen en regelen, afhandeling praktische zaken;

  • hulp bij of overnemen van oppakken, aanreiken, verplaatsen van dagelijks noodzakelijke dingen zoals het oppakken van dingen die op de grond zijn gevallen als een leesbril, het aanreiken van dingen die buiten bereik zijn geraakt zoals een kussen, het verplaatsen van een boek, telefoon en dergelijke;

  • hulp bij plannen en stimuleren van contact in persoonsgebonden sociale omgeving;

  • hulp bij communicatie in de persoonsgebonden omgeving bij bijvoorbeeld afasie.

3.Het bieden van toezicht.

  • toezicht op- en het aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis, thuis of elders;

  • toezicht gericht op het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig in kan worden gegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte.

4.Oefenen met het aanbrengen van structuur, c.q. het voeren van regie en/of het uitvoeren van handelingen die zelfredzaamheid tot doel hebben.

  • oefenen door de verzekerde zelf: oefenen met vaardigheden (al dan niet aangeleerd tijdens Wlz- of GGZ-behandeling) zoals gebruik geleidestok en gebruik hulpmiddelen voor communicatie (het gaat hier om het oefenen in het gebruik van de apparatuur (telefoon/computer) zelf), stimuleren van wenselijk gedrag, inslijpen van gedrag;

  • oefenen van de mantelzorger/gebruikelijke zorger hoe om te gaan met de gevolgen van de aandoening, stoornis of beperking van de cliënt.

4.2.2 Beoordelingskader

Bij het beoordelen van de aanspraak wordt gekeken naar het algemene beoordelingskader (zie 3.1), de algemene toegangscriteria (zie 3.2) en algemene weigeringsgronden (zie 3.33.1). Daarnaast moet worden beoordeeld of de cliënt voldoet aan de geldende criteria (zie 4.2.2.3).

4.2.2.1 Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp is van toepassing indien er huisgenoten aanwezig zijn die in staat zijn de begeleiding te bieden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties.

Kortdurende situaties

Alle begeleiding van de cliënt door huisgenoten is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie, met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat Wmo-zorg (voorzieningen) daarna niet langer is (zijn) aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.

Langdurige situaties

Als het gaat om een chronische situatie is de begeleiding van een volwassen cliënt gebruikelijke hulp wanneer die begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven door huisgenoten onderling aan elkaar moet worden geboden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een cliënt:

  • Het begeleiden van de cliënt bij het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, ziekenhuis, zwembad, enzovoort.

  • Het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie of het bieden van een dagstructuur.

Wanneer kan een uitzondering worden gemaakt voor gebruikelijke hulp:

In bepaalde situaties is gebruikelijke hulp niet van toepassing of dient er soepeler mee omgegaan te worden. Die situaties zijn:

  • 1.

    Voor zover de huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke hulp ten behoeve van de cliënt uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren wordt geen bijdrage verwacht.

  • 2.

    Voor zover een huisgenoot overbelast is of dreigt te raken wordt van hem of haar geen gebruikelijke hulp verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt het volgende:

    • a.

      wanneer voor de volwassen huisgenoot eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, dienen deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen hiertoe te worden aangewend. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van zorg, dient men die overbelasting op te heffen door deze zorg door (andere) zorgverleners uit te laten voeren/in te kopen;

    • b.

      voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke begeleiding voor op die maatschappelijke activiteiten.

  • 3.

    Voor zover de cliënt zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen bijdrage verwacht van een huisgenoot.

4.2.2.2 Voorliggende en algemene voorzieningen (zie ook 3.1.7)

Voorliggende voorzieningen zijn voorziening op grond van een andere wet die een oplossing kunnen bieden voor het probleem. Hierbij valt te denken aan begeleiding en/of hulpmiddelen op grond van de Zvw, WIA, Wlz, Wajong, participatiewet, etc. Een voorbeeld is ADL-assistentie in fokuswoningen.

Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk zijn en zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning. Voorbeelden daarvan zijn:

  • begeleiding of cliëntondersteuning via MEE of AMW

  • GGZ-bemoeizorg

  • buddy-zorg

  • maatjesproject

  • huiskamerprojecten

Indien de cliënt een aanvraag heeft ingediend, maar gebruik kan maken van een algemene voorziening, dan krijgt de cliënt wel een beschikking. In die beschikking staat vermeld dat de aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt afgewezen, omdat de cliënt gebruik kan maken van een algemene voorziening.

4.2.2.3 Criteria begeleiding

Wil een cliënt in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening begeleiding (individueel dan wel in groepsverband) dan dient sprake te zijn van geobjectiveerde beperkingen ten aanzien van het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Er zijn beperkingen op het gebied van:

  • het voor zichzelf kunnen zorgen c.q. de regie voeren over het dagelijks leven en besluiten kunnen nemen;

  • het vermogen tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis en in relatie met vrienden en familie;

  • het vermogen om zelf in een zinvolle dagstructurering te voorzien.

Tevens kan begeleiding ingezet worden ter ontlasting van de mantelzorger.

4.2.3 Begeleiding

4.2.3.1 Soorten begeleiding

Begeleiding individueel

Individuele begeleiding kan worden ingezet om te ondersteunen bij het aanbrengen van structuur of het voeren van regie. Individuele begeleiding kan ook verstrekt worden ten behoeve van het ondersteunen bij en/of oefenen van vaardigheden of handelingen of ten behoeve van het houden van toezicht op een client.

Begeleiding groep

Begeleiding groep wordt gebruikt om een zo normaal mogelijk dagritme aan te houden met een welomschreven doel met activiteiten die passen bij de cliënt. Daarnaast wordt aandacht besteed aan het activeren van nog aanwezige functies. Begeleiding groep wordt ook ingezet ter ontlasting van mantelzorgers.

Onder begeleiding groep wordt niet verstaan:

  • een reguliere dagstructuur die in de woon-/verblijfssituatie wordt geboden;

  • een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke.

Afbakening begeleiding individueel – begeleiding groep

Of de cliënt is aangewezen op begeleiding individueel of begeleiding groep wordt bepaald door wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is. Begeleiding groep is voorliggend op begeleiding individueel als hetzelfde doel wordt beoogd. Wanneer de begeleiding gericht is op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur is begeleiding groep de aangewezen vorm van begeleiding.

Maar wanneer de hulpvraag gelegen is in het bijvoorbeeld een of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de zorgbehoefte is niet gelegen in het daadwerkelijk bieden van die dagstructuur, dan is begeleiding individueel de aangewezen vorm. Ook als er medische contra-indicaties zijn voor begeleiding groep, kan begeleiding individueel worden geïndiceerd.

Het gaat dan om personen voor wie op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep geboden door een instelling.

4.2.3.2 Omvang

Aan de hand van het onderzoek formuleert de gemeente concrete resultaten/doelstellingen die middels de maatwerkvoorziening begeleiding bereikt moeten worden. Bij zorg in natura kan de aanbieder verzocht worden een ondersteuningsplan op te stellen, waarin is beschreven op welke wijze de resultaten en doelstellingen worden bereikt. Bij een persoonsgebonden budget moet de cliënt dit op verzoek van de gemeente beschrijven in het door hem ingediende budgetplan. De gemeente beoordeelt of met de beschrijving in het budgetplan of ondersteuningsplan de resultaten/doelstellingen bereikt kunnen worden. De gemeente bepaalt de omvang en de daarmee samenhangende kosten De gemeente kan tussentijds een voortgangsrapport opvragen om te monitoren of de inzet van begeleiding conform de gestelde indicatie verloopt en (inzet van meer/minder uren) nog noodzakelijk is. In het algemeen geldt bij begeleiding groep een maximum van 9 dagdelen per week.

4.2.3.3 Afbakening

Afbakening Zorgverzekeringswet

In de Zorgverzekeringswet is bepaald dat mensen aanspraak hebben op verpleging en verzorging zoals verpleegkundigen die plegen te bieden wanneer zij behoefte hebben aan geneeskundige zorg, of een hoog risico daarop. Deze zorg maakt onderdeel uit van het basispakket van verzekerden. De (wijk)verpleegkundige bepaalt de behoefte aan verpleging en verzorging van de verzekerde naar aard, inhoud en omvang.

De toevoeging “of een hoog risico daarop” is de basis voor inzet van enkel persoonlijke verzorging, zoals hulp bij het opstaan of het wassen. Bijvoorbeeld bij mensen op een hoge leeftijd die nog niet direct behoefte hebben aan geneeskundige zorg, maar wel een hoog risico hebben hieraan behoefte te krijgen. De (wijk)verpleegkundige heeft nadrukkelijk de ruimte om, op basis van de professionele afweging, persoonlijke verzorging te bieden in een situatie waar nog geen sprake is van dominante medische problematiek.

Voorbeelden: het bieden van zorg aan ouderen, mensen met een lichamelijke handicap of mensen met een chronische ziekte zoals diabetes en multiple sclerose.

Het basispakket van de zorgverzekering vergoedt verder veel gebruikte geneeskundige zorg/behandeling, geneesmiddelen en medische hulpmiddelen.

Als de begeleidingsactiviteiten een wezenlijk onderdeel vormen van de behandeling dan valt deze begeleiding onder de Zvw (begeleiding is nodig op het niveau van een behandelaar). Voorbeelden zijn:

  • het motiveren tot behandeling;

  • het stimuleren tot zelfzorg;

  • het stimuleren tot medicatie-inname.

Indien de behoefte aan verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding valt dit onder verantwoordelijkheid van de Wmo. Deze verzorging houdt dan geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Het gaat dan om begeleiding die gericht is op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, zodat de cliënt zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven.

Afbakening Wet langdurige zorg

Behandeling valt onder de Wlz. Begeleiding omvat het oefenen en inslijpen van de in de behandeling aangeleerde vaardigheden en gedrag door het (herhaald) toepassen in de praktijk. Bij begeleiding gaat het om het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid. Voor (de begeleiding bij) dit oefenen is geen specifieke vaardigheid vereist. Grofweg geldt dat aanleren bij behandeling hoort en toepassen bij begeleiding.

Van behandeling is sprake als er verbeterdoelen zijn geformuleerd, die op een gestructureerde en programmatische manier worden nagestreefd, en waarvoor specifieke deskundigheid is vereist. De behandeling is niet alleen op herstel gericht, maar kan ook gericht zijn op voorkomen van verergering, waaronder begrepen het leren omgaan met (de gevolgen van) een aandoening, voor zover de interventie gestructureerd is, programmatisch is, en zich richt op een specifiek behandeldoel.

Afbakening Wia en participatiewet

De Participatiewet (ingangsdatum 1 januari 2015) voegt de Wet werk en bijstand (WWB) en de Wet sociale werkvoorziening (WSW) samen. Doel hiervan is dat zoveel mogelijk mensen met een arbeidsbeperking aan het werk gaan bij een gewone werkgever in plaats van bij een sociale werkvoorziening. School en werk zijn voorliggend op begeleiding groep. Pas als school of werk niet op een reguliere of aangepaste manier mogelijk is, kan begeleiding groep ingezet worden. Tijdens arbeid bestaat er geen aanspraak op begeleiding ten laste van de Wmo als die gericht is op de arbeidstaken, stages of onderwijsopdrachten. Arbeidsreïntegratie of het aanleren van algemene vaardigheden en gedrag, gericht op de arbeid zelf is geen Wmo.

4.3 ONTLASTEN VAN MANTELZORGERS

4.3.1 Omschrijving resultaat

De gemeente is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het ondersteunen van mantelzorgers van cliënten zonder een Wlz-indicatie. De gemeente waar de cliënt woont (aan wie de mantelzorger hulp biedt), is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de mantelzorger Een belangrijke vorm van ondersteuning kan zijn het bieden van respijtzorg, dat wil zegen: zorg waardoor de mantelzorger tijdelijk ontlast wordt van zijn taak. Dit kan door beroepskrachten of vrijwilligers. Er is een variëteit aan respijtvoorzieningen waarmee vervangende zorg vorm zou kunnen krijgen. Hierbij kan gedacht worden aan begeleiding thuis, informele zorg, dagopvang of een logeerhuis. Een andere vorm van respijtzorg is kortdurend verblijf. Kortdurend verblijf is als maatwerkvoorziening opgenomen in artikel 1.1.1. lid 1 van de Wmo 2015. Kortdurend verblijf kan ingezet worden ter ontlasting van de mantelzorger en bij geplande en ongeplande tijdelijke afwezigheid van de mantelzorger.

4.3.2 Beoordelingskader

Bij het beoordelen van de aanspraak wordt gekeken naar het algemene beoordelingskader (zie 3.1), de algemene toegangscriteria (zie 3.2) en algemene weigeringsgronden (zie 3.3).

4.3.2.1 Afbakening Wlz en Zvw

Wlz

Indien er sprake is van een client mét een (mogelijke) Wlz-indicatie, komt logeeropvang (om de mantelzorger te ontlasten) ten laste van de Wlz. Ondersteuning van mantelzorgers die hulp verlenen aan personen die Wlz-zorg ontvangen, valt niet onder de reikwijdte van de Wmo.

Zvw

De Wlz-subsidieregeling eerstelijns verblijf is per 1 januari 2017 overgeheveld naar de Zorgverzekeringswet. Het gaat om mensen die om medische redenen tijdelijk niet thuis kunnen wonen (bijvoorbeeld na ontslag uit het ziekenhuis) en daarom voor korte tijd in een zorginstelling worden verzorgd en verpleegd. Deze kortdurende opnames voorkomen duurdere en onnodige opnames in ziekenhuizen en zijn gericht op een snelle terugkeer naar de thuissituatie. In die situaties valt het kortdurend verblijf niet onder de Wmo 2015.

De aanvullende zorgverzekering kan een mogelijkheid bieden voor de vergoeding van voorzieningen die de mantelzorger(s) ontlasten, zoals mantelzorgvervanging. De aanvullende verzekering is echter geen voorliggende voorziening. Het staat mensen vrij zich aanvullend te verzekeren of niet.

De inhoud van deze verzekering en het gebruik hiervan door een cliënt, kunnen dus wel van invloed zijn op de soort en omvang van de maatwerkvoorziening.

4.3.3 Omvang kortdurend verblijf

Kortdurend verblijf wordt voor maximaal 3 etmalen per week toegekend, waarbij opsparen tot maximaal 6 weken per kalenderjaar is toegestaan. De omvang van kortdurend verblijf wordt vastgesteld in etmalen.

4.3.3.1 Vorm van de toekenning

Kortdurend verblijf wordt toegekend in:

  • -

    natura of

  • -

    de vorm van een persoonsgebonden budget.

4.4 NORMALE GEBRUIK VAN DE WONING

4.4.1 Omschrijving resultaat

Onder de zelfredzaamheid valt ook ‘het voeren van een gestructureerd huishouden’. De wet bevat geen nadere omschrijving van ‘het voeren van een gestructureerd huishouden’. Daaronder kunnen zowel resultaten vallen die bereikt moeten worden op het huishoudelijke vlak en resultaten voor wat betreft een voor de cliënt en zijn kenmerken geschikte woning. De term ‘voeren van een gestructureerd huishouden’ geeft geen duidelijkheid over het onderscheid tussen die resultaten. Wel is er één belangrijke voorwaarde voordat er gecompenseerd kan worden: er moet een woning zijn. Als er geen woning is, is het niet de taak van de gemeente om voor een woning te zorgen. Iedere Nederlandse burger dient zelf voor een woning te zorgen. Bij de keus van een woning wordt uiteraard rekening gehouden met de eigen situatie. Dat betekent ook dat er met bestaande of bekende komende beperkingen rekening wordt gehouden door de client.

Het college moet beperkingen in het normale gebruik van de woning compenseren. Veelal is in deze situaties compensatie noodzakelijk in de vorm van een woonvoorziening. Onder een woonvoorziening wordt verstaan: een voorziening die verband houdt met een maatregel die is gericht op het compenseren van de beperkingen die een cliënt bij het normale gebruik van zijn woning ondervindt. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties of te wel de activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij onder andere om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte.

Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Soms zullen deze voorzieningen vergoed worden vanuit de Zorgverzekeringswet, soms zal men de therapeutische effecten ook kunnen bereiken door de therapie elders te ontvangen.

Voor het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers wordt geen passende maatwerkvoorziening getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie.

Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening hebben te gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren).

Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben of verkrijgen van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de verzorgde(n) had(den) voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden.

4.4.2 Beoordelingskader

Bij het beoordelen van de aanspraak wordt gekeken naar het algemene beoordelingskader (zie 3.1), de algemene toegangscriteria (zie 3.2) en algemene weigeringsgronden (zie 3.3). Daarnaast moet worden beoordeeld of de cliënt voldoet aan de geldende criteria (zie 4.4.2.2).

4.4.2.1 Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarvan, gelet op de omstandigheden van betrokken cliënt, aannemelijk is te achten dat de cliënt daarover zou (hebben kunnen) beschikken, ook als hij of zij geen beperkingen had. Er moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. Enkele voorbeelden zijn:

  • eenhendelmengkranen

  • centrale verwarming

  • verhoogd toilet (6+ en 10+)

  • kookplaat

  • douchekop op glijstang

  • zonwering incl. elektrische bediening

  • handgrepen/wandbeugels tot 50 cm

  • waterbed

  • douchestoel

  • thermostatische mengkranen

  • wasdroger

  • wasmachine

  • toiletverhoger

  • douche of douchecabine

  • douchekruk

  • 2e trapleuning

  • keukenapparatuur

  • automatische garagedeuren

  • (losse) airco units/installaties in auto/woning

  • stofzuiger

  • mobiele telefoon

  • telefoonabonnement

Verhuizing algemeen gebruikelijk

Volgens gegevens van het Planbureau voor de Leefomgeving verhuizen Nederlanders gemiddeld zeven keer in hun leven. Dat is gemiddeld één keer in de tien jaar. Jongeren verhuizen vaker dan ouderen. Het verhuizen behoort voor een ieder dus tot het normale leven en een ieder heeft dus enkele malen in het leven verhuiskosten. Een verhuizing kan gelet op voorgaande in veel gevallen als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Er moet echter steeds beoordeeld worden of de specifieke kosten voor de cliënt in het concrete geval als algemeen gebruikelijke kosten kunnen worden aangemerkt. In uitzonderingsgevallen kan wel een verhuiskostenvergoeding in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt.

4.4.2.2 Criteria

Aard van de materialen of slechte staat onderhoud (artikel 3.3 Verordening).

Vloeien de problemen bij het normale gebruik van de woning voort uit de aard van de in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van het onderhoud, dan weigert het college de maatwerkvoorziening. Daarbij valt te denken aan astmatische klachten of allergische reactie door bepaalde vloerbedekking, een houten vloer die doorbuigt of vocht en tocht door achterstallig onderhoud van de woning.

Bij achterstallig onderhoud wordt van de cliënt verwacht dat hij zelf pogingen onderneemt om de gebreken te (laten) oplossen.

Dat betekent dat de cliënt bijvoorbeeld zijn verhuurder moet aanspreken en dat maatwerkvoorziening wordt afgewezen. Een afwijzing blijft achterwege als de cliënt regelmatig goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken (met name vocht- en schimmelproblemen) door de verhuurder te laten oplossen én er, het oog op de gezondheidstoestand van cliënt, binnen redelijkerwijs aanvaardbare tijd geen uitzicht is op het verhelpen van de problemen door de verhuurder.

Geen aanleiding voor verhuizen, tenzij belangrijke reden (artikel 3.3 lid 1 onder k Verordening).

Maatwerkvoorzieningen die het gevolg zijn van een verhuizing vanuit een voor de cliënt geschikte woning en waarvoor dus geen noodzaak bestaat, leiden tot afwijzing van een maatwerkvoorziening. Dat is anders indien er een belangrijke reden voor de verhuizing bestaat.

Onder belangrijke reden kan bijvoorbeeld worden verstaan: het gaan samenwonen, huwelijk of echtscheiding en het aanvaarden van werk op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is steeds afhankelijk van een weging van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de maatwerkvoorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vergen eigen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de cliënt vooraf contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst passende oplossing is.

Hoofdverblijf (artikel 3.3 Verordening)

De gemeente is alleen verplicht tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening indien de cliënt een

feitelijk woon- en verblijfadres heeft in de gemeente. De vraag in welke gemeente de cliënt woonplaats heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De BRP-gegevens vormen bij de bepaling van de woonplaats slechts een belangrijke aanwijzing, maar ze zijn niet doorslaggevend. Onder het begrip woonachtig moet worden verstaan hetgeen in het normale spraakgebruik daaronder wordt begrepen, te weten het hebben van een plaats waar iemand gewoonlijk verblijft en alwaar het centrum van diens dagelijkse sociale en economische activiteiten is gelegen. Het gaat dus om de feitelijke situatie. Bij het aanhouden van een postadres en het niet meer feitelijk verblijven in de gemeente, rust er geen verplichting op de gemeente.

In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan kinderen met beperkingen van gescheiden ouders, die in coouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situaties geldt een compensatieplicht in beide ouderlijke woningen (mits beide woningen ook daadwerkelijk in de gemeente zijn gesitueerd), en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Wel geldt onverkort dat gezocht dient te worden naar een reeds aangepaste woning of de goedkoopst aan te passen woning.

Gemeenschappelijke ruimten (artikel 3.3 Verordening)

De eigenaar van een wooncomplex is primair verantwoordelijk voor het aanbrengen van voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten. De gemeenschappelijke ruimten kunnen worden aangepast indien zonder deze aanpassingen de woonruimte voor de cliënt ontoegankelijk blijft en de eigenaar niet bereid is dit te financieren en schriftelijk heeft verklaard, dat er geen bezwaar is tegen het aanbrengen van de voorziening. De navolgende aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten komen in aanmerking voor vergoeding: automatische deuropeners, hellingbanen, extra trapleuningen, verbrede toegangsdeuren, vlonders en een opstelplaats voor de rolstoel. Overige voorzieningen aan gemeenschappelijke ruimten zijn in principe uitgesloten.

Verhuizen naar de beschikbare, meest geschikte woning (artikel 3.3 Verordening).

Uitgangspunt is dan dat de cliënt moet verhuizen naar een geschikte woning en indien geen geschikte woning beschikbaar is, naar de woning die het goedkoopst passend te maken is. Maatwerkvoorzieningen die worden aangevraagd naar aanleiding van een verhuizing naar een niet passende woning zullen worden afgewezen. In die niet passende woning zal de cliënt immers beperkingen ondervinden. Deze weigering leidt tot uitzondering als het college schriftelijk toestemming verleent aan de cliënt te verhuizen.

Renovatie of aanpassing aan de eisen van de tijd (artikel 3.3 Verordening).

Het louter renoveren van een woning of het aanpassen daarvan aan de eisen van de tijd (bijvoorbeeld het vervangen van een lavet door een douche) is de verantwoordelijkheid van de cliënt zelf of de woningcorporatie.

Eigenaar verantwoordelijk (artikel 3.3 Verordening).

Bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, mag soms wel meegenomen worden dat een cliënt daadwerkelijk aanspraak heeft op een voorziening op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst. Denk hierbij aan dat de woningeigenaar verantwoordelijk is voor het treffen van voorzieningen. Als een woning niet voldoet aan de op grond van wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen, geldende vereisten, dan hoeft er geen maatwerkvoorziening getroffen te worden.

Meerkosten bij nieuwbouw of renovatie (artikel 3.3 Verordening).

Ook wordt een woonvoorziening afgewezen indien de voorziening bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kan worden meegenomen.

Woonruimte die niet geschikt is voor permanente bewoning (artikel 3.3 Verordening).

De aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt geweigerd indien verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden. Naar het oordeel van de CRvB is dit toegestaan (zie ECLI:NL:CRVB:2011:BR4180). In een uitspraak heeft de CRvB geoordeeld dat het college een aanvraag terecht heeft afgewezen omdat een cliënt is verhuisd naar een sociaal pension. Een sociaal pension is volgens de CRvB een tijdelijke woonruimte en niet bestemd voor permanente bewoning.

Afschrijvingstermijnen (artikel 3.2 Verordening).

Indien er een beroep wordt gedaan op compensatie vanuit de wet zijn onderstaande afschrijvingstermijnen van belang voor het bepalen van de mate van compensatie. Indien de te vervangen voorziening is afgeschreven, bestaat er geen aanspraak op een vervangende voorziening. De onderstaande afschrijvingstermijnen zijn afgeleid van de afschrijvingstermijnen die de Huurcommissie hanteert 1 :*

Afschrijvingstermijn in jaren

Keuken

Vervangen keukeninstallaties

15

Sanitaire ruimten

Vervangen sanitair

25

Totale renovatie

Ingrijpende verbouwing met zowel verbetering als (groot) onderhoud

25

Bovenstaande afschrijvingstermijnen zijn richtlijnen, een en ander is mede afhankelijk van de kwaliteit van het materiaal en het uitvoeringsniveau. Van de genoemde afschrijvingstermijnen kan dus worden afgeweken als daartoe aanleiding is.

Zodra het convenant woningaanpassingen is afgesloten gelden de bepalingen zoals opgenomen in het convenant.

4.4.3 Veel voorkomende woonvoorzieningen

4.4.3.1 Woningaanpassingen en losse woonvoorzieningen

In deze paragraaf worden enkele voorkomende woningaanpassingen en losse woonvoorzieningen nader toegelicht en worden voorwaarden genoemd waaronder de cliënt aanspraak kan maken op de voorziening. Voor alle indicaties geldt dat wat vermeld staat onder de (selectie)factoren in de advisering tot uiting moet komen. De genoemde voorzieningen en (selectie)factoren zijn geen limitatieve opsomming.

Meestal zal een losse woonvoorziening een goedkoop en passend alternatief zijn voor een woningaanpassing. Een voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel kan ook een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook zal bij voorkeur met losse voorzieningen worden gewerkt in situaties waarin mensen wachten op opname in een zorginstelling of in andere situaties waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale situaties, maar ook situaties van mensen die in een slooppand wonen.

Kosten van woningaanpassingen.

  • 1.

    De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; Deze dient duidelijk gespecificeerd te worden per onderdeel in materiaal/materieelkosten en manuren. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten als subsidiabel aangemerkt.

  • 2.

    De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor vergoeding in aanmerking.

  • 3.

    Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in BNA 2005 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. Het betreft dan veelal de ingrijpendere woningaanpassingen.

  • 4.

    De kosten voor het toezicht op de uitvoering van woningaanpassingen welke meer bedragen dan € 6.806,-, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom.

  • 5.

    De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening.

  • 6.

    De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting.

  • 7.

    Renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen.

  • 8.

    De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen de oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, volgens eisen van redelijkheid en billijkheid.

  • 9.

    De door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn. Deze kostenverhogende werkzaamheden moeten vóór de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk of telefonisch, en bij de gereedmelding achteraf schriftelijk gemeld worden.

  • 10.

    De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing.

  • 11.

    De kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening.

  • 12.

    De administratiekosten die de verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de cliënt, voor zover de kosten onder 1 tot en met 11 meer dan € 1.000 bedragen, 10% van die kosten, met een maximum van € 340.

Programma van Eisen

In het programma van eisen staat aan welke eisen de woningaanpassing dient te voldoen qua afmeting en inrichtingselementen. Het is gebaseerd op de beperkingen van de cliënt waarbij tevens rekening wordt gehouden met gebruik van eventuele hulpmiddelen. Op basis van een programma van eisen wordt een situatieschets/ bouwtekening en kostenberekening gemaakt.

Duurder en groter is zeker toegestaan (mits de bouwregelgeving hierin niet belemmerd), maar dan komen de meerkosten hiervan voor rekening van de cliënt.

De woningeigenaar dient in dat geval een separate offerte en/of tekening te laten maken waarbij niet alleen de meerkosten in de offerte, maar ook de kosten van het laten maken van een 2e offerte en tekening voor rekening van de woningeigenaar is.

Dit geldt ook voor elementen/aanpassingen die niet zijn geïndiceerd, dus niet zijn opgenomen in het programma van eisen.

De woningaanpassing mag op de volgende punten afwijken van het programma van eisen:

  • a.

    Groter, d.w.z. méér vierkante meter dan de verstrekte indicatie.

    De geïndiceerde vierkante meters dienen in het programma van eisen te staan. De zogenaamde ‘overmaat’ t.o.v. de minimaal noodzakelijk afmetingen oppervlak wordt niet verstrekt. In deze Beleidsregels zijn de maximale aantal vierkante meter vastgelegd waarvoor voorziening kan worden verstrekt bij uitbreiding of aanbouw van ruimten. Als het gaat om uitbreiding of aanbouw van ruimten worden deze maxima aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt.

  • b.

    Duurder, d.w.z. wanneer:

    • het programma van eisen wordt uitgevoerd in combinatie met renovatie;

    • er gekozen wordt voor geen standaard materiaalgebruik maar meer luxe materiaalgebruik;

    • beleid verhuurder. Dit beleid kan soms afwijken van de standaard materiaalgebruik;

    • verstrijken/overschrijding afschrijvingstermijn van voorzieningen. Wanneer deze verstreken is, is vergoeding voor eigen rekening. Vergoeding van eventuele meerkosten kan wel plaatsvinden;

    • Het afwerking- en uitrustingsniveau.

    • Voor het vaststellen van de verstrekking geldt het uitgangspunt:

    • “De goedkoopst, passende oplossing”. Het uitrustingsniveau is het niveau van de sociale woningbouw. Daarnaast is het geldend Bouwbesluit leidend. Bij het realiseren van met name een nieuwe badkamer zijn soms voorzieningen nodig om het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw te ‘behalen’ terwijl deze mogelijk algemeen gebruikelijk zijn. Denk hierbij bijv. aan het tegelwerk, een standaard wastafel, kraan en toilet. Deels zijn de voorzieningen noodzakelijk om aan het Bouwbesluit te voldoen (bijv. tegelwerk) en soms zijn deze voorzieningen ook nodig voor bijv. verzorgers. In beide gevallen dienen de kosten hiervoor wel subsidiabel gesteld te worden.

De volgende kostenposten vallen in ieder geval buiten de verstrekking op grond van de wet.

Natte cel:

  • -

    de meerprijs van (antislip)vloertegels t.o.v. normprijs (€ 35,00);

  • -

    vierkante meters vloertegelwerk buiten het aantal geïndiceerde vierkante meters;

  • -

    de meerprijs van wandtegels t.o.v. normprijs (€ 25,00);

  • -

    vierkante meters wandtegelwerk buiten het aantal geïndiceerde vierkante meters;

  • -

    wandtegelwerk meer dan waar de tegels gesloopt zijn (enkel aanhelen tegelwerk);

  • -

    standaard of verhoogde toiletpotten (algemeen gebruikelijk);

  • -

    kranen (algemeen gebruikelijk, met uitzondering van de situatie als van bad naar douche wordt gegaan)

  • -

    inbouwleidingen bij bestaande aanpassingen (alleen opbouw);

  • -

    douchegordijnen, cabines of wanden;

  • -

    kitwerk tegelwerk in natte cel alleen verticaal kitwerk (de vloer wordt ingewassen met cement).

Wanden, vloeren en plafonds:

  • -

    afwerken/behangen wanden, alleen opleveren van de wanden ‘behangklaar’;

  • -

    afwerkingsniveau vloer is de cementdekvloer, mits anders geïndiceerd;

  • -

    het aflakken van binnenkozijnen, deuren, plintwerk en overig schilderwerk. Alles binnen opleveren in de grondverf! Buitenwerk 1x grondverf + 1 x aflakken;

  • -

    het schuurwerk in overige ruimten, alleen in de natte cel (wanden en plafond) komt het schuurwerk voor vergoeding in aanmerking indien noodzakelijk en in het programma van eisen staat aangegeven;

  • -

    het sauswerk in overige ruimten, alleen in de natte cel in verband met vocht waardoor schimmelvrije verf aangebracht dient te worden;

  • -

    sierpleisterwerk;

  • -

    spotjes, lichtarmaturen;

  • -

    vloerbedekking/gordijnen/zonwering (algemeen gebruikelijk!). Indien specifieke inrichtingselementen bij indicatie uitraaskamer noodzakelijk zijn, komen deze wel voor verstrekking in aanmerking;

  • -

    de meerprijs voor de gevelsteen t.o.v. normprijs.

CV en radiatoren:

  • -

    omtimmering radiator alleen in uitraaskamer mogelijk vergoed;

  • -

    de meerprijs voor een designradiator t.o.v. normprijs radiator;

  • -

    de meerprijs voor vloerverwarming t.o.v. normprijs radiator.

Ramen en deuren:

  • -

    meer dan één adequate toegang/buitendeur;

  • -

    daglicht toetreding meer dan norm (10 % van het oppervlak) en daglicht in niet-verblijfsruimtes (natte cel en uitraaskamer);

  • -

    glas met een hogere isolatiewaarde als H+;

  • -

    niet meer dan 1 bovenraambediening per verblijfsruimte bereikbaar te maken;

  • -

    lichtkoepel (behalve indien noodzakelijk i.v.m. lichttoetreding);

  • -

    raamkozijn is niet subsidiabel wanneer lichtkoepels goedkoper alternatief zijn (dit is veelal het geval bij verbouwing van bestaande bouw);

  • -

    de meerprijs voor aluminium kozijnen t.o.v. kunststof of houten kozijn;

  • -

    de meerprijs voor een (hef)schuifpui i.p.v. een draaideur;

  • -

    de meerprijs draaikiep beslag t.o.v. standaard draaibeslag / of vastraam met dauerluftung - wanneer er een aanbouw komt zijn ramen met dauerluftung het goedkoopst. Draai of draaikiep ramen worden niet vergoed.

Ventilatie:

  • -

    ventilatie in niet verblijfsruimtes.

Buitenwerk:

  • -

    het buitenlicht (bijv. bij terras);

  • -

    straatwerk > 26 m2 (pad tot toegang maximaal 20 m2 + terras 6 m2);

  • -

    buitenkraan verleggen alleen bij sloop bestaand t.b.v. aanbouw.

Algemeen:

  • -

    asbestsanering of sanering spaanplaat;

  • -

    luifel boven de toegangsdeur;

  • -

    post “onvoorzien werk/stelpost”. Als toelichting kan worden aangegeven dat achteraf beoordeeld wordt of onvoorzien werk alsnog voor vergoeding in aanmerking komt;

  • -

    geen boeiboorden (alleen als dat nodig is vanuit Welstand);

  • -

    alle gebreken van een woning;

  • -

    vervanging van technische mankementen;

  • -

    geen balustradeverhoging, behalve in combinatie met vlonder bij woningen die gebouwd zijn na 1998

  • -

    aanpassen van de buitenruimte (loggia, terras of balkon);

  • -

    compenseren van bergruimte die ten behoeve van de stalling van een scootermobiel komt te vervallen.

Keuken:

  • -

    sierlijsten;

  • -

    wandtegelwerk keuken > max. 6 m2;

  • -

    inbouwkast voor koelkast;

  • -

    sierfronten;

  • -

    meerprijs sokkelkast met lade (indien niet noodzakelijk) in vergelijk;

  • -

    met een eenvoudige sokkel t.b.v. de koelkast;

  • -

    provisiekast;

  • -

    inbouwspotjes;

  • -

    kastruimte boven een standaard keuken;

  • -

    apparatuur (kookbronnen; -afzuigkap; -magnetron -koelkast; -vaatwasser; e.d.).

De grootte (en/of kwaliteit) van de bestaande keuken is geen maat voor de vergoeding (c.q. grootte) van het vervangende aangepaste keukenblok. Ook hier geldt weer de norm sociale woningbouw (3 onder- en 3 bovenkastjes).

Uitbreiding van ruimten:

Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende maxima aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Er is sprake van een mogelijkheid tot aanbouw (er wordt een nieuwe ruimte gerealiseerd) en een mogelijkheid tot uitbreiding (een bestaande ruimte wordt uitgebreid). Uiteraard dient dat door een onafhankelijk adviserend arts (in principe de adviseur van de gemeente) aangegeven te worden:

Soort vertrek

Aanbouw

Uitbreiding

Woonkamer

30

6

Keuken

10

4

Eenpersoonsslaapkamer

10

4

Tweepersoonsslaapkamer

18

4

Toiletruimte

2

1

badkamer:

-wastafelruimte

-doucheruimte

2

3

1

2

entree/gang/hal

5

2

Berging

6

4

Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenverdieping, zal het college allereerst die situatie beoordelen, voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt.

Opstalverzekering

Bij het vergroten van de woning wordt er van uitgegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast. Indien in een woning een traplift, een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd was, dan kan als gevolg hiervan geen beroep op de wet worden gedaan.

4.4.3.2 Uitraasruimte

Een uitraasruimte is een prikkelarme verblijfsruimte waarin een cliënt die vanwege een aantoonbare gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen zonder lichamelijk gevaar voor zichzelf; alsmede om ouders/verzorgers in staat te stellen van buitenaf beter toezicht uit te oefenen (bijvoorbeeld door middel van een kijkgaatje).

Doelgroep

Kinderen of jong volwassenen met een psychische beperking waarbij niet te corrigeren ernstig ontremd gedrag optreedt, dat als fysieke uitingsvorm van een verstandelijke handicap een verhoogde kans oplevert op het bij het normale gebruik van de woning ontstaan van schade aan de lichamelijke gezondheid en wanneer dit risico van fysiek letsel niet kan worden beheerst door in redelijkheid te vergen oppas- of andere maatregelen.

Omvang

Een uitraasruimte met een afmeting van 5 m² voldoet aan de norm van het Bouwbesluit (minimale afmeting van een verblijfsruimte). Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast. Op individuele basis moet worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen.

Daarbij kan gedacht worden aan:

  • Een prikkelarme inrichting bevat als regel een zit- en een ligvoorziening.

  • De gebruikte materialen zijn deugdelijk, slagvast en kunnen niet losgetrokken worden.

  • De cliënt moet zich niet kunnen verwonden tijdens zijn verblijf in de uitraasruimte indien hij/zij automutilerend gedrag vertoont wat daartoe zou kunnen leiden.

Er bestaat geen noodzaak tot het verstrekken van een uitraasruimte indien er sprake is van een op handen zijnde uithuisplaatsing.

4.4.3.3 Woningsanering

Men kan in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget voor woningsanering die als gevolg van COPD (Chronic Obstructive Pulmonary Disease: chronische aandoeningen aan de luchtwegen) noodzakelijk is. Ook bij allergieën bijv. contactallergieën waarbij de klachten voortvloeien uit de aard van de gebruikte stoffen (bijv. contactallergieën tegen oplosmiddelen, verfstoffen, huismijt en dergelijke) behoort het treffen van voorzieningen tot de mogelijkheden. Sanering is slechts mogelijk als een duidelijke diagnose is gesteld door de huisarts of de longarts.

De noodzaak voor een woningsanering, wordt mede in relatie tot het levenspatroon en leefregels, de gehele woninginrichting en ventilatiemogelijkheden en -gedrag bepaald. Het college kan hierover advies vragen eventueel met inschakeling van een gespecialiseerde COPD-verpleegkundige.

Verwacht wordt dat de cliënt zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag verwacht worden dat de cliënt zelf maatregelen treft ter voorkoming van COPD-klachten. Vocht en tocht komen in iedere woning voor. Het wegnemen hiervan valt niet onder de compensatieplicht van de wet. Evenmin geldt dit voor slecht onderhoud, in of aan de woning gebruikte materialen waaruit mogelijke giftige stoffen vrijkomen (bijvoorbeeld formaldehyde-gas uit spaanplaat of asbestvezels bij asbestplaten), dan wel de giftige werking van het materiaal zelf.

In de regel kan een persoonsgebonden budget worden verstrekt indien:

  • de cliënt bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat COPD zou ontstaan/verergeren;

  • vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is;

  • het artikel niet (geheel) afgeschreven is. In het algemeen wordt uitgegaan van een afschrijvingstermijn van 10 jaar voor vloerbedekking en gordijnen.

Een persoonsgebonden budget wordt niet verstrekt indien:

  • 1.

    het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van cliënt leidt;

  • 2.

    cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert.

De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het slaapvertrek. De woonkamer kan ook worden gesaneerd indien de cliënt jonger is dan vier jaar. Ook kan het voor de gebruiker van een rolstoel noodzakelijk zijn dat de gewone vloerbedekking wordt vervangen door rolstoelvast tapijt. Ook dan kan woningsanering worden verstrekt. De woningsanering wordt alleen verstrekt aan personen waarbij het probleem zich acuut voordoet.

Bij een verhuizing wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt, omdat bij verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten.

4.5 VERPLAATSEN IN EN OM DE WONING

4.5.1 Omschrijving resultaat

Het verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijzen plaatsvinden: met een rollator, lopend met krukken, met een trippelstoel, of met een rolstoel. Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel onder de Wmo. Een rolstoel is een voorziening om het bestaande verplaatsingsprobleem in en om de woning te verminderen of op te heffen. Verplaatsen is vervoer over kleine afstanden, van enkele tientallen tot maximaal enkele honderden meters. Wie op grond van beperkingen geen andere mogelijkheid heeft dan zich verplaatsen met een rolstoel kan een rolstoel toegekend krijgen. De resultaatverplichting daarbij bestaat uit het zich kunnen verplaatsen, al dan niet met hulp van anderen.

4.5.2 Beoordelingskader

Bij het beoordelen van de aanspraak wordt gekeken naar het algemene beoordelingskader (zie 3.1.), de algemene toegangscriteria (zie 3.2) en algemene weigeringsgronden (zie 3.3). Daarnaast moet worden beoordeeld of de cliënt voldoet aan de geldende criteria.

4.5.2.1 Voorliggende voorzieningen (zie ook 3.1.5)

De Wlz is een voorliggende voorziening. Indien bewoners van een Wlz-instelling aanspraak kunnen maken op een Wlz-rolstoel, bestaat er geen recht op een Wmo-rolstoel.

4.5.2.2 Algemene voorzieningen (zie ook 3.1.7)

Een algemene rolstoelvoorziening biedt mogelijkheden voor die cliënten die een rolstoel niet dagelijks maar incidenteel nodig hebben. Te denken valt aan cliënten die in en om de woning geen hulpmiddelen nodig hebben of met andere loophulpmiddelen zich kunnen verplaatsen, terwijl uitsluitend tijdens een dagje uit, of een middagje winkelen de afstanden die worden afgelegd te groot worden zodat een rolstoel noodzakelijk is.

4.5.3 Rolstoel

4.5.3.1 Verstrekkingsvorm

Voor hen die (veel) vaker, met name (bijna) dagelijks, een rolstoel nodig hebben voor verplaatsing in en rond de woning kan een rolstoel toegekend worden. Dit kan als een voorziening in natura of als een persoonsgebonden budget.

Indien een scootmobiel is verstrekt, komt de cliënt niet in aanmerking voor een elektrische rolstoel.

4.6 LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL

4.6.1 Omschrijving resultaat

Een vervoersvoorziening is een voorziening ter compensatie van beperkingen bij het zich verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving. De directe woon- en leefomgeving kan het beste beschreven worden in te bereiken bestemmingen. Het gaat daarbij om 15-20 km rond de woning, dat is ongeveer 5 OV-zones. De cliënt moet 1500-2000 kilometer per jaar kunnen afleggen. Daarbij mag rekening gehouden worden met de combinatie van eventueel verstrekte individuele voorzieningen die zijn verstrekt.

4.6.2 Beoordelingskader

Bij het beoordelen van de aanspraak wordt gekeken naar het algemene beoordelingskader (zie 3.1), de algemene toegangscriteria (zie 3.23.2) en algemene weigeringsgronden (zie 3.33.1). Daarnaast moet worden beoordeeld of de cliënt voldoet aan de geldende criteria (zie 0).

4.6.2.1 Algemeen gebruikelijk (zie ook 3.1.6)

Er moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. Enkele voorzieningen zijn die vaak algemeen gebruikelijk zijn:

  • fiets met lage instap

  • automatische transmissie in auto

  • bromfiets

  • elektrisch aangedreven fiets

  • fiets

  • fiets met hulpmotor

  • snorfiets

  • bakfiets

  • tandem (met hulpmotor)

  • kinderbuggy

  • fietsbuggy/fietskar/fietszitje

  • autostoeltje

Bovenstaande opsomming is niet uitputtend.

4.6.2.2 Voldoet de cliënt aan de geldende criteria?

Openbaar vervoer bereikbaar en bruikbaar.

De cliënt komt in aanmerking voor een vervoersvoorziening indien hij het openbaar vervoer niet kan bereiken of gebruiken. Het criterium ‘bereiken van het openbaar vervoer’ is door de CRvB geoperationaliseerd middels het loopafstandscriterium “maximale” loopafstand van 800 meter. Kan de cliënt 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo lopen, dan wordt de cliënt in staat geacht het openbaar vervoer te kunnen bereiken. Kan de cliënt het openbaar vervoer bereiken, maar is het onmogelijk het openbaar vervoer te gebruiken, bijvoorbeeld omdat de cliënt niet in het openbaar vervoer kan komen, dan kan er aanleiding zijn wel een vervoersvoorziening te treffen.

Er vindt altijd een individuele beoordeling plaats, waarbij wordt gekeken naar de vervoersbehoefte, de daadwerkelijke afstand tot de halte etc.

4.6.3 Overige aspecten

4.6.3.1 Primaat collectief vervoer (artikel 3.4 Verordening)

Bij vervoersvoorzieningen geldt het primaat van het collectief vervoer. Dat betekent dat eerst wordt bekeken of de cliënt in staat is gebruik te maken van het collectief vervoer. Pas indien de cliënt geen gebruik daarvan kan maken of wanneer collectief vervoer geen passende voorziening is, wordt een andere maatwerkvoorziening verstrekt. De vraag of het collectief vervoer als voorziening voldoet aan de compensatieplicht, kan slechts beantwoord worden op grond van een onderzoek naar de (inventarisatie van) beperkingen, maar ook de persoonskenmerken en vervoersbehoeften van de cliënt. Er moet een afweging worden gemaakt tussen de vervoersmogelijkheden van het collectief vervoer en de kenmerken van de cliënt alsmede zijn beperkingen en vervoersbehoeften, rekening houdend met de vraag op welke wijze het behoud of het bevorderen van zelfredzaamheid of de deelname aan het maatschappelijk verkeer bereikt wordt.

4.6.3.2 Aanvullende vervoersvoorziening

In voorkomende gevallen is het alleen aanbieden van het collectief vervoer niet voldoende. Dat geldt voor personen die geen gebruik kunnen maken van een (snor-, brom-, of driewiel-)fiets en die maximaal 100 meter kunnen lopen. Deze personen komen in beginsel in aanmerking voor een aanvullende vervoersvoorziening die bedoeld is voor de korte afstanden.

Bij personen die geen gebruik kunnen maken van een (snor-, brom-, of driewiel-)fiets én meer dan 100 meter kunnen lopen, zal het college beoordelen of een aanvullende voorziening voor de korte afstand noodzakelijk is.

4.6.3.3 Vervoersbestemmingen

Het gaat in beginsel om verplaatsingen in het kader van het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer of te wel het vervoer in het kader van het leven van alledag. Dat zijn de verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen.

Recreatieve verplaatsingen

Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het treffen van een vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden.

Vervoer in verband met werk

Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen in verband met werk wordt eerst gekeken naar voorliggende voorzieningen. Voor mensen die in dienstbetrekking werken (en mogelijk voor zelfstandigen) zijn er voorliggende voorzieningen.

Vervoer in verband met het volgen van onderwijs

Voor het vervoer in verband met onderwijs zijn er voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving en voorzieningen die via het UWV worden verstrekt, de voormalige Wet-Rea-voorzieningen.

Vervoer van kinderen door ouders met een beperking

Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening worden gehouden met het verzorgen van kinderen door ouders met een beperking. Daarbij kan echter ook rekening worden gehouden met alternatieven voor vervoer door de ouders zelf, zo stelt de Centrale Raad van Beroep. Het naar school brengen van kinderen gebeurt vaak op toerbeurt door ouders en het valt niet in te zien dat ouders hier niet aan mee zouden kunnen doen. Een individuele afweging is noodzakelijk.

Begeleiding bij het vervoer van Wlz-bewoners

Bij begeleiding bij het vervoer van Wlz-bewoners kan rekening gehouden worden met de agogische taak van personeel van de instelling, met name bij gezinsvervangende tehuizen en ook bij grotere Wlz-instellingen. Ook kan beoordeeld worden of het vervoer begeleid zou kunnen worden door vrijwilligers, mits die gegarandeerd aanwezig zijn.

Bovenregionaal vervoer voor Wlz-bewoners

Uitgangspunt is een gelijke plicht tot verstrekking van vervoervoorzieningen aan Wlz-bewoners en overige bewoners van de gemeente. Dat betekent alleen vervoersvoorzieningen voor lokaal vervoer en slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende vereenzaming - voor bovenregionaal vervoer. De CRvB oordeelt dat uitgegaan mag worden van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van de ouders aan de instelling, de andere week bezoek van de Wlz-bewoners aan het ouderlijk huis.

Recreatief vervoer voor Wlz-bewoners vanuit het ouderlijk huis waar cliënt niet woont valt niet onder de wet. Dat is ook logisch, omdat dit het verplaatsen in de directe woonomgeving (wat immers de instelling is) ver te boven gaat.

4.6.4 Vervoersvoorziening

4.6.4.1 Soorten vervoersvoorzieningen

Bij het maken van de keuze gericht op het compenseren van beperkingen bij het verplaatsen per vervoermiddel moet ermee rekening gehouden worden dat deze in beginsel gericht is op het sociaal vervoer, ook wel “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving”. Bij het opstellen van een programma van eisen en de selectie moet rekening gehouden worden met de vervoersbehoefte, frequentie, de sociale en de medische omstandigheden.

In onderstaande is een overzicht van verschillende voorzieningen en aandachtspunten. De opsomming is niet limitatief.

Bij alle vervoersvoorzieningen gelden een aantal algemene uitgangspunten:

  • Gebruik van algemeen gebruikelijke voorzieningen is medisch gezien niet mogelijk.

  • Bij een individuele maatwerkvoorziening, zoals een driewielfiets of scootmobiel, moet er voldoende verkeersinzicht zijn om veilig aan het verkeer te kunnen deelnemen.

Bij individuele maatwerkvoorzieningen kan onder andere gedacht worden aan een scootmobiel, een driewielfiets, een bruikleenauto, een autoaanpassing of een gesloten buitenwagen.

Collectief vervoer

Collectief vervoer is vervoer van deur tot deur voor mensen met een beperking. Met collectief vervoer kan op een eenvoudige manier gereisd worden binnen de regio naar bijvoorbeeld familie, het winkelcentrum of naar het station. Collectief vervoer wil zeggen dat er zoveel mogelijk samen in dezelfde richting wordt gereisd. Door samen te reizen is het vervoer goedkoper dan individueel taxivervoer.

Aanvullende beoordelingscriteria

  • niet in staat zijn om in en uit te stappen bij het gebruik van het openbaar vervoer;

  • lijden aan een verstandelijke handicap/psychische problematiek (dus ook dementie);

  • lijden aan visuele problematiek (slechtziend/blind);

en daardoor niet zelfstandig (zonder begeleiding) gebruik kunnen maken van het Openbaar Vervoer.

Bij speciale gevallen, bij bijvoorbeeld psychische problemen, ernstige lichamelijke beperkingen kan Regiotaxi gecontraindiceerd zijn, waardoor individueel vervoer geïndiceerd zou kunnen zijn. Voor individueel vervoer zal in principe medisch advies opgevraagd worden.

Aantal zones

Dit is binnen het collectief vervoer vertaald in een toekenning van maximaal 590 zones per jaar. Een uitzondering op het aantal zones kan worden gemaakt vanwege de persoonlijke situatie of vervoersbehoefte van de cliënt. Zo kan een uitzondering worden gemaakt indien:

  • de partner van de cliënt in een instelling verblijft of

  • bij frequent bezoek aan ziekenhuis/arts/fysiotherapeut.

Bij het vaststellen van het aantal zones wordt gekeken naar de vervoersbehoefte van de cliënt. Daarbij wordt ook gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van andere voorzieningen of de leefsituatie van de cliënt. Daarbij kan gedacht worden aan de volgende mogelijkheden:

  • scootmobiel,

  • bewoning Wlz-instelling en

  • indicatie huishoudelijk hulp voor het doen van boodschappen of aanwezigheid boodschappenservice.

Indien de vervoersbehoefte deels op een andere wijze dan met collectief vervoer kan worden opgelost dan kan dit vertaald worden in zones en in mindering worden gebracht op het toe te kennen zonebudget. Er vanuit gaande dat daarmee wel aan de totale compensatie van 1500-2000 km op jaarbasis wordt voldaan.

Begeleiding

Het systeem voorziet in begeleiding: enerzijds ingeval sprake is van medisch noodzakelijke begeleiding tijdens de reis (verzorging, toediening van medicatie, noodzaak van voortdurende begeleiding) bestaat de mogelijkheid (na indicatie) om kosteloos één begeleider mee te laten reizen (niet persoonsgebonden). De cliënt die is aangewezen op medische begeleiding krijgt hiervan een vermelding op zijn of haar vervoerpas (de medisch begeleider heeft dus zelf geen vervoerpas nodig). Daarnaast bestaat de mogelijkheid om bij de NS een OV-begeleiderskaart aan te vragen op naam van de cliënt. Hierdoor wordt men in de gelegenheid gesteld altijd een persoon tijdens een rit met Omnibuzz gratis mee te laten reizen.

Scootmobiel/elektrische buitenrolstoel

Het gebruiksgebied van een scootmobiel of elektrische buitenrolstoel betreft de korte afstand en is derhalve aanvullend op het openbaar- en/of collectief vervoer.

Criteria

Een scootmobiel is geïndiceerd indien de cliënt:

  • -

    zonder begeleider zelf zijn bestemming kan bepalen en vinden;

  • -

    regelmatig korte afstanden buitenshuis moet afleggen;

  • -

    niet in staat is om in een rustig tempo 100 meter te kunnen lopen, fietsen of bromfietsen;

  • -

    tegen weersinvloeden bestand is gedurende een groot deel van het jaar;

  • -

    kan in- en uitstappen (overschuiven);

  • -

    een goede zitbalans heeft;

  • -

    beschikt over stallings- en opladingsmogelijkheden;

  • -

    het voertuig kan bedienen en besturen.

De verstrekking van een scootmobiel gaat voor op de verstrekking van een elektrische buitenrolstoel. Een elektrische buitenrolstoel wordt verstrekt als een scootmobiel gelet op beperkingen en/of vervoersbehoefte geen passende compensatie biedt.

Autoaanpassing

Primair is hierbij de vraag aan de orde of het mogelijk maken van het gebruik van de eigen auto een goedkopere oplossing is dan de verlening van andere compenserende vervoersvoorzieningen zoals collectief vervoer.

In het algemeen geldt dat de aan te passen auto niet ouder mag zijn dan 3 jaar. De aanpassingen moeten nog 5 tot 7 jaar meegaan. Is een auto ouder dan 3 jaar, dan dient een onderzoek ingesteld te worden naar de technische staat en de te verwachten levensduur van de auto.

Om te bepalen welke aanpassingen in aanmerking komen voor vergoeding, dient te worden uitgegaan van de zgn. restreints op het rijbewijs van de persoon met beperkingen (beperkende bepalingen, zoals vastgesteld door het Centraal Bureau Rijvaardigheid). Zonder deze aanpassingen aan het voertuig mag de cliënt niet aan het verkeer deelnemen. Ook de keuringskosten van de auto na aanpassing (indien noodzakelijk) komen voor vergoeding in aanmerking.

De kosten van automatische transmissie, stuurbekrachtiging, airco, trekhaak, cruisecontrol, raamblindering en elektrische raambediening komen niet voor vergoeding in aanmerking (algemeen gebruikelijk).

Fietsen in bijzondere uitvoering

De fietsen die worden verstrekt zijn over het algemeen fietsen waarvan een persoon zonder beperkingen geen gebruik hoeft te maken. Dergelijke fietsen kunnen ook verstrekt worden bij een loopafstand van meer dan 800 meter. Bij personen tot en met 17 jaar worden dergelijke fietsen verstrekt in bruikleen, aangezien zij vanwege groei regelmatig een grotere fiets nodig hebben. Vanaf 18 jaar (volwassen model) worden deze fietsen in de regel in eigendom verstrekt. Voorbeelden van fietsen in bijzondere uitvoering zijn:

driewielfiets, duo-fiets, verlengde fiets, rolstoelfiets, aankoppelfiets.

Een aantal bijzondere fietsen zijn algemeen gebruikelijk en worden derhalve niet verstrekt of vergoed. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de elektrische fiets, de spartamet, de tandem, de tandemet en de fiets

met verlaagde instap.

4.6.4.2.1 Vorm van de voorziening

Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen kan onderscheid gemaakt worden tussen twee vormen:

  • vervoersvoorziening in natura:

    collectief vervoer wordt in natura verstrekt.

  • vervoersvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget: een persoonsgebonden budget is niet mogelijk indien de cliënt is aangewezen op collectief vervoer.

4.7 HEBBEN VAN CONTACTEN EN DEELNAME RECREATIEVE, MAATSCHAPPELIJKE EN RELIGIEUZE ACTIVITEITEN

4.7.1 Omschrijving resultaat

Het resultaat “hebben van contacten en deelname aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten” is een heel algemene. Het gaat daarbij om de mogelijkheid deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Een belangrijke voorwaarde hiervoor zit in andere te bereiken resultaten, zoals het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.

Hierbij geldt dat niet aan alle wensen van de cliënt tegemoet hoeft te worden gekomen. Als de cliënt op andere wijze ook kan deelnemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten dan bestaat er geen noodzaak voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening.

4.7.2 Aanspraak

Bij het beoordelen van de aanspraak wordt gekeken naar het algemene beoordelingskader (zie 3.1) de algemene toegangscriteria (zie 3.2) en algemene weigeringsgronden (zie 3.3).

4.7.3 De voorzieningen

De maatwerkvoorzieningen, die onder dit resultaat aan de orde kunnen zijn, zijn bijvoorbeeld de verstrekking van:

  • een sportrolstoel;

  • het bezoekbaar van één woning voor een cliënt die in een Wlz-instelling verblijft.

4.7.3.1 Sportrolstoel

Algemene voorziening

Roermond heeft een algemene subsidieregeling voor sportvoorzieningen voor mensen met beperkingen. Uitgangspunt is dat 50% van de kosten tot een maximumbedrag ad. € 5.000,- voor een periode van 5 jaar beschikbaar kan worden gesteld.

Sportrolstoel

Het is mogelijk om in aanmerking te komen voor een sportrolstoel. Voor een sportrolstoel komt een cliënt in aanmerking als sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk is door beperkingen. Dit om het ook mogelijk te maken aan niet-rolstoelgebruikers via een sportrolstoel aan sport te kunnen doen.

Het gebruik van een sportrolstoel voor teamsporten is helder. Daarnaast zijn er ook individuele sporten (marathon bijvoorbeeld) waar men een sportrolstoel voor aan zal vragen. Recreatieve activiteiten worden niet onder sport gerekend. Om deze reden wordt wel de eis gesteld dat de cliënt actief lid is van een gehandicaptensportvereniging.

Er moet op gewezen worden dat bij veel gehandicaptensportvereniging de mogelijkheid bestaat een sportrolstoel te lenen om uit te proberen of een bepaalde sport die aantrekkelijk lijkt ook bij iemand past. Dit kan nuttig zijn om te voorkomen dat een aangeschafte rolstoel uiteindelijk niet of nauwelijks gebruikt wordt.

Topsport zal net als bij niet-gehandicapten, vaak hoge uitgaven vergen voor sporthulpmiddelen. Deze regeling is daar niet voor bedoeld. Topsport zal vaak een beroep op sponsoring noodzakelijk maken.

Vorm van de toekenning

De sportrolstoel wordt toegekend in:

  • -

    natura of

  • -

    de vorm van een persoonsgebonden budget.

Bij het persoonsgebonden budget is een deel als bijdrage in de aanschaf van een sportrolstoel bedoeld en een deel voor onderhoud. In uitzonderlijke situaties, waarin bijvoorbeeld een elektrische rolstoel noodzakelijk is voor sport, kan met behulp van een beroep op de hardheidsclausule een hoger bedrag worden verstrekt. Dat zal mogelijk zijn als het inkomen de aanschaf van een elektrische sportrolstoel met een persoonsgebonden budget niet mogelijk maakt. Een uitgebreide individuele beoordeling is hiervoor noodzakelijk.

Het persoonsgebonden budget is een bedrag waarmee voor een periode van 3 jaar een sportrolstoel aangeschaft en onderhouden kan worden. Na afloop van de periode van 3 jaar, volgt geen automatische vervanging van de sportrolstoel, maar zal, bij het verzoek tot vervanging, een beoordeling plaatsvinden van de technische staat van de sportrolstoel. Afhankelijk daarvan wordt al dan niet overgegaan tot verstrekking van een nieuwe vergoeding.

4.7.3.2 Bezoekbaar maken

Het college kan, indien de cliënt in een Wlz-instelling verblijft, bijdragen aan het bezoekbaar maken van één woning in de gemeente. Het bezoekbaar maken geldt voor cliënten die geen ingezetene zijn, maar een woning in de gemeente willen bezoeken. Het betreft hier dan ook een buitenwettelijke voorziening.

Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het middels een woonvoorziening bewerkstelligen dat de cliënt de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken bij een bezoek.

HOOFDSTUK 5 NATURA EN PERSOONSGEBONDEN BUDGET

5.1 INLEIDING

Op basis van de wet zijn er twee verstrekkingsvormen voor maatwerkvoorzieningen. De eerste mogelijkheid is de voorziening in natura. Een voorziening in natura is een voorziening die bestaat uit goederen of diensten (niet uit geld). Bij een voorziening in natura hoeft de belanghebbende niets te regelen, de gemeente regelt de levering c.q. verstrekking van de voorziening. Een voorziening in natura kan worden verstrekt in eigendom, in bruikleen of in de vorm van persoonlijke dienstverlening.

De tweede mogelijkheid is de in de wet verplicht gestelde mogelijkheid een alternatief te ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget.

5.2 AFWEGINGSKADER

5.2.1 De voorziening in natura

Een voorziening in natura wordt door het college bij beschikking verstrekt. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt.

5.2.2 Het persoonsgebonden budget

Een persoonsgebonden budget is een geldbedrag waarmee maatwerkvoorzieningen kunnen worden aangeschaft of betaald. Het college bepaalt of een persoonsgebonden budget wordt toegekend. In artikel 2.3.6. lid 2 van de wet is aangegeven wanneer het college een persoonsgebonden budget kan verstrekken:

  • 1.

    client kan op eigen kracht of met hulp de taken behorende bij het pgb uitvoeren

  • 2.

    client zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij een pgb wenst;

  • 3.

    de aan te schaffen diensten of voorzieningen dienen veilig, doeltreffend en clientgericht te zijn.

Op grond van artikel 2.3.6. lid 5 van de wet kan het college een persoonsgebonden budget weigeren als de kosten hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura en als het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a (onjuiste of onvolledige gegevens),d (niet voldaan aan de voorwaarden en e (voor een ander doel gebruikt).

  • Schulden en of schuldsanering

    Beoordeeld moet worden of een cliënt dusdanig in de financiële problemen zit dat bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget de verwachting bestaat dat deze verkeerd gebruikt kan worden al dan niet met opzet. Immers zal verstrekking van een pgb in dergelijke situaties tot vergroting van de problematiek leiden. Een belangrijk aspect bij deze problematiek is de aanwezigheid van een financiële bewindvoerder. Is er een financiële bewindvoerder aanwezig dan kan een persoonsgebonden budget toch een optie zijn.

  • Verslaving

    Bij verslavingsproblematiek is er vaak sprake van ongecontroleerde uitgaven en verwaarlozing van de financiële situatie waarbij het verstrekken van een pgb een risico kan vormen en dus een inadequate verstrekking is. Ook hier is het belangrijk of er sprake is van een financiële bewindvoerder, is er een financiële bewindvoerder aanwezig dan kan een persoonsgebonden budget toch een optie zijn.

Hoogte persoonsgebonden budget

Het college bepaalt de hoogte van het persoonsgebonden budget. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen persoonsgebonden budget voor diensten en persoonsgebonden budget voor de aanschaf van voorzieningen. De hoogte van het persoonsgebonden budget is geregeld in het Besluit.

Algemene verplichtingen persoonsgebonden budget

Bij de verlening van het persoonsgebonden budget gelden in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    Het persoonsgebonden budget wordt uitsluitend betaalbaar gesteld voor kosten van de geïndiceerde voorziening/geleverde zorguren (incl. vakantiegeld en vakantie-uren; een maandloon is niet toegestaan).

  • b.

    De ingekochte voorziening dient adequaat, veilig, doelmatig, cliëntgericht en kwalitatief verantwoord te zijn.

  • c.

    De cliënt dient indien nodig een particuliere aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten voor schade die door het gebruik van de voorziening aan derden kan ontstaan.

  • d.

    De cliënt bewaart de rekening(en) en betalingsbewijs (betalingsbewijzen) van de ingekochte voorziening gedurende vijf jaar of, indien de normale afschrijvingsduur langer is dan deze termijn, overeenkomstig deze langere termijn en stelt deze desgevraagd ter beschikking van burgemeester en wethouders.

  • e.

    Een voorziening aangeschaft met een persoonsgebonden budget kan, zodra deze voorziening niet meer gebruikt wordt, onder verrekening van eventueel ingebrachte eigen middelen, worden opgehaald en voor herverstrekking beschikbaar worden gesteld.

Beschikking

Bij beschikking maakt het college zijn besluit aan de cliënt bekend. In deze beschikking vermeldt het college wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget is bedoeld. Tevens worden in een bijlage de voorwaarden die behoren bij het pgb verstrekt. In de beschikking dient te worden vermeld voor welk doel of activiteit het pgb wordt verstrekt. Het staat de cliënt vrij om het pgb te besteden op de door hem gewenste wijze, zolang het wordt besteed aan het vooraf bepaalde doel of activiteit. Als de kwaliteit van de in te kopen ondersteuning naar het oordeel van het college niet is gewaarborgd, wordt er geen pgb verstrekt en/of uitbetaald.

Betaling

Zodra de beschikking door het college is verzonden, wordt het persoonsgebonden budget beschikbaar gesteld aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB betaalt de leverancier/zorgaanbieder nadat de facturen en/of overeenkomsten zijn ingediend. Voor wat betreft de eenmalige pgb’s is een uitzondering gemaakt. Deze pgb’s zijn door middel van een mandaatovereenkomst tussen SVB en gemeente onttrokken aan het trekkingsrecht.

HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE IN DE KOSTEN

(HOOFDSTUK 4 VERORDENING)

Bij alle maatwerkvoorzieningen is een bijdrage in de kosten verschuldigd, met uitzondering van:

  • Rolstoelen

  • Voorzieningen voor personen jonger dan 18 jaar;

Let op: voor woningaanpassingen is wel een bijdrage verschuldigd, deze wordt van de ouder(s) gevraagd, waarbij het inkomen van de ouders uitgangspunt is voor de berekening van de eigen bijdrage.

Voor de volgende voorzieningen wordt eveneens geen bijdrage gevraagd:

  • -

    huurderving

  • -

    tijdelijke huisvesting

  • -

    vergoeding onderhouds- en reparatiekosten elektrisch beweegbare voorzieningen

  • -

    collectief vervoer (bijdrage wordt betaald aan Omnibuzz)

  • -

    aanpassingen/accessoires aan hulpmiddelen

  • -

    handzenders

Het college kondigt in de beschikking aan dat een bijdrage in de kosten verschuldigd kan zijn. Vaststelling van de hoogte en inning gebeuren door het CAK.

HOOFDSTUK 7 BEËINDIGEN, INTREKKEN, HERZIEN EN TERUGVORDEREN

(HOODSTUK 7 VERORDENING)

7.1 ALGEMEEN

De wet maakt geen duidelijk onderscheid tussen enerzijds beëindiging en anderzijds intrekking en herziening. Bij beëindiging is sprake indien de aanspraak op een maatwerkvoorziening wordt aangetast met ingang van het heden of naar de toekomst toe. Het ongedaan maken van de aanspraak op een Wmo-voorzieningen over een periode in het verleden, wordt intrekken genoemd. Herzien is het over een periode in het verleden afwijkend vaststellen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.

Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking en herziening, geen terugwerkende kracht. Het college moet, voordat het besluit tot intrekking van een voorziening, een afweging maken tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen, waarbij het belang van de cliënt om te participeren zwaar dient te wegen.

7.2 TERUGVORDEREN

Artikel 7.2.1 Bevoegdheid tot terugvordering

Er bestaat voor het college geen verplichting tot terugvordering, maar een discretionaire bevoegdheid. Het besluit al dan niet daadwerkelijk terug te vorderen is aan het college. Die beslissing vereist een belangenafweging (artikel 3:4 Awb). Welke belangen precies een rol spelen en hoe die dienen te worden afgewogen tegen het algemene belang van een rechtmatige besteding van gemeenschapsgelden is sterk afhankelijk van de casus.

Het besluit tot herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde terugvordering biedt geen executoriale titel, met uitzondering van de terugvordering op grond van de wet (de cliënt heeft opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt). Er is dan sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt.

7.2.2 Terugvordering voorziening in natura

Op grond van artikel 7.3 Verordening kan het college besluiten de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura terug te vorderen. Voor de vaststelling van de geldwaarde van de maatwerkvoorziening gaat het college uit van de dagwaarde. Hierbij wordt de beginwaarde van de maatwerkvoorziening gerelateerd aan en reële afschrijvingsduur.

HOOFDSTUK 8 CONTROLE KLACHTAFHANDELING AANBIEDERS

(HOOFDSTUK 6 VERORDENING)

Het college ziet toe op de naleving van de klachtenregeling van aanbieders. Het college controleert in ieder geval of de aanbieders een klachtenregeling hebben. Daarnaast controleert het college steekproefsgewijs of klachten zorgvuldig worden afgehandeld. Tot slot moeten de aanbieders periodiek een managementrapportage inzake de klachten overleggen.

HOOFDSTUK 9 WAARDERING MANTELZORGERS

(ARTIKEL 9.1 VERORDENING)

De waardering voor de mantelzorger wordt verstrekt aan één mantelzorger per ingezetene van de gemeente. De vorm en de hoogte is vastgesteld op:

  • -

    een bioscoopbon ter waarde van € 40,- voor jonge(re) mantelzorgers in de leeftijd van 12 tot en met 17 jaar;

  • -

    een éénmalige geldelijke waardering ten bedrage van € 175,- voor volwassen mantelzorgers (vanaf 18 jaar).

HOOFDSTUK 10 TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN

(ARTIKEL 9.2 VERORDENING)

Het college heeft Nadere regels voor wat betreft de tegemoetkoming meerkosten vastgesteld. Deze zijn in een separaat document voorgelegd aan en vastgesteld door het college.

Bijlage 1 NORMERINGSKADER HULP BIJ HET HUISHOUDEN

1.1 Boodschappen 

Boodschappenservice is algemeen gebruikelijk, beschikbaar en bruikbaar

Regieprobleem of niet in staat boodschappenlijst op te stellen, op te ruimen 15 minuten

indien geen boodschappenservice beschikbaar/ bruikbaar 60 minuten

1.2 Bereiding Broodmaaltijd 

Bereiden, koffie/thee, klaarzetten, opruimen, afwassen per keer 15 minuten max. 2 x per dag

1.3 Warme maaltijd 

Maaltijdservice / kant en klaar maaltijden algemeen gebruikelijk

Opwarmen klaarzetten, opruimen, afwassen 15 minuten

Warme maaltijd bereiden (specifiek dieet, gezin met jonge kinderen < 12) 30 minuten

1.4 Licht huishoudelijk werk, stof afnemen, opruimen 

Woning met 2 slk, of minder in dagelijks gebruik 40 minuten

Woning met 3 slk of meer in dagelijks gebruik 60 minuten

1.5 Zwaar huishoudelijk werk, stofzuigen, dweilen, bedden verschonen 

Woning met 1 slaapkamer: 70 minuten

Woning met 2 slaapkamers: 75 minuten

• Waarvan 1 in gebruik: 70 + 5 = 75 minuten

• Waarvan 2 in gebruik: 70 + 5 = 75 minuten

Woning met 3 slaapkamers:

• Waarvan 1 in gebruik: 70 + 5 + 5 = 80 minuten

• Waarvan 2 in gebruik: 70 + 5 + 5 = 80 minuten

• Waarvan 3 in gebruik: 100 minuten

Woning met vier slaapkamers:

• Waarvan 1 in gebruik: 70 + 5 + 5 = 80 minuten

• Waarvan 2 in gebruik: 70 + 5 + 5 = 80 minuten

• Waarvan 3 in gebruik: 100 + 5 = 105 minuten

• Waarvan 4 in gebruik: 100 + 5 = 105 minuten

Trappenhuis in woning 30 minuten

Ramen wassen (binnenkant 1x per kwartaal) 5 minuten

Aanwezigheid kinderen < 12 meerzorg, per kind 15 minuten

Hoge vervuilingsgraad t.g.v. de beperking meerzorg 30 minuten

1.6 Wasverzorging, sorteren, wassen, drogen, vouwen, strijken, opbergen 

Eenpersoonshuishouden 45 minuten

Twee persoonshuishouden 60 minuten

Kinderen < 16 meerzorg, per kind 15 minuten

1.7 Organisatie van het huishouden, begeleiden bij uitvoering 

Advies, instructie en voorlichting 30 minuten

Organisatie van het huishouden is altijd HBH2

1.8 Verzorging en/of tijdelijke opvang van kinderen 

Indien er sprake is van uitval van de ouder in een éénoudergezin, of beide ouders ondervinden beperkingen in de opvang en verzorging van de kinderen, wordt eerst nagegaan welke opvang mantelzorg (of vrijwilligers als vervangende mantelzorg) op zich neemt, of welke algemeen gebruikelijke voorzieningen en voorliggende voorzieningen kunnen opvangen.

Gebruik van kinderopvang/ crèche als voorliggende voorziening voor oppas van gezonde kinderen tot 5 dagen per week is redelijk. Indien de consulent zich ervan heeft vergewist dat de voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen niet aanwezig of niet toepasbaar zijn of zijn uitgeput, is bij uitval van de ouder in een éénoudergezin afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind, een advies voor hulp bij het huishouden mogelijk. Deze indicatie kan tot 40 uur per week afgegeven worden voor oppas en opvang van gezonde kinderen. Een dergelijke indicatie is in principe van korte duur (maximaal 3 maanden), de periode waarin een eigen oplossing moet worden gevonden.

- Max. 40 uur per week

De grondslag ligt bij de ouder. Deze is tijdelijk niet in staat om de ouderrol op zich te nemen.

Kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- en naschoolse opvang) is altijd voorliggend. 

Een kind van 3 maanden of ouder kan gebruik maken van een kinderdagverblijf voor max. 5 dagen.

Voor kinderen tot en met 7 jaar geldt:

Naar bed brengen/uit bed halen 10 minuten per keer per kind

Wassen en kleden 20 minuten per dag per kind

Eten en/of drinken geven 20 minuten per broodmaaltijd

20 minuten per warme maaltijd 

Babyvoeding: flesje 20 minuten per keer

Luier verschonen 5 minuten per keer

Naar school/crèche brengen 15 minuten per keer

Het is mogelijk om taken te combineren. Als kinderen op hetzelfde tijdstip naar bed gaan, telt dat voor 1 keer en niet per kind. De frequentie is gerelateerd aan de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind.

Factoren meerzorg: gedragsproblematiek bij kinderen

Factoren meer/minder zorg: leeftijd van de kinderen

Maximale duur voor de opvang is 3 maanden en bedraagt maximaal 40 uur per week. 

Verzorging en/of tijdelijke opvang van kinderen is altijd Hbh 2. 

1.9 Incidenteel grondig werk 

Bandbreedte geïndiceerde uren per week

Beschikbare uren per kalenderjaar

0 tot 3 uur

9

3 tot 4,5 uur

11

Vanaf 4,5

13

  

Toekenning extra uren 

De toekenning van de extra uren geldt niet in alle gevallen. Onderstaand overzicht laat zien hoe er zal worden omgegaan met de toekenning van de extra uren.

  

Langdurige indicatie

Bij een langdurige indicatie wordt de toekenning van extra uren automatisch meegenomen in het besluit. Wel dient de klantmanager in het rapport aan te geven dat er extra uren worden geïndiceerd voor ‘incidenteel grondig werk’.

Kortdurende indicatie

Bij een kortdurende indicatie wordt de toekenning van extra uren niet automatisch meegenomen in het besluit. De klantmanager dient een afweging te maken of de extra uren worden ingezet en dient dit te motiveren in het rapport.

Tijdelijke ophoging

Bij een tijdelijke ophoging van de indicatie wordt de toekenning van extra uren niet automatisch meegenomen in het besluit. De klantmanager dient een afweging te maken of de extra uren worden ingezet en dient dit te motiveren in het rapport.

Beëindiging

Bij een beëindiging blijft het volledig toegekende aantal extra uren instant. Het staat de cliënt vrij de extra uren aan het begin van de indicatie volledig te gebruiken.

Wijzigingen (bv bij verhuizing / overlijden partner

Bij een wijziging blijft het volledig toegekende aantal extra uren instant. Het staat de cliënt vrij de extra uren aan het begin van de indicatie volledig te gebruiken.

 

Indien de toekenning (langdurig / kortdurend / tijdelijk) NIET op 1 januari van het kalenderjaar begint, zal de toekenning van de extra uren per kwartaal worden berekend, zie onderstaand schema.

 

Toekenning per kwartaal  

Aantal kwartalen (inclusief start kwartaal)

Extra uren

0 tot 3 uur

Extra uren

3 tot 4,5 uur

Extra uren

Vanaf 4,5 uur

1

(Oktober – December)

2 uur 15 minuten

2 uur 45 minuten

3 uur 15 minuten

2

(Juli – September)

4 uur 30 minuten

5 uur 30 minuten

6 uur 30 minuten

3

(April – Juni)

6 uur 45 minuten

8 uur 15 minuten

9 uur 45 minuten

4

(Januari – Maart)

9 uur

11 uur

13 uur


Noot
1 :
Noot
*

http://www.huurcommissie.nl/uploads/media/Beleid_huurverhoging_na_woningverbetering.pdf