Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Sittard-Geleen

Verordening cliëntenparticipatie Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieSittard-Geleen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening cliëntenparticipatie Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren
CiteertitelVerordening cliëntenparticipatie WWB en WIJ
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpwerk en inkomen

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

incl. toelichting

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. art. 147, eerste lid Gemeentewet
  2. art. 47 van deb Wet werk en bijstand en 1`2, eerste lid, onderdeel d van de Wet investeren in jongeren

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

n.v.t.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-10-200901-01-2015nieuwe regeling

16-12-2009

De Trompetter, 30 dec. 2009

gemeenteblad 2009, nr 115

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening cliëntenparticipatie Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren

De Raad van de gemeente Sittard-Geleen,

Gezien het voorstel van van 10 november 2009, gemeenteblad 2009,

gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikelen 47 van de Wet werk en bijstand en 12, eerste lid, onderdeel d van de Wet investeren in jongeren;

overwegende dat het noodzakelijk is de wijze waarop jongeren betrokken worden bij de uitvoering van de genoemde wet, bij verordening te regelen;

b e s l u i t :

Vast te stellen de volgende: Verordening cliëntenparticipatie Wet werk en bijstand en Wet investeren in jongeren

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

1.

cliëntenparticipatie minimabeleid:

de gestructureerde wijze waarop de gemeente de zelforganisatie van belanghebbenden betrekt in de beleidsvorming, uitvoering en evaluatie van de Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren en het integrale gemeentelijke minimabeleid;

2.

integraal gemeentelijk minimabeleid:

de samenhangende wijze waarop de gemeente in al haar beleid en verantwoordelijkheden werkt aan de mogelijkheden tot gelijkwaardige maatschappelijke deelname van alle mensen met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen;

3.

stichting:

de door het college als zodanig aangewezen en in deze gemeente actief zijnde Stichting Sociaal Overleg als belangenbehartiger van mensen met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen;

Artikel 2. Doelstellingen

De cliëntenparticipatie minimabeleid heeft de volgende doelstellingen:

  • 1.

    het bewerkstelligen dat belanghebbenden bij de Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren en het integrale gemeentelijke minimabeleid vanuit een onafhankelijke positie optimaal betrokken zijn bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het (mede) voor hen gevoerde gemeentelijk minimabeleid;

  • 2.

    het bijdragen aan de totstandkoming of verbetering van het integrale gemeentelijke minimabeleid gericht op het realiseren van volwaardig burgerschap en bieden van gelijke mogelijkheden aan mensen met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen.

Artikel 3. Beleidsterreinen

  • 1.

    In het kader van de cliëntenparticipatie minimabeleid wordt de stichting betrokken bij het gemeentelijke beleid met betrekking tot de Wet werk en bijstand.

  • 2.

    De stichting wordt tevens betrokken bij het integrale gemeentelijke minimabeleid, bestaande uit:

    • a.

      voornemens, beleid of activiteiten van de gemeente gericht op het brengen van samenhang in het beleid op verschillende terreinen ten behoeve van mensen met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen;

    • b.

      het beleid op de terreinen die van invloed zijn op de mogelijkheden voor mensen met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen, waaronder ten minste:

      • 1.

        sociale zaken en werkgelegenheid;

      • 2.

        welzijn en volksgezondheid;

      • 3.

        gemeentelijke heffingen en kwijtschelding.

Artikel 4. Werkwijze

  • 1.

    In het kader van de cliëntenparticipatie minimabeleid heeft de Stichting tot taak het gevraagd en ongevraagd adviseren van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders vragen de stichting in ieder geval om advies bij de onderwerpen als bedoeld in artikel 3.

  • 3.

    Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd, dat het van invloed kan zijn op het te nemen besluit. Dit houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      bij nieuw beleid de stichting om advies wordt gevraagd over de hoofdlijnen van dit beleid;

    • b.

      bij evaluatie van beleid de stichting om advies wordt gevraagd bij het opstellen van vragen die ten grondslag liggen aan de evaluatie.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders maken periodiek, doch ten minste twee keer per jaar afspraken met de stichting over:

    • a.

      onderwerpen waarover de stichting geconsulteerd wordt;

    • b.

      de wijze en het moment waarop de stichting in het beleidsvormingsproces wordt betrokken;

    • c.

      het budget van de stichting op basis van de Algemene Subsidieverordening Sittard-Geleen.

  • 4.

    In het geval Burgemeester en wethouders in een voorstel aan de gemeenteraad afwijken van het advies van de stichting, wordt dit bij het voorstel vermeld, waarbij tevens is aangegeven op welke gronden van het advies van de stichting is afgeweken.

  • 5.

    Burgemeester en wethouders wijzen een vaste contactambtenaar aan als aanspreekpunt voor de communicatie met de stichting. 

  • 6.

    Tussen de in het zevende lid bedoelde contactambtenaar en de stichting vindt periodiek, doch ten minste zes maal per jaar, overleg plaats.

  • 7.

    Taken en werkwijze van de contactambtenaar zullen nader worden uitgewerkt in een door het college vast te stellen Uitvoeringsbesluit. 

  • 8.

    Van overleg en afspraken met de stichting doen burgemeester en wethouders binnen acht weken schriftelijke rapportage aan de stichting. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven wat er met de door de stichting gegeven adviezen is gedaan.

  • 9.

    Burgemeester en wethouders voorzien de stichting zo tijdig mogelijk van informatie dat het van invloed kan zijn op het naar behoren functioneren van de stichting. Het betreft hier alle informatie die noodzakelijk is om beleid en uitvoering te begrijpen en om ontwikkelingen en wijzigingen te kunnen volgen.

  • 10.

    Indien de stichting ophoudt binnen de gemeente actief te zijn, zullen burgemeester en wethouders de totstandkoming van een vorm van cliëntenparticipatie actief bevorderen.

Artikel 5. Samenstelling

  • 1.

    Het bestuur van de stichting Sociaal Overleg bestaat uit ervaringsdeskundigen (zijnde cliënten van de afdeling Werk & Inkomen), vertegenwoordigers van belangenorganisaties, leden op persoonlijke titel (met aantoonbare affiniteit met de doelgroep) en een onafhankelijke voorzitter een en ander conform de statuten d.d. 23-07-2009.

  • 2.

    Indien de stichting haar statuten wijzigt, waardoor de doelstelling of de samenstelling van het bestuur wijzigt, dan is dit slechts mogelijk na overleg met het College van Burgemeester en Wethouders. Indien dit overleg niet leidt tot overeenstemming, dan behoudt het College van burgemeester en wethouders zich het recht voor de aanwijzing van de stichting als belangbehartiger in te trekken.

Artikel 6. Faciliteiten

  • 1.

    Burgemeester en wethouders stellen aan de stichting zodanige middelen ter beschikking dat de stichting redelijkerwijze in staat kan worden geacht om in het kader van de uitvoering van deze verordening de belangen te behartigen van de in de gemeente woonachtige burgers met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen.

  • 2.

    De middelen als bedoeld in het eerste lid worden jaarlijks toegekend op basis van de Algemene subsidieverordening gemeente Sittard-Geleen 2009.

  • 3.

    Voor niet reguliere activiteiten kan de stichting bij burgemeester en wethouders een projectsubsidie aanvragen.

  • 4.

    Faciliteiten en werkwijze worden nader uitgewerkt in een door het college vast te stellen  Uitvoeringsbesluit.

Artikel 7. Klachten

  • 1.

    Natuurlijke personen alsmede rechtspersonen die een belang hebben in de gemeente kunnen bij burgemeester en wethouders schriftelijk klachten indienen over de uitvoering van deze verordening.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders dragen zorg voor een behoorlijke behandeling van klachten als bedoeld in het eerste lid. Een en ander wordt nader uitgewerkt in een door het college vast te stellen Uitvoeringsbesluit.

Artikel 8. Slotbepalingen

Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening cliëntenparticipatie WWB en WIJ.

Artikel 9. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met teugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2009, behoudens voor de jongere die op grond van het overgangsrecht ex artikel 86 eerste lid WIJ bijstand ontvangt.

Gelijktijdig wordt hierbij de verordening Cliëntenparticipatie Wet werk en bijstand van 14 juni 2004 ingetrokken.

Aldus besloten door de raad der gemeente Sittard-Geleen in zijn vergadering van 16 december 2009.

De griffier

drs. J.Vis

De voorzitter

drs. G.J.M.Cox

Toelichting

Algemeen

Per 1 januari 2004 is de nieuwe Wet werk en bijstand (WWB) ingevoerd als vervanging van de Algemene bijstandswet (Abw).De nieuwe wet gaf aanleiding om ook de wijze waarop de gemeente Sittard-Geleen vorm geeft aan cliëntenparticipatie opnieuw onder de loep te nemen en te formaliseren. Onder de WWB is de gemeente verplicht om de cliëntenparticipatie te regelen in een verordening. Bij amendement van 27 augustus 2003 werd namelijk bepaald dat de wijze waarop de gemeente personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid van de WWB of hun vertegenwoordigers betrekt bij de uitvoering van de Wet werk en bijstand in een verordening vastgelegd moet worden. Deze verordening is op 14 juni 2004 vastgesteld.

Wet investeren in jongeren

Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking. Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk van jongeren tot 27 jaar.

Om dit te bereiken is in de wet een recht op een zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd.

Het werkleerrecht berust op het uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Het werkleeraanbod is bestemd voor jongeren in de leeftijd van 16 tot 27 jaar en kan allerlei vormen hebben, variërend van een ‘echte’ baan, tot vakgerichte scholing of een combinatie van beide. Een werkleeraanbod kan ook bestaan uit voorzieningen die nodig worden geacht op weg naar arbeidsinschakeling, zoals een sollicitatietraining of een cursus gericht op de ontwikkeling van werknemersvaardigheden.

Afgeleide van het werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, dit aanbod onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan. De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening anderzijds is een bepalend element in de WIJ.

Cliëntenparticipatie in de WIJ

In artikel 12, eerste lid, onderdeel d, WIJ is vastgelegd dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen over de wijze waarop jongeren, of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van de wet.

In artikel 12, tweede lid, WIJ is daaraan toegevoegd dat de regels in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop:

  • a.

    periodiek overleg wordt gevoerd met jongeren of hun vertegenwoordigers;

  • b.

    de jongeren of vertegenwoordigers onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden;

  • c.

    de jongeren of vertegenwoordigers worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.

Het ligt voor de hand bij de vormgeving van cliëntenparticipatie in het kader van de WIJ aansluiting te zoeken bij de reeds geregelde en bestaande cliëntenparticipatie in het kader van de WWB. M.b.t. de samenstelling van en vertegenwoordiging door de cliëntenraad kan er van worden uitgegaan dat de bestaande cliëntenraad ook de jongeren vertegenwoordigt. Zij kan er zelf voor kiezen om bijvoorbeeld één van de plaatsen voor cliënten beschikbaar te stellen aan een jongere. Daarnaast moet worden geregeld dat de cliëntenraad ook kan adviseren over de WIJ.

Aanpassing verordening

Van de zijde van de regering is op vragen vanuit de Tweede Kamer opgemerkt dat het voor de hand ligt om aansluiting te zoeken bij de bestaande vormen van cliëntenparticipatie in het kader van de WWB. Deze suggestie zou kunnen worden overgenomen en worden geformaliseerd door een wijziging van de verordening cliëntenparticipatie WWB. Hoewel de inpassing van de WIJ slechts marginale wijzigingen tot gevolg heeft, is er om praktische redenen toch voor gekozen een nieuwe verordening te laten vaststellen en de bestaande WWB-verordening in te trekken. Gelet op de wettelijke verplichting van de participatie in de WIJ is het namelijk ook wenselijk dat de naam van de wet wordt opgenomen in de naam van de verordening. De tekstuele inhoud van de verordening, de algemene toelichting en de artikelsgewijze toelichting is zoveel als mogelijk ongewijzigd gelaten.

Artikelsgewijze toelichting

De artikelsgewijze toelichting is beperkt tot die artikelen die ook daadwerkelijk toelichting behoeven. Onderdelen van artikelen die geen vragen oproepen worden hierna derhalve niet nader toegelicht.

Artikel 1

Dit artikel omschrijft de voor de verordening van belang zijnde begrippen. Uit de definitie van het begrip stichting volgt dat burgemeester en wethouders een bestaande organisatie als vertegenwoordigers aanwijzen van de personen, bedoeld in artikel 7 lid 1 van de WWB en van de jongeren op wie de Wij van toepassing is. Het gaat daarbij om een organisatie die in de gemeente actief is en die zich ten doel stelt om de belangen te behartigen van de in de gemeente woonachtige burgers met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen.

Is een dergelijke organisatie niet meer binnen de gemeente actief dan rust op burgemeester en wethouders de inspanningsverplichting om de totstandkoming van een organisatie, die de belangen van mensen met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen behartigt,  te bevorderen. Dit laatste volgt uit artikel 4 lid 11. Zijn er meerdere organisaties dan maken burgemeester en wethouders in overleg met de betrokken partijen een keuze in overeenstemming met de doelstellingen van de verordening zoals geformuleerd in artikel 2.

Artikel 2

Dit artikel omschrijft de twee doelstelling van de verordening. De verordening beoogt in beginsel geen ruimere werking te hebben dan de wetgever voor ogen stond bij het opnemen van de verplichting in artikel 47 van de Wet werk en bijstand en artikel 12, 1e lid sub d van de Wet investeren in jongeren tot het regelen van cliëntenparticipatie in deze.

Artikel 3

Dit artikel geeft de beleidsterreinen aan waarbij de stichting wordt betrokken. Een en ander volgt uit de wettelijke verplichting tot het regelen van cliëntenparticipatie in artikel 47 van de Wet werk en bijstand en artikel 12, 1e lid sub d van de Wet investeren in jongeren. De aspecten van het beleid (op de genoemde terreinen) waarbij de stichting wordt betrokken zijn:

  • 1.

    de voorbereiding van het beleid;

  • 2.

    de uitvoering van het beleid;

  • 3.

    de evaluatie van het beleid.

Artikel 4

Dit artikel geeft aan op welke wijze de cliëntenparticipatie in de praktijk wordt vormgegeven, met uitzondering van het ter beschikking stellen van middelen. Dit laatste is geregeld in artikel 6.

Het zevende lid spreekt over een aan te wijzen contactambtenaar die als aanspreekpunt fungeert voor de communicatie met de stichting. De taken en werkwijze van de contactambtenaar zullen nog nader worden uitgewerkt in een door het college vast te stellen Uitvoeringsbesluit.

Het negende lid stelt de termijn vast waarbinnen burgemeester en wethouders schriftelijk reageren naar aanleiding van overleg met en adviezen van de stichting. Het betreft een termijn van orde. Overschrijding van de termijn heeft dan ook geen rechtsgevolgen.

Het tiende lid draagt burgemeester en wethouders op om de stichting te voorzien van de voor de uitoefening van hun taak benodigde informatie. Burgemeester en wethouders bepalen zelf de wijze waarop dit gebeurt. In principe wordt de informatie schriftelijk, digitaal dan wel mondeling rechtstreeks ter beschikking gesteld. Indien nodig dient de stichting dient zelf zorg te dragen voor het omzetten van de informatie naar een speciale leesvorm zoals braille of grootletterschrift. De daartoe benodigde middelen stellen burgemeester en wethouders beschikbaar conform het bepaalde in artikel 6.

Artikel 5

Artikel 5 lid 2 geeft aan, dat het College van burgemeester en wethouders de aanwijzing van de stichting als belangenbehartiger kan intrekken, indien de stichting haar statuten wijzigt waardoor de doelstelling wijzigt dan wel het bestuur geen afspiegeling meer vormt van de cliënten van de afdeling Werk en Inkomen en vertegenwoordigers van belangenorganisaties.

Artikel 6

Burgemeester en wethouders stellen de stichting middelen ter beschikking voor een adequate uitoefening van hun taken in het kader van deze verordening.

Faciliteiten en werkwijze zullen nader worden uitgewerkt in een door het college vast te stellen Uitvoeringsbesluit.

Artikel 7

Dit artikel regelt de behandeling van klachten over de uitvoering van deze verordening.

Hoe klachten worden afgehandeld zal nog nader worden uitgewerkt in een door het college vast te stellen Uitvoeringsbesluit.

Artikel 8

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 9

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.