Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Westerkwartier

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerkwartier houdende regels omtrent participatiewet Beleidsregels terug- en invordering participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Westerkwartier 2019

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieWesterkwartier
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerkwartier houdende regels omtrent participatiewet Beleidsregels terug- en invordering participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Westerkwartier 2019
CiteertitelBeleidsregels Terug-en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Westerkwartier 2019
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Beleidsregels Terug-en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Grootegast 2013, de Beleidsregels Terug-en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Noordenkwartier 2018, de Beleidsregels Terug-en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Zuidhorn 2013 en de Beleidsregels BMWE-gemeenten, gemeente Winsum 2014.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 50 van de Wet werk en bijstand
  2. artikel 25 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  3. artikel 25 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

07-02-2019nieuwe regeling

15-01-2019

gmb-2019-24361

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerkwartier houdende regels omtrent participatiewet Beleidsregels terug- en invordering participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Westerkwartier 2019

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerkwartier;

 

overwegende dat het noodzakelijk is een aantal aspecten van het terug en invorderen van vorderingen in een beleidsregel te regelen;

 

gelet op artikel 58 e.v. van de Participatiewet, artikel 25 IOAW en artikel 25 IOAZ;

 

B E S L U I T :

 

vast te stellen de

 

Beleidsregels terug en invordering Participatiewet, Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) gemeente Wester-kwartier 2019.

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;

    • b.

      College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerkwartier;

    • c.

      Fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht;

    • d.

      Inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17 eerste lid Participatiewet, artikel 13 eerste lid IOAW/IOAZ en artikel 30 c tweede en derde lid Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    • e.

      IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • f.

      IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • g.

      Uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de Participatiewet en de uitkering in het kader van de IOAW en IOAZ;

Artikel 2 Wettelijke verplichting en bevoegdheid

Het college acht zich verplicht tot de aanpak van fraude. In dit kader:

  • a.

    Herziet dan wel trekt het college het recht op uitkering in, indien de uitkering tot een te hoog bedrag dan wel ten onrechte is verleend;

  • b.

    Maakt het college ten volle gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering, zoals deze haar op grond van artikel 58 tweede lid en artikel 59 Participatiewet alsmede artikel 25 tweede lid en artikel 26 IOAW/IOAZ, toekomt; en

  • c.

    Bruteert het college de vordering, welke zijn ontstaan door gebruik te maken van de onder sub b genoemde bevoegdheid, bij gebreke van niet tijdige betaling in het lopende boekjaar. Wanneer door een andere (uitkerende) instantie wordt verzocht om een verrekenstaat wordt deze altijd bruto opgesteld.

Artikel 3 Uitzonderingen voortvloeiende uit de jurisprudentie

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 2 aanhef en onder sub b wordt een ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering door het college niet teruggevorderd indien deze uitkering na een signaal hierover ook 6 maanden na ontvangst van genoemd signaal nog onterecht of tot een te hoog bedrag wordt verleend, tenzij de belanghebbende in dit kader de inlichtingenplicht geschonden heeft.

  • 2.

    Onder een signaal als genoemd in het eerste lid wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder sub b beperkt het college de terugvordering tot het bedrag dat te veel aan bijstand zou zijn verstrekt, zou de belanghebbende wel aan de inlichtingenplicht hebben voldaan, indien sprake is van intrekking van het recht op bijstand over een langere periode omdat de belanghebbende over de gehele periode in beperkte mate beschikte over in aanmerking te nemen vermogen.

  • 4.

    Het college ziet af van brutering indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet al is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.

Artikel 4 Afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit

  • 1.

    Het college ziet op grond van doelmatigheidsoverwegingen af van het nemen van een terug-vorderingsbesluit indien:

    • a.

      Het terug te vorderen bedrag lager is dan € 150,00 na verrekening met de vakantietoeslag; of

    • b.

      De vordering een voorlopige teruggaaf heffingskortingen van de Belastingdienst betreft, waarbij uit de voorlopige berekening blijkt dat de totale vordering lager is dan € 150,00; of

    • c.

      Het een terugvordering van de ouderenkorting en/of alleenstaande ouderenkorting betreft; of

    • d.

      Het terug te vorderen bedrag is ontstaan door een fiscaal voordeel van een eerder teruggevorderd bedrag aan uitkering, ongeacht de aard van deze uitkering; of

    • e.

      De belanghebbende aan wie te veel of ten onrechte uitkering is betaald voor het nemen van het terugvorderingsbesluit is overleden.

Artikel 5 Uitzonderingen op afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit

  • 1.

    Indien er goederen zijn die door pand of hypotheek gedekt zijn, voor zover op deze goederen verhaald kan worden.

  • 2.

    Indien op een later tijdstip blijkt dat de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, kan alsnog worden overgegaan tot het nemen van een terugvorderingsbesluit.

  • 3.

    Indien de belanghebbende nog recht heeft op tegoeden vanuit de gemeente vindt er eerst een verrekening plaats, alvorens er wordt overgegaan tot het afzien van het nemen van een terug-vorderingsbesluit.

Artikel 6 Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij schulden

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 60 c Participatiewet en artikel 29 a IOAW/IOAZ verleent het college medewerking aan een schuldregeling indien:

    • a.

      Redelijkerwijs is te voorzien dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;

    • b.

      Redelijkerwijs is te voorzien dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit tot stand zal komen; en

    • c.

      De vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing indien:

    • a.

      De terugvordering van de uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende dan wel de vordering ziet op bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van artikel 48 tweede lid aanhef en onder sub b Participatiewet;

    • b.

      De vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.

  • 3.

    Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken indien:

    • a.

      Niet binnen 12 maanden nadat het besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid;

    • b.

      De belanghebbende de aan de schuldregeling verbonden verplichting ondanks eerdere waarschuwing blijft schenden; dan wel

    • c.

      Onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Artikel 7 Geen schuldregeling bij schending inlichtingenplicht

Overeenkomstig de artikelen 60 c Participatiewet, 29 a IOAW en IOAZ wordt geen medewerking verleend aan een schuldregeling indien de vordering is ontstaan door schending van de inlichtingenplicht en hiervoor een bestuurlijke boete is opgelegd dan wel aangifte is gedaan bij het Openbaar Ministerie op grond van artikel 18a Participatiewet en het Wetboek van Strafrecht voor zover de medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van deze vordering.

Artikel 8 Kwijtschelding restantvordering bij geen schending inlichtingenplicht

  • 1.

    Het college kan op verzoek van de belanghebbende, dan wel ambtshalve, besluiten tot kwijtschelding van de nog openstaande restantvordering, als deze vordering niet is ontstaan door schending van de inlichtingenplicht. De voorwaarden hiervoor zijn:

    • a.

      De belanghebbende heeft gedurende 3 jaar voorafgaand aan het verzoek volledig aan zijn betalingsverplichtingen voldaan; en

    • b.

      De belanghebbende heeft tenminste 50% van de vordering betaald of alsnog 50% van de restsaldo wordt betaald; en

    • c.

      De voortzetting van de aflossing van de vordering een onevenredige belasting vormt.

  • 2.

    Indien op het moment van het nemen van een besluit over kwijtschelding al meer is betaald dan hetgeen in lid 1 is genoemd, is het meerdere niet onverschuldigd betaald en vindt er geen verrekening plaats.

  • 3.

    Daarnaast kan van verdere invordering worden afgezien als de belanghebbende gedurende 5 jaar geen betalingen heeft verricht en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten. Het besluit hiertoe wordt slechts ambtshalve genomen.

  • 4.

    Het college kan de vordering buiten invordering stellen indien de belanghebbende is overleden, waarbij niet verhaald zal worden op de erven.

Artikel 9 Kwijtschelding restantvorderingen bij schending inlichtingenplicht

  • 1.

    Het college kan op verzoek van de belanghebbende, dan wel ambtshalve, besluiten tot kwijtschelding van de nog openstaande restantvordering, als deze vordering is ontstaan door schending van de inlichtingenplicht. De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in artikel 58 lid 7 Participatiewet en artikel 25 lid 6 IOAW/IOAZ.

  • 2.

    Daarnaast kan van verdere invordering worden afgezien als de belanghebbende gedurende 10 jaar geen betalingen heeft verricht en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten. Het besluit hiertoe wordt slechts ambtshalve genomen.

  • 3.

    Indien op het moment van het nemen van een besluit over kwijtschelding al meer is betaald dan hetgeen in artikel 58 lid 7 Participatiewet of artikel 25 lid 6 IOAW/IOAZ is genoemd, is het meerdere niet onverschuldigd betaald en vindt er geen verrekening plaats.

  • 4.

    Het college kan de vordering buiten invordering stellen indien de belanghebbende is overleden, waarbij niet verhaald zal worden op de erven.

Artikel 10 Schorsende werking

Een bezwaar- of beroepschrift van de belanghebbende tegen een terugvorderings- en/of invorderingsbesluit heeft in beginsel geen schorsende werking op grond van artikel 6:16 Awb. Het college kan ambtshalve hiervan afwijken.

Artikel 11 Verrekening

Onverminderd het bepaalde in artikel 60 vierde lid Participatiewet en artikel 28 tweede lid IOAW/IOAZ, en ongeacht of er een betalingsregeling is getroffen, gaat het college indien mogelijk meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de vordering met eventueel recht op bijstand of een uitkering in het kader van de IOAW/IOAZ.

Artikel 12 Uitstel van betaling

  • 1.

    Het college verleent uitstel van betaling indien haar ambtshalve dan wel op basis van een gemotiveerd verzoek van de belanghebbende duidelijk is dat de belanghebbende geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van de vordering over te gaan.

  • 2.

    Voor zover de belanghebbende beschikt over een aflossingscapaciteit verbindt het college aan het verleende uitstel de voorwaarde dat de belanghebbende deze aflossingscapaciteit aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld.

  • 3.

    Het uitstel wordt ingetrokken indien de belanghebbende de nader overeengekomen aflossing niet nakomt.

Artikel 13 Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit (met een uitkering)

  • 1.

    Indien de belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ bedraagt de aflossingsverplichting tenminste 6 % van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, dan wel de van toepassing zijnde grondslag als bedoeld in artikel 5, derde lid en volgende van de IOAW en IOAZ per maand inclusief vakantietoeslag, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475 d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 24 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en het voorgestelde aflossingsbedrag tenminste € 50,-- per maand bedraagt.

  • 3.

    In het geval van beslaglegging door een derde kan de aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475 d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 14 Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit (zonder uitkering)

  • 1.

    De hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag bij beëindiging of intrekking van de uitkering wordt gesteld op het bedrag dat de belanghebbende maandelijks al afloste tijdens de bijstands-periode of de periode waarin een uitkering op grond van IOAW of IOAZ is ontvangen.

  • 2.

    Indien tijdens het nemen van een terugvorderingsbesluit een ander inkomen wordt ontvangen dan de bijstandsuitkering of een uitkering op grond van IOAW of IOAZ, wordt volgens de regels van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet ingaande 1 januari 2019 de hoogte van het aflossingsbedrag berekend.

  • 3.

    In afwijking van de voorgaande leden wordt met een betalingsvoorstel van de belanghebbende ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 24 maanden in zijn geheel wordt afgelost en het voorgestelde aflossingsbedrag tenminste € 50,-- per maand bedraagt.

Artikel 15 Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door belanghebbende

  • 1.

    De belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens tot

    • a.

      Wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting, of

    • b.

      Tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting, omdat de belanghebbende meent de eerder vastgestelde periodieke aflossingsverplichting niet te kunnen voldoen.

  • 2.

    Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de lopende verplichting niet op tenzij er sprake is van dringende redenen.

Artikel 16 Wettelijke rente

Er wordt geen wettelijke rente in rekening gebracht, tenzij de vordering wordt overgedragen aan de deurwaarder. Vanaf de datum van de overdracht van de vordering aan de deurwaarder wordt dan wettelijke rente in rekening gebracht.

Artikel 17 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van deze beleidsregels, indien toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 18 Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen aangehaald worden als beleidsregels Terug-en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Westerkwartier 2019.

Artikel 19 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na de bekendmaking ervan.

  • 2.

    Gelijktijdig met het in werking treden van deze beleidsregels worden de volgende beleidsregels vervallen verklaard:

    • a.

      beleidsregels Terug-en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Grootegast 2013;

    • b.

      beleidsregels Terug-en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Noordenkwartier 2018;

    • c.

      beleidsregels Terug-en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Zuidhorn 2013;

    • d.

      beleidsregels BMWE-gemeenten, gemeente Winsum 2014.

 

 

 

Aldus besloten in de vergadering

van burgemeester en wethouders

van de gemeente Westerkwartier,

d.d. 15 januari 2019

F.H. Wiersma, burgemeester

A. Schulting, secretaris