Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Uden

Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Brabant-Noord

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieUden
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingGemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Brabant-Noord
CiteertitelGemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Brabant-Noord
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpopenbare orde en veiligheid
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt Gemeenschappelijke regeling Regionale Hulpverleningsdienst Brabant-Noord en Gemeenschappelijk Meldcentrum Brabant-Noord

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de Algemene Wet bestuursrecht, Politiewet1993, de Brandweerwet 1985, de Wet rampen en zware ongevallen en de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen, de Wet ambulancevervoer/Wet Ambulancezorg

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-07-2006Nieuwe regeling

29-06-2006

Infopagina 19-07-2006

2006/38

Tekst van de regeling

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Brabant-Noord

de Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Brabant-Noord

De Raden, de Colleges en de burgemeesters van de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, Heusden, ’s-Hertogenbosch, Landerd, Lith, Maasdonk, Mill en Sint Hubert, Oss, Schijndel, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Sint-Oedenrode, Uden, Veghel en Vught en

het Regionaal College en de korpsbeheerder van de politieregio Brabant-Noord

ieder voor zover het zijn verantwoordelijkheden aangaat;

overwegende dat; dat het voor een goede behartiging van de zorg voor de veiligheid van en de hulpverlening aan de burgers in hun werkgebied van belang is bestuurlijk samen te werken;

dat die bestuurlijke samenwerking beter kan verlopen naarmate met elkaar samenhangende taken meer in onderlinge samenhang worden georganiseerd;

dat het gewenst is, in het kader van de rampenbestrijding, crisisbeheersing en alarmering & verbindingen, nadrukkelijk af te stemmen tussen de hulpverleningsdiensten;

dat het gewenst is daartoe de gemeenschappelijke regeling Regionale Hulpverleningsdienst Brabant-Noord en de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijk Meldcentrum Brabant-Noord te integreren;

dat het voorts gewenst is daarbij zo veel mogelijk rekening te houden met actuele bestuurlijke ontwikkelingen in Nederland en in de regio Brabant-Noord met betrekking tot de verdeling van taken en verantwoordelijkheden bij de hulpverleningsdiensten;

gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de Algemene Wet Bestuursrecht, de Politiewet 1993, de Brandweerwet 1985, de Wet rampen en zware ongevallen en de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen, de Wet ambulancevervoer/Wet ambulancezorg;;

b e s l u i t e n

aan te gaan

 

 

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      Wet : Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • b.

      regeling : deze gemeenschappelijke regeling;

    • c.

      gemeente : aan deze regeling deelnemende gemeente;

    • d.

      College : College van burgemeester en wethouders van een gemeente;

    • e.

      politieregio : de politieregio Brabant-Noord;

    • f.

      Regionaal College : het Regionaal College van de politieregio zoals bedoeld in artikel 22 van de Politiewet 1993;

    • g.

      werkgebied : het gezamenlijk grondgebied van de deelnemende gemeenten, dat samenvalt met de politieregio;

    • h.

      Gedeputeerde Staten : Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant;

    • i.

      korpsbeheerder : de korpsbeheerder van de politieregio zoals bedoeld in artikel 1 van de Politiewet 1993;

    • j.

      regionaal commandant (brandweer) : commandant, zoals bedoeld in artikel 3 lid 2 van de Brandweerwet 1985;

    • k.

      regionaal geneeskundig functionaris : functionaris zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen;

    • l.

      korpschef : de korpschef van de politieregio zoals bedoeld in artikel 1 van de Politiewet 1993;

    • m.

      coördinerend gemeentesecretaris : de secretaris van één van de deelnemende gemeenten, welke -uit hun midden- is aangewezen;

    • n.

      regionale ambulancevoorziening : de rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 1 van (het wetsvoorstel) Wet ambulancezorg, die ambulancezorg voor het werkgebied verricht;

    • o.

      hulpverlening : hulpverlening door politie, brandweer en GHOR, waarbij onder hulpverlening door politie wordt verstaan: de hulpverlening, zoals bedoeld in artikel 2 Politiewet, maar beperkt zich tot situaties waarin sprake is van een ramp of crisis.

    • p.

      geneeskundige hulpverlening : hulpverlening zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geneeskundige hulpverlening bij rampen;

    • q.

      gemeenschappelijk meldcentrum : een facilitaire infrastructurele voorziening inclusief ‘112-centrale’ voor het werkgebied waarvan gebruik wordt gemaakt door de regionale brandweeralarmcentrale, de meldkamer van de politieregio en de meldkamer ambulancezorg en waarin het callcenter van de politieregio en een regionaal coördinatiecentrum is ondergebracht;

    • r.

      meldkamer ambulancezorg : centrale post (ambulancevervoer) zoals bedoeld in de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen en de Wet ambulancevervoer;

    • s.

      Regionaal coördinatiecentrum : gezamenlijk centrum van waaruit (multidisciplinair) grootschalig en bijzonder optreden kan worden gecoördineerd;

    • t.

      operationele leiding : bevoegdheid tot het geven van bindende aanwijzingen aan commandanten van de bij de bestrijding van branden, zware ongevallen en rampen samenwerkende diensten, zonder daarbij te treden in de bevoegdheden van de commandanten van die diensten aangaande de wijze van uitvoering van de aan hen opgedragen taken;

    • u.

      veiligheidsbureau : een voorziening waarbinnen op projectbasis werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • v.

      bijstand : aanvullend personeel en materieel ten behoeve van de ondersteuning binnen en buiten de eigen regio, aangevraagd door of namens het bevoegd gezag.

  • 2.

    Waar in de regeling de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, treden - voor zover relevant - in plaats van de gemeente, de Raad, het College en de burgemeester onderscheidenlijk: het openbaar lichaam, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

  • 3.

    Waar in de regeling met betrekking tot personen, een mannelijk voornaamwoord of een mannelijk functionarisbegrip gebruikt wordt, worden zowel mannelijke als vrouwelijke personen bedoeld.

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen

Artikel 2.1. Het openbaar lichaam

  • 1

    Er is een openbaar lichaam, genaamd ‘Veiligheidsregio Brabant-Noord’. Het is gevestigd te ’s-Hertogenbosch.

  • 2

    Het bestuur van de Veiligheidsregio Brabant-Noord bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Artikel 2.2. Beperking deelname politieregio

De politieregio Brabant Noord neemt aan deze regeling slechts deel voor zover het betreft het gemeenschappelijk meldcentrum zoals bedoeld in artikel 3.5 en voor zover het betreft het veiligheidsbureau zoals bedoeld in artikel 3.6.

Artikel 2.3. Toepassing Gemeentewet

Voor zover daarvan niet in deze regeling is afgeweken is de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing op deze regeling.

Hoofdstuk 3. Doelstelling, taken en verantwoordelijkheden

Artikel 3.1. Doelstelling

De veiligheidsregio Brabant-Noord behartigt het belang van een doelmatig georganiseerde en gecoördineerde, waar mogelijk integrale, uitvoering van de hulpverlening in het werkgebied alsmede de voorbereiding daarop.

Artikel 3.2. Taken algemeen

De aan de regeling deelnemende rechtspersonen werken in de Veiligheidsregio Brabant-Noord bestuurlijk samen ter behartiging van het in artikel 3.1 genoemde belang.

Artikel 3.3. Taken brandweerzorg

  • 1.

    De veiligheidsregio Brabant-Noord heeft een Regionale Brandweer Brabant-Noord.

  • 2.

    De veiligheidsregio Brabant-Noord heeft op het terrein van de regionale brandweerzorg tot taak:

    • I.

      Het zorgdragen voor:

    • a.

      het instellen en in stand houden van een regionale brandweeralarmcentrale;

    • b.

      het aanschaffen en beheren van gemeenschappelijk materieel;

    • c.

      het benoemen, schorsen en ontslaan van de commandant en het overige personeel van de regionale brandweer en het vaststellen van een instructie voor het personeel;

    • d.

      het beschikbaar stellen van personeel en materieel voor bijstandverlening;

    • e.

      het voorbereiden van de coördinatie bij de bestrijding van rampen en zware ongevallen;

    • f.

      het voorbereiden van de organisatie voor het optreden van de brandweer in buitengewone omstandigheden en het regelen van de operationele leiding bij de bestrijding van rampen en zware ongevallen;

    • g.

      het verzamelen en evalueren van gegevens ten behoeve van de waarschuwing en alarmering van de bevolking in geval van een ramp of een zwaar ongeval of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan;

    • h.

      het waarschuwen van de bevolking door middel van het sirenenet;

    • i.

      het verkennen van gevaarlijke stoffen en het verrichten van ontsmetting;

    • j.

      de coördinatie van de bijstandverlening bedoeld onder d.;

    • k.

      de coördinatie van de brandweerkwaliteitszorg in het werkgebied;

    • l.

      het verzorgen van oefeningen met het oog op het optreden in groter verband;

    • m.

      het verzorgen van opleidingen.

    • II.

      Het vaststellen van:

    • a.

      een beheersplan als bedoeld in artikel 5 van de Wet rampen en zware ongevallen;

    • b.

      een organisatieplan als bedoeld in artikel 4a van de Brandweerwet 1985;

    • c.

      het niveau van lokale brandweerzorg waaraan ieder van de deelnemende gemeenten minimaal moet voldoen en het daartoe vaststellen van prestatie-eisen en kwaliteitskaders;

    • d.

      een uitvoeringsregeling voor de bijstand, die de gemeenten elkaar op verzoek verlenen op het gebied van brandweerzorg, openbare veiligheid, crisisbeheersing en rampenbestrijding.

    • III.

      Het adviseren van de besturen van de gemeenten:

    • a.

      op het gebied van de brandpreventie;

    • b.

      ter zake van voorbereidende maatregelen op het gebied van de brandbestrijding en -beperking in bepaalde objecten;

    • c.

      over het aanschaffen van materieel;

    • d.

      over de benoeming door deelnemende gemeenten van een lokale brandweercommandant.

Artikel 3.4. Taken geneeskundige hulpverlening

  • 1.

    De veiligheidsregio Brabant-Noord heeft een organisatorisch samenwerkingsverband voor de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.

  • 2.

    De veiligheidsregio Brabant-Noord heeft op het terrein van de geneeskundige hulpverlening tot taak:

    • a.

      het instellen en in stand houden van een centrale post voor het ambulancevervoer;

    • b.

      het vaststellen van de taken van de binnen het werkgebied werkzame gezondheidsdiensten in het kader van de geneeskundige hulpverlening en de realisering daarvan;

    • c.

      het instellen en in stand houden van een organisatorisch samenwerkingsverband gericht op geneeskundige hulpverlening;

    • d.

      het zorgdragen voor onderlinge bijstand bij de uitvoering van de geneeskundige hulpverlening;

    • e.

      het benoemen, schorsen en ontslaan van de regionaal geneeskundig functionaris;

    • f.

      het vaststellen van een organisatieplan als bedoeld in artikel 6 van de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen;

    • g.

      het vaststellen van een regeling met betrekking tot de inzet van het organisatorisch samenwerkingsverband zoals bedoeld onder c) bij het verlenen van geneeskundige hulp;

    • h.

      het stellen van regels ten aanzien van het beslissen op aanvragen van ambulancevervoer zoals bedoeld in artikel 7 lid 3 van de Wet ambulancevervoer.

Artikel 3.5. Taken gemeenschappelijk meldcentrum

  • 1.

    De veiligheidsregio Brabant-Noord heeft een gemeenschappelijk meldcentrum.

  • 2.

    De veiligheidsregio Brabant-Noord heeft op het terrein van het gemeenschappelijk meldcentrum tot taak:

    • a.

      het beheer van het gemeenschappelijk meldcentrum dat omvat de exploitatie van het gebouw en de technische infrastructuur en het genereren van managementinformatie ten behoeve van een adequate taakuitoefening;

    • b.

      het aanbieden, instandhouden en doorontwikkelen van onderlinge en vernieuwende communicatie- en informatiemogelijkheden en –voorzieningen waardoor de hulpverleningsdiensten hun inzet efficiënt en effectief kunnen aansturen.

  • 3.

    De inhoudelijke verantwoordelijkheid voor de meldkamers is als volgt geregeld:

    • a.

      de veiligheidsregio Brabant-Noord is verantwoordelijk voor de organisatie, operationele aansturing en wijze van invulling van de operationele prestaties van de meldkamer brandweer;

    • b.

      de politieregio is verantwoordelijk voor de organisatie, operationele aansturing en wijze van invulling van de operationele prestaties van de meldkamer politie en het call center politie;

    • c.

      de regionale ambulancevoorziening is verantwoordelijk voor de organisatie, operationele aansturing en wijze van invulling van de operationele prestaties van de meldkamer ambulancezorg.

  • 4.

    Met betrekking tot de inhoudelijke verantwoordelijkheid van de meldkamers, zoals omschreven in het vorige lid, hebben de Veiligheidsregio, de politieregio en de regionale ambulancevoorziening een verplichting zich in te spannen voor een zo groot mogelijke integrale samenwerking op de meldkamers.

Artikel 3.6. Taken Veiligheidsbureau

  • 1.

    De veiligheidsregio Brabant-Noord heeft een veiligheidsbureau.

  • 2.

    De veiligheidsregio Brabant-Noord heeft op het terrein van het veiligheidsbureau tot taak: het projectmatig samenwerken aan het opstellen van plannen voor het voorkomen, beperken en bestrijden van crises, rampen en ongevallen in de regio met behoud van de eigen verantwoordelijkheid van de samenwerkende organisaties.

Hoofdstuk 4. Het algemeen bestuur

Artikel 4.1. Samenstelling

  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat maximaal uit zoveel leden als het aantal rechtspersonen dat aan de regeling deelneemt. Ieder lid heeft een plaatsvervanger.

  • 2.

    De Raden van de deelnemende gemeenten wijzen de burgemeester aan als lid van het algemeen bestuur. Het Regionaal College wijst uit zijn midden de voorzitter aan als lid.

  • 3.

    De Raden van de deelnemende gemeenten wijzen elk een wethouder aan als plaatsvervangend lid. Het Regionaal College wijst uit zijn midden een plaatsvervangend lid aan.

  • 4.

    a. De leden van het algemeen bestuur hebben ieder één stem.

    • b.

      Het lid van het Regionaal College heeft zowel een stem namens de gemeente waarvan hij burgemeester is als namens de politieregio.

    • c.

      Het lid dat door het Regionaal College is aangewezen neemt als vertegenwoordiger van de politieregio slechts aan de besluitvorming deel voorzover het betreft het gemeenschappelijk meldcentrum en het veiligheidsbureau.

Artikel 4.2. Zittingsduur

  • 1.

    De (plaatsvervangende) leden van het algemeen bestuur hebben zitting gedurende de zittingsduur van de gemeenteraad. In een nieuwe zittingsduur van de gemeenteraad kunnen zij terstond opnieuw worden aangewezen. Zij blijven, onverminderd in het bepaalde in lid 2, als lid van het algemeen bestuur fungeren totdat hun opvolgers zijn aangewezen.

  • 2.

    Het (plaatsvervangend) lidmaatschap eindigt zodra het (plaatsvervangend) lid ophoudt burgemeester c.q. wethouder c.q. lid van het Regionaal College te zijn.

  • 3.

    Van elke wijziging in het (plaatsvervangend) lidmaatschap geeft het College van de gemeente die het aangaat c.q. het Regionaal College binnen 14 dagen kennis aan de voorzitter.

Artikel 4.3. Vergaderingen

  • 1.

    Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal. Het algemeen bestuur vergadert voorts zo vaak als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt of tenminste een vijfde van het aantal leden van het algemeen bestuur daarom verzoekt. De voorzitter is gehouden binnen drie weken na ontvangst ervan uitvoering te geven aan een dergelijk verzoek.

  • 2.

    De artikelen 16, 19, 20, 22, 23, 24, 25, 26 en 28 tot en met 32 van de Gemeentewet zijn, voor zover daarvan bij de wet niet is afgeweken, op het houden en de orde van de vergaderingen van het algemeen bestuur van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5. Het dagelijks bestuur

Artikel 5.1. Samenstelling

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter van het algemeen bestuur en vier andere leden. Ieder lid heeft een plaatsvervanger.

  • 2.

    De leden en de plaatsvervangende leden worden uit en door het algemeen bestuur aangewezen.

Artikel 5.2. Zittingsduur

  • 1.

    Het (plaatsvervangend) lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt zodra het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt of wanneer het lid van het dagelijks bestuur als zodanig ontslag neemt.

  • 2.

    Het (plaatsvervangend) lid van het dagelijks bestuur dat ontslag neemt, blijft in functie tot de eerstvolgende vergadering van het algemeen bestuur.

Artikel 5.3. Onvrijwillig ontslag

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan een (plaatsvervangend) lid van het dagelijks bestuur ontslag verlenen indien dit lid niet meer het vertrouwen bezit van het algemeen bestuur.

  • 2.

    Artikel 49 van de Gemeentewet is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.4. Vergaderingen

  • 1.

    Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast, dat aan het algemeen bestuur wordt toegezonden.

  • 2.

    De artikelen 54 t/m 60 van de Gemeentewet zijn op de vergaderingen van het dagelijks bestuur van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 6. De voorzitter

Artikel 6.1. Aanwijzing en vervanging

  • 1.

    Het algemeen bestuur wijst de voorzitter aan van het openbaar lichaam.

  • 2.

    De voorzitter is tevens voorzitter van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

  • 3.

    Bij verhindering of ontstentenis wordt de voorzitter vervangen door een door het dagelijks bestuur uit zijn midden aan te wijzen plaatsvervanger.

  • 4.

    De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan. Deze stukken worden door de secretaris mede-ondertekend.

  • 5.

    In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan het dagelijks bestuur de voorzitter toestaan om de ondertekening van stukken die van het dagelijks bestuur uitgaan op te dragen aan een ander lid van het dagelijks bestuur of de ondertekening te mandateren aan de secretaris of aan een ander persoon.

  • 6.

    De voorzitter vertegenwoordigt de veiligheidsregio Brabant-Noord in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde.

Hoofdstuk 7. Taken en bevoegdheden bestuursorganen

Artikel 7.1. Bevoegdheden algemeen

Aan de veiligheidsregio Brabant-Noord zijn door de (organen van) de deelnemende rechtspersonen alle bevoegdheden tot regeling en bestuur toegekend die op enig moment nodig zijn voor de uitvoering van de aan de veiligheidsregio Brabant-Noord opgedragen taken. De bevoegdheden genoemd in artikel 1 lid 6 van de Brandweerwet 1985 en de bevoegdheden genoemd in artikel 2 en 4 van de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen zijn daaronder begrepen.

Artikel 7.2. Verdeling van taken en bevoegdheden

Voor zover daarvan in deze regeling niet wordt afgeweken is op de veiligheidsregio Brabant-Noord en haar bestuursorganen de verdeling van taken en bevoegdheden van toepassing zoals deze geldt in de Gemeentewet. Met dien verstande dat voor gemeente, gemeenteraad, burgemeester en wethouders en burgemeester in de plaats treden respectievelijk: veiligheidsregio Brabant-Noord, algemeen bestuur, dagelijks bestuur en voorzitter. En met dien verstande dat de verdeling van bevoegdheden over die organen de in deze regeling bepaalde verdeling van taken volgt.

Artikel 7.3. Algemeen bestuur

  • 1.

    Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van de veiligheidsregio Brabant-Noord.

  • 2.

    Het algemeen bestuur is bevoegd tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de veiligheidsregio Brabant-Noord voor zover bij de wet of in deze regeling de bevoegdheid daartoe niet aan het dagelijks bestuur of de voorzitter is toegekend.

  • 3.

    Het algemeen bestuur stelt de verordeningen van de veiligheidsregio Brabant-Noord vast die het in het belang van de veiligheidsregio nodig acht en voor zover bij de wet of in deze regeling de bevoegdheid daartoe niet aan het dagelijks bestuur is toegekend.

Artikel 7.4. Bindende voorschriften brandweerzorg

  • 1.

    Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam is bevoegd bindende voorschriften te geven aan het bestuur van een gemeente ten aanzien van het niveau van lokale brandweerzorg en daarbij behorende prestatie-eisen en kwaliteitskaders, waaraan die gemeente minimaal moet voldoen.

  • 2.

    Indien het bestuur van een gemeente naar het oordeel het algemeen bestuur in gebreke blijft bij het opvolgen van de voorschriften bedoeld in het eerste lid, kan het algemeen bestuur dit geschil op grond van artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, ter beslissing voorleggen aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 7.5. Dagelijks bestuur

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur.

  • 2.

    De artikelen 53, 53a, 74, 170 lid 1 en lid 3 en 171 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter.

Hoofdstuk 8. Informatie en verantwoording

Artikel 8.1 Informatie- en verantwoordingsplicht leden algemeen bestuur

  • 1.

    Een lid van het algemeen bestuur geeft het orgaan dat hem heeft aangewezen ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door de veiligheidsregio Brabant-Noord gevoerde en te voeren beleid nodig is.

  • 2.

    Een lid van het algemeen bestuur geeft het orgaan dat hem heeft aangewezen de door een of meer leden van dat orgaan gevraagde inlichtingen. Schriftelijk gevraagde inlichtingen worden schriftelijk gegeven.

  • 3.

    Alvorens de gevraagde inlichtingen te verstrekken kan het lid van het algemeen bestuur zich daarover laten adviseren door het dagelijks bestuur.

  • 4.

    Een lid van het algemeen bestuur is verantwoording verschuldigd aan het orgaan dat hem heeft aangewezen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

  • 5.

    Het afleggen van verantwoording vindt plaats overeenkomstig het reglement van orde van het desbetreffende orgaan met dien verstande dat termijnen worden verdubbeld om het lid van het algemeen bestuur de gelegenheid te geven zich door het dagelijks bestuur te laten informeren.

  • 6.

    Het algemeen bestuur stelt jaarlijks voor 1 juli een jaarverslag vast waarin verslag wordt gedaan over het door de veiligheidsregio Brabant-Noord gevoerde bestuur en bereikte resultaten. Het jaarverslag wordt gezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan het Regionaal College van de politieregio Brabant-Noord.

Artikel 8.2. Informatie- en verantwoordingsplicht (leden) dagelijks bestuur

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur verstrekken zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk de door het algemeen bestuur of door een of meer leden daarvan gevraagde inlichtingen. Schriftelijk gevraagde inlichtingen worden zo mogelijk schriftelijk gegeven.

  • 2.

    De leden van het dagelijks bestuur verstrekken zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk de, door de organen van de deelnemers of een of meer leden daarvan, gevraagde inlichtingen.

  • 3.

    De leden van het dagelijks bestuur leggen zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk verantwoording af aan het algemeen bestuur voor het door hen gevoerde bestuur.

Artikel 8.3. Informatie- en verantwoordingsplicht voorzitter

Het bepaalde in artikel 8.2 is van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem als zodanig gevoerde bestuur.Hoofdstuk 9. Functies, personeel en organisatie

Artikel 9.1. Secretaris

  • 1.

    De veiligheidsregio Brabant-Noord heeft een secretaris die door het algemeen bestuur wordt benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 2.

    De secretaris is tevens regionaal commandant brandweer zoals bedoeld in artikel 9.2.

  • 3.

    De secretaris staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter, bij de uitoefening van hun taak terzijde.

  • 4.

    Het algemeen en het dagelijks bestuur stellen nadere regels voor de taak en de bevoegdheden van de secretaris.

  • 5.

    De secretaris is in de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur aanwezig.

  • 6.

    De stukken die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan worden door de secretaris mede ondertekend tenzij de ondertekening door de voorzitter aan hem is opgedragen.

  • 7.

    Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de secretaris.

Artikel 9.2. Regionaal commandant brandweer

  • 1.

    De veiligheidsregio Brabant-Noord heeft een regionaal commandant brandweer die door het algemeen bestuur wordt benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 2.

    De regionaal commandant brandweer is tevens secretaris zoals bedoeld in artikel 9.1.

  • 3.

    De regionaal commandant is belast met de leiding over het veiligheidsbureau.

  • 4.

    De regionaal commandant brandweer is belast met de operationele leiding bij buitengewone omstandigheden, rampen, zware ongevallen en grootschalige incidenten of ernstige vrees daarvoor, tenzij het bevoegde gezag als bedoeld in de artikelen 11 en 12 van de Wet rampen en zware ongevallen, een andere voorziening treft.

Artikel 9.3. Regionaal geneeskundig functionaris

  • 1.

    De veiligheidsregio Brabant-Noord heeft een regionaal geneeskundig functionaris die door het algemeen bestuur wordt benoemd, geschorst en ontslagen. De regionaal geneeskundig functionaris is belast met de operationele leiding over de geneeskundige hulpverlening.

  • 2.

    De regionaal geneeskundig functionaris coördineert de voorbereiding van de spoedeisende medische hulpverlening op de geneeskundige hulpverlening en stemt de maatregelen ter voorbereiding van de geneeskundige hulpverlening af op de maatregelen van de andere bij de rampenbestrijding betrokken disciplines.

Artikel 9.4. Korpschef politie

De korpschef is belast met de uitvoering van taken, zoals bedoeld in artikel 3.5., lid 2.

Artikel 9.5. Overig personeel

Overig personeel in dienst van het openbaar lichaam wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het dagelijks bestuur.

Artikel 9.6. Organisatieverordening

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt een organisatieverordening vast.

  • 2.

    De organisatieverordening bevat in ieder geval bepalingen betreffende:

    • a.

      de onderlinge verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen de secretaris/regionaal commandant, de regionaal geneeskundig functionaris, de korpschef en de coördinerend gemeentesecretaris;

    • b.

      de voorbereiding van de bestuurlijke besluitvorming en de wijze waarop daarbij een of meer adviseurs worden betrokken;

    • c.

      het veiligheidsbureau zoals bedoeld in artikel 3.6.

Artikel 9.7. Rechtspositieregeling

  • 1.

    Op personeel aangesteld bij de veiligheidsregio Brabant-Noord, de in deze regeling benoemde functionarissen inbegrepen, is de rechtspositie van de gemeente ’s-Hertogenbosch van toepassing.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan besluiten, op het gehele personeel of een deel daarvan een andere rechtspositieregeling van toepassing te verklaren.

  • 3.

    Het algemeen bestuur kan afwijken van enige van toepassing verklaarde rechtspositieregeling.

Hoofdstuk 10. Financiële bepalingen

Artikel 10.1. Algemene bepaling

Voor zover daarvan niet bij of krachtens de wet of deze regeling is afgeweken is op dit hoofdstuk van

overeenkomstige toepassing Titel IV van de Gemeentewet.

Artikel 10.2. Financiële administratie, geldelijk beheer en controle

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Artikel 212 Gemeentewet is hierop van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Het algemeen bestuur wijst een of meer accountants aan als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, belast met de controle van de jaarrekening en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een verslag van bevindingen. Artikel 213 Gemeentewet is hierop van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10.3. Begroting

  • 1.

    In de begroting worden aangegeven de door elke aan deze regeling deelnemende rechtspersoon naar raming verschuldigde bijdrage voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft. De begroting vermeldt tevens de termijnen waarin de bijdrage is verschuldigd en de daarbij behorende vervaldata.

  • 2.

    In de begroting wordt aangegeven in hoeverre deze bijdragen verdeeld worden naar verhouding van de inwonertallen van de in de regeling deelnemende gemeenten en/of in hoeverre een andere verdeelsleutel wordt toegepast.

  • 3.

    Voor zover de in lid 2 bedoelde bijdrage berekend wordt naar verhouding van de inwonertallen, wordt uitgegaan van het inwonertal op 1 januari van het jaar, voorafgaande aan dat, waarvoor de bijdrage verschuldigd is. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners worden aangehouden de door het Centraal bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers.

  • 4.

    Voor zover de bijdragen bedoeld in lid 1 betrekking hebben op de kosten van het gemeenschappelijk meldcentrum worden deze naar rato verdeeld over de al dan niet in de regeling deelnemende rechtspersonen die functioneel verantwoordelijk zijn voor de onderscheidenlijke functies.

  • 5.

    De aan de meldkamer ambulancezorg toe te rekenen kosten worden in rekening gebracht bij de regionale ambulancevoorziening.

Artikel 10.4. Begrotingsprocedure

  • 1.

    Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting jaarlijks voor 1 mei toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan het Regionaal College. De ontwerpbegroting gaat vergezeld van een meerjarenraming voor het lopende en de drie op het begrotingsjaar volgende jaren.

  • 2.

    De ontwerpbegroting wordt door de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, tweede en derde lid, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    De raden van de deelnemende gemeenten en het Regionaal College kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden.

  • 4.

    Het algemeen bestuur stelt jaarlijks vóór 1 juli de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

  • 5.

    Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur daarover bericht aan de raden van de deelnemende gemeenten en het Regionaal College, zo nodig vergezeld van de vastgestelde begroting, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 6.

    Het algemeen bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten.

  • 7.

    Op wijzigingen van de begroting zijn de voorafgaande bepalingen in dit artikel van overeenkomstige toepassing tenzij die wijziging geen verhoging geeft voor de bijdrage van de gemeenten en/of de politieregio.

Artikel 10.5. Jaarrekening

  • 1.

    Van de inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam wordt door het dagelijks bestuur over elk dienstjaar verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur, onder overlegging van de conceptjaarrekening met daarbij behorende bescheiden. Het dagelijks bestuur voegt daarbij een verslag van bevindingen van de accountant(s) overeenkomstig artikel 213 van de Gemeentewet.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de raden van de deelnemende gemeenten, aan het Regionaal College en aan Gedeputeerde Staten.

  • 4.

    Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer.

  • 5.

    In de jaarrekening wordt -overeenkomstig de in de desbetreffende begroting opgenomen verdeelsleutel- het door elk van de onderscheidenlijke rechtspersonen over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen.

Hoofdstuk 11. Archieffunctie en ombudsfunctie

Artikel 11.1. Archiefbescheiden

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt een verordening vast op de zorg voor de archiefbescheiden van het openbaar lichaam alsmede op het beheer daarvan en op het toezicht op het beheer.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archieven.

  • 3.

    De aan de uitvoering van deze zorg verbonden kosten komen voor rekening van deze regeling.

Artikel 11.2. Ombudsfunctie

De behandeling van verzoekschriften zoals bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vindt plaats door de ombudscommissie van de gemeente ’s-Hertogenbosch.

Hoofdstuk 12. Toetreden, uittreden, wijzigen, opheffen

Artikel 12.1. Toetreden

Na het aangaan van deze regeling kan een rechtspersoon alleen toetreden na instemming van het algemeen bestuur, dat de gevolgen van toetreding regelt.

Artikel 12.2. Uittreden

Na het aangaan van deze regeling kan een rechtspersoon alleen uittreden na instemming van het algemeen bestuur, dat de gevolgen van uittreden regelt.

Artikel 12.3. Wijzigen

  • 1.

    Deze regeling kan worden gewijzigd bij eensluidende besluiten van de organen van tenminste vijftien deelnemende rechtspersonen.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur maakt de wijziging bekend.

Artikel 12.4. Opheffen

  • 1.

    Deze regeling kan worden opgeheven bij eensluidende besluiten van de organen van tenminste vijftien deelnemende rechtspersonen.

  • 2.

    Bij opheffing besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt, nadat de organen van de deelnemende gemeenten en de politieregio zijn gehoord, een liquidatieplan op. Daarbij kan hij van deze regeling afwijken.

  • 3.

    In dit liquidatieplan wordt een regeling getroffen voor de bewaring en het toekomstig beheer van de archieven.

  • 4.

    De organen van het openbaar lichaam blijven na de opheffing in functie tot dat de liquidatie volledig is voltooid.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur maakt de opheffing openbaar bekend.

Hoofdstuk 13. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 13.1.
  • 1.

    Deze regeling treedt in werking per 1 juli 2006.

  • 2.

    Deze regeling kent een toelichting.

  • 3.

    De deelnemende gemeenten en de politieregio dragen op de gebruikelijke wijze zorg voor de bekendmaking van deze regeling.

4 Deze regeling kan worden aangehaald als ‘Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Brabant-Noord’.

  • 5.

    Het bestuur van de gemeente ’s-Hertogenbosch wordt aangewezen als het gemeentebestuur zoals bedoeld in artikel 26 van de wet.

  • 6.

    Tegelijk met de inwerkingtreding van deze regeling worden opgeheven:

    • a.

      de ‘Gemeenschappelijke regeling Regionale Hulpverleningsdienst Brabant-Noord’ en

    • b.

      de ‘Gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijk Meldcentrum Brabant-Noord’.

Aldus vastgesteld door de Raad van de gemeente Uden,

in zijn openbare vergadering van 29 juni 2006.

de griffier, de voorzitter,

………………… …………………..

Aldus vastgesteld door het College van de gemeente ……………,

in zijn vergadering van……………….

de secretaris, de voorzitter,

…………………..……………………...

Aldus vastgesteld door de burgemeester van de gemeente ……………………..,

de burgemeester,

………………….

Inhoudsopgave

Bladzijde

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen 1

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen 3

Hoofdstuk 3. Doelstelling, taken en verantwoordelijkheden 3

Hoofdstuk 4. Het algemeen bestuur 5

Hoofdstuk 5. Het dagelijks bestuur 6

Hoofdstuk 6. De voorzitter 7

Hoofdstuk 7. Taken en bevoegdheden bestuursorganen 7

Hoofdstuk 8. Informatie en verantwoording 8

Hoofdstuk 9. Functies, personeel en organisatie 9

Hoofdstuk 10. Financiële bepalingen 10

Hoofdstuk 11. Archieffunctie en ombudsfunctie 12

Hoofdstuk 12. Toetreden, uittreden, wijzigen, opheffen 12

Hoofdstuk 13. Overgangs- en slotbepalingen 13

Toelichting Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Brabant-Noord

Inleiding

Met het vaststellen van deze gemeenschappelijke regeling stellen de deelnemers de Veiligheidsregio Brabant-Noord in. De regeling is een samentrekking van de gemeenschappelijke regelingen voor de Regionale Hulpverleningsdienst Brabant-Noord respectievelijk het Gemeenschappelijk Meldcentrum Brabant-Noord (GMC). De regeling is primair gebaseerd op de Wet Gemeenschappelijke regelingen (WGR) en de Gemeentewet.

De veiligheidsrisico’s in de samenleving vragen om een overheid die duidelijk, daadkrachtig en consequent kan reageren. Dit vergt een bestuurlijke structuur die slagvaardig is en waarin democratische controle gewaarborgd is. Dit is een van de uitgangspunten die zijn benoemd in het Kabinetsstandpunt Veiligheidsregio’s (Kamerstukken II 2001-2002, 27575, nr.9).

Veiligheidsregio’s zijn gebieden waarin wordt samengewerkt door verscheidene besturen en diensten ten aanzien van taken op het terrein van brandweerzorg, rampenbeheersing, crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening bij rampen en handhaving van de openbare orde en veiligheid. Er is sprake van een territoriaal congruente indeling conform de huidige indeling van de politieregio’s. De samenwerking vindt plaats binnen een structuur die is gebaseerd op wettelijke regelingen en bestuursafspraken.

Een van de zaken uit voornoemd Kabinetsstandpunt, die geregeld moeten zijn in juli 2006, is de verplichte bestuurlijke samenwerking van de regionale brandweer en GHOR met politie. Bij brief (27 april 2005, kenmerk PVR2005/55559) heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) aangegeven dat uiteindelijk gekozen is voor de inrichting van één regionaal veiligheidsbestuur dat zowel verantwoordelijk is voor beleid en beheer ten aanzien van de regionale brandweer en GHOR als voor de rampen- en crisisbeheersing en het beheer van de gemeenschappelijke meldkamer. Om dit te realiseren dient iedere regio een gemeenschappelijke regeling op te stellen waarin de huidige gemeenschappelijke regelingen zullen opgaan.

Hierna volgt, waar nodig, een artikelsgewijze toelichting.

Hoofdstuk 2. Algemene Bepalingen

Artikel 2.2.

Naast de gemeenten uit de regio Brabant-Noord neemt de politieregio deel aan de regeling. In dit artikel wordt die deelname beperkt tot de aspecten die het gemeenschappelijk meldcentrum en het veiligheidsbureau betreffen.

Deze beperking is het logische gevolg van de in voornoemde brief benoemde verantwoordelijkheid van het regionale veiligheidsbestuur. Voor het overige blijft het Regionaal College gepositioneerd naast het nieuwe regionale veiligheidsbestuur, in ieder geval tot 1 januari 2008 (gelet op het Kabinetsstandpunt evaluatie politieorganisatie (Kamerstukken II 2004-2005, 29628 nr. 5).

Hoofdstuk 3. Doelstelling, taken en verantwoordelijkheden

Artikel 3.1. Doelstelling

In dit artikel wordt de doelstelling van de veiligheidsregio uiteengezet. De in dit artikel genoemde hulpverlening ziet op de hulpverlening door brandweer, politie en de geneeskundige hulpverlening. De hulpverlening door de politie die bedoeld wordt in artikel 2 Politiewet beperkt zich, voor wat deze regeling betreft, tot de situaties waarin sprake is van een ramp of crisis.

De geneeskundige hulpverlening is die zoals bedoeld wordt in artikel 1 van de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.

De uitvoering van de hulpverlening gebeurt waar mogelijk integraal hetgeen met zich meebrengt dat betrokken hulpdiensten in een vroeg stadium de mogelijkheden van samenwerking verkennen en ook benutten indien mogelijk.

Artikel 3.2. Taken algemeen

In dit artikel wordt duidelijk gemaakt dat deze regeling de bestuurlijke inbedding van de Veiligheidsregio beoogt. Het Ministerie van BZK heeft in haar brief van 27 april 2005 (kenmerk: PVR2005/55559) aan de Tweede Kamer aangegeven dat het regionaal veiligheidsbestuur een aantal kerntaken heeft te vervullen. Deze zijn:

  • 1.

    het opstellen, vaststellen en uitvoeren van een multidisciplinair beleidsplan rampen- en crisisbeheersing (dit is een verbreding van het huidige regionaal beheersplan rampenbestrijding artikel 5 Wet rampen en zware ongevallen);

  • 2.

    het beheer van de gemeenschappelijke meldkamer en de 112-centrale;

  • 3.

    het beheer en beleid ten aanzien van de regionale brandweer en GHOR;

  • 4.

    het toetsen en adviseren van het gemeentelijk en sectorale proactie- en preventiebeleid ten behoeve van het (regionale) crisisbeheersingsbeleid.

Artikel 3.3. Taken brandweerzorg

In dit artikel worden de taken van de regionale brandweer conform artikel 4 van de Brandweerwet 1985 genoemd.

Het bestuur stelt ten minste één maal in de vier jaren een organisatieplan vast. Het organisatieplan bevat de operationele prestaties van de regionale brandweer en de geneeskundige hulpverlening die nodig zijn om uitvoering te geven aan het beheersplan, bedoeld in artikel 5 van de Wrzo. In het organisatieplan is een adequate organisatie van brandweer en geneeskundige hulpverlening (lokaal en regionaal) beschreven; waarbij de brandweer is toegerust op het vastgestelde brandweerzorgniveau en (de voorbereiding op) de rampenbestrijding.

De deelnemende gemeenten kennen een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een sterk regionaal bureau. Uitgangspunt zijn sterke lokale brandweren, geschraagd door een sterk regionaal bureau. Op regionaal niveau worden de kwaliteitseisen geformuleerd, op lokaal niveau ingevuld. Indien de gemeente hiertoe zelf niet in staat is of het niet alleen wil doen, dient samengewerkt te worden met één of meerdere gemeente(n) in beginsel uit het (brandweer)district. Bij het niet of onvoldoende voldoen aan de vastgestelde eisen, krijgt de betreffende gemeente een periode om dit niveau alsnog te halen. Zoniet, dan heeft het regionale bestuur het recht daaraan consequenties te verbinden voor de samenwerking. Het regionaal niveau verplicht zich tot het effectief en efficiënt uitvoeren van zowel de wettelijke taken als het aangeven van de kwaliteitskaders.

In dit kader verplicht het gemeentebestuur zich advies te vragen aan de regionaal commandant met betrekking tot de benoeming van deze functionaris. Van dit advies kan alleen op basis van zwaarwegende redenen worden afgeweken.

Artikel 3.4. Taken geneeskundige hulpverlening

De GHOR is het organisatorisch samenwerkingsverband voor de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen. Dit artikel volgt de tekst van artikel 4 van de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen. De relatie met de meldkamer ambulancezorg ligt niet meer specifiek in deze wet vast.. In de nieuwe Wet Ambulancezorg staat namelijk dat deze taak een bevoegdheid zal worden van de Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV). De operationele GHOR is daarbij een regulier onderdeel van de openbare gezondheidszorg, zoals ook de infectieziektebestrijding, de medische milieukunde en de openbare geestelijke gezondheidszorg dat zijn.

Het bestuur van de Veiligheidsregio is verantwoordelijk voor het instellen van de meldkamer ambulancezorg: de aanwijzing van de locatie van de meldkamer, het beheer van het gebouw waarin de meldkamer is gehuisvest en het zorgdragen voor een deugdelijke infrastructuur. De RAV(-directeur) is belast met de aansturing van de meldkamer, omdat de meldkamerfunctie een integraal onderdeel is van het leveren van ambulancezorg.

De RAV maakt gebruik van de gemeenschappelijke meldkamer en sluit daarvoor een dienstverleningsovereenkomst met de beheerder van de meldkamer. De RAV betaalt maximaal de hoogte van de ontvangen vergoeding conform de beleidsregels van het College Tarieven Gezondheidszorg (CTG).

Artikel 3.5. Taken gemeenschappelijk meldcentrum

Naar aanleiding van een evaluatie van het GMC zijn de taken van het GMC als volgt te omschrijven:

  • -

    het GMC is een facilitaire voorziening ten behoeve van de drie organisaties en het Regionaal Coördinatie Centrum (RCC);

  • -

    het GMC fungeert als ‘informatiecentrum’. Efficiencywinst zit vooral in minder-meerkosten voor gezamenlijke ICT. De ICT-component wordt binnen deze samenwerkingsvariant veel belangrijker. Hieronder verstaan zij geïntegreerde systemen, software, hardware en ook gegevensbeheer, applicatie- en functioneel beheer;

  • -

    het GMC genereert uit de systemen de benodigde managementinformatie voor de drie organisaties.

De verantwoordelijkheid voor de organisatie, operationele aansturing en wijze van invulling van operationele prestaties ligt in de lijn van de verschillende moederorganisaties. Ingeval van de meldkamer brandweer is dat het bestuur van de veiligheidsregio overeenkomstig het gestelde in artikel 3.3., tweede lid onder I, sub a.

In het vierde lid wordt de inspanningsverplichting vastgelegd voor de hulpdiensten om integrale samenwerking op de meldkamer na te streven. Dit is in overeenstemming met de doelstelling zoals geformuleerd in artikel 3.1. De inspanningsverplichting leidt ertoe dat de hulpdiensten de mogelijkheden van samenwerking in een vroeg stadium verkennen en indien mogelijk ook benutten.

Artikel 3.6. Taken Veiligheidsbureau

Voor een adequate hulpverlening en voorbereiding op het grootschalig optreden en de rampenbestrijding in de regio is, op bestuurlijk en operationeel niveau, samenwerking nodig. Verbetering van de samenwerking moet uitgaan van de huidige situatie en gericht zijn op haalbare ambities. In een veiligheidsbureau, onder functionele leiding van de regionaal commandant, en waar nodig in overleg met de regiogemeenten kunnen medewerkers van brandweer, GHOR en politie (en in sommige gevallen ook waterschappen, milieudiensten, nutsbedrijven, etc) projectmatig de voorbereiding van de rampenbestrijding vormgeven.

Hoofdstuk 4. Het Algemeen Bestuur

Artikel 4.1.

De WGR bepaalt in artikel 13 dat de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur geschiedt door de gemeenteraden. Bedoeling hiervan is -ook als het de aanwijzing van burgemeesters betreft- het karakter van verlengd lokaal bestuur te benadrukken. In elke raadsperiode moet daarom een aanwijzing plaatsvinden. Omdat de doelstelling, taken en verantwoordelijkheden van de Veiligheidsregio Brabant-Noord betrekking hebben op de portefeuilles zoals die aan burgemeesters zijn toegekend wijst elke gemeenteraad de burgemeester aan als lid van het algemeen bestuur en een wethouder als plaatsvervangend lid. Het Regionaal College wijst zijn voorzitter aan. Het lid van het algemeen bestuur dat zowel door de Raad van zijn gemeente als door het Regionaal College als lid is aangewezen heeft zowel een stem namens zijn gemeente als namens het Regionaal College.

Gelet op hetgeen wordt bepaald in artikel 2.2. van de regeling is evident dat het stemrecht van de politievertegenwoordiger zich beperkt tot die besluiten die het GMC dan wel het veiligheidsbureau betreffen.

Artikel 4.3. Vergaderingen

De wet bepaalt dat het algemeen bestuur tenminste twee maal per jaar vergadert. In de praktijk zal de vergaderfrequentie voortvloeien uit de planning & controlecyclus van Hoofdstuk 13. Lid 2 verklaart een aantal artikelen uit de Gemeentewet van toepassing:

-Artikel 16.

De Raad stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

  • -

    Artikel 19

    • 1.

      De burgemeester roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.

    • 2.

      Tegelijkertijd met de oproeping brengt de burgemeester dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de in artikel 25, tweede lid, bedoelde stukken worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.

  • -

    Artikel 20

    • 1.

      De vergadering van de Raad wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

    • 2.

      Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de burgemeester, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.

    • 3.

      Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. De Raad kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

-Artikel 22

De leden van het gemeentebestuur en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van de Raad hebben gezegd of aan de Raad schriftelijk hebben overgelegd.

  • -

    Artikel. 23

    • 1.

      De vergadering van de Raad wordt in het openbaar gehouden.

    • 2.

      De deuren worden gesloten, wanneer ten minste een vijfde van het aantal leden dat de

3 De Raad beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.

  • 4.

    Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij de Raad anders beslist.

  • 5.

    De Raad maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de gemeente gebruikelijke wijze openbaar. De Raad laat de openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van artikel 25 geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.

- Artikel 24

In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over:

  • a.

    de toelating van nieuw benoemde leden;

  • b.

    de vaststelling en wijziging van de begroting en de vaststelling van de jaarrekening;

  • c.

    de invoering, wijziging en afschaffing van gemeentelijke belastingen, en

  • d.

    de benoeming en het ontslag van wethouders.

  • -

    Artikel 25

    • 1.

      De Raad kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (Stb. 1991, 703), omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de Raad worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de Raad haar opheft.

    • 2.

      Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het College, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van de stukken die zij aan de Raad of aan leden van de Raad overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt.

    • 3.

      De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan de Raad overgelegde stukken vervalt, indien de oplegging niet door de Raad in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.

    • 4.

      De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan leden van de Raad overgelegde stukken wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het stuk waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan de Raad is voorgelegd, totdat de Raad haar opheft. De Raad kan deze beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht.

  • -

    Artikel. 26

    • 1.

      De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken.

    • 2.

      Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen.

    • 3.

      Hij kan de Raad voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.

  • -

    Artikel 28

    • 1.

      Een lid van de Raad neemt niet deel aan de stemming over:

      • a.

        een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;

      • b.

        de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort.

    • 2.

      Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje.

    • 3.

      Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt.

    • 4.

      Het eerste lid is niet van toepassing bij het besluit betreffende de toelating van de na periodieke verkiezing benoemde leden.

  • -

    Artikel 29

    • 1.

      Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.

    • 2.

      Het eerste lid is niet van toepassing:

      • a.

        ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was;

      • b.

        in een vergadering als bedoeld in artikel 20, tweede lid, voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge artikel 20, eerste lid, niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld.

  • -

    Artikel 30

    • 1.

      Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.

    • 2.

      Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.

  • -

    Artikel 31

    • 1.

      De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen geschiedt bij gesloten en ongetekende stembriefjes.

    • 2.

      Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden.

    • 3.

      Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het lot.

  • -

    Artikel 32

    • 1.

      De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij mondeling.

    • 2.

      Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen.

    • 3.

      Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen.

    • 4.

      Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen van een beslissing uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend.

    • 5.

      Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen.

    • 6.

      Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit de Raad bestaat, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht.

Hoofdstuk 5. Het dagelijks bestuur

Artikel 5.1. Samenstelling

In de samenstelling van het dagelijks bestuur is het algemeen bestuur vrij, met uitzondering van de voorzitter (artikel 6.1 lid 2). Het valt echter te overwegen om hierbij aansluiting te zoeken bij de samenstelling van de agendacommissie Regionaal College waarbij uit elk van de vijf politiedistricten een burgemeester is aangewezen.

Artikel 5.3. Onvrijwillig ontslag

De tekst van artikel 49 Gemeentewet luidt als volgt:

-Artikel 49

Indien een uitspraak van de Raad inhoudende een opzegging van zijn vertrouwen in een wethouder er niet toe leidt dat de betrokken wethouder zijn ontslag indient, kan de Raad besluiten tot ontslag. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 5.4. Vergaderingen

De tekst van de genoemde artikelen in de Gemeentewet luiden als volgt:

  • -

    Artikel 54

    • 1.

      De vergaderingen van het College worden met gesloten deuren gehouden, voor zover het College niet anders heeft bepaald.

    • 2.

      Het reglement van orde voor de vergaderingen kan regels geven omtrent de openbaarheid van de vergaderingen van het College.

  • -

    Artikel 55

    • 1.

      Het College kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan het College worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat het College haar opheft.

    • 2.

      Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door de burgemeester of een commissie, ten aanzien van de stukken die zij aan het College overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel de Raad haar opheft.

    • 3.

      Indien het College zich ter zake van het behandelde waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt tot de Raad heeft gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat de Raad haar opheft.

  • -

    Artikel 56

    • 1.

      In de vergadering van het College kan slechts worden beraadslaagd of besloten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

    • 2.

      Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de burgemeester, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering.

    • 3.

      Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. Het College kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

-Artikel 57

De leden van het College en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergadering van het College hebben gezegd of aan het College schriftelijk hebben overgelegd.

-Artikel 58

De artikelen 28, eerste tot en met derde lid, 29 en 30 zijn ten aanzien van de vergaderingen van het College van overeenkomstige toepassing.

  • -

    Artikel 59

    • 1.

      Indien bij een stemming, anders dan over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen, de stemmen staken, wordt opnieuw gestemd.

    • 2.

      Staken de stemmen andermaal over hetzelfde voorstel, dan beslist de stem van de voorzitter.

  • -

    Artikel 60

    • 1.

      De Raad kan regelen van welke besluiten van het College aan de leden van de Raad kennisgeving wordt gedaan. Daarbij kan de Raad de gevallen bepalen waarin met terinzagelegging kan worden volstaan.

    • 2.

      Het College van burgemeester en wethouders laat de kennisgeving of terinzagelegging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang.

    • 3.

      Het College maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de gemeente gebruikelijke wijze openbaar. Het College laat de openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van artikel 55 geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.

Hoofdstuk 7. Taken en bevoegdheden bestuursorganen

Artikel 7.3. Algemeen bestuur

In lid 3 wordt geregeld dat het algemeen bestuur verordeningen kan vaststellen. In ieder geval zal een financiële verordening worden opgesteld en een organisatieverordening waarin de taken en bevoegdheden alsmede de ambtelijke organisatie nader worden uitgewerkt (zie tevens artikel 10.2).

Artikel 7.4. Bindende voorschriften brandweerzorg

Deze bepaling vloeit voort uit het Regionaal organisatieplan brandweerzorg en rampenbestrijding 2004-2007 Brabant-Noord zoals dit op 23 juni 2004 door het algemeen bestuur van de Hulpverleningsdienst Brabant-Noord ter uitvoering van het bepaalde in artikel 4a Brandweerwet 1985 is vastgesteld. Overigens wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 3.3.

Artikel 7.5. Dagelijks bestuur

De betreffende artikelen uit de Gemeentewet luiden als volgt:

  • -

    Artikel 53

    • 1.

      De burgemeester stelt, met inachtneming van hetgeen het College heeft bepaald, dag en plaats van de vergadering van het College en het tijdstip van de opening vast.

    • 2.

      De burgemeester maakt dag en plaats van te houden openbare vergaderingen en het tijdstip van de opening bekend.

  • -

    Artikel 53a

    • 1.

      De burgemeester bevordert de eenheid van het collegebeleid.

    • 2.

      De burgemeester kan onderwerpen aan de agenda voor een vergadering van het College toevoegen.

    • 3.

      De burgemeester kan ten aanzien van geagendeerde onderwerpen een eigen voorstel aan het College voorleggen.

  • -

    Artikel 74

    • 1.

      Alle aan de Raad of aan het College gerichte stukken worden door of namens de burgemeester geopend.

    • 2.

      Van de ontvangst van aan de Raad gerichte stukken die niet terstond in de vergadering van de Raad aan de orde worden gesteld, doet hij in de eerstvolgende vergadering van de Raad mededeling.

  • -

    Artikel 170

    • 1.

      De burgemeester ziet toe op:

      • a.

        een tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het gemeentelijk beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten, als mede op een goede afstemming tussen degenen die bij die voorbereiding, vaststelling en uitvoering zijn betrokken;

      • b.

        een goede samenwerking van de gemeente met de andere gemeenten en andere overheden;

      • c.

        de kwaliteit van de procedures op het vlak van de burgerparticipatie;

      • d.

        een zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften;

      • e.

        een zorgvuldige behandeling van klachten door het gemeentebestuur.

    • 3.

      De burgemeester bevordert overigens een goede behartiging van de gemeentelijke

aangelegenheden.

-Artikel 171

De burgemeester vertegenwoordigt de gemeente in en buiten rechte.

Hoofdstuk 9. Functies, personeel en organisatie

Artikel 9.1. Secretaris

De secretaris is als zodanig de eerste adviseur van het bestuur en verzorgt de coördinatie en de bewaking van de integraliteit van de ambtelijke voorstellen . In de organisatieverordening wordt onder meer de structuur van het secretariaat vastgelegd. De functie van secretaris wordt uit doelmatigheidsoverwegingen ingevuld in de vorm van een personele unie met de functie van regionaal commandant.

Artikel 9.2. Regionaal commandant brandweer

In het derde lid wordt geregeld dat de regionaal commandant is belast met de leiding over het veiligheidsbureau. De regionaal commandant brandweer is portefeuillehouder van het veiligheidsbureau. Hij stemt de uit te voeren werkzaamheden en de voorbereiding van de bestuurlijke besluitvorming af met de korpschef, de regionaal geneeskundig functionaris en de coördinerend gemeentesecretaris.

Artikel 9.3. Regionaal geneeskundig functionaris

In het tweede lid wordt bepaald dat de regionaal geneeskundig functionaris (RGF) is belast met de operationele leiding over de geneeskundige hulpverlening. De bevoegdheden van de RGF zijn een afgeleide van de bevoegdheden van het openbaar bestuur, die zijn vastgelegd in artikel 11 van de wet Rampen en zware ongevallen. De RGF wordt rechtstreeks aangesteld en aangestuurd door het openbaar bestuur; een dergelijke positie is nodig om op bestuurlijk niveau afspraken te kunnen maken met zorginstellingen. De taken van de RGF worden met name genoemd in de artikelen 4 en 5 van de wet Geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen: ‘de RGF coördineert de voorbereiding van de spoedeisende medische hulpverlening op de geneeskundige hulpverlening en stemt de maatregelen ter voorbereiding van de geneeskundige hulpverlening af op de maatregelen van de andere bij de rampenbestrijding betrokken disciplines’. De RGF kan, op grond van artikel 2 van de wet Geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen, ingeval van een ramp of zwaar ongeval ook aanwijzingen geven aan degene die belast is met de leiding over de meldkamer ambulancezorg. Deze leidinggevende en coördinerende taak van de RGF tijdens de bestrijding van de ramp is vergelijkbaar met de operationele leiding die de brandweercommandant heeft over brandweereenheden.

Artikel 9.4. Korpschef politie

De korpschef van de politie wordt middels een mandaat belast met de uitvoering van taken die het GMC betreffen. De korpschef wordt daarmee verantwoordelijk voor de uitvoering van de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het beheer van het GMC dat omvat het facilitair beheer (gebouw e.d.), beheer van de ICT, informatievoorziening en financieel beheer. De Korpschef is portefeuillehouder van het GMC en stemt bij de uitvoering van zijn verantwoordelijkheden af met de regionaal commandant brandweer en de regionaal geneeskundig functionaris.

Artikel 9.6. Organisatieverordening

In de organisatieverordening worden nadere bepalingen opgenomen over de onderlinge verdeling van werkzaamheden en de ambtelijke organisatie.

Hoofdstuk 10. Financiële bepalingen

Artikel 10.2. Financiële administratie, geldelijk beheer en controle

De betreffende artikelen uit de Gemeentewet luiden als volgt:

  • -

    Artikel 212

    • 1.

      De Raad stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Deze verordening dient te waarborgen dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.

    • 2.

      De verordening bevat in ieder geval:

      • a.

        regels voor waardering en afschrijving van activa;

      • b.

        grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b, alsmede, voor zover deze wordt geheven, voor de heffing bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

      • c.

        regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede inzake de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening.

  • -

    Artikel 213

  • 1.

    De Raad stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening dient te waarborgen dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst.

  • 2.

    De Raad wijst een of meer accountants aan als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, belast met de controle van de in artikel 197 bedoelde jaarrekening en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een verslag van de bevindingen.

  • 3.

    De accountantsverklaring geeft op grond van de uitgevoerde controle aan of:

  • a.

    de jaarrekening een getrouw beeld geeft van zowel de baten en lasten als de grootte en samenstelling van het vermogen;

  • b.

    de baten en lasten, alsmede de balansmutaties rechtmatig tot stand zijn gekomen en

c de jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedoeld in artikel 186.

  • 4.

    Het verslag van de bevindingen bevat in ieder geval bevindingen over:

  • a.

    de vraag of de inrichting van het financiële beheer en van de financiële organisatie een getrouwe en rechtmatige verantwoording mogelijk maken en

  • b.

    onrechtmatigheden in de jaarrekening.

  • 5.

    De accountant zendt de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen aan de Raad en een afschrift daarvan aan het College.

  • 6.

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de reikwijdte van en de verslaglegging omtrent de accountantscontrole, bedoeld in het tweede lid.

  • 7.

    Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in gemeentelijke dienst worden aangesteld en worden in dat geval door de Raad benoemd, geschorst en ontslagen.

Artikel 10.3. Begroting

In de begroting wordt aangegeven wat de bijdrage is van de aan de regeling deelnemende rechtspersonen voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft. Uitgangspunt daarbij is financiële stabiliteit in meerjarenperspectief. In de aanloop naar het GMC is een verdeelsleutel tussen de hulpdiensten afgesproken van 55% (politie) – 30% (brandweer) en 15% (GGD). Inmiddels hebben zich ontwikkelingen voorgedaan die de kapstok GMC overstijgen en zullen zich dergelijke ontwikkelingen blijven voordoen. Op basis van voortschrijdende inzichten, actuele ontwikkelingen e.d - een goed voorbeeld daarvan is C2000 - kan deze verdeelsleutel worden aangepast aan de realiteit van het moment waarop de begroting moet worden ingediend.

Artikel 10.4. Begrotingsprocedure

Om te komen tot een betere afstemming in de beleidsprocessen met de deelnemende gemeenten is in juni 2005 een nieuwe procedure voor de behandeling van de begroting ontwikkeld. Voor 1 december van het betreffende jaar verstuurt de gemeenschappelijke regeling een aankondigingbrief aan de deelnemende gemeenten voor de behandeling van de jaardocumenten. Voor eind januari stelt de gemeenschappelijke regeling de kaders voor de productbegroting op. Na bespreking van deze kaders door het Dagelijks Bestuur wordt de nota voor 1 februari 2005 verzonden aan de Colleges van de deelnemende gemeenten (i.a.a. de raadsgriffiers). Voor 31 maart worden de kaders productbegroting besproken in de Colleges en Commissies en/of Raden van de deelnemende gemeenten, afhankelijk van de in de gemeente gemaakte afspraken.

Eind maart/begin april bespreekt het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling de kaders van de productbegroting en stelt deze, met inachtneming van de reacties van de gemeenten, vast. Voor 1 mei verzendt de gemeenschappelijke regeling de concept-productbegroting (en jaarrekening) naar de gemeenten. De gemeenten maken uiterlijk eind juni 2005 hun zienswijze op de begroting kenbaar. Uiterlijk 1 juli stelt het Algemeen Bestuur de begroting vast en verstuurt deze voor 15 juli naar het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant.

Uit de begroting volgt de verdeling der kosten die betrekking hebben op het GMC.

In het vijfde lid wordt geregeld dat de aan de meldkamer ambulancezorg toe te rekenen kosten in rekening worden gebracht bij de RAV; zie daarover verder de toelichting bij artikel 3.4.

Hoofdstuk 11. Archieffunctie en ombudsfunctie

Artikel 11.1. Archiefbescheiden

Het Algemeen Bestuur stelt een archiefverordening vast. Als bewaarplaats van het statisch archief verdient het de voorkeur die van de gemeente ’s-Hertogenbosch aan te wijzen.

Artikel 11.2. Ombudsfunctie

De Wet extern klachtrecht legt het recht vast voor burgers op een onafhankelijke behandeling van bestuursorganen. De wet is een aanvulling op de Algemene wet bestuursrecht. De Wet extern klachtrecht is met ingang van 1 januari 2006 ook van toepassing op de bestuursorganen van alle gemeenschappelijke regelingen. De gemeenschappelijke regelingen vallen per die datum van rechtswege onder de Nationale Ombudsman tenzij in de gemeenschappelijke regeling zelf wordt aangegeven dat externe klachten behandeld worden via een ombudsvoorziening van één van de aangesloten gemeenten. In de regeling wordt ervoor gekozen voor invulling van de ombudsfunctie aansluiting te zoeken bij de ombudsvoorziening van de gemeente ’s-Hertogenbosch.

Hoofdstuk 13. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 13.1.

Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2006.

De opheffing van de gemeenschappelijke regeling Hulpverleningsdienst Brabant-Noord en de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke Meldcentrum Brabant-Noord is bij wijze van overgangsbepaling opgenomen. Daarmee wordt bereikt dat beide regelingen eerst feitelijk worden opgeheven zodra deze nieuwe regeling Veiligheidsregio Brabant- Noord in werking treedt. Voor de op te heffen regelingen worden nog liquidatieplannen opgesteld.