Regeling vervallen per 01-01-2012

Reglement Welstandscommissie 1997

Geldend van 26-02-2003 t/m 31-12-2011

Intitulé

Reglement Welstandscommissie 1997

Artikel 1.

Het deskundig college, als bedoeld in artikel 85, tweede lid, van de Woningwet, draagt de naam van "Welstandscommissie voor de gemeente Tilburg".

Artikel 2.

  • 1. De Welstandscommissie, verder te noemen de commissie, heeft tot taak te beoordelen of een bouwwerk, ten aanzien waarvan haar een ontwerp wordt voorgelegd, met het oog op de voorschriften van de bouwverordening betreffende de welstand, als aanvaardbaar kan worden beschouwd en daaromtrent een advies aan burgemeester en wethouders uit te brengen, danwel, wanneer haar over een schetsplan een vooradvies wordt gevraagd, aan degene, van wie dat schetsplan afkomstig is.

  • 2. Zij heeft tevens tot taak, desgevraagd, haar oordeel te geven omtrent het uiterlijk van bestaande bouwwerken, van erf en terreinafsluitingen en van andere objecten, geen bouwwerken zijnde, zulks met het oog op de terzake toepasselijke voorschriften van de bouwverordening, de welstand betreffende.

  • 3. Voorts brengt de commissie advies uit in alle aangelegenheden, waarover burgemeester en wethouders haar oordeel vragen.

  • 4. De commissie is bevoegd zich, ongevraagd, tot burgemeester en wethouders te wenden met vragen, opmerkingen en adviezen, wanneer zij zulks in het belang van haar taakuitoefening nuttig acht.

Artikel 3.

  • 1. De commissie bestaat uit een voorzitter en tenminste vier andere leden.

  • 2. De voorzitter en de andere leden worden voor een termijn van vier jaren benoemd door de gemeenteraad op voordracht van burgemeester en wethouders.

  • 3. Alvorens zij hun voordracht aan de gemeenteraad doen toekomen, stellen burgemeester en wethouders de Kring Midden-Brabant van de Bond van Nederlandse Architecten, alsmede de overige ter plaatse gevestigde, niet in deze bond georganiseerde registerarchitecten, in de gelegenheid terzake hun gevoelen kenbaar te maken.

  • 4. Na verloop van de termijn van vier jaren zijn de voorzitter en andere leden voor ten hoogste een aansluitende termijn van vier jaren herbenoembaar. De benoeming geschiedt zodanig, dat na verloop van telkens twee jaren beurtelings de voorzitter en twee leden respectievelijk twee andere leden aftreden, zulks te beginnen met ingang van 1 februari 1983, één en ander onverminderd de mogelijkheid van herbenoeming.

  • 5. De benoeming ter voorziening in een tussentijdse vacature geschiedt tot het tijdstip van de periodieke aftreding van degene, wiens plaats wordt vervuld.

  • 6. Vervallen.

  • 7. Tot voorzitter of lid van de commissie zijn niet benoembaar de leden van de gemeenteraad en de ambtenaren door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt.

  • 8. Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt diens functie waargenomen door het in jaren oudste lid der commissie.

  • 9. Aan de commissie wordt door burgemeester en wethouders een ambtelijk secretaris toegevoegd, die geen lid is van de commissie. Bij afwezigheid of ontstentenis van de secretaris wordt diens functie waargenomen door een ambtenaar van Milieudienst, aangewezen door de directeur van die dienst.

Artikel 4.

  • 1. De commissie vergadert zo dikwijls de voorzitter dit voor een tijdige afdoening van zaken nodig oordeelt of dit door drie leden, met opgaaf van reden, wordt gevraagd.

  • 2. De oproeping tot de vergaderingen van de commissie geschiedt door of namens de voorzitter. Deze draagt er zorg voor, dat alle leden tenminste driemaal 24 uur voor het houden der vergadering van de oproeping kennis dragen, spoedeisende gevallen uitgezonderd.

  • 3. De vergaderingen van de commissie zijn openbaar, behoudens voor wat betreft de behandeling van schetsplannen, waaromtrent een vooradvies is gevraagd.

  • 4. De vergaderingen zijn niet openbaar indien en voor zover de commissie naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van belanghebbenden danwel eigener beweging beslist, dat gewichtige redenen zich tegen openbare behandeling verzetten.

  • 5. Van iedere vergadering wordt kennis gegeven door aanplakking bij de dienst van Milieudienst, waar ook de agenda ter inzage ligt.

Artikel 5.

  • 1. Een daartoe door de directeur van publieke werken aangewezen stedenbouwkundige woont de vergaderingen bij voor het geven van inlichtingen en raad.

  • 2. De directeur van Milieudienst of een door deze aangewezen ambtenaar van die dienst, woont de vergaderingen bij voor het geven van inlichtingen en raad, telkens wanneer de voorzitter daartoe de wens te kennen geeft.

Artikel 6.

  • 1. De leden der commissie, de voorzitter daaronder begrepen onthouden zich van het maken van ontwerpen ter vervanging of wijziging van ontwerpen van anderen, waarover in de commissie reeds is beraadslaagd.

  • 2. Het gestelde in het voorgaande lid is niet van toepassing op het, namens de commissie, verstrekken van aanwijzingen of aanbevelingen, als bedoeld in artikel 7, 5e lid, ook niet wanneer deze ter illustratie schetsmatig op de tekeningen worden aangegeven.

Artikel 7.

  • 1. De secretaris neemt de om advies toegezonden ontwerpen in ontvangst en treft zodanige voorbereidingen, dat zij zo spoedig mogelijk kunnen worden behandeld.

  • 2. De voorzitter ziet er vervolgens op toe, dat de ontwerpen dan ook ten spoedigste door de commissie worden beoordeeld en dat haar adviezen terzake aan de directeur van Milieudienst worden toegezonden zoveel mogelijk op een zodanig tijdstip, dan kan worden voldaan aan het bepaalde in artikel 50, le lid, der Woningwet.

  • 3. Bij het vormen van haar oordeel omtrent de aanvaardbaarheid van een ontwerp zal de commissie zich laten leiden door de vraag of de plaatsing en het uiterlijk van het object, zowel op zich zelf als in verband met de bestaande omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, zal voldoen aan redelijke eisen van welstand, een en ander met begrip voor de, gebruiks- en onderhoudsdoelmatigheid en het kostenaspect.

  • 4. Is zij van oordeel, dat het ontwerp, zoals dat haar is voorgelegd, weliswaar als niet aanvaardbaar moet worden beschouwd, maar dat de ontwerper niettemin in staat moet worden geacht dit zodanig aan te passen of te wijzigen, dat terzake alsnog een gunstig advies kan worden uitgebracht, dan stelt zij de belanghebbenden in de gelegenheid daartoe binnen een door haar te bepalen termijn, over te gaan.

  • 5. In het in het vorige lid bedoelde geval draagt de commissie er tevens zorg voor, dat aan de belanghebbenden zodanige aanwijzingen of aanbevelingen worden verstrekt, dat - bij opvolging daarvan - het aangepaste of gewijzigde ontwerp voor haar aanvaardbaar zal zijn. Desgevraagd worden de belanghebbenden vanwege de commissie ontvangen ter nadere toelichting van dit aangepaste of gewijzigde ontwerp.

  • 6. Is de commissie echter van oordeel, dat een ontwerp als niet aanvaardbaar moet worden beschouwd in dier voege, dat ook aanpassing of wijziging niet alsnog tot een gunstige beoordeling zal kunnen leiden, brengt zij terzake een met redenen omkleed afwijzend advies uit.

  • 7. De commissie brengt eveneens een afwijzend advies uit indien in het geval als bedoeld in het 4e lid:

    • a.

      de belanghebbenden het ontwerp niet wensen aan te passen of te wijzigen;

    • b.

      de belanghebbenden haar, na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn, geen aangepast of gewijzigd ontwerp hebben overgelegd;

    • c.

      het haar opnieuw voorgelegde ontwerp niet zodanig is aangepast of gewijzigd, dat het alsnog aanvaardbaar kan worden geacht. Bij het afwijzend advies wordt er melding van gemaakt, welk van de genoemde omstandigheden zich heeft voorgedaan.

  • 8. Indien de commissie ten aanzien van een object reeds eerder een ontwerp heeft afgekeurd en haar daarna voor dit object opnieuw een ontwerp wordt voorgelegd, dat afkomstig is van dezelfde ontwerper en dat eveneens onaanvaardbaar wordt geacht, wordt aan die ontwerper alsmede aan diens principaal medegedeeld, dat de commissie terzake nog slechts een plan in behandeling zal nemen, dat ontworpen is door een registerarchitect. Van een zodanige mededeling wordt in de notulen melding gemaakt.

Artikel 8.

  • 1. Ingeval de behandeling van een ontwerp niet direct leidt tot een gunstig advies, doch het bereiken van overeenstemming niettemin mogelijk wordt geacht, kan de commissie de verdere behandeling aan een of meer van haar leden overlaten. Zij bepaalt daarbij, voor elk geval afzonderlijk, of het herziene ontwerp al dan niet nog aan haar moet worden voorgelegd.

  • 2. De commissie kan de afdoening van ontwerpen, welke daarvoor - naar haar oordeel - in aanmerking komen, alsmede het bespreken van ontwerpen met belanghebbenden, opdragen aan haar voorzitter en een van haar leden tezamen, die in deze zullen handelen in de geest van het beoordelingsbeleid van de commissie en in aanwezigheid van de secretaris. Indien deze daarbij niet tot overeenstemming komen over het terzake uit te brengen advies, stelt de voorzitter de zaak alsnog aan de orde in de eerstvolgende commissievergadering.

Artikel 9.

De commissie is bevoegd van de belanghebbenden te verlangen, dat haar mede worden overgelegd tekeningen, op gelijke schaal als die van het ontwerp, alsmede foto's van gedeelten van de straatwand aan weerszijden van en tegenover de plaats van het object en - voor zover terzake dienende - van de overige omgeving.

Artikel 10.

  • 1. Indien over het uitbrengen van enig advies de stemmen in de commissie staken, beslist de voorzitter.

  • 2. De adviezen worden opgenomen in door de secretaris op te stellen notulen, waarvan een afschrift wordt toegezonden aan burgemeester en wethouders.

  • 3. De minderheid van de commissie is bevoegd te vorderen, dat van haar standpunt in de notulen wordt melding gemaakt.

  • 4. Zo spoedig mogelijk na de vergadering geeft de secretaris de adviezen schriftelijk door aan de directeur van Milieudienst.

Artikel 11.

  • 1. Een aanvraag om vooradvies wordt door de commissie slechts dan in behandeling genomen indien deze alle nodige gegevens bevat om de commissie in staat te tellen het schetsplan te beoordelen, zowel op zich zelf als in relatie tot de omgeving. Derhalve zal:

    • a.

      de aanvraag en het daarbij behorende schetsplan de bedoelingen van de ontwerper duidelijk en deskundig moeten weergeven;

    • b.

      een duidelijke situatietekening van het object moeten zijn bijgevoegd;

    • c.

      het schetsplan moet aangeven de aansluitingen op de belendende bebouwing;

    • d.

      de aanvraag vergezeld moeten gaan van duidelijke foto's van gedeelten van de straatwand aan weerszijden van en tegenover de plaats van het object en, voor zover terzake dienende, de overige omgeving.

  • 2. De secretaris neemt de aanvragen om vooradvies in ontvangst en gaat, in overleg met de voorzitter, na of deze voldoen aan het gestelde in het vorige lid. Blijkt dit niet het geval te zijn, dan zendt hij de aanvraag terug aan degene, die haar indiende, onder vermelding van de geconstateerde tekortkomingen. Indien de terugzending geschiedt omdat de tekening van het schetsplan niet deskundig is uitgevoerd, wordt de aanvrager aangeraden zich voor het maken van een nieuw schetsplan te wenden tot een registerarchitect.

  • 3. Ten aanzien van aanvragen, die aan het in het 1e lid gestelde voldoen, treft de secretaris zodanige voorbereidingen, dat de betreffende schetsplannen zo spoedig mogelijk door de commissie kunnen worden beoordeeld.

  • 4. Bij de beoordeling van de schetsplannen houdt de commissie het bepaalde in artikel 7, 3e tot en met 6e lid, zoveel mogelijk als leidraad aan, met dien verstande evenwel, dat aan de ontwerper geen termijn wordt gesteld voor aanpassing of wijziging.

  • 5. Het oordeel van de commissie wordt door de secretaris schriftelijk ter kennis van de aanvrager gebracht. Was de beoordeling gunstig, dan wordt zulks middels een stempelafdruk op de tekening van het schetsplan aangegeven. De aanvrager wordt voorts medegedeeld, dat de aldus afgestempelde tekening te zijner tijd bij de definitieve bouwaanvraag dient te worden overgelegd.

  • 6. Indien de commissie ten aanzien van een object reeds eerder een schetsplan in vooradvies heeft afgekeurd en haar daarna terzake van het onderhavige object door dezelfde ontwerper opnieuw een schetsplan wordt voorgelegd, dat eveneens onaanvaardbaar wordt geacht, wordt vanwege de commissie aan die ontwerper medegedeeld dat zij terzake verder van hem geen schetsplannen meer in behandeling zal nemen.

  • 7. Was de commissie van oordeel, dat het schetsplan als niet aanvaardbaar moet worden beschouwd, dan wordt in de kennisgeving, als bedoeld in het 5e lid, tevens tot uitdrukking gebracht of de commissie het mogelijk acht, dat terzake alsnog een gunstig vooradvies kan worden verkregen na aanpassing of wijziging van het schetsplan. Acht de commissie deze mogelijkheid aanwezig, dan wordt tevens uitvoering gegeven aan het gestelde in artikel 7, 5e lid.

Artikel 12.

  • 1. Uit de commissie wordt een subcommissie gevormd, bestaande uit de voorzitter en tenminste twee andere - telkenjare door de voorzitter voor een jaar en volgens een rouleersysteem aan te wijzen - leden.

  • 2. De subcommissie vergadert, als regel twee maal per maand op een vaste door haar te bepalen dag en verder zo dikwijls de voorzitter zulks voor een tijdige afdoening van zaken nodig oordeelt.

  • 3. Een lid, dat verhinderd is een vergadering van de subcommissie bij te wonen, doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de secretaris, die alsdan een ander lid in diens plaats oproept.

  • 4. De subcommissie brengt over alle aangelegenheden advies uit tenzij:

    • a.

      burgemeester en wethouders uitdrukkelijk een advies van de volledige commissie vragen, of deze verordening zulks voorschrijft;

    • b.

      een aangelegenheid, naar het oordeel van de subcommissie, van zodanige importantie is, dat de volledige commissie terzake behoort te beraadslagen.

  • 5. Al hetgeen in de voorgaande artikelen is bepaald met betrekking tot de bevoegdheden en werkwijze van de commissie, is van overeenkomstige toepassing op de subcommissie.

Artikel 13.

Vervallen.

Artikel 14.

Jaarlijks voor 1 juli brengt de secretaris een beknopt verslag uit van de handelingen der commissie over het afgelopen jaar en zendt dit aan burgemeester en wethouders. Dit verslag wordt ter inzage gelegd voor de raadsleden.

Artikel 15.

  • 1. Dit reglement treedt in werking op de achtste dag na die waarop het is bekendgemaakt.

  • 2. Op die dag vervalt het reglement welstandscommissie zoals dat door de raad van de gemeente Tilburg is vastgesteld op 4 januari 1982.

Artikel 16.

Adviezen - hoe ook genaamd - afgegeven onder de vigeur van het in artikel 15, lid 2 genoemde reglement gelden als adviezen welke zijn afgegeven op basis van dit reglement.

Artikel 17.

Dit reglement kan worden aangehaald als het "Reglement Welstandscommissie 1997".