Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Veendam

Beleidsregels Terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2019

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieVeendam
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregels Terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2019
CiteertitelBeleidsregels Terugvordering Veendam 2019
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpBeleidsregels Terugvordering Veendam 2019

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

11-05-201901-05-2019Nieuwe regeling

07-05-2019

gmb-2019-114958

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels Terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2019

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz en de Awb.

2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

a. bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;

b. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam;

c. fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht;

d. Inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, lid 1 van de Participatiewet, artikel 13, lid 1 van de IOAW, artikel 13, lid 1 van de IOAZ, artikel 45 Bbz en artikel 30c, lid 2 en 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

e. IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

f. IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

g. Bbz: Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004;

h. Awb: Algemene wet bestuursrecht;

i. uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de Participatiewet en de uitkering in het kader van de IOAW, IOAZ en Bbz.

Artikel 2. Algemene bepaling met betrekking tot herziening, intrekking, terugvordering, invordering en brutering

Het college:

a. maakt ten volle gebruik van de herziening dan wel intrekking ingevolge artikel 54, lid 3 en 4 van de Participatiewet of artikel 17, lid 3 en 4 van de IOAW/IOAZ of artikel 44 Bbz, indien de uitkering tot een te hoog bedrag dan wel ten onrechte is verleend;

b. maakt ten volle gebruik van de terugvordering zoals deze haar op grond van de artikelen 58 en 59 van de Participatiewet alsmede de artikelen 25 en 26 van de IOAW en IOAZ en de artikelen 46 en 47 Bbz toekomt; en

c. bruteert de vordering, welke is ontstaan door gebruik te maken van het onder b gestelde;

d. besluit geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 3. Uitzonderingen voortvloeiende uit de jurisprudentie

1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2 onder b vordert het college een door haar na ontvangst van een signaal ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering niet terug, over de periode dat deze uitkering zes maanden en langer na ontvangst van dit signaal nog onterecht of tot een te hoog bedrag is verleend.

2. Onder een signaal als genoemd in het eerste lid wordt verstaan relevante informatie waaruit het college dusdanig concreet kon afleiden dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie had moeten ondernemen.

3. Indien sprake is van intrekking van het recht op bijstand omdat belanghebbende over de gehele periode beschikte over in aanmerking te nemen vermogen, dan wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 2 onder b het bedrag waarmee het vrij te laten vermogen is overschreden teruggevorderd.

4. In afwijking van het bepaalde in artikel 2 onder c ziet het college af van brutering indien belanghebbende:

a. geen verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van een vordering van het college op hem omdat er geen sprake is van een schending van de inlichtingenplicht; of

b. geen verwijt kan worden gemaakt dat de vordering van het college niet reeds in het lopende kalenderjaar is voldaan, waaronder de situatie dat ter zake van de terugvordering een betalingsregeling is getroffen waaraan belanghebbende zich houdt.

HOOFDSTUK 2. GEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN TERUGVORDERING

Artikel 4. Reikwijdte

De bepalingen in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op fraudevorderingen met uitzondering van artikel 7.

Artikel 5. Afzien van terugvordering of van verdere terugvordering na het niet of gedeeltelijk voldoen aan de betalingsverplichting

1. In afwijking van artikel 2 onder b kan het college afzien van terugvordering of van verdere terugvordering van uitkering indien de belanghebbende:

a. gedurende vijf jaar zonder dwanginvordering volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of

b. gedurende vijf jaar zonder dwanginvordering gedeeltelijk aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of

c. gedurende vijf jaar zonder dwanginvordering geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

d. in een bedreigende, problematische schuldsituatie in redelijkheid niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;

e. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de rest-som in één keer aflost.

2. Het college besluit niet tot afzien van terugvordering of van verdere terugvordering van uitkering, voordat een schuldregeling tot stand is gekomen.

3. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt genomen als de belanghebbende daarom schriftelijk heeft verzocht of er wordt ambtshalve toe besloten.

4. De in lid 1 onder a. en b. genoemde termijn van vijf jaar is drie jaar, indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende, minus de aflossing die is gedaan ter nakoming van de betalingsverplichting, in die periode de beslagvrije voet bedoeld in het tweede boek, de tweede titel, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan.

Artikel 6. Uitzondering

1. Artikel 5 is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen die:

a. het gevolg zijn van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;

b. door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens en voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.

2. Het op basis van artikel 5 genomen besluit tot (gedeeltelijk) afzien van terugvordering wordt ingetrokken, indien op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Artikel 7. Afzien van terugvordering bij kruimelbedragen

In afwijking van het bepaalde in artikel 2, onderdeel b, ziet het college af van het nemen van een terugvorderingsbesluit indien de terug te vorderen uitkering een bedrag van € 150,00 netto niet te boven gaat.

Artikel 8. Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij schuldregeling

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 60c van de Participatiewet en artikel 29a van de IOAW en IOAZ, verleent het college medewerking aan een schuldregeling indien:

a. de belanghebbende in een bedreigende, problematische schuldsituatie in redelijkheid niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; of

b. het voortbestaan van de schulden en/of het niet voldoen van de schulden een ernstige bedreiging vormt voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid of het maatschappelijk functioneren van de belanghebbende en zijn gezin, waaronder ook de deelname aan het arbeidsproces; of

c. redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; en

d. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en

e. de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang; en

f. het verzoek tot medewerking aan een schuldsanering /-bemiddeling wordt ingediend door een bij het NVVK aangesloten schuldbemiddelingsorganisatie of een Nederlandse gemeente.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

a. de terugvordering van uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende dan wel de vordering ziet op bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48, lid 2, aanhef en onder b, van de Participatiewet;

b. de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.

3. Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken indien:

a. door toedoen van belanghebbende niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen als bedoeld in lid 1;

b. de belanghebbende de aan de schuldregeling verbonden verplichtingen ondanks eerdere waarschuwing blijft schenden, dan wel;

c. belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Artikel 9. Afzien van verdere invordering

Het college besluit per individuele fraudevordering van verdere invordering af te zien indien de belanghebbende voldoet aan het gestelde in artikel 58, lid 7, onderdeel a, b, c of d van de Participatiewet, dan wel artikel 25, lid 6, onderdeel a, b, c of d van zowel de IOAW als de IOAZ, en het uit doelmatigheidsoverwegingen in geval van de betreffende individuele fraudevordering wenselijk is af te zien van verdere invordering.

HOOFDSTUK 3. INVORDERING

Artikel 10. Algemeen

1. Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken.

2. Het gelijktijdig met het terugvorderingsbesluit afgegeven invorderingsbesluit omvat daarbij de volgende punten:

a. de hoogte van (het saldo van) de vordering;

b. de betalingsverplichting om de vordering in zijn geheel te voldoen;

c. de datum waarop de betalingsverplichting in gaat;

d. de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4:87 van de Awb een betalingsregeling te treffen;

e. de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2 Awb (over verzuim) en afdeling 4.4.4 Awb (over aanmaning en invordering bij dwangbevel);

f. de vermelding dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichtingen behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden.

Artikel 11. Verrekening

Onverminderd het bepaalde in artikel 60, lid 3 en 4 van de Participatiewet en artikel 28, lid 2 en 3 van de IOAW en IOAZ en ongeacht de in artikel 10 genoemde betalingstermijn gaat het college bij het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de vordering met een recht op uitkering, inclusief verrekening van het recht op vakantietoeslag als bij de beëindiging van de uitkering een terugvordering ontstaat.

Artikel 12. Uitstel van betaling

1. Het college verleent uitstel van betaling indien haar ambtshalve dan wel op basis van een gemotiveerd verzoek van belanghebbende duidelijk is dat belanghebbende geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot aflossing van de vordering over te gaan.

2. Het uitstel wordt ingetrokken indien de gronden voor verlening van het uitstel als bedoeld in lid 1 zijn komen te vervallen.

Artikel 13. Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij belanghebbenden met een uitkering

1. Indien belanghebbende een uitkering ontvangt, bedraagt de aflossingsverplichting 10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag, dan wel de van toepassing zijnde grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW en IOAZ per maand inclusief vakantietoeslag, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het tweede boek, de tweede titel, van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.

2. In afwijking van lid 1 bedraagt de aflossingsverplichting 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag, dan wel de van toepassing zijnde grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW en IOAZ, per maand inclusief vakantietoeslag, als het géén fraudevordering betreft.

3. In geval van beslaglegging door een andere schuldeiser dan het college, wordt de aflossingsverplichting ingevolge lid 2 voor alle vorderingen van de debiteur bepaald op de volledige beslag-ruimte zoals aangegeven in het tweede boek, de tweede titel, van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 14. Afbetaling in 36 maanden

1. Een onderzoek naar de aflossingscapaciteit van belanghebbende kan achterwege blijven indien belanghebbende een betalingsvoorstel heeft gedaan aan het college op basis waarvan de vordering zal zijn voldaan binnen een periode van 36 maanden te rekenen vanaf het moment van ingang van de aflossingsverplichting.

2. Het college kan het verzoek van belanghebbende ingevolge lid 1 afwijzen indien de vordering het gevolg is van niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht dan wel indien belanghebbende in de periode van 60 maanden voorafgaande aan het verzoek, herhaaldelijk, in ieder geval meer dan 1 keer verwijtbaar, niet, niet tijdig of niet volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan.

Artikel 15. Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij debiteuren die geen recht (meer) hebben op een uitkering.

1. De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij beëindiging of intrekking van de uitkering wordt gedurende 12 maanden na de verzenddatum van dit besluit tot beëindiging of intrekking, gesteld op het bedrag dat belanghebbende maandelijks al afloste tijdens de uitkeringsperiode.

2. Na afloop van de in lid 1 genoemde termijn, wordt bij alle vorderingen van de debiteur de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 13, lid 1, vermeerderd met 25% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, dan wel IOAW-of IOAZ-grondslag inclusief vakantiegeld.

3. Indien de terugvordering een fraudevordering betreft bedraagt het in het lid 2 genoemde percentage 50%.

4. Het bedrag van de maandelijkse aflossingscapaciteit onder het lid 2 en 3:

a. is niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in het tweede boek, de tweede titel, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen;

b. kan het college lager vaststellen indien sprake is van bijzondere omstandigheden.

Artikel 16. Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting door het college

1. Bij een gegrond vermoeden dat de aflossingscapaciteit van belanghebbende is gewijzigd, kan het college een draagkrachtonderzoek instellen.

2. Voor zover geen gegrond vermoeden, als bedoeld in het eerste lid, aanwezig is, stelt het college in beginsel een maal per 36 maanden een draagkrachtonderzoek in.

3. Wanneer het college als gevolg van een draagkrachtonderzoek besluit tot wijziging of handhaving van de eerder opgelegde betalingsverplichting, wordt belanghebbende hiervan in kennis gesteld bij beschikking.

4. In het geval van een gewijzigde betalingsverplichting wordt deze opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die van de beschikking.

Artikel 17. Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door belanghebbende

1. Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot:

a. wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting, of

b. tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting, omdat de belanghebbende meent de eerder vastgestelde periodieke aflossingsverplichting niet te kunnen voldoen.

2. Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college een besluit over de aanvraag als bedoeld in lid 1 en deelt dit aan belanghebbende mee.

3. Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de lopende verplichting niet op tenzij er sprake is van dringende redenen.

4. Het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen is geen reden tot inwilliging van het verzoek als bedoeld in lid 1.

Artikel 18. Niet of niet meer voldoen van de betalingsverplichting

Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een betalingsregeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van een executoriaal beslag overeenkomstig het tweede boek, de tweede titel, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of beslag in de zin van het tweede boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op basis van de executoriale titel die is verbonden aan een dwangbevel, als bedoeld in artikel 4:114 Awb, nadat de per omgaande gestarte betalings- en aanmaningsprocedure is doorlopen als bedoeld in artikel 4:117 Awb.

Artikel 19. Rente en kosten

Indien wordt overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in artikel 18 kan de vordering worden verhoogd met op de invordering betrekking hebbende rente en/of kosten.

Artikel 20. Hardheidsclausule

Het college kan, indien de toepassing van bepalingen in deze beleidsregels in de individuele situatie tot onbillijkheden leidt, afwijken van deze beleidsregels.

HOOFDSTUK 4. SLOTBEPALINGEN

Artikel 21. Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels Terugvordering Veendam 2019”.

Artikel 22. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na bekendmaking en werken terug tot en met 1 mei 2019 en vervangen de bestaande beleidsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Veendam2016.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam op 7 mei 2019.

ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING

 

Artikel 1.

In de definitiebepaling onder artikel 1 wordt uitleg gegeven over afkortingen van de wetten waarop de bevoegdheid van het college is gebaseerd en wordt nader ingegaan op een aantal begrippen.

 

Artikel 2.

Het tweede artikel bevat de wijze waarop in beginsel gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering, invordering en brutering.

 

Het moet bij dringende redenen onder d gaan om uitzonderlijke, niet in het algemeen voorzienbare omstandigheden van de belanghebbende, voor zover terugvordering zou leiden tot onaanvaardbare consequenties voor die belanghebbende. Afzien van terugvordering kan alleen in incidentele gevallen, gebaseerd op een individuele afweging van relevante omstandigheden. Zowel financiële als immateriële omstandigheden kunnen een rol spelen.

 

Artikel 3.

In artikel 3 staan de algemene - binnen de jurisprudentie geformuleerde - uitzonderingen op de in artikel 2 genoemde hoofdregel beschreven. Het gaat hier om situaties waarvan binnen de jurisprudentie is komen vast te staan dat het college ongeacht een verplichting tot terugvordering dan wel brutering dient af te zien van haar vaste gedragslijn. Het college heeft in deze niet de vrijheid om van deze in de jurisprudentie benoemde uitzonderingen af te wijken. Het gaat meer specifiek om:

 

a) De zes-maanden jurisprudentie

De zes-maanden jurisprudentie komt er kortheidshalve op neer dat de gemeente binnen zes maanden nadat zij een signaal heeft ontvangen, over dient te gaan tot aanpassing van het recht op uitkering. Een signaal kan daarbij worden gedefinieerd als relevante informatie over de uitkeringsgerechtigde waaruit het college dusdanig concreet kan afleiden dat sprake is van een fout, dat het college op grond daarvan actie had moeten ondernemen. Vindt geen aanpassing van het recht op uitkering plaats binnen de genoemde zes maanden, dan dient het college van terugvordering af te zien voor het deel dat na deze zes maanden nog te veel aan uitkering is verstrekt.

 

b)Beperkte overschrijding van de vermogensgrens gedurende langere tijd

De situatie kan bestaan dat betrokkene over een vermogen beschikt dat in beperkte mate de vermogensgrens overstijgt. Het college is dan in wezen gerechtigd om de bijstand over de gehele periode van de overschrijding in te trekken, rekening houdend met de zes-maanden-jurisprudentie. Vaste jurisprudentie is echter dat in deze situatie het bedrag van de terugvordering dient te worden beperkt tot het bedrag dat niet zou zijn verstrekt indien de gevolgen van de beperkte overschrijding van de vermogensgrens tijdig zouden zijn verwerkt. Dit komt neer op het bedrag waarmee de vermogensgrens overschreden is.

 

c) Afzien van brutering

Brutering houdt in het verhogen van de netto-uitkering met loonbelasting en premies volksverzekeringen. Naar vaste rechtspraak dient te worden afgezien van brutering, indien sprake is van a) een vordering die is ontstaan buiten toedoen van een betrokkene of b) hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet al is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.

 

Artikel 4.

In hoofdstuk 2 wordt nader uitgewerkt onder welke omstandigheden het college geheel of gedeeltelijk afziet van terugvordering. In verband met de invoering van de Fraudewet komen fraudevorderingen enkel in de bij wet geregelde situaties (artikel 58, lid 7 van de Participatiewet en artikel 25, lid 6 van de IOAW en IOAZ) voor kwijtschelding in aanmerking. Het bepaalde in hoofdstuk 2 is daarom niet van toepassing op fraudevorderingen, met uitzondering van artikel 7.

 

Artikel 5.

In artikel 5 staan de bepalingen over kwijtschelding als gedurende een bepaalde periode is voldaan aan een opgelegde betalingsverplichting.

 

Met de onder e genoemde mogelijkheid tot afkoop van 50% van de rest-som tegen finale kwijting van het restant wordt zeer terughoudend omgegaan. Van deze mogelijkheid wordt alleen gebruikt gemaakt in situaties waarin tevoren vrijwel vast staat dat de reguliere wijze van invordering minder oplevert dan datgene dat met afkoop van 50% van het restant kan worden geïncasseerd.

 

Met lid 5 wordt bedoeld de minnelijke regeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

 

Artikel 6.

Op de hoofdregels in artikel 5 zijn uitzonderingen geformuleerd in artikel 6.

 

Een eerder op basis van artikel 5 verleende kwijtschelding kan worden ingetrokken indien later blijkt dat deze intrekking is gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens door toedoen van belanghebbende.

 

Artikel 7.

Als de terug te vorderen uitkering (hoofdsom) niet boven € 150,00 uitkomt, ziet het college af van het nemen van een terugvorderingsbesluit. Dit is in het belang van de cliënt, voorkomt verdere schulden. Daarnaast is dit gebaseerd op een kosten/baten-afweging.

 

Artikel 8.

In dit artikel geeft het college aan onder welke voorwaarden medewerking wordt verleend aan een eventuele schuldregeling. Zoals al eerder aangegeven is wettelijk bepaald (artikel 60c Participatiewet c.q. artikel 29a van de IOAW en IOAZ) dat geen medewerking aan de totstandkoming van een schuldregeling kan worden verleend bij een fraudevordering waarvoor een boete is opgelegd of aangifte is gedaan, voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van deze vordering. Dit laat onverlet dat er bijvoorbeeld wel uitstel van betaling voor de fraudevordering zou kunnen worden verleend om een schuldregeling voor de overige vorderingen mogelijk te maken.

 

Verder verleent het college medewerking aan een schuldregeling indien:

 

- de vaststelling dat op gronden van redelijkheid en billijkheid van de schuldenaar niet langer gevergd kan worden dat hij de schuld (volledig) voldoet; dan wel

 

- de vaststelling dat wanneer het college bij de aanwezigheid van meerdere schuldeisers vasthoudt aan zijn eigen vordering c.q. vorderingen, een schuldregeling niet tot stand komt; en

 

- de bijkomende voorwaarde dat de vordering van het college wel naar evenredigheid zal worden voldaan.

 

Verder benoemt het college gronden op basis waarvan zij haar medewerking aan een schuldregeling intrekt. Zoals het niet voldoen aan de verplichtingen in het kader van de schuldregeling of dat de schuldregeling tot stand is gekomen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens door toedoen van de schuldenaar.

 

In hoofdstuk 3 wordt een uitwerking gegeven van de wijze waarop de vordering wordt ingevorderd. Met betrekking tot de invordering van fraudevorderingen, alsmede de daarmee samenhangende boete, is enkel bepaald dat verrekening verplicht is voor zover dit mogelijk is omdat aan betrokkene een Participatiewet, IOAW, IOAZ dan wel Bbz-uitkering wordt verstrekt. Op andere vlakken heeft het college beleidsvrijheid.

 

Artikel 9.

Met dit artikel kan het college besluiten om onder voorwaarden af te zien van verdere invordering uit doelmatigheidsoverwegingen.

 

Artikel 10.

In dit artikel staan de hoofdregels over het gebruik van de bevoegdheid van het college tot invordering volgens de wet en deze beleidsregels.

 

Artikel 11.

Voor zover betrokkene na afgifte van het terugvorderingsbesluit een uitkering ontvangt in het kader van de Participatiewet, IOAW of IOAZ is het college bevoegd om tot verrekening van de vordering over te gaan. Het college gaat direct tot verrekening over.

 

Zoals al eerder aangegeven geldt voor fraudevorderingen ontstaan na 1 januari 2013 en de daarmee samenhangende boete een verrekening plicht. Dit artikel gaat daarom niet over deze vorderingen.

 

Artikel 12.

In beginsel rust op betrokkene de verplichting om de gehele vordering binnen de geboden betalingstermijn te voldoen. Het college is echter bevoegd om betrokkene uitstel van betaling te verlenen en daaraan voorwaarden te verbinden. In artikel 11 staan deze bepalingen vermeld.

 

Artikel 13.

In dit artikel wordt de hoogte van de maandelijkse aflossing bepaald. Indien belanghebbende een uitkering ontvangt wordt er een onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen of samenloop met beslag door derden (10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld) en andersoortige vorderingen (6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld). Hier vindt aansluiting plaats bij het gemeentelijk bijzondere bijstandsbeleid.

 

Artikel 14.

Om praktische redenen kan een onderzoek naar de aflossingscapaciteit van belanghebbende achterwege blijven indien de belanghebbende aan de gemeente een betalingsvoorstel doet waardoor de schuld binnen 36 maanden is afbetaald.

 

Indien het gaat om een fraudevordering dan wel belanghebbende in het verleden herhaaldelijk zijn betalingsverplichting niet afdoende is nagekomen, kan de gemeente besluiten om niet op het betalingsvoorstel van belanghebbende in te gaan en alsnog een aflossingsverplichting te hanteren in overeenstemming met artikel 13 van deze regeling.

 

Artikel 15.

In dit artikel wordt de hoogte van de maandelijkse aflossing bepaald op basis van draagkracht en inkomsten. Het aflossingsbedrag dat is opgenomen in een terug- of invorderingsbesluit geldt als aflossingsverplichting.

 

In bijzondere situaties en incidentele situaties kan de vordering op grond van lid 4, aanhef en onder b lager worden vastgesteld. Dit wordt gebaseerd op een individuele afweging van relevante omstandigheden. Zowel financiële als niet-financiële (immateriële) omstandigheden kunnen een rol spelen.

 

Artikel 16.

Wanneer het college akkoord gaat met uitstel van betaling, bepaalt het college:

 

- op grond van welke criteria periodieke draagkrachtonderzoeken worden gestart;

 

- welke resultaten uit een draagkrachtonderzoek bepalend zijn voor de vraag of een opgelegde maandelijkse betalingsverplichting wel of niet wordt gewijzigd.

 

Artikel 17.

Niet alleen het college heeft de bevoegdheid tot wijziging van de voorwaarden waaronder uitstel van betaling is verleend, ook een schuldenaar kan daartoe een verzoek indienen bij het college.

 

Het college legt in dit artikel de criteria vast wanneer een dergelijk verzoek in beginsel wel of juist niet (bij voorbeeld bij het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen) wordt toegekend alsmede welke procedurele eisen hiervoor gelden.

 

Artikel18.

Wanneer een schuldenaar zijn betalingsverplichting niet nakomt of de voorwaarden waaronder uitstel van betaling is verleend schendt en de oorspronkelijke betalingstermijn is verstreken, is betrokkene in verzuim als bedoeld in artikel 4:97 Awb. Artikel 4:112 e.v. van de Awb bepaalt dan de verdere invorderingsprocedure, te weten de invordering door middel van aanmaning en dwangbevel. Ook executoriaal beslag op basis van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is mogelijk.

 

Artikel 19.

Dit is een bevoegdheid van het college.