Regeling vervallen per 01-10-2009

Verordening cliëntenparticipatie Wet werk en bijstand

Geldend van 01-08-2004 t/m 30-09-2009

Intitulé

Verordening cliëntenparticipatie Wet werk en bijstand

Verordening Cliëntenparticipatie Wet werk en bijstand

De raad van de gemeente Sittard-Geleen,

gezien het advies van de Commissie Burger,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders,

gelet op artikel 47 van de Wet werk en bijstand,

besluit vast te stellen de

Verordening Cliëntenparticipatie Wet werk en bijstand

Artikel 1 - Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • 1.

    cliëntenparticipatie minimabeleid: de gestructureerde wijze waarop de gemeente de zelforganisatie van belanghebbenden betrekt in de beleidsvorming, uitvoering en evaluatie van de Wet werk en bijstand en het integrale gemeentelijke minimabeleid;

  • 2.

    integraal gemeentelijk minimabeleid: de samenhangende wijze waarop de gemeente in al haar beleid en verantwoordelijkheden werkt aan de mogelijkheden tot gelijkwaardige maatschappelijke deelname van alle mensen met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen;

  • 3.

    stichting: de door het college als zodanig aangewezen en in deze gemeente actief zijnde Stichting Sociaal Overleg als belangenbehartiger van mensen met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen.

Artikel 2 - Doelstellingen

De cliëntenparticipatie minimabeleid heeft de volgende doelstellingen:

  • 1.

    het bewerkstelligen dat belanghebbenden bij de Wet werk en bijstand en het integrale gemeentelijke minimabeleid vanuit een onafhankelijke positie optimaal betrokken zijn bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het (mede) voor hen gevoerde gemeentelijk minimabeleid;

  • 2.

    het bijdragen aan de totstandkoming of verbetering van het integrale gemeentelijke minimabeleid gericht op het realiseren van volwaardig burgerschap en bieden van gelijke mogelijkheden aan mensen met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen.

Artikel 3 - Beleidsterreinen

  • 1. In het kader van de cliëntenparticipatie minimabeleid wordt de stichting betrokken bij het gemeentelijke beleid met betrekking tot de Wet werk en bijstand.

  • 2. De stichting wordt tevens betrokken bij het integrale gemeentelijke minimabeleid, bestaande uit:

    • a.

      voornemens, beleid of activiteiten van de gemeente gericht op het brengen van samenhang in het beleid op verschillende terreinen ten behoeve van mensen met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen;

    • b.

      het beleid op de terreinen die van invloed zijn op de mogelijkheden voor mensen met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen, waaronder ten minste:

      • sociale zaken en werkgelegenheid;

      • welzijn en volksgezondheid;

      • gemeentelijke heffingen en kwijtschelding.

Artikel 4 - Werkwijze

  • 1. In het kader van de cliëntenparticipatie minimabeleid heeft de Stichting tot taak het gevraagd en ongevraagd adviseren van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad.

  • 2. Burgemeester en wethouders vragen de stichting in ieder geval om advies bij de onderwerpen als bedoeld in artikel 3.

  • 3. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd, dat het van invloed kan zijn op het te nemen besluit. Dit houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      bij nieuw beleid de stichting om advies wordt gevraagd over de hoofdlijnen van dit beleid;

    • b.

      bij evaluatie van beleid de stichting om advies wordt gevraagd bij het opstellen van vragen die ten grondslag liggen aan de evaluatie.

  • 4. Burgemeester en wethouders maken periodiek, doch ten minste twee keer per jaar afspraken met de stichting over:

    • a.

      onderwerpen waarover de stichting geconsulteerd wordt;

    • b.

      de wijze en het moment waarop de stichting in het beleidsvormingsproces wordt betrokken;

    • c.

      het budget van de stichting op basis van de Algemene Subsidieverordening Sittard-Geleen.

  • 5. In het geval Burgemeester en wethouders in een voorstel aan de gemeenteraad afwijken van het advies van de stichting, wordt dit bij het voorstel vermeld, waarbij tevens is aangegeven op welke gronden van het advies van de stichting is afgeweken.

  • 6. Burgemeester en wethouders wijzen een vaste contactambtenaar aan als aanspreekpunt voor de communicatie met de stichting.

  • 7. Tussen de in het zevende lid bedoelde contactambtenaar en de stichting vindt periodiek, doch ten minste zes maal per jaar, overleg plaats.

  • 8. Taken en werkwijze van de contactambtenaar zullen nader worden uitgewerkt in een door het college vast te stellen Uitvoeringsbesluit.

  • 9. Van overleg en afspraken met de stichting doen burgemeester en wethouders binnen acht weken schriftelijke rapportage aan de stichting. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven wat er met de door de stichting gegeven adviezen is gedaan.

  • 10. Burgemeester en wethouders voorzien de stichting zo tijdig van informatie dat het van invloed kan zijn op het naar behoren functioneren van de stichting. Het betreft hier alle informatie die noodzakelijk is om beleid en uitvoering te begrijpen en om ontwikkelingen en wijzigingen te kunnen volgen.

  • 11. Indien de stichting ophoudt binnen de gemeente actief te zijn, zullen burgemeester en wethouders de totstandkoming van een vorm van cliëntenparticipatie actief bevorderen.

Artikel 5 – Samenstelling

  • 1. Het bestuur van de stichting Sociaal Overleg bestaat uit en is een afspiegeling van cliënten van de afdeling Sociale Zaken en vertegenwoordigers van belangenorganisaties een en ander conform de statuten van de stichting d.d. 3 juni 2002.

  • 2. Indien de stichting haar statuten wijzigt, waardoor de doelstelling of de samenstelling van het bestuur wijzigt, dan is dit slechts mogelijk na overleg met het College van Burgemeester en Wethouders. Indien dit overleg niet leidt tot overeenstemming, dan behoudt het College van burgemeester en wethouders zich het recht voor de aanwijzing van de stichting als belangbehartiger in te trekken.

Artikel 6 - Faciliteiten

  • 1. Burgemeester en wethouders stellen aan de stichting zodanige middelen ter beschikking dat de stichting redelijkerwijze in staat kan worden geacht om in het kader van de uitvoering van deze verordening de belangen te behartigen van de in de gemeente woonachtige burgers met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen.

  • 2. De middelen als bedoeld in het eerste lid worden jaarlijks toegekend op basis van de Verordening Subsidiebeleid.

  • 3. Voor niet reguliere activiteiten kan de stichting bij burgemeester en wethouders een projectsubsidie aanvragen.

  • 4. Faciliteiten en werkwijze worden nader uitgewerkt in een door het college vast te stellen Uitvoeringsbesluit.

Artikel 7 - Klachten

  • 1. Natuurlijke personen alsmede rechtspersonen die een belang hebben in de gemeente kunnen bij burgemeester en wethouders schriftelijk klachten indienen over de uitvoering van deze verordening.

  • 2. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor een behoorlijke behandeling van klachten als bedoeld in het eerste lid. Een en ander wordt nader uitgewerkt in een door het college vast te stellen Uitvoeringsbesluit.

Artikel 8 - Slotbepalingen

Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening cliëntenparticipatie WWB.

Artikel 9 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt op 1 augustus 2004 inwerking.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 juni 2004

De raad voornoemd,

De plv. griffier

Mw. mr. N.A.P.G. Bisschoff

De voorzitter

drs. W.J.A. Dijkstra

Verordening cliëntenparticipatie Wet werk en bijstand - Toelichting

Algemeen

Met ingang van 1 januari 2004 zijn gemeentebesturen verplicht om bij verordening regels vast te stellen inzake cliëntenparticipatie met betrekking tot de Wet Werk en bijstand. Een bepaling van deze strekking is opgenomen in artikel 47 van de Wet werk en bijstand.

Deze verordening is een uitwerking van genoemde wettelijke verplichting.

Artikelsgewijs

De artikelsgewijze toelichting is beperkt tot die artikelen die ook daadwerkelijk toelichting behoeven. Onderdelen van artikelen die geen vragen oproepen worden hierna derhalve niet nader toegelicht.

Artikel 1

Dit artikel omschrijft de voor de verordening van belang zijnde begrippen. Uit de definitie van het begrip stichting volgt dat burgemeester en wethouders een bestaande organisatie als vertegenwoordigers, bedoeld in artikel 7 lid 1 van de WWB, aanwijzen. Het gaat daarbij om een organisatie die in de gemeente actief is en die zich ten doel stelt om de belangen te behartigen van de in de gemeente woonachtige burgers met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen.

Is een dergelijke organisatie niet meer binnen de gemeente actief dan rust op burgemeester en wethouders de inspanningsverplichting om de totstandkoming van een organisatie, die de belangen van mensen met een bijstandsuitkering of anderszins minimaal inkomen behartigt, te bevorderen. Dit laatste volgt uit artikel 4 lid 12. Zijn er meerdere organisaties dan maken burgemeester en wethouders in overleg met de betrokken partijen een keuze in overeenstemming met de doelstellingen van de verordening zoals geformuleerd in artikel 2.

Artikel 2

Dit artikel omschrijft de twee doelstelling van de verordening. De verordening beoogt in beginsel geen ruimere werking te hebben dan de wetgever voor ogen stond bij het opnemen van de verplichting in artikel 47 van de Wet werk en bijstand tot het regelen van cliëntenparticipatie inzake .

Artikel 3

Dit artikel geeft de beleidsterreinen aan waarbij de stichting wordt betrokken. Een en ander volgt uit de wettelijke verplichting tot het regelen van cliëntenparticipatie in artikel 47 van de Wet werk en bijstand. De aspecten van het beleid (op de genoemde terreinen) waarbij de stichting wordt betrokken zijn:

  • a.

    de voorbereiding van het beleid;

  • b.

    de uitvoering van het beleid;

  • c.

    de evaluatie van het beleid.

Artikel 4

Dit artikel geeft aan op welke wijze de cliëntenparticipatie in de praktijk wordt vormgegeven, met uitzondering van het ter beschikking stellen van middelen. Dit laatste is geregeld in artikel 6.

Het zevende lid spreekt over een aan te wijzen contactambtenaar die als aanspreekpunt fungeert voor de communicatie met de stichting. De taken en werkwijze van de contactambtenaar zullen nog nader worden uitgewerkt in een door het college vast te stellen Uitvoeringsbesluit.

Het negende lid spreekt over een "redelijke termijn" waarbinnen burgemeester en wethouders schriftelijk reageren naar aanleiding van overleg met en adviezen van de stichting. Hiermee wordt een termijn bedoeld van maximaal acht weken. Het betreft een termijn van orde. Overschrijding van de termijn heeft dan ook geen rechtsgevolgen.

Het tiende lid draagt burgemeester en wethouders op om de stichting te voorzien van de voor de uitoefening van hun taak benodigde informatie. Burgemeester en wethouders bepalen zelf de wijze waarop dit gebeurt. In principe wordt de informatie schriftelijk, digitaal dan wel mondeling rechtstreeks ter beschikking gesteld. Indien nodig dient de stichting dient zelf zorg te dragen voor het omzetten van de informatie naar een speciale leesvorm zoals braille of grootletterschrift. De daartoe benodigde middelen stellen burgemeester en wethouders beschikbaar conform het bepaalde in artikel 6.

Artikel 5

Artikel 5 lid 2 geeft aan, dat het College van burgemeester en wethouders de aanwijzing van de stichting als belangenbehartiger kan intrekken, indien de stichting haar statuten wijzigt waardoor de doelstelling wijzigt dan wel het bestuur geen afspiegeling meer vormt van de cliënten van de afdeling Sociale Zaken en vertegenwoordigers van belangenorganisaties.

Artikel 6

Burgemeester en wethouders stellen de stichting middelen ter beschikking voor een adequate uitoefening van hun taken in het kader van deze verordening.

Faciliteiten en werkwijze zullen nader worden uitgewerkt in een door het college vast te stellen Uitvoeringsbesluit.

Artikel 7

Dit artikel regelt de behandeling van klachten over de uitvoering van deze verordening.

Hoe klachten worden afgehandeld zal nog nader worden uitgewerkt in een door het college vast te stellen Uitvoeringsbesluit.

Artikel 8

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 9

In het kader van de gefaseerde invoering van de WWB hebben gemeenten tot 1 januari 2005 de tijd om de verordening vast te stellen.

Van belang is hierbij ook de Tijdelijke referendumwet. Er moet van worden uitgegaan dat de Reïntegratieverordening een op grond van artikel 8 eerste lid onder a TRW (Tijdelijke referendumwet) referendabel besluit is. Op grond van artikel 22 lid 2 TRW kan de inwerkingtreding van de Reïntegratieverordening niet worden vastgesteld op een datum eerder dan zes weken na bekendmaking. Uitgaande van een eerst mogelijke vaststelling van de verordening door de Gemeenteraad op 10 juni 2004, kan deze op 1 augustus in werking treden.