Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Wassenaar

Verordening op de heffing en invordering van een baatbelasting voor het Laantje van Duinauwe (Groot Haesebroekseweg)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieWassenaar
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening op de heffing en invordering van een baatbelasting voor het Laantje van Duinauwe (Groot Haesebroekseweg)
CiteertitelVerordening baatbelasting Laantje van Duinauwe
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerpbelastingen

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Gemeentewet, art. 269 en volgende

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-1989nieuwe regeling

28-03-1988

Onbekend

raadsvoorstel no 35

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening op de heffing en invordering van een baatbelasting voor het Laantje van Duinauwe (Groot Haesebroekseweg)

De RAAD der gemeente WASSENAAR;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 15 maart 1988, raadsvoorstel no. 35

gelet op de artikelen 269 en volgende van de gemeentewet;

b e s 1 u i t:

vast te stellen de volgende

Verordening op de heffing en invordering van een baatbelasting voor het Laantje van Duinauwe (Groot Haesebroekseweg).

Artikel 1. Aard der belasting

  • 1.

    In deze gemeente wordt ter verkrijging van een billijke bijdrage in de kosten van aanleg van een riolering en van het aanbrengen van een wegverharding (gedeeltelijk) in het Laantje van Duinauwe, een directe belasting geheven wegens onroerende goederen, die door deze voorzieningen zijn gebaat.

  • 2.

    De te belasten onroerende goederen zijn die goederen welke zijn gelegen binnen het gebate gebied, hetwelk op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart in rood omlijnd is aangeduid.

Artikel 2. Belastingplicht

Belastingplichtig is degene, die krachtens zakelijk recht het genot heeft van het onroerend goed, bedoeld in artikel 1 en die als zodanig bij het begin van het belastingjaar in de kadastrale perceelkaart is aangewezen, tenzij blijkt, dat op dat tijdstip een ander de genothebbende krachtens zakelijk recht was.

Artikel 3. Heffingsmaatstaf

  • 1.

    De belasting wordt berekend naar de langs de grond gemeten lengte van de zijde van het onroerend goed, dat grenst aan of het meest nabij gelegen is aan de openbare weg, waarin de voorzieningen bedoeld in artikel 1, eerste lid, zijn tot stand gebracht, zulks met inachtneming van het bepaalde in het derde lid.

  • 2.

    Bij de in het vorige lid bedoelde berekening worden onderdelen niet groter dan een halve meter verwaarloosd en onderdelen groter dan een halve meter voor één meter gerekend.

  • 3.

    Voor het kadastrale perceel sectie F 10522 wordt het aantal strek kende meters van de lengte van het perceel langs de openbare weg gesplitst in:

    • gebouwd onroerend goed: 60 meter;

    • ongebouwd onroerend goed: 53 meter.

Artikel 4. Tarief

De belasting bedraagt voor iedere strekkende meter van de in artikel 3 bedoelde lengte voor:

1.

gebouwde onroerende goederen

€ 8,46

2.

ongebouwde onroerende goederen

€ 2,82

Artikel 5. Afkoop

  • 1.

    Op een bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoeld ambtenaar in te dienen schriftelijk verzoek van de belastingplichtige wordt de belasting met betrekking tot nog niet aangevangen belastingjaren ineens geheven naar een bedrag, dat gelijk is aan de contante waarde van de belastingbedragen, welke geheven zouden zijn - beoordeeld naar de omstandigheden bij het begin van het belastingjaar waarin het verzoek wordt gedaan - voor elk van die nog niet aangevangen belastingjaren.

  • 2.

    De contante waarde, bedoeld in het vorige lid, wordt berekend naar een rente van zeven en eenhalf procent 's-jaars.

Artikel 6. Belastingjaar

Het belastingjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december. De belasting wordt geheven over de belastingjaren 1989 tot en met 2018.

Artikel 7. Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7a. Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, van de Invorderingsweg 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 75,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3.

    Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingsweg 1990 met een belastingsaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voorzover deze gelijktijd wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

  • 4.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 8. Vrijstelling

  • 1.

    Van de belasting zijn vrijgesteld de onroerende goederen:

    • a.

      uitsluitend bestemd voor de uitoefening van de openbare eredienst;

    • b.

      uitsluitend dienende als inrichting van onderwijs, voor zover een zodanige inrichting van overheidswege wordt gesubsidieerd of in stand gehouden;

    • c.

      waarvoor reeds hetzij krachtens de bepalingen van de bouwverordening hetzij op andere wijze dan door middel van een belastingverordening een bijdrage in de kosten van aanleg van de in artikel 1 genoemde rioleringen aan de gemeente is betaald;

    • d.

      welke krachtens een bestaande of te treffen gemeentelijke regeling, zoals:

    • e.

      het vestigen van een bouwverbod, het vaststellen van rooilijnen of een bestemmingsplan of dergelijke voorzieningen niet voor bebouwing in aanmerking kunnen komen, zolang deze onbebouwd zijn;

    • f.

      waarvan de gemeente of haar instellingen de genothebbenden zijn.

  • 2.

    De belasting wordt geheven te beginnen met het belastingjaar waarin een regeling als bedoeld onder sub d van het vorige lid wordt opgeheven; zij wordt niet meer geheven met ingang van het jaar volgend op dat, waarin een dergelijke regeling wordt getroffen.

Artikel 9 [Vervallen]

 

Artikel 10 [Vervallen]

 

Artikel 11 [Vervallen]

 

Artikel 11a Nadere regels door burgemeester en wethouders

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de baatbelasting.

Artikel 12. Naam verordening

Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel "Verordening baatbelasting "Laantje van Duinauwe.

Artikel 13. Datum in werking treden

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1989.

Wassenaar, 28 maart 1988

De Raad voornoemd,

De Secretaris

de Voorzitter

Bijlage