Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Stein

VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN AFVALSTOFFENHEFFING STEIN 2020

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieStein
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN AFVALSTOFFENHEFFING STEIN 2020
CiteertitelVERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN AFVALSTOFFENHEFFING STEIN 2020
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp
Externe bijlagetarievenlijst

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 15.33 van de Wet milieubeheer
  2. artikel 229 van de Gemeentewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

wet milieubeheer

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2020nieuwe regeling

14-11-2019

gmb-2019-318514

Tekst van de regeling

Intitulé

VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN AFVALSTOFFENHEFFING STEIN 2020

Gezien het voorstel inzake Belasting- en legesverordeningen 2020

(Gem. blad Afd. A 2019, zaaknummer 971124807 );

besluit:

Vast te stellen de volgende verordening

VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN AFVALSTOFFENHEFFING STEIN 2020

 

 

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • perceel: een gebouwde onroerende zaak –of gedeelte ervan- dat blijkens zijn indeling bestemd is om als afzonderlijk geheel door een particuliere huishouding te worden gebruikt en ook als zodanig wordt gebruikt. Met perceel wordt gelijkgesteld een stacaravan, woonboot, een woonwagen en een demontabel zomer- of vakantiehuisje, indien gebruikt door een particuliere huishouding;

  • kalenderweek: een aaneengesloten periode van zeven dagen, beginnende met een maandag en eindigend met een zondag;

  • kalenderhalfjaar: een tijdvak van zes kalendermaanden beginnende op 1 januari of 1 juli;

  • container en/of emmer: een ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk afval door of vanwege de gemeente per perceel of per groep van percelen ter beschikking gesteld of geplaatst inzamelmiddel.

 

Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit

  • 1.

    Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer (Stb. 1994, 80).

  • 2.

    De afvalstoffenheffing, als bedoeld in deze verordening, en de daarbij behorende tarieventabel, wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan, krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer, een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

 

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan, ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer, een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt:

  • a.

    degene die naar omstandigheden beoordeeld, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruik maakt van een perceel;

  • b.

    ingeval een gedeelte van een perceel voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan.

 

Artikel 4 Belastingtijdvak

  • 1.

    Met betrekking tot de belasting die per belastingjaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

  • 2.

    Met betrekking tot de belasting die per kilogram én per lediging/inworp wordt geheven is het belastingtijdvak gelijk aan een kalenderhalfjaar.

  • 3.

    Het eerste belastingtijdvak gaat in op de datum van ingang van de heffing.

 

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

  • 1.

    De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de hoofdstukken 1.1 en 1.2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

  • 2.

    Voor de berekening van de belasting, als bedoeld in hoofdstuk 1.2, onderdeel 1.2.1.1 en 1.2.2.1, van de tarieventabel, wordt uitgegaan van de gewichten die zijn vastgesteld met behulp van de weegapparatuur op de wegende inzamelauto.

  • 3.

    Het gewicht van het per kalenderweek ingezamelde huishoudelijk afval wordt per perceel vastgesteld als het verschil van het gewicht van de ter lediging aangeboden container voor en na lediging.

  • 4.

    Indien tijdens een inzamelbeurt door een calamiteit of technische storing aan de wegende inzamelauto, de herkennings-, wegings- of registratieapparatuur of van de middelen waarmee de registratiegegevens van de geledigde containers worden opgeslagen, van een aangeboden container geen of een onjuiste automatische weging, herkenning, registratie of gegevensverwerking plaatsvindt, wordt voor de berekening van de belasting bij alle betrokken percelen, waar zich deze storing heeft voorgedaan, voor de betreffende inzamelbeurt een forfaitair gewicht per perceel vastgesteld. Het forfaitair gewicht wordt vastgesteld overeenkomstig het gestelde in de leden 5 en 6.

  • 5.

    Het forfaitair gewicht als bedoeld in lid 4 wordt bepaald op het totaal over het voorafgaande belastingtijdvak bij het betrokken perceel vastgestelde gewicht van de afvalstoffen, gedeeld door het aantal inzamelbeurten gedurende het voorafgaand belastingtijdvak.

  • 6.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, of indien om andere redenen geen forfaitair gewicht als bedoeld in lid 5 kan worden vastgesteld, wordt het forfaitair gewicht vastgesteld op 6,5 kilogram.

  • 7.

    Voor de berekening van de belasting, als bedoeld in hoofdstuk 1.2, onderdeel 1.2.3, van de tarieventabel, wordt uitgegaan van het aantal ledigingen dat wordt vastgesteld door middel van de registratieapparatuur op de inzamelauto.

  • 8.

    Voor de berekening van de belasting, als bedoeld in hoofdstuk 1.2, onderdeel 1.2.1.2, 1.2.1.3, 1.2.2.2 en 1.2.2.3, van de tarieventabel, wordt uitgegaan van het aantal ledigingen dat wordt vastgesteld door middel van de registratieapparatuur op de verzamelcontainer.

 

Artikel 6 Wijze van heffing

De belasting als bedoeld in de hoofdstukken 1.1 en 1.2 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag.

 

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel, is verschuldigd na afloop van het belastingtijdvak.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting, als bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat, voor de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel, aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 5.

    Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.

 

Artikel 8 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslag worden betaald:

  • a.

    Bij niet-automatische incasso in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later;

  • b.

    Bij automatische incasso in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen tenminste vier en maximaal tien bedraagt;

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onder b, geldt dat de aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke betaaltermijnen, ingeval het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar een aanslag bevat, het bedrag van deze aanslag hoger is dan € 20.000,00. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later.

  • 3.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het voorgaande lid gestelde termijnen.

 

Artikel 9 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing.

 

Artikel 10 Kwijtschelding

  • 1.

    Bij de invordering van de afvalstoffenheffing kan alleen voor de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1, onderdeel 1.1.1, van de tarieventabel gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend, indien de belasting niet anders dan met buitengewoon bezwaar kan worden betaald.

  • 2.

    In afwijking van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt het percentage voor de berekening van de kosten van bestaan vastgesteld op 100 percent.

 

Artikel 11 Forfaitaire heffing

Indien de gemeente buiten haar aansprakelijkheid –om wat voor reden dan ook – niet kan beschikken over de informatie die nu de basis vormt voor de gemeentelijke heffing, is de gemeente gerechtigd middels een forfaitaire heffing toch de kosten bij de aanbieder van het huishoudelijk afval in rekening te brengen indien de dienstverlening toch heeft plaatsgevonden.

 

Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De "Verordening afvalstoffenheffing Stein 2019", vastgesteld bij raadsbesluit van 8 november 2018 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing. Zij blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening afvalstoffenheffing Stein 2020".

 

Aldus besloten in de openbare vergadering van 14 november 2019

De Raad voornoemd,

de Griffier, de Voorzitter,