Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Sociale Dienst Oost Achterhoek

Beleidsregels bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieSociale Dienst Oost Achterhoek
OrganisatietypeRegionaal samenwerkingsorgaan
Officiële naam regelingBeleidsregels bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ
CiteertitelBeleidsregels bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ 2018
Vastgesteld doordagelijks bestuur
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpBeleidsregels bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ 2018

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Participatiewet
  2. artikel 18a van de Participatiewet
  3. artikel 20a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  4. artikel 20a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Art. 4 Gemeenschappelijke Regeling Sociale Dienst Oost Achterhoek

Delegatiebesluit Gemeenschappelijke Regeling Sociale Dienst Oost Achterhoek

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

22-06-2018Gewijzigde regeling

21-06-2018

bgr-2019-636

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ

 

 

Het Dagelijks Bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek;

Gelet op artikel 18a van de Participatiewet, artikel 20a van de IOAW en artikel 20a van de IOAZ;

Besluit: vast te stellen de Beleidsregels bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ 2018

Artikel 1 Afkortingen

  • a.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • b.

    Boetebesluit: het Boetebesluit socialezekerheidswetten;

  • c.

    IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • d.

    IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • e.

    PW: de Participatiewet;

  • f.

    Wet Suwi: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 2 Begripsbepalingen

  • 1.

    De verwijtbaarheid betreft de mate waarin de belanghebbende zijn handelen of nalaten waardoor hij de inlichtingenverplichting schendt of heeft geschonden wordt toegerekend. De verwijtbaarheid is te verdelen in vier gradaties, waarbij wordt verstaan onder:

    • a.

      opzet: het willens en wetens handelen of nalaten;

    • b.

      grove schuld: een mate van handelen of nalaten die als ernstig, maar niet als opzet, is aan te merken;

    • c.

      normale verwijtbaarheid: de verwijtbaarheid die volgt uit handelen of nalaten, waarbij geen sprake is van opzet, grove schuld of verminderde verwijtbaarheid;

    • d.

      verminderde verwijtbaarheid: handelen of nalaten die de belanghebbende niet volledig kan worden aangerekend door omstandigheden van sociale, psychische of medische aard of door onvoorziene en ongewenste omstandigheden waardoor hij feitelijk niet in staat is zijn verplichting na te komen.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verder verstaan onder:

    • a.

      belanghebbende: de persoon die bijstand of een uitkering ontvangt en die de inlichtingenverplichting schendt of heeft geschonden;

    • b.

      benadelingsbedrag: de bijstand of de uitkering die de belanghebbende ten onrechte of tot een te hoog bedrag heeft ontvangen doordat hij zijn inlichtingenverplichting schendt of heeft geschonden;

    • c.

      bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder a, van de PW, waaronder tevens is begrepen bijstand in het kader van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004;

    • d.

      inlichtingenverplichting: de verplichting zowel op verzoek van het Dagelijks bestuur als onverwijld uit eigen beweging melding te doen van alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand of een uitkering, zoals neergelegd in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet Suwi, artikel 17, eerste lid, van de PW, artikel 13, eerste lid, van de IOAW en artikel 13, eerste lid, van de IOAZ;

    • e.

      uitkering: de uitkering die aan de belanghebbende is of wordt verstrekt op grond van artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ.

  • 3.

    Begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet waarin het begrip wordt gebruikt: de PW, de IOAW, de IOAZ, de Wet Suwi, de Awb en het Boetebesluit.

Artikel 3 Onverwijld verstrekken inlichtingen

Op grond van de inlichtingenverplichting doet de belanghebbende onverwijld uit eigen beweging melding van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand of uitkering. Onder onverwijld wordt in dit verband verstaan: onmiddellijk, doch in ieder geval binnen een termijn van 14 dagen nadat het betreffende feit of de betreffende omstandigheid zich heeft voorgedaan of dit feit of deze omstandigheid de belanghebbende kenbaar is geworden dan wel kenbaar had kunnen zijn.

Artikel 4 De boete

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur neemt als uitgangspunt voor de vaststelling van het benadelingsbedrag het bedrag dat van de belanghebbende wordt teruggevorderd.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur stelt het benadelingsbedrag afwijkend vast, indien de belanghebbende de schending van de inlichtingenverplichting betwist en het Dagelijks Bestuur de (omvang van de) schending van de inlichtingenverplichting en de als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen bedrag aan bijstand of uitkering niet ten volle kan bewijzen.

  • 3.

    Het Dagelijks Bestuur stelt de maximale boete volgens het bepaalde in de artikelen 18a, eerste lid, van de PW, 20a, eerste lid, van de IOAW en 20a, eerste lid, van de IOAZ in samenhang met het bepaalde in artikel 2 van het Boetebesluit als volgt vast:

    • a.

      indien het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 11.067,- (bedrag per 1 januari 2018), is de boete gelijk aan een percentage van het benadelingsbedrag:

      • 1.

        100% indien er sprake is van opzet;

      • 2.

        75% indien er sprake is van grove schuld;

      • 3.

        50% indien er sprake is van normale verwijtbaarheid;

      • 4.

        25% indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

    • b.

      indien het benadelingsbedrag hoger is dan € 11.067,- (bedrag per 1 januari 2018), is de boete daaraan gelijk, doch niet hoger dan:

      • 1.

        € 83.000,- (bedrag per 1 januari 2018) indien er sprake is van opzet;

      • 2.

        € 8.300,- (bedrag per 1 januari 2018) indien er sprake is van grove schuld;

      • 3.

        € 5.533,- (bedrag per 1 januari 2018) indien er sprake is van normale verwijtbaarheid;

      • 4.

        € 2.767,- (bedrag per 1 januari 2018) indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

  • 4.

    Ten aanzien van de evenredigheid van de boete als bedoeld in artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, beoordeelt het Dagelijks Bestuur of er bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven de hoogte van de boete te matigen.

  • 5.

    Voor de vaststelling van de maximale boete is verder bepalend het inkomen, de (minimum) fictieve draagkracht, evenals de periode waarin de belanghebbende in staat wordt geacht deze draagkracht aan te wenden voor de aflossing van de boete. De (minimum) fictieve draagkracht wordt vastgesteld op 10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of grondslag voor de uitkering. Indien de belanghebbende een hoger inkomen heeft, wordt het meerdere volledig in aanmerking genomen. De uitkomst van de maandelijkse (minimum) fictieve draagkracht vermeerderd met het maandelijks meerdere inkomen, wordt vermenigvuldigd met het aantal maanden dat de belanghebbende geacht wordt te kunnen aflossen, ongeacht of hij deze ruimte in die periode daadwerkelijk beschikbaar heeft. Het aantal maanden betreft:

    • a.

      24 in het geval van opzet;

    • b.

      18 in het geval van grove schuld;

    • c.

      12 in het geval van normale verwijtbaarheid;

    • d.

      6 in het geval van verminderde verwijtbaarheid.

  • 6.

    De boete wordt naar beneden afgerond, op een veelvoud van € 10,-.

  • 7.

    Het Dagelijks Bestuur ziet af van het opleggen van een boete indien de belanghebbende heeft aangetoond dat daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 5 Vaststelling (minimum) fictieve draagkracht

  • 1.

    Bij de vaststelling van de boete gaat het Dagelijks Bestuur uit van de actuele feiten en omstandigheden. Voor het bepalen van de (minimum) fictieve draagkracht betekent dit dat het Dagelijks Bestuur uitgaat van het inkomen van de belanghebbende op het moment van besluitvorming. Het Dagelijks Bestuur vraagt de gegevens die het daarvoor nodig heeft uit, op het moment dat het Dagelijks Bestuur de belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze te geven. Indien de belanghebbende de betreffende gegevens niet verstrekt, gaat het Dagelijks Bestuur uit van de bij hem bekende gegevens.

  • 2.

    Indien de financiële situatie van de belanghebbende gedurende een bezwaar- of een beroepsprocedure zodanig wijzigt dat de boete daarmee niet meer evenredig is, houdt het Dagelijks Bestuur rekening met de nieuwe financiële situatie en wijzigt het de hoogte van de boete, tenzij de belanghebbende op dat moment de boete reeds geheel heeft voldaan.

  • 3.

    Ten aanzien van de situatie bedoeld in het tweede lid, ligt het op de weg van de belanghebbende het Dagelijks Bestuur uit eigen beweging de betreffende inlichtingen te verstrekken en daarvoor de benodigde gegevens te overleggen.

Artikel 6 Waarschuwing

Tenzij het Dagelijks Bestuur in een voorgaande periode van 2 jaar eerder een waarschuwing heeft gegeven voor een schending van de inlichtingenverplichting, ziet het Dagelijks Bestuur af van een bestuurlijke boete en volstaat het met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien:

  • a.

    de schending van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelings-bedrag;

  • b.

    het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150,- en er geen sprake is van opzet of grove schuld; of

  • c.

    de belanghebbende buiten de termijn van 14 dagen doch binnen een termijn van 60 dagen alsnog uit eigen beweging juiste en volledige inlichtingen heeft verstrekt, tenzij het Dagelijks Bestuur de schending van de inlichtingenverplichting al heeft geconstateerd of de belanghebbende de inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van de inlichtingenverplichting.

Artikel 7 De procedure

  • 1.

    Zowel bij een ‘lichte overtreding’ als bij een ‘zware overtreding’ geldt dat:

    • a.

      het Dagelijks Bestuur een boeterapport opstelt;

    • b.

      de boeteoplegging steeds plaatsvindt door een andere ambtenaar dan die die de schending van de inlichtingenverplichting heeft geconstateerd en het boeterapport heeft opgesteld.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur stelt de belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze te geven, waartoe het Dagelijks Bestuur de belanghebbende het boeterapport toezendt onder de mededeling dat hij niet verplicht is een verklaring af te leggen. Daarbij geldt ten aanzien van:

    • a.

      een ‘lichte overtreding’ dat de belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze binnen 14 dagen op schrift te stellen;

    • b.

      een ‘zware overtreding’ dat de belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze binnen 14 dagen op schrift te stellen of zijn zienswijze kenbaar te maken tijdens een persoonlijk gesprek.

  • 3.

    Het Dagelijks Bestuur betrekt de zienswijze van de belanghebbende bij het bepalen van de mate van verwijtbaarheid. Indien de belanghebbende geen gebruik maakt van de mogelijkheid zijn zienswijze te geven gaat het Dagelijks Bestuur uit van normale verwijtbaarheid, tenzij uit het eigen onderzoek van het Dagelijks Bestuur is gebleken dat er redenen zijn om hiervan af te wijken.

  • 4.

    Indien het Dagelijks Bestuur niet binnen een termijn van 13 weken na de dagtekening van het boeterapport beslist omtrent het opleggen van een boete, matigt het Dagelijks Bestuur de boete:

    • a.

      met 5% indien het Dagelijks Bestuur beslist na de 13e week maar voor de 26e week;

    • b.

      met 10% indien het Dagelijks Bestuur beslist in of na de 26e week maar voor de 52e week;

    • c.

      met 50% indien het Dagelijks Bestuur beslist in of na de 52e week.

  • 5.

    In de beschikking tot het opleggen van een boete reageert het Dagelijks Bestuur op de zienswijze van de belanghebbende en vermeldt het:

    • a.

      de geconstateerde overtreding;

    • b.

      het bedrag van de boete;

    • c.

      de wijze waarop tot de hoogte van de boete is gekomen.

  • 6.

    Indien het Dagelijks Bestuur na ontvangst van de zienswijze alsnog beslist dat het geen boete oplegt, stelt het de belanghebbende daarvan in kennis middels een beschikking. In die beschikking vermeldt het Dagelijks Bestuur in ieder geval:

    • a.

      de geconstateerde overtreding; en

    • b.

      de reden waarom het geen boete oplegt.

Artikel 8 Invordering en kwijtschelding

  • 1.

    Indien de belanghebbende bijstand of een uitkering ontvangt, is het Dagelijks Bestuur verplicht de opgelegde boete daarmee te verrekenen.

  • 2.

    Indien de belanghebbende geen recht op bijstand of een uitkering meer heeft, vindt de (verdere) invordering van de boete plaats volgens de Beleidsregels Terugvordering en Verhaal.

  • 3.

    Bij gelijktijdige invordering van een terugvordering en een boete, gaat invordering van de boete voor op de invordering van de terugvordering.

  • 4.

    Het Dagelijks Bestuur verleent zijn medewerking aan een verzoek van de belanghebbende de boete buiten invordering te stellen indien:

    • a.

      dit noodzakelijk is voor de start van een schuldregeling; en

    • b.

      is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 18, dertiende lid, van de PW, artikel 20a, twaalfde lid, van de IOAW of artikel 20a, twaalfde lid, van de IOAZ.

  • 5.

    Indien de belanghebbende het schuldtraject op goede wijze heeft doorlopen en dit succesvol wordt afgerond, stelt het Dagelijks Bestuur het resterende deel van de boete buiten invordering, onder de opschortende voorwaarde dat de belanghebbende binnen een periode van 5 jaar vanaf het moment van dit besluit niet opnieuw de inlichtingenverplichting schendt.

  • 6.

    Indien de belanghebbende het schuldtraject niet op goede wijze doorloopt en dit niet succesvol wordt afgerond of voortijdig wordt beëindigd, hervat het Dagelijks Bestuur de invordering van de boete.

  • 7.

    Indien de belanghebbende in de periode van 5 jaar na het besluit bedoeld in het vijfde lid zijn inlichtingenverplichting op juiste wijze is nagekomen, vervalt de opschortende voorwaarde. Indien de belanghebbende in de periode van 5 jaar na het besluit bedoeld in het vijfde lid opnieuw de inlichtingenverplichting schendt, neemt het Dagelijks Bestuur een besluit tot herziening of intrekking van dit besluit.

Artikel 9 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ 2018 van het Dagelijks Bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek en treden in werking op de dag na bekendmaking, onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels Boete Participatiewet/Bbz, IOAW een IOAZ Sociale Dienst Oost Achterhoek 2015.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het Dagelijks Bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek van 21 juni 2018.

De secretaris,

T.A. Beijer,

De voorzitter,

J.B.M. Hoenderboom