Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Uden

Treasurystatuut 2012

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieUden
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingTreasurystatuut 2012
CiteertitelTreasurystatuut 2012
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Dit statuut vervangt het Treasurystatuut 2011 en 1e wijz. Treasurystatuut 2006

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

28-06-2012Actualisatie

24-05-2012

Infopagina 20-06-2012

2012/5400

Tekst van de regeling

Intitulé

Treasurystatuut 2012

 

 

 

TREASURYSTATUUT 2012

Inleiding

Lijst van afkortingen 3

Artikel 1: De missie 3

Artikel 1.1 De missie 3

Artikel 2: Treasurybeleid 4

Artikel 2.1 Doelstellingen treasuryfunctie 4

Artikel 2.2 Randvoorwaarden treasurybeleid 4

Artikel 3: Risicobeheer en financiering 4

Artikel 3.1 Risicobeheer 4

Artikel 3.2 Financiering 5

Artikel 4: Planning&Controlcyclus 5

Artikel 4.1 Beleidscyclus 5

Artikel 4.2 Programmabegroting 5

Artikel 4.3 Programmarekening 6

Artikel 5: Uitvoering van het beleid 6

Artikel 5.1 Verantwoordelijkheden 6

Artikel 5.2 Bevoegdheden 7

Artikel 5.3 Opnemen/uitzetten van gelden op de kapitaalmarkt/geldmarkt 8

Artikel 5.4 Administratieve organisatie 9

Artikel 6: Slotbepalingen 9

Artikel 6.1 Ingang statuut 2012 9

Artikel 6.2 Treasurystatuut 2001 en 1e wijziging treasurystatuut in 2006 9

Memorie van toelichting 10

Bijlage 1 Ratingkwalificaties 15

Lijst van afkortingen

In dit statuut wordt verstaan onder:

a)EMU-Saldo: Het begrotingssaldo (EMU-saldo) is het verschil tussen de inkomsten en de

uitgaven van de overheid (de Rijksoverheid, sociale fondsen en de decentrale overheden) van een bepaald land in een bepaald jaar;

b)Financiële Eenonderneming die in een lidstaat het bedrijf van kredietinstelling mag

onderneming:uitoefenen, beleggingsinstellingen mag beheren, rechten van een deelneming

in een beleggingsmaatschappij mag aanbieden, of het bedrijf van verzekeraar

mag uitoefenen;

c)Financiering:Het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van

minimaal één jaar. Deze middelen kunnen bestaan uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen;

d)Kasgeldlimiet:Een bedrag ter grootte van8,5% van het begrotingstotaal mag met kortlopend

geld gefinancierd worden. Indien de kasgeldlimiet wordt overschreden, dan dient de overschrijding met langlopend geld gefinancierd te worden;

e)Koersrisico:Het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen

door negatieve koersontwikkelingen;

f)Kredietrisico: De risico’s op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet

(tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van insolventie of deficit;

  • g)

    Liquiditeitenbeheer: Het aantrekken en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar;

  • h)

    RatingEen rating is een beoordeling van de kredietwaardigheid van een financiële

onderneming/instelling of een land, bepaald door een ratingbureau;

i)Ratingbureau: Kredietbeoordelaars zoals Moody’s, Fitch en Standard & Poor's (S&P) stellen

van iedere bank ratings vast zodat anderen kunnen zien hoe solide een bank is.

j)Renterisiconorm: Het totaal van de jaarlijkse aflossingen en renteherzieningen mag niet meer

bedragen dan 20% van het begrotingstotaal;

  • k)

    Ruddo: Regeling uitzetting en derivaten decentrale overheden;

  • l)

    Treasuryfunctie:De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en

beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s;

m)Wet Fido: Wet financiering decentrale overheden. In deze wet zijn bepalingen

opgenomen inzak het financieringsbeleid van decentrale overheden.

Artikel 1: De missie

 

Artikel 1.1 De missie

Het treasurystatuut van de gemeente Uden heeft tot doel een formeel kader te scheppen waar binnen de financierings- en beleggingsactiviteiten van de organisatie dienen plaats te vinden. In het statuut zorgen de vier elementen sturen, beheersen, verantwoorden en toezicht houden in hun samenhang voor duidelijkheid en transparantie in het treasuryproces.

Artikel 2: Treasurybeleid

 

Artikel 2.1 Doelstellingen treasuryfunctie

  • 1.

    Het ten behoeve van de gemeente Uden verkrijgen en handhaven, tegen zo gunstig mogelijke voorwaarden, van een duurzame toegang tot de financiële markten;

  • 2.

    Het beschermen van het gemeentelijke vermogen en –resultaat tegen financiële risico’s, zoals rente-, liquiditeits-, krediet- en eventuele valutarisico’s;

  • 3.

    Het ten behoeve van de gemeente Uden, binnen de wettelijke kaders en binnen de bepalingen van dit statuut, streven naar een optimale financieringsstructuur en beheersing van de daarmee gemoeide kosten;

  • 4.

    Het realiseren van een flexibel en controleerbaar liquiditeitenbeheer voor de organisatie;

  • 5.

    Het ten behoeve van de gemeente Uden inrichten en handhaven van een kwalitatief hoogwaardig en veilig betalingssysteem.

Artikel 2.2 Randvoorwaarden treasurybeleid

  • 1.

    Bij de uitvoering van alle treasuryactiviteiten dienen de regels en bepalingen van de Wet Fido, de ministeriële “Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden” (Ruddo), en het treasurystatuut in acht te worden genomen;

  • 2.

    Het aantrekken van gelden, zonder een specifiek financieringsdoel of object, om deze vervolgens uit te lenen, met als doel extra rente-inkomsten (near-banking) te verkrijgen, is verboden;

  • 3.

    Renterisico’s op de netto vlottende schuld zijn begrensd tot de kasgeldlimiet (Wet Fido);

  • 4.

    Renterisico’s op de vaste schuld zijn begrensd tot de renterisiconorm (Wet Fido);

  • 5.

    De gemeentelijke treasuryfunctie is ondergebracht bij de afdeling middelen, cluster MID-FA. Tot de treasuryfunctie behoren:

    • a)

      Het beheer van renterisico’s en de gemeentelijke financiering, waaronder saldo- en liquiditeitenbeheer;

    • b)

      Het beheren van de portefeuilles van opgenomen- en uitgezette geldleningen en het aantrekken en uitzetten van kort- en langlopende middelen binnen de kaders van dit statuut;

    • c)

      Het beheer van de gemeentelijke bankrekeningen en de daarbij behorende dienstverleningsovereenkomst;

    • d)

      Het inrichten en beheer van een effectief en doelmatig gemeentelijk betalingsverkeer en gebruik van betaalinstrumenten.

Artikel 3: Risicobeheer en financiering

 

Artikel 3.1 Risicobeheer

1.De houding van de gemeente Uden ten aanzien van financiële risico’s is defensief en risicomijdend. De treasuryfunctie van de gemeente Uden is naar haar aard ondergeschikt aan de uitvoering van de publieke taak. Het risicobeleid zal erop gericht zijn toekomstige risico’s inzichtelijk te maken, te beheersen, te verminderen of te verschuiven. De uitvoering van de treasurytaak mag in ieder geval niet leiden tot een vergroting van de risico’s van de gemeente. Defensief en risicomijdend houden in ieder geval in:

  • a)

    het beleid ten aanzien van financieringen is erop gericht een spreiding van toekomstige renterisico’s op korte en lange termijn te bevorderen opdat ook in de toekomst geen overmatige blootstelling aan rentebewegingen optreedt;

  • b)

    de gemeente kan zelf normen stellen aan het maximaal aanvaardbare niveau van renterisico’s in de komende jaren. Zij zal daarbij rekening houden met de renterisiconorm en de kasgeldlimiet, zoals opgenomen in de Wet Fido.

  • c)

    Het beleid ten aanzien van beleggingen is zodanig dat alleen beleggingen kunnen worden gedaan van tijdelijke overschotten en gericht op de beheersing en vermindering van daaraan verbonden risico’s;

  • d)

    Het gebruik van rente-instrumenten is toegestaan indien de renterisico’s zodanig groot zijn, dat het verminderen of afdekken van financiële risico’s wenselijk is;

  • e)

    Het gebruik van rente-instrumenten is toegestaan indien de hiermee rentevoordelen behaald worden;

  • f)

    Gedurende en na afloop van transacties zal er verbijzonderde interne controle plaatsvinden.

Artikel 3.2 Financiering

  • 1.

    De treasuryfunctie zet slechts gelden uit bij en gaat slechts verbintenissen aan met financiële ondernemingen die ten minste beschikt over een AA-rating afgegeven door tenminste twee ratingbureau’s;

  • 2.

    Artikel 3.2 onderdeel 1 is niet van toepassing op uitzettingen bij collega-overheden of instanties binnen de Europese Unie, die de publieke taak dienen en voor wiens schuldpapier een solvabiliteitsbeoordeling van 0 procent geldt;

  • 3.

    De treasuryfunctie gaat geen leningen aan met het enkele doel de aangetrokken gelden tegen een hoger rendement uit te zetten.

Artikel 4: Planning&Controlcyclus

 

Artikel 4.1 Beleidscyclus

1.De gemeente Uden gebruikt de jaarlijkse financiële beleidscyclus voor het vaststellen van het treasurybeleid, voor het afleggen van verantwoording over dat beleid en voor bijstelling van het beleid door het jaar heen. De beleidscyclus kent een programmabegroting, tussentijdse rapportages en een programmarekening.

Artikel 4.2 Programmabegroting

  • 1.

    Jaarlijks wordt de meerjarenbegroting opgesteld door de verschillende afdelingen onder verantwoordelijkheid van het college. De financieringsparagraaf en het financieringsbeleid maken onderdeel uit van de programmabegroting. De financieringsparagraaf wordt opgesteld door de adviseur financiële bedrijfsvoering en geeft aan wat de organisatie voorstaat met betrekking tot de treasuryactiviteiten in het komend jaar;

  • 2.

    In de financieringsparagraaf zullen de volgende zaken aan de orde komen:

    • a)

      de consequenties die voortvloeien uit de programmabegroting die voor het komende jaar van belang zijn met betrekking tot de liquiditeitspositie en het aantrekken en uitzetten van gelden;

    • b)

      Een algemene rentevisie voor het komend jaar;

    • c)

      Een prognose van de financiële stromen/posities;

    • d)

      Toetsing van de renterisico’s middels de renterisiconorm en de kasgeldlimiet;

    • e)

      De voorgenomen transacties;

    • f)

      Het EMU-saldo.

  • 3.

    Middels het vaststellen van de begroting en de daarin opgenomen treasuryparagraaf, geeft de gemeenteraad het mandaat aan het college om de in de treasuryparagraaf voorstelde transacties ook daadwerkelijk te kunnen uitvoeren.

Artikel 4.3 Programmarekening

1.De programmarekening wordt opgesteld door de verschillende afdelingen onder verantwoordelijkheid van het hoofd middelen. In het beleidsdeel van de programmarekening wordt de financieringsparagraaf opgenomen. De financieringsparagraaf wordt opgesteld door de adviseur financiële bedrijfsvoering en geeft aan welk beleid de organisatie heeft uitgevoerd met betrekking tot de treasuryactiviteiten in het afgelopen jaar. In de financieringsparagraaf van de programmarekening zullen dezelfde onderwerpen aan de orde komen als die genoemd zijn bij de financieringsparagraaf van de programmabegroting. Op deze wijze kan het uitgevoerde treasurybeleid getoetst worden aan de hand van het voorgenomen beleid, zoals omschreven in de begroting, en het daaraan gekoppelde mandaat.

Artikel 5: Uitvoering van het beleid

 

Artikel 5.1 Verantwoordelijkheden

De verantwoordelijkheden met betrekking tot de treasuryfunctie van de gemeente staan in onderstaande tabel gedefinieerd.

Functie

Verantwoordelijkheden

Gemeenteraad

-Het vaststellen van treasurydoelstellingen, het treasurybeleid, globale richtlijnen en limieten in het treasurystatuut;

-Het vaststellen van de financieringsparagraaf als onderdeel van de begroting en jaarrekening;

-Het evalueren en als gevolg daarvan eventueel bijstellen van het treasurybeleid.

College van B&W

-Het uitvoeren van het treasurybeleid (formele en politieke verantwoordelijkheid);

-Het rapporteren aan de gemeenteraad over de uitvoering van het treasurybeleid;

-Het achteraf bekrachtigen van de afgesloten transacties;

-Het achteraf bekrachtigen van handelingen in verband met bepalingen in contracten inzake renteherziening/aanpassing en/of vervroegde aflossingsmogelijkheden;

Portefeuillehouder financiën

-Het uitvoeren van het treasurybeleid (bestuurlijke verantwoordelijkheid).

Afdelingshoofd middelen

-Het uitvoeren van de aan hem gemandateerde treasuryactiviteiten conform het treasurystatuut en de treasuryparagraaf;

-Het autoriseren van door de adviseur financiële bedrijfsvoering voorgestelde transacties;

-Het adviseren van de afdelingen over de financiële gevolgen van hun activiteiten en projecten;

-Het opzetten van administratieve richtlijnen op het gebied van treasury;

-Het bewaken van de kwaliteit van de treasuryprocessen;

-Het controleren van de volledigheid en de betrouwbaarheid van de informatievoorziening van de treasuryfunctie en hierover rapporteren aan het college;

-Het afleggen van verantwoording aan het college over de uitvoering van het treasurybeheer.

Budgethouders

-Het zorgdragen voor een goede kwaliteit van de informatie die zij aan de afdeling MID-FA versturen met betrekking tot toekomstige uitgaven en ontvangsten;

-Het fiatteren van nota’s/facturen ten gunste/ten laste van hun budgetten.

Adviseur financiële bedrijfsvoering

-Het uitvoeren van de activiteiten met betrekking tot de volgende deelfuncties: risicobeheer, financiering, belegging en relatiebeheer. Deze activiteiten dienen conform het vastgestelde treasurystatuut en de financieringsparagraaf van de begroting worden uitgevoerd;

-Het voorbereiden van beleidsvoorstellen op treasurygebied;

-Het onderhouden van contacten met banken, geldmakelaars en overige financiële instellingen;

-Het opstellen van de liquiditeitsprognoses;

-Het opstellen van de rentevisie;

-De offertes van de verschillende partijen met elkaar vergelijken;

-Het afleggen van verantwoording aan het afdelingshoofd middelen over de uitvoering van de aan hem/haar gemandateerde activiteiten.

Medewerkers MID-FA

-Het juist en volledig administreren van de bezittingen, schulden, rechten, verplichtingen, inkomsten, uitgaven, ontvangsten en betalingen in de financiële administratie;

-Het overboeken van saldi tussen bankrekeningen;

-Het afhandelen van het contante en girale bankverkeer;

-Het beheren van debiteuren en crediteuren.

Interne controle

-Het voeren van de interne controle op de uitgevoerde treasurytransacties en het hierover rapporteren aan het afdelingshoofd middelen.

Externe accountant

-Het in het kader van haar reguliere controletaak adviseren en controleren omtrent de feitelijke naleving van het treasurystatuut.

Artikel 5.2 Bevoegdheden

In onderstaande tabel staan bevoegdheden met betrekking tot de treasuryactiviteiten weergegeven alsmede de daarbij benodigde fiattering.

 

Bevoegd functionaris (eerste handtekening)

Bevoegd functionaris (tweede handtekening)

Saldo-, liquiditeiten- en geldstromenbeheer

1.Het uitzetten van geld via callgeld, deposito en spaarrekening tot maximaal een jaar

Adviseur financiële bedrijfsvoering

Hoofd middelen

2.Het aantrekken van geld via callgeld of kasgeld tot maximaal een jaar

Adviseur financiële bedrijfsvoering

Hoofd middelen

3.Betalingsopdrachten voorbereiden en versturen

Medewerkers MID-FA

Medewerkers MID-FA (waaronder coördinator)

Bankrelatiebeheer

4.Bankrekeningen openen/sluiten/wijzigen

Adviseur financiële bedrijfsvoering

Hoofd middelen

5.Bankcondities en tarieven afspreken

Adviseur financiële bedrijfsvoering

Hoofd middelen

Financiering en uitzetting

6.Het afsluiten van kredietfaciliteiten

Adviseur financiële bedrijfsvoering

Hoofd middelen

7.Het aantrekken/uitzetten van gelden via (onderhandse) leningen zoals vastgelegd in de treasuryparagraaf van de programmabegroting

Adviseur financiële bedrijfsvoering

Hoofd middelen

8.Het aantrekken/uitzetten van gelden via (onderhandse) leningen welke niet zijn vastgelegd in de treasuryparagraaf

Hoofd middelen (na voorzet door adviseur fin. bedrijfsvoering)

College van B&W (achteraf bekrachtigen)

10.Het verstrekken van leningen aan derden uit

hoofde van de publieke taak

Hoofd middelen

College van B&W

11.Het garanderen van gelden uit hoofde van de publieke taak tot maximaal €125.000

Hoofd middelen

College van B&W

13.Het garanderen van gelden uit hoofde van de publieke taak meer dan €125.000

College van B&W

Gemeenteraad

Artikel 5.3 Opnemen/uitzetten van gelden op de kapitaalmarkt/geldmarkt

  • 1.

    Voor het aantrekken van gelden dienen de voorwaarden genoemd in artikel 3.2 in acht genomen te worden;

  • 2.

    Voor lange financiering (langer dan één jaar) geldt dat de adviseur financiële bedrijfsvoering het aantrekken/uitzetten van middelen kan voorbereiden. Het college is bevoegd om transacties af te sluiten. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

    • a)

      Geld wordt uitsluitend aangetrokken/uitgezet op basis van een recente liquiditeitenprognose en een actuele rentevisie;

    • b)

      Het aantrekken/uitzetten van leningen geschiedt door (ten minste) drie concurrerende offertes bij financiële instellingen aan te vragen. De economisch meest gunstigste offerte wordt geaccepteerd;

    • c)

      Het renterisico op de netto vlottende schuld zal in ieder geval worden begrensd ter hoogte van de kasgeldlimiet van de Wet Fido;

    • d)

      Het renterisico op de netto vaste schuld zal in ieder geval worden begrensd ter hoogte van de renterisiconorm van de Wet Fido;

    • e)

      Transacties worden in euro’s afgesloten;

    • f)

      De waarde van financiële activa dient zo min mogelijk gevoelig te zijn voor marktbewegingen. Voorwaarde hierbij is in beginsel dat de hoofdsom intact blijft. Hiervan is sprake bij (soorten) uitzettingen zoals:

  • -

    langlopende geldleningen;

  • -

    deposito’s;

  • -

    uitzettingen in de vorm van vastrentende waarden (b.v. obligaties);

  • 3.

    Voor korte financiering (korter dan één jaar) geldt dat de adviseur financiële bedrijfsvoering het aantrekken/uitzetten van middelen kan voorbereiden. Het afdelingshoofd middelen is bevoegd om transacties korter dan een jaar af te sluiten. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

    • a)

      Geld wordt uitsluitend aangetrokken/uitgezet op basis van een recente liquiditeitenprognose en een actuele rentevisie;

    • b)

      Het aantrekken/uitzetten van leningen langer dan een week en korter dan een jaar geschiedt door (ten minste) drie concurrerende offertes bij financiële instellingen aan te vragen. De economisch meest gunstigste offerte wordt geaccepteerd;

    • c)

      Het aantrekken/uitzetten van leningen korter dan een week geschiedt alleen indien dit een rentevoordeel oplevert. Het opvragen van diverse offertes is niet noodzakelijk.

    • d)

      Het renterisico op de netto vlottende schuld zal in ieder geval worden begrensd ter hoogte van de kasgeldlimiet van de Wet Fido;

    • e)

      Het renterisico op de netto vaste schuld zal in ieder geval worden begrensd ter hoogte van de renterisiconorm van de Wet Fido;

    • f)

      Transacties worden in euro’s afgesloten;

    • g)

      De waarde van financiële activa dient zo min mogelijk gevoelig te zijn voor marktbewegingen. Voorwaarde hierbij is in beginsel dat de hoofdsom intact blijft. Hiervan is sprake bij (soorten) uitzettingen zoals:

      • -

        daggeldleningen;

      • -

        kasgeldleningen;

      • -

        Rekening-courant;

      • -

        deposito’s;

      • -

        uitzettingen in de vorm van vastrentende waarden (b.v. obligaties).

Artikel 5.4 Administratieve organisatie

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van treasuryactiviteiten zijn op eenduidige wijze schriftelijk vastgelegd in dit statuut. Hierbij is een functiescheiding doorgevoerd met als belangrijkste voorwaarde:

De autorisatie (college van B&W/afdelingshoofd middelen), de uitvoering (adviseur financiële bedrijfsvoering), de registratie (medewerker MID-FA) en de controle (risicobeheersing gedurende hele jaar door medewerker planning&control en interne controle door onafhankelijke medewerker) geschieden door afzonderlijke functionarissen.

Artikel 6: Slotbepalingen

 

Artikel 6.1 Ingang statuut 2012

1.Het treasurystatuut 2012 treedt in werking op de dag na goedkeuring door de gemeenteraad.

Artikel 6.2 Treasurystatuut 2001 en 1

1.Het treasurystatuut 2001 en de 1e wijziging treasurystatuut 2006 worden ingetrokken.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 24 mei 2012.

De griffier De voorzitter

drs. M.A.H. Heffels drs. H.A.G. Hellegers

Memorie van toelichting

In dit treasurystatuut wordt het treasurybeleid van de gemeente op hoofdlijnen vastgelegd. Dat gebeurt in de eerste plaats door het aangeven van de doelstellingen van de treasuryfunctie (in artikel 2.1). Vervolgens geeft het bestuur in het statuut aan binnen welke richtlijnen en limieten de doelstellingen dienen te worden gerealiseerd. Een richtlijn is een bindend voorschrift voor een handelswijze die gevolgd moet worden en een limiet is een type richtlijn die een uiterste grens aangeeft. Een belangrijk deel van de limieten en richtlijnen is bepaald door de Wet Fido. Middels de limieten en richtlijnen wordt het “risicoprofiel” van de gemeente bepaald, waarbinnen de treasuryactiviteiten dienen te

worden uitgevoerd.

De treasuryparagraaf in de begroting geeft de plannen voor de treasuryfunctie voor de komende jaren en in het bijzonder voor het eerstkomende jaar weer. Het bevat onder meer gegevens over de algemene ontwikkelingen en de concrete beleidsplannen binnen de kaders van het statuut. Het gaat hierbij vooral om de plannen voor het risicobeheer, de gemeentefinanciering (analyse financieringspositie, leningen, garantieportefeuille en uitzettingsportefeuille) en het kasbeheer. Uit de toelichting zal moeten blijken dat de plannen binnen de kaders van de Wet fido en het treasurystatuut blijven. De treasuryparagraaf in het jaarverslag geeft in het bijzonder een verschillenanalyse tussen de plannen zoals deze zijn opgenomen in de begroting en de realisatie in het verslagjaar.

Inleiding

De Gemeentewet van 2002 heeft er toe geleid dat het college (art. 160 GW) de bepalingen en regels van het dagelijkse treasurybeheer dient vast te stellen en de raad (art. 212, lid 2 onder c GW) de kaders van de treasuryfunctie. Daartoe is in 2001 het treasurystatuut en in 2006 de 1e wijziging Treasurystatuut vastgesteld. Beide documenten zijn mede opgesteld op basis van destijds geldende bepalingen uit de Wet Fido en de ministeriële ‘regeling uitzetting en derivaten decentrale overheden’ (Ruddo).

Dit statuut betreft met name een actualisatie van het vorige statuut. En veel onderwerpen zijn dan ook nog steeds van kracht. De belangrijkste wijzigingen betreffen:

  • ·

    Doorvoeren van de wijzigingen in de Wet Fido van 1 januari 2009;

  • ·

    Aanscherping van de richtlijnen bij het uitzetten van gelden, ingegeven door de “kredietcrisis” en het “Ice save debacle”;

  • ·

    Bevoegdheden en bijbehorende limieten zijn in het statuut verder uitgewerkt.

Wet- en regelgeving

Per 1 januari 2009 is de Wet Fido gewijzigd ten behoeve van een verbeterde werking

van de financieringsfunctie van decentrale overheden. De wijzigingen in de Wet Fido per 1 januari 2009 zijn vooral bedoeld om bepaalde onderdelen in de wet te vereenvoudigen. Hieronder wordt kort ingegaan op de voor gemeenten belangrijkste wijzigingen:

  • ·

    Publieke taak: de publieke taak wordt ingeperkt door een verbod op de hypotheekverstrekking aan het eigen personeel;

  • ·

    EMU-saldo: de Wet Fido heeft ook een macrobudgettaire doelstelling. Deze houdt de beheersing in van de grenswaarde van het zogenoemde EMU-saldo van 3% van het Bruto Binnenlands Product (BBP). De Minister van Financiën kan bij wijze van laatste redmiddel het aandeel van de decentrale overheden of overheidslagen in een eventuele Europese EMU-boete vaststellen.

  • ·

    Nieuwe renterisiconorm en rapportage over kasgeldlimiet: de renterisiconorm heeft als doel om het renterisico bij herfinanciering te beheersen. De nieuwe norm houdt in, dat de jaarlijks verplichte aflossingen en de renteherziening voor gemeenten niet meer mogen bedragen dan 20% van het begrotingstotaal. Dit was voorheen 20% van de uitstaande langlopende geldleningen.

In 2008 bleek dat sommige financiële ondernemingen (banken in IJsland en Lehman Brothers), waarbij decentrale overheden gelden hadden uitgezet, in financiële problemen verkeerden, waardoor zij niet meer (volledig) aan hun verplichtingen konden voldoen. Dit is aanleiding geweest voor de wijzigingen in de “Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo)”. De belangrijkste aanpassingen betreffen:

  • ·

    Het aanscherpen van het landencriterium. De lidstaat van de Europese Economische Regio (EER) waarin de financiële onderneming gevestigd is, dient minimaal te beschikken over een AA-rating. De EER bestaat uit de Europese Unie met Liechtenstein, Noorwegen en IJsland;

  • ·

    Het aanscherpen van de rating. De financiële ondernemingen waar openbare lichamen gelden uitzetten dienen aan te tonen dat zij over een AA-minus rating beschikken bij uitzettingen voor langer dan 3 maanden (een overzicht van de ratingkwalificaties is opgenomen in bijlage 1);

  • ·

    Differentiëren naar looptijd. Voor looptijden langer dan 3 maanden geldt minimaal een AA-minusrating (zoals bij het voorgaande punt is gemeld). Indien middelen voor een periode van ten hoogste 3 maanden worden uitgezet dan dient de financiële onderneming over een A-rating te beschikken.

  • ·

    Inperken van ‘nearbanking’. Openbare lichamen zetten tijdelijk overtollige gelden van aangetrokken leningen voor projectfinanciering uitsluitend uit bij de financiële onderneming waar deze leningen zijn aangegaan, waarbij de voorwaarden wat betreft de ratings en het landencriterium blijven gelden;

  • ·

    Schrappen van gelijke kredietwaardigheid. Het is niet meer toegestaan om gelden uit te zetten bij ondernemingen waarvan de kredietwaardigheid vergelijkbaar zou zijn met die van toegestane financiële ondernemingen. De reden hiervoor is dat in de praktijk gelijke kredietwaardigheid van banken zonder de vereiste rating niet kan worden aangetoond.

Artikel 1.1 Dit artikel geeft het doel van dit treasurystatuut weer.

Artikel 2.1 In dit artikel worden de doelstellingen van de treasuryfunctie van de gemeente weergegeven, hieronder worden deze doelstellingen afzonderlijk toegelicht.

Lid 1 In de eerste plaats dient de treasury ervoor te zorgen dat de gemeente “duurzaam toegang heeft tot de financiële markten tegen zo gunstig mogelijke voorwaarden”. De treasury dient te waarborgen dat de gemeente duurzaam in staat is de voor haar activiteiten benodigde middelen aan te trekken c.q. haar overtollige middelen uit te zetten op de financiële markten (bijv. bij banken). De condities die daarbij worden bedongen dienen, in het licht van de op het betreffende moment gebruikelijke condities, acceptabel (ten minste marktconform) te zijn. De condities betreffen het rentetarief, eventuele boetes bij vervroegd aflossen en de aflossingsvorm.

Lid 2 Door haar activiteiten loopt de gemeente Uden de volgende financiële risico’s: renterisico’s, kredietrisico’s, koersrisico’s, interne liquiditeitsrisico’s en valutarisico’s. Het is de taak van de treasury dergelijk risico’s zo veel mogelijk te beperken. In de overige artikelen wordt aangegeven op welke wijze dit wordt gewaarborgd.

Lid 3 De derde doelstelling van de treasuryfunctie is het minimaliseren van de kosten bij het beheren van de geldstromen en de financiële posities, en daarnaast streven naar een optimaal renteresultaat. Dit betekent dat de gemeente geen middelen onbenut laat maar streeft naar zo hoog mogelijke renteopbrengsten (c.q. zo laag mogelijke rentekosten) zonder dat daarbij overmatige risico’s worden gelopen. De prioriteiten van de treasuryfunctie liggen in eerste instantie bij het beheersen en beperken van financiële risico’s, de treasuryfunctie is immers géén winstgerichte afdeling (“profit center”). Binnen het acceptabele risicoprofiel zoals vastgesteld in de Wet Fido en dit treasurystatuut kan desondanks worden gestreefd naar optimalisatie van de renteresultaten.

Lid 4 Interne liquiditeitsrisico’s doen zich bijvoorbeeld voor wanneer de gemeente gelden voor een bepaalde periode heeft uitgezet en gedurende de looptijd van de uitzetting blijkt dat de gelden (onverwacht) nodig zijn voor het doen van een investering. Dit kan tot gevolg hebben dat de gemeente tijdelijk een lening moet aantrekken (wanneer de uitzettingen vast staan in bijvoorbeeld een deposito) ofwel tussentijds een uitzetting moet verkopen (bijvoorbeeld een obligatie). In beide gevallen kan dit negatieve gevolgen hebben voor de financiële resultaten.

Ter beperking van dit risico baseert de gemeente haar financiële transacties op een liquiditeitenplanning waarin de toekomstige inkomsten en uitgaven van de gehele organisatie zijn gepland.

In de praktijk is het opstellen van een betrouwbare en nauwkeurige liquiditeiten-planning niet eenvoudig. Dit heeft te maken met de inherente onzekerheden die verbonden zijn aan de activiteiten van de gemeente en de hieraan verbonden financiële gevolgen. Het is daarom van groot belang dat de afdeling MID-FA juist, tijdig en volledig wordt geïnformeerd door de overige afdelingen over de financiële gevolgen van hun activiteiten.

Lid 5 De medewerkers belast met treasury van de gemeente Uden dienen zorgen te dragen voor een adequaat systeem voor het beheer van de interne geldstromen.

Artikel 2.2

Lid 1 Bij de diverse treasuryactiviteiten dient gewerkt te worden conform nationale regelgeving (Wet Fido en Ruddo) en dit vastgestelde treasurystatuut.

Lid 2 Het aantrekken van gelden met als doel deze met winstoogmerk te beleggen is door artikel 2 lid 2 van de Wet Fido nadrukkelijk niet toegestaan.

Lid 3 Een belangrijk uitgangspunt van de Wet Fido is het vermijden van grote fluctuaties in de rentelasten van openbare lichamen. Teneinde een grens te stellen aan korte financiering (met een rentetypische looptijd tot één jaar) is in de Wet Fido de kasgeldlimiet opgenomen. Juist voor korte financiering geldt dat het renterisico aanzienlijk kan zijn, aangezien grote fluctuaties in de rente bij korte financiering direct een relatief grote invloed hebben op de rentelasten. De kasgeldlimiet wordt berekend als een percentage (8,5%) van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar.

Lid 4 Het doel van de renterisiconorm is het beheersen van de renterisico’s op de vaste schuld (schuld met een rentetypische looptijd van één jaar of langer) door het aanbrengen van spreiding in de looptijden in de leningenportefeuille. De renterisiconorm kan worden berekend door een vastgesteld percentage (20%) te vermenigvuldigen met de totale begroting.

Lid 5 Het beheren van de gemeentelijke bankrekeningen en de daarbij behorende dienst-verleningsovereenkomst. Contact onderhouden met de diverse banken.

Artikel 3.1 Met artikel 3 wordt de koppeling gemaakt tussen het “prudent beheer” zoals bedoeld wordt in de Wet Fido en de wijze waarop de gemeente Uden invulling geeft aan dit begrip. Conform de Wet Fido, dienen uitzettingen uit hoofde van treasury een prudent karakter te hebben. In de Wet Fido en de bijbehorende ministeriële regelingen wordt het begrip “prudent” nader uitgewerkt. Het aangaan van financiële transacties met als oogmerk die transacties te zijner tijd eventueel met winst te verkopen, is nadrukkelijk niet toegestaan (zie artikel 2, lid 2 wet Fido en de memorie van toelichting op de Wet Fido). Bankachtige activiteiten, zoals het aantrekken en uitzetten van middelen met als doel het genereren van inkomsten, zijn als gevolg van de bepaling verboden. De limieten en richtlijnen van dit treasurystatuut zijn specifiek geformuleerd om het prudente karakter van de uitzettingen uit hoofde van treasury te garanderen.

Lid 1A Aantrekken/uitzetten van gelden wordt zo veel mogelijk verspreid over de jaren. Een belangrijk uitgangspunt van de Wet Fido is het vermijden van grote fluctuaties in de rentelasten van openbare lichamen.

Lid 1B Ten einde een grens te stellen aan korte financiering (met een rentetypische looptijd tot één jaar) is in de Wet Fido de kasgeldlimiet opgenomen. Juist voor korte financiering geldt dat het renterisico aanzienlijk kan zijn, aangezien fluctuaties in de rente bij korte financiering direct een relatief grote invloed hebben op de rentelasten. De kasgeldlimiet wordt berekend als een percentage (8,5%) van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente Uden bij aanvang van het jaar.

Het doel van de renterisiconorm is het beheersen van de renterisico’s op de vaste schuld (schuld met een rentetypische looptijd van één jaar of langer) door het aanbrengen van spreiding in de looptijden in de leningenportefeuille. De renterisico-norm kan worden berekend door een vastgesteld percentage (20%) te vermenig-vuldigen met de totale vaste schuld.

Lid 1C Het aantrekken van gelden met als doel deze met winstoogmerk te beleggen is door artikel 2 lid 2 van de Wet Fido nadrukkelijk niet toegestaan.

Lid 1D Derivaten zijn financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. Derivaten kennen een breed toepassingsgebied en worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren. De Wet Fido stelt dat derivaten uitsluitend mogen worden gebruikt ter beperking van financiële risico’s. Omdat de kennis van derivaten binnen de organisatie mogelijk onvoldoende is, kan vooraf advies worden ingewonnen bij een onafhankelijke adviseur.

Lid 1E Het gebruik van renteinstrumenten is toegestaan indien hiermee rentevoordelen behaald kunnen worden. Wel dienen de risico’s zorgvuldig afgewogen te worden.

Lid 1F Er zal door een onafhankelijke functionaris interne controle uitgevoerd worden op de afgesloten transacties in het boekjaar. Deze interne controle wordt beoordeeld door de accountant.

Artikel 3.2

Lid 1 Ter beperking van kredietrisico’s zijn in dit artikel richtlijnen opgenomen voor de minimale kredietwaardigheid van de partijen waar de gemeente middelen uitzet/belegt.

Een rating is een beoordeling van de kredietwaardigheid van een instelling, die voor zowel de korte als voor de lange termijn wordt verschaft door gerenommeerde rating “agencies” zoals Standard & Poor’s, Moody’s en Fitch IBCA. De diverse gradaties in de beoordelingen zijn te vinden in bijlage 1.

Lid 2 Een solvabiliteitsratio van 0% (ofwel een solvabiliteitsvrije status) is een status die door een bancaire toezichthouder in een EU-lidstaat (b.v. de Nederlandse bank) wordt toegekend aan het schuldpapier van een instelling. Deze status houdt in dat een bank voor desbetreffend papier geen reserves (0%) hoeft aan te houden en wordt onder meer toegekend aan papier uitgegeven of gegarandeerd door (centrale) overheden. Het is de gemeente dus toegestaan om bij andere overheden geld uit te zetten, of om te beleggen in papier waaraan een overheidsgarantie is verbonden (zoals door het WSW geborgde leningen aan woningbouwcorporaties).

Lid 3 Het aantrekken van gelden met als doel deze met winstoogmerk te beleggen is door artikel 2 lid 2 van de Wet Fido nadrukkelijk niet toegestaan.

Artikel 4.1 Alle elementen van de planning&control cyclus worden in dit artikel genoemd en enkele elementen worden in de volgende artikelen uitgewerkt. Naast de inhoud van de verschillende elementen, wordt ook ingegaan op wie deze elementen moet opstellen en goedkeuren.

Artikel 4.2 De genoemde inhoud van de financieringsparagraaf geeft de verplichte inhoud van de paragraaf weer, zoals in de Wet Fido is omschreven.

Artikel 4.3 Middels de financieringsparagraaf in de jaarrekening legt het hoofd van de afdeling middelen verantwoording af over het gevoerde treasurybeleid. Het college kan op deze wijze controleren of de uitvoering van het beleid binnen het mandaat is gebleven, dat zij heeft verleend bij het goedkeuren van de begroting.

Artikel 5.1 De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de functionarissen die binnen de gemeente betrokken zijn bij de treasuryactiviteiten zijn in artikel 5.1 respectievelijk artikel 5.2 beschreven. De toekenning van de genoemde functies en bijbehorende bevoegdheden en verantwoordelijkheden aan functies en/of functionarissen vindt plaats via de hiertoe dienende documenten (mandaten, besluiten e.d.)

Artikel 5.2 De eindverantwoordelijkheid voor het treasurybeleid ligt primair bij het bestuur van de gemeente. Teneinde niet onnodig te worden belast met het dagelijkse treasurybeheer draagt het bestuur een deel van haar bevoegdheden over aan de ambtelijke organisatie. De praktische uitvoering van het beleid heeft dus vooral op ambtelijk niveau plaats, wat als voordeel heeft dat er slagvaardiger kan worden geopereerd. Bij de toewijzing van bevoegdheden is zoveel mogelijk rekening gehouden met de vereiste functiescheiding tussen besluitvorming, uitvoering, administratie en controle.

Artikel 5.3

Lid 1 Zie voor de betreffende voorwaarden toelichting bij artikel 3.2.

Lid 2 De adviseur financiële bedrijfsvoering neemt contact op met banken/instanties indien geld aangetrokken/uitgezet dient te worden en bereidt transacties voor. Het afdelingshoofd middelen sluit de lening af, waarna het college de transactie na afloop bekrachtigd. Derhalve ligt de uiteindelijke bevoegdheid bij het college.

Lid 2A De adviseur financiële bedrijfsvoering bepaalt de financieringsbehoefte op basis van een geactualiseerde liquiditeitsprognose. Hierbij is de adviseur afhankelijk van informatie van diverse afdelingen (b.v. prognose grondaankopen/-verkopen).

Lid 2B De adviseur financiële bedrijfsvoering zal 3 partijen benaderen die voldoen aan de ratingkwalificaties (bijlage 1). Er wordt zorg gedragen voor een deugdelijke verslaglegging van de opgevraagde offertes. De condities betreffen het rentetarief, eventuele boetes bij vervroegd aflossen en de aflossingsvorm.

Lid 2C De kasgeldlimiet wordt berekend als een percentage (8,5) van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar.

Lid 2D De renterisiconorm kan worden berekend door een vastgesteld percentage (20%) te vermenigvuldigen met de totale begroting.

Lid 2E Transacties worden niet in andere munteenheden afgesloten.

Lid 2F Bij uitzettingen dient de instelling te garanderen dat op de afloopdatum minimaal 100% van de hoofdsom wordt uitgekeerd (exclusief eerdere aflossingen). Producten waarbij minder dan 100% van de hoofdsom wordt gegarandeerd zijn expliciet niet toegestaan onder de Wet Fido.

Dit is mogelijk bij onderhandse leningen (leningen waarbij de voorwaarden van de lening in onderling overleg met de geldgevende partij kunnen worden vastgesteld), deposito’s (geld wordt voor een vaste periode aan een bank afgestaan, derhalve tussentijds niet opeisbaar) en obligaties (een verhandelbaar schuldbewijs voor een lening die door een overheid, een onderneming of een instelling is aangegaan).

Lid 3 Bij korte financiering gelden dezelfde voorwaarden. Het verschil met lange financiering is dat bij aantrekken/uitzetten van gelden korter dan een jaar het afdelingshoofd middelen bevoegd is om een transactie te sluiten.

Artikel 5.4 In het kader van de rechtmatigheid is functiescheiding aangebracht.

Bijlage 1 Ratingkwalificaties

Rating: taxatie van de kredietwaardigheid van een financiële onderneming of een land, bepaald door een ratingbureau.

De ratings gehanteerd door de verschillende kredietbeoordelaars zijn elk via hun eigen benadering bekomen. Daardoor kan dezelfde bank verschillende ratings krijgen. Standard & Poor's evenals Fitch werken met categorieën A tot D, Moody's werkt met categorieën A tot C. Hoe hoger een bank wordt gewaardeerd, hoe beter is zijn kredietwaardigheid. Hieronder de verschillende ratings:

Moody's

Standards & Poor's

Fitch

Opinie

Aaa

AAA

AAA

Prime, maximaal

Aa1

AA+

AA+

Hoog

Aa2

AA

AA

Aa3

AA-

AA-

A1

A+

A+

Boven gemiddeld

A2

A

A

A3

A-

A-

Baa1

BBB+

BBB+

Onder gemiddeld

Baa2

BBB

BBB

Baa3

BBB-

BBB-

Ba1

BB+

BB+

Laag, speculatief

Ba2

BB

BB

Ba3

BB-

BB-

B1

B+

B+

 

B2

B

B

Zeer speculatief

B3

B-

B-

 

Caa1

CCC+

CCC

 

Caa2

CCC

 

 

Caa3

CCC-

 

 

Ca

CC

 

 

C

D