Gemeenschappelijke regeling Bestuursacademie Zuid-Holland

Geldend van 01-01-1990 t/m heden

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling Bestuursacademie Zuid-Holland

Gemeenteblad 1990 Nr. 14

Gemeenschappelijke regeling Bestuursacademie Zuid-Holland

Provinciale Staten van Zuid-Holland;

de raden van de gemeenten……………;

de waterschappen in de provincie Zuid-Holland, t.w. ……………..;

gelezen de voorstellen van burgemeester en wethouders van Rotterdam (Verzameling gedrukte stukken 1988, volgnr. 237 en 1989, volgnr. 98 (A.P.O. nr. 88/2899);

gelet op het bepaalde in de Wet gemeenschappelijke regelingen en de provinciewet;

Besluiten:

aan te gaan de volgende

Gemeenschappelijke regeling ‘Bestuursacdemie Zuid-Holland’

Hoofdstuk 1: Begripsbepalingen

Artikel 1

  • 1. In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      de regeling: deze gemeenschappelijke regeling;

    • b.

      de deelnemer: de aan deze regeling deelnemende provincie Zuid-Holland, een deelnemende gemeente of een deelnemend waterschap;

    • c.

      het lichaam: het openbaar lichaam ‘Bestuursacademie Zuid-Holland’, bedoeld in artikel 2 van deze regeling;

    • d.

      de bestuursacademie: de onderwijsinrichting voor het verzorgen van de opleiding en vorming tot de openbare dienst, alsmede de herscholing en bijscholing van medewerkers, in dienst van openbare lichamen;

    • e.

      de wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • f.

      de bevoegde organen van de deelnemers:

      • ·

        Provinciale Staten van Zuid-Holland;

      • ·

        de raad van een deelnemende gemeente;

      • ·

        het bestuur van een deelnemend Waterschap;

    • g.

      Gedeputeerde Staten: het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland.

  • 2. In gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, is het bepaalde in de provinciewet van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Waar in deze regeling artikelen van de gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, wordt in die artikelen voor de gemeenten, de raad, burgemeester en wethouders en de burgemeester onderscheidenlijk gelezen het lichaam, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Hoofdstuk 2: Het openbaar lichaam

Artikel 2

  • 1. Er is een openbaar lichaam, genaamd ‘De Bestuursacademie Zuid-Holland’, gevestigd te ’s- Gravenhage.

  • 2. Het rechtsgebied van het lichaam omvat het grondgebied van de provincie ZuidHolland.

Artikel 3

Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit:

  • a.

    het algemeen bestuur;

  • b.

    het dagelijks bestuur;

  • c.

    de voorzitter.

Hoofdstuk 3: De te behartigen belangen

Artikel 4

  • 1. De Bestuursacademie Zuid-Holland wordt ingesteld en in stand gehouden ter behartiging en verzorging van de gemeenschappelijke belangen van de deelnemers op het gebied van de opleiding en vorming ten behoeve van de openbare bestuursdienst in de ruimste zin genomen.

  • 2. Ter behartiging en verzorging van de gemeenschappelijke belangen als bedoeld in het eerste lid kan het lichaam:

    • a.

      deelnemen aan gemeenschappelijke regelingen, privaatrechtelijke rechtspersonen en andere vormen van samenwerking, die in het belang zijn van het bestuursdienstonderwijs;

    • b.

      privaatrechtelijke rechtspersonen oprichten in het onder a. genoemde belang.

  • 3. Onder de behartiging van de in de vorige leden genoemde belangen wordt in elk geval begrepen het deelnemen aan, in stand houden van en het samen met andere academies bekostigen van een landelijke vorm van samenwerking voor het bestuursdienstonderwijs.

Hoofdstuk 4: Het algemeen bestuur

Artikel 5

  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat uit 21 leden.

  • 2.

    Zeventien leden van het algemeen bestuur worden aangewezen door de raden van de deelnemende gemeenten, op voordracht van het bestuur van de Vereniging van Zuidhollandse Gemeenten, waarbij de volgende groepsindeling geldt en waarbij is aangegeven het aantal leden, dat per groep wordt aangewezen.

Groep 1: De gemeenten met een inwonertal tot 10.000 - 4 leden;

Groep 2: De gemeenten van 10.001 tot 25.000 inwoners - 6 leden;

Groep 3: De gemeenten van 25.001 tot 50.000 inwoners - 2 leden;

Groep 4: De gemeenten van 50.001 tot 100.000 inwoners - 2 leden;

Groep 5: De gemeenten van 100.001 tot 400.000 inwoners - 1 lid;

Groep 6: De gemeenten met meer dan 400.000 inwoners - 2 leden.

  • 3.

    Lid van het algemeen bestuur als bedoeld in het tweede lid kan zijn een lid van een gemeenteraad, alsmede de voorzitter van een gemeenteraad of de secretaris van een gemeente, behorende tot de groep, waartoe de desbetreffende gemeente naar inwonertal behoort.

  • 4.

    Twee leden van het algemeen bestuur worden aangewezen door Provinciale Staten van Zuid- Holland.

  • 5.

    Lid van het algemeen bestuur als bedoeld in het vierde lid kan zijn een lid van Provinciale Staten, de voorzitter van Provinciale Staten, de voorzitter van Provinciale Staten of de griffier der Staten.

  • 6.

    Twee leden van het algemeen bestuur worden aangewezen door de algemene besturen van de deelnemende waterschappen in Zuid-Holland op voordracht van het bestuur van de Zuid-Hollandse Waterschapsbond.

  • 7.

    Lid van het algemeen bestuur als bedoeld in het zesde lid kan zijn een lid van het bestuur van een deelnemend waterschap, alsmede de voorzitter of de secretaris van dat bestuur.

Artikel 6

  • 1. De leden van het algemeen bestuur bedoeld in artikel 5, de leden 2 en 6, treden af op de dag, dat de leden van een gemeenteraad aftreden.

  • 2. De leden van het algemeen bestuur bedoeld in artikel 5, lid 4, treden af op de dag dat de leden van provinciale staten aftreden.

  • 3. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid van het algemeen bestuur worden aangewezen.

  • 4. Indien tussentijds een plaats van een lid van het algemeen bestuur open valt, wijzen de gemeenteraden van de groep, waarin de vacature is ontstaan, op voordracht van het bestuur van de Vereniging van Zuidhollandse Gemeenten, zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan. Ten aanzien van de in artikel 5, vierde en zesde lid bedoelde leden geldt, dat de aldaar genoemde besturen zo spoedig mogelijk in de vacature voorzien.

  • 5. Een tussentijds benoemd lid treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij/zij is benoemd, had moeten aftreden.

Artikel 7

  • 1. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij geven daarvan onverwijld kennis aan de voorzitter van het algemeen bestuur. Een aftredend lid behoudt de hoedanigheid van lid tot het tijdstip, dat zijn opvolger is benoemd.

  • 2. Bij periodieke aftreding blijven de leden van het algemeen en van het dagelijks bestuur als zodanig in functie, totdat in hun opvolging is voorzien.

  • 3. Het lidmaatschap van een lid van het algemeen bestuur, als bedoeld in het tweede, vierde en zesde lid van artikel 5, eindigt, anders dan in de gevallen als bedoeld in de voorgaande leden van dit artikel, van rechtswege, wanneer het lid niet meer voldoet aan het bepaalde in artikel 5, derde, vijfde of zevende lid.

Artikel 8

Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van directeur, docent, administrateur of een andere betrekking in dienst van het lichaam.

Artikel 9

Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

Hoofdstuk 5: Het dagelijks bestuur

Artikel 10

Het dagelijks bestuur bestaat uit 7 leden, te weten:

  • a.

    de voorzitter van het algemeen bestuur;

  • b.

    vijf leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen;

  • c.

    een lid, met toepassing van artikel 14, tweede lid der wet aan te wijzen door het algemeen bestuur, op voordracht van de ambtenarencentrales ACOP, CCOOP, Ambtenarencentrum en CMHA.

Artikel 11

  • 1. De aanwijzing van de leden van het dagelijks bestuur, bedoeld in artikel 10, onder b, heeft plaats in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in een nieuwe zittingsperiode van de gemeenteraden.

  • 2. Het dagelijks bestuur kiest in de eerste vergadering van een nieuwe zittingsperiode van de gemeenteraden uit zijn midden een secretaris en een penningmeester. Tevens vindt aanwijzing van plaatsvervangers plaats, alsmede van een plaatsvervangend voorzitter.

  • 3. De leden van het dagelijks bestuur treden af op het tijdstip van aftreden van de leden van de gemeenteraden.

  • 4. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid van het dagelijks bestuur worden aangewezen.

Artikel 12

  • 1. Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Het geeft daarvan onverwijld kennis aan de voorzitter.

  • 2. Indien tussentijds een plaats van een lid van het dagelijks bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

  • 3. Een tussentijds benoemd lid treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij/zij is benoemd, had moeten aftreden.

  • 4. Een lid van het dagelijks bestuur, dat ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

Hoofdstuk 6: De voorzitter

Artikel 13

De aanwijzing van de voorzitter door en uit het algemeen bestuur heeft plaats in de eerste vergadering van elke nieuwe zittingsperiode van de gemeenteraden.

Artikel 14

  • 1. De voorzitter kan te allen tijde ontslag nemen. Hij/zij geeft daarvan onverwijld kennis aan het algemeen bestuur.

  • 2. Indien tussentijds de functie van voorzitter vacant of beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuwe voorzitter uit zijn midden aan.

  • 3. Een tussentijds benoemde voorzitter treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij/zij is benoemd, had moeten aftreden.

  • 4. Indien de voorzitter ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, eindigt tevens zijn functie als voorzitter.

  • 5. In geval van verhindering of ontstentenis wordt de voorzitter vervangen door de krachtens artikel 11, tweede lid aangewezen plaatsvervangend voorzitter.

Hoofdstuk 7: Bevoegdheden van het algemeen bestuur

Artikel 15

  • 1. Tot de bevoegdheden van het algemeen bestuur behoren beslissingen omtrent:

    • a.

      aard en omvang van de bestuursacademie, waaronder de organisatie van het onderwijs, alsmede de plaats c.q. plaatsen van vestiging;

    • b.

      de stichting c.q. aankoop, huur of verbouw van academiegebouw(en);

    • c.

      de aanstelling en het ontslag van de directeur;

    • d.

      de vaststelling of wijziging van de begroting;

    • e.

      de voorlopige vaststelling van de financiële jaarstukken;

    • f.

      het sluiten van overeenkomsten tot het kopen of vervreemden van registergoederen;

    • g.

      het vaststellen van rechtspositieregelingen en een bezoldigingsverordening voor het in dienst van het lichaam zijnde personeel;

    • h.

      het treffen van regelingen met andere lichamen of organen inzake het toelaten van cursisten tot de bestuursacademie, werkzaam bij deze lichamen of organen;

    • i.

      de bevoegdheden, welke samenhangen met het gestelde in het tweede lid van artikel 22, in het tweede en derde lid van artikel 24, in artikel 25, in het eerste lid van artikel 27 en in het tweede lid van artikel 31.

  • 2. Verder behoren aan het algemeen bestuur alle bevoegdheden, welke als zodanig niet aan het dagelijks bestuur, of aan de directeur zijn toegekend.

  • 3. Het algemeen bestuur is niet bevoegd tot het heffen van belastingen en het maken van door strafbepalingen of door bestuursdwang te handhaven verordeningen.

Hoofdstuk 8: Bevoegdheden van het dagelijks bestuur

Artikel 16

  • 1. Tot de bevoegdheden van het dagelijks bestuur behoren:

    • a.

      het uitoefenen van toezicht op de uitvoering van besluiten van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur door de directeur;

    • b.

      de voorbereiding van alle zaken, welke in het algemeen bestuur ter beslissing moeten worden gebracht;

    • c.

      het houden van toezicht op al wat het lichaam aangaat;

    • d.

      het beheer van de financiële middelen;

    • e.

      het aangaan, wijzigen of beëindigen van overeenkomsten tot toelating van cursisten, in dienst van openbare lichamen, gevestigd buiten de provincie Zuid-Holland;

    • f.

      het aangaan, wijzigen of beëindigen van overeenkomsten tot samenwerking met en/of deelneming en vertegenwoordiging in gevormde of te vormen landelijke, regionale of plaatselijke lichamen en/of organen dan wel instellingen wier doel en/of feitelijke werkzaamheden liggen of mede liggen op het gebied van de opleiding en vorming tot de openbare bestuursdienst, alsmede de herscholing en bijscholing van medewerkers, in dienst van openbare lichamen;

    • g.

      het aangaan, wijzigen of beëindigen van regelingen met de onder letter f bedoelde lichamen en/of organen omtrent zaken, die het onderwijs aan hun bestuursacademie raken;

    • h.

      het voorstaan van de belangen van het lichaam bij andere overheden en andere instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor het lichaam van belang is;

    • i.

      het verstrekken van inlichtingen aan de besturen van de deelnemers;

    • j.

      het vaststellen van een instructie voor de adjunct-directeur c.q. adjunct-directeuren en voor de administrateur, conform artikel 23, derde lid;

    • k.

      het schorsen van de directeur;

    • l.

      het aanstellen, schorsen en ontslaan van de adjunct-directeur c.q. adjunct-directeuren, de administrateur, de docenten en het overige personeel, in overleg met de directeur;

    • m.

      het vaststellen van een reglement van orde voor zijn vergaderingen;

    • n.

      de zorg voor het archief, conform artikel 31.

Hoofdstuk 9: Bevoegdheden en taken van de voorzitter

Artikel 17

  • 1. De voorzitter bepaalt plaats, dag en uur van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

  • 2. De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergaderingen.

  • 3. De voorzitter vertegenwoordigt het lichaam in en buiten rechte.

  • 4. De voorzitter ondertekent alle stukken, welke van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan.

  • 5. De voorzitter draagt zorg voor een juiste uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

  • 6. De voorzitter brengt terstond ter tafel alle tot het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur gerichte brieven en andere stukken in de vergadering van het orgaan, tot welke competentie het nemen van een beslissing betreffende de daarin behandelde zaak behoort.

Hoofdstuk 10: Bevoegdheden en taken van de secretaris

Artikel 18

  • 1. De secretaris draagt zorg voor de verslaglegging van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

  • 2. Met inachtneming van het gestelde in artikel 31 draagt de secretaris zorg voor het aanleggen en bijhouden van het archief alsmede voor het voeren van de correspondentie van het lichaam.

  • 3. De secretaris ziet toe op een juiste taakvervulling door de administrateur en het overige administratief personeel.

  • 4. De secretaris ondertekent mede alle stukken, welke van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan.

Artikel 19

In geval van verhindering of ontstentenis wordt de secretaris vervangen door de krachtens artikel 11, tweede lid aangewezen plaatsvervangend secretaris.

Hoofdstuk 11: Vergaderingen

Artikel 20

1.Het algemeen bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur het nodig oordeelt, danwel indien tenminste 1/5 deel der zitting hebbende leden van het algemeen bestuur zulks schriftelijk aan de voorzitter verzoekt onder vermelding van de te behandelen onderwerpen.

In dit laatste geval wordt de vergadering uiterlijk binnen 14 dagen na ontvangst van het verzoek gehouden.

2.Aan de deelnemers wordt, gelijktijdig met de verzending van de uitnodiging daartoe aan de leden van het algemeen bestuur, een exemplaar van deze uitnodiging met de daarbij behorende stukken ter kennisneming toegezonden.

Artikel 21

1.Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter het nodig oordeelt danwel indien tenminste twee leden van het dagelijks bestuur zulks aan de voorzitter verzoeken onder vermelding van de te behandelen onderwerpen.

In dit laatste geval wordt de vergadering uiterlijk binnen drie weken na ontvangst van het verzoek gehouden.

Hoofdstuk 12: Personeel

Artikel 22

  • 1. De directeur is met inachtneming van de aanwijzingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur belast met de dagelijkse leiding van de academie.

  • 2. Het algemeen bestuur stelt op voorstel van het dagelijks bestuur een instructie voor de directeur vast, regelende zijn taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheid.

Artikel 23

  • 1. De administrateur is belast met de leiding van het aan de bestuursacademie verbonden administratieve apparaat en is verantwoordelijk voor de financiële administratie en de geldmiddelen van het lichaam. Omtrent het financiële beheer is hij/zij rechtstreeks verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur.

  • 2. De administrateur staat het dagelijks bestuur, de voorzitter, de secretaris, de penningmeester en de directeur bij in de uitoefening van hun dagelijkse taak.

  • 3. Het dagelijks bestuur stelt een instructie voor de administrateur vast, regelende zijn taak, bevoegdheden en verantwoordelijkheid.

Hoofdstuk 13: Financiële bepalingen

Artikel 24

  • 1. De geldmiddelen van het lichaam worden gevormd door:

    • a.

      lesgelden en examengelden;

    • b.

      bijdragen van de deelnemers;

    • c.

      andere bijdragen;

    • d.

      geldleningen;

    • e.

      reserves.

  • 2. In de financiering van investeringen kan worden voorzien door het sluiten van geldleningsovereenkomsten, krachtens besluit van het algemeen bestuur.

  • 3. In de behoefte aan kasgeld kan worden voorzien door het sluiten van kasgeldleningen of rekening-courantovereenkomsten, krachtens besluit van het algemeen bestuur.

Artikel 25

Het algemeen bestuur regelt het bedrag van de door de cursisten verschuldigde lesgelden en examengelden.

Artikel 26

De deelnemers zijn verplicht in de kosten van het lichaam bij te dragen overeenkomstig de jaarlijks door het algemeen bestuur vast te stellen bedragen, alsmede tot het verlenen van voorschotten op hun bijdragen, indien zulks verzocht wordt door het dagelijks bestuur.

Artikel 27

  • 1. Het algemeen bestuur stelt, onder goedkeuring van de Kroon, regelen vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en het geldelijk beheer.

  • 2. Ten aanzien van de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding zijn de artikelen 265 bis tot en met 265 sexies van de gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 28

1.Het algemeen bestuur stelt de begroting vast uiterlijk op 1 juli voorafgaande aan het jaar, waarvoor deze geldt.

Tot de begroting behoren ondermeer een beleidsplan voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft en een beheersmatige toelichting.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks een ontwerp-begroting op, welke zes weken voordat zij door het algemeen bestuur wordt vastgesteld wordt toegezonden aan de bevoegde organen van de deelnemers.

  • 3.

    De bevoegde organen van de deelnemers kunnen omtrent de ontwerp-begroting aan het dagelijks bestuur van hun gevoelen doen blijken.

Het dagelijks bestuur voegt de commentaren, waarin dit gevoelen is vervat, bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 4.

    Nadat de begroting is vastgesteld, zendt het dagelijks bestuur deze binnen vier weken ter goedkeuring aan de Kroon en ter kennisneming aan de bevoegde organen van de deelnemers, welke eventueel terzake aan de Kroon van hun gevoelen kunnen doen blijken.

  • 5.

    Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, indien deze besluiten de hoogte van de bijdrage beïnvloeden.

Artikel 29

  • 1. Het algemeen bestuur stelt de rekening voorlopig vast uiterlijk op 1 juli volgende op het jaar, waarop deze betrekking heeft.

  • 2. Het dagelijks bestuur biedt de rekening aan het algemeen bestuur aan, onder overlegging van het verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening, ingesteld door externe deskundigen (conform artikel 265 bis van de gemeentewet).

  • 3. Nadat de rekening voorlopig is vastgesteld, zendt het dagelijks bestuur deze binnen vier weken met alle bijbehorende stukken aan de Kroon ter vaststelling.

Hoofdstuk 14: Het jaarverslag.

Artikel 30

Het dagelijks bestuur doet jaarlijks voor 1 december aan het algemeen bestuur toekomen een verslag van de werkzaamheden en de gang van zaken bij de bestuursacademie gedurende het laatst verstreken academie-jaar. Dit verslag wordt tevens toegezonden aan de bevoegde organen van de deelnemers en andere daarvoor in aanmerking komende lichamen en organen.

Hoofdstuk 15: Het archief

Artikel 31

  • 1. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam, overeenkomstig een door het algemeen bestuur met inachtneming van artikel 37, tweede lid, van de Archiefwet vast te stellen regeling.

  • 2. De secretaris is belast met de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, bedoeld in het vorige lid, overeenkomstig de door het algemeen bestuur vast te stellen regeling.

Hoofdstuk 16: De informatie- en verantwoordingsplicht

Artikel 32

  • 1. De voorzitter en de overige leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur en beleid.

  • 2. Zij geven aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur en beleid nodig is en geven, tezamen dan wel ieder afzonderlijk aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen.

  • 3. Het afleggen van verantwoording en het verstrekken van inlichtingen geschiedt mondeling in de vergadering van het algemeen bestuur, tenzij het in artikel 9 bedoelde reglement een andere wijze voorschrijft.

Artikel 33

  • 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur geven aan de bevoegde organen alle informatie, welke door een of meer leden van dat orgaan zijn gevraagd. De informatie wordt binnen een maand schriftelijk verstrekt.

  • 2. De leden van het algemeen bestuur geven aan de bevoegde organen van de deelnemers, door welke zij zijn aangewezen, desgevraagd, schriftelijk alle informatie, welke nodig is voor een juiste beoordeling van het door het algemeen bestuur gevoerde en te voeren beleid en leggen daarvoor verantwoording af.

  • 3. Indien een lid van het algemeen bestuur niet langer het vertrouwen bezit van de bevoegde organen der deelnemers, welke dit lid hebben aangewezen, hebben deze organen de bevoegdheid dit lid ontslag te verlenen als lid van het algemeen bestuur.

  • 4. Het bepaalde in het derde lid wordt niet toegepast dan nadat het betreffende lid in de gelegenheid is gesteld de in het tweede lid van dit artikel bedoelde inlichtingen te verstrekken.

  • 5. Het bepaalde in het tweede en het vierde lid van dit artikel vindt uitsluitend toepassing door middel van besluitvorming, welke volgde op een bij de betreffende deelnemer gebruikelijke agendering voor een vergadering van het bevoegde orgaan, waarin het betrokken lid en het onderwerp waaromtrent inlichtingen en/of verantwoording zullen worden gevraagd, nadrukkelijk worden genoemd.

Hoofdstuk 17: Verplichtingen

Artikel 34

De deelnemers:

  • a.

    bevorderen, dat in hun dienst werkzame personen, die een opleiding en/of vorming tot de openbare bestuursdienst wensen danwel herscholing en/of bijscholing behoeven, zich als cursist bij de bestuursacademie laten inschrijven;

  • b.

    werken zoveel mogelijk mee aan het beschikbaar stellen aan de Bestuursacademie als docent van in hun dienst werkzame personen.

Hoofdstuk 18: Landelijk instituut

Artikel 35

Het algemeen bestuur besluit, tezamen met de overige bestuursacademies en andere instellingen, tot de oprichting, de instandhouding en de bekostiging van het openbaar lichaam Centraal Instituut Vorming en Opleiding Bestuursdienst.

Artikel 36

Besluiten, geldig genomen overeenkomstig artikel 9, derde lid der Gemeenschappelijke Regeling CIVOB, binden het lichaam.

Artikel 37

  • 1. De directeur is, onverminderd het bepaalde in artikel 22, tezamen met de directeuren van de overige bestuursacademies en van het landelijk instituut, verantwoordelijk voor de voorbereiding, de coördinatie en de uitvoering van het landelijk beleid van het instituut, bedoeld in artikel 35.

  • 2. De directeur legt daartoe, zonodig tezamen met de directeuren van de overige bestuursacademies en van het landelijk instituut, verantwoording af aan het bestuur van het landelijk instituut, bedoeld in artikel 35.

  • 3. Het algemeen bestuur legt de in het eerste lid genoemde verantwoordelijkheid vast in de instructie voor de directeur als bedoeld in artikel 22, tweede lid.

Hoofdstuk 19: Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 38

  • 1. Toetreding tot deze regeling is mogelijk bij een besluit van het bevoegde orgaan van het desbetreffende lichaam nadat de meerderheid van de bevoegde organen der deelnemers daarin bewilligd heeft en na goedkeuring door de Kroon.

  • 2. Uittreding heeft plaats, indien het bevoegde orgaan van de desbetreffende deelnemer daartoe besluit en na goedkeuring van de Kroon.

  • 3. Bij uittreding dient een opzegtermijn van ten minste twee volle kalenderjaren in acht te worden genomen. Het algemeen bestuur stelt de verplichtingen van de uittredende deelnemer vast. Daarbij geldt dat voor het eerste en tweede jaar van de uittreding nog 100% van de deelnemersbijdrage is verschuldigd, voor het derde jaar 75%, voor het vierde jaar 50% en voor het vijfde jaar 25%.

  • 4. Wijziging van deze regeling kan geschieden bij besluit van de meerderheid van de bevoegde organen der deelnemers en na goedkeuring van de Kroon.

  • 5. Indien een wijziging wenselijk wordt geacht doet het dagelijks bestuur het door het algemeen bestuur vastgestelde voorstel toekomen aan de bevoegde organen der deelnemers.

  • 6. Opheffing van deze regeling kan geschieden, indien de bevoegde organen van ten minste 2/3 van het aantal deelnemers daartoe besluiten.

  • 7. Binnen een maand, nadat de in het vorige lid bedoelde besluiten door de Kroon zijn goedgekeurd, stelt het algemeen bestuur een liquidatieplan, onder meer inhoudende een regeling omtrent de vereffening van het vermogen, vast, welk liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers naar evenredigheid van hun jaarlijkse bijdragen te delen in de financiële gevolgen van de opheffing, alsmede in de gevolgen, welke de opheffing voor het personeel heeft.

    Het dagelijks bestuur is belast met de liquidatie.

    Het openbaar lichaam blijft bestaan, tot de liquidatie is voltooid.

Hoofdstuk 20: Overgangs- en Slotbepalingen

Artikel 39

1.De regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd.

Zij treedt in werking met ingang van 1 januari 1990, voor zover is voldaan aan het bepaalde in artikel 52 jo 27 van de wet.

  • 2.

    Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 26 der Wet, wordt aangewezen het gemeentebestuur van ’s-Gravenhage.

  • 3.

    Na de goedkeuring van deze regeling zal zo spoedig mogelijk de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur, bedoeld in artikel 5 en de aanwijzing van de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur, als bedoeld in artikelen 13 en 11, plaatshebben.

Artikel 40

  • 1. Het openbaar lichaam neemt de rechten en verplichtingen over van het rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam ‘De Bestuursschool Zuid-Holland’, gevormd op basis van de geldende gemeenschappelijke regeling, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland op 10 mei 1967, sedert gewijzigd.

  • 2. Alle medewerkers, in dienst van het rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam ‘De bestuursschool Zuid-Holland’, treden met ingang van 1 januari 1990 in dienst van het bij deze regeling gevormde openbaar lichaam, genaamd ‘De Bestuursacademie Zuid-Holland’.

  • 3. Alle op 1 januari 1990 van kracht zijnde verordeningen, reglementen en besluiten behouden hun geldigheid totdat zij door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of de voorzitter worden ingetrokken of gewijzigd.

Artikel 41

Zolang de huidige administrateur, in dienst van het openbaar lichaam, genaamd ‘De Bestuursacademie Zuid-Holland’ werkzaam is, treden de artikelen 22 en 23 niet in werking en blijft artikel 33, eerste en tweede lid van de geldende gemeenschappelijke regeling, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland op 10 mei 1967, sedert gewijzigd,

van toepassing.

Goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 21 december 1989, nr. 89.031521.

Vorenstaande gemeenschappelijke regeling is 28 december 1989 opgenomen in het register, zoals bedoeld in artikel 27.1 van De Wet Gemeenschappelijke Regelingen, dat ter inzage ligt op de secretarie der gemeente (afdeling Beheerszaken, Stadskantoor, Rodezand 18, kamer 100).