Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Zevenaar

Verordening Jeugdwet gemeente Zevenaar

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieZevenaar
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening Jeugdwet gemeente Zevenaar
CiteertitelVerordening Jeugdwet gemeente Zevenaar
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpalgemeen
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

N.v.t.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-11-2019Nieuwe regeling

09-10-2019

gmb-2019-257829

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening Jeugdwet gemeente Zevenaar

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      budgetplan: een door de jeugdige en ouders op te stellen plan, conform het door het college vastgestelde format, over de voorgenomen besteding van een persoonsgebonden budget;

    • b.

      gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;

    • c.

      hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;

    • d.

      individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid (niet-vrij toegankelijk);

    • e.

      overige voorziening: overige voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid (vrij toegankelijk);

    • f.

      voorliggende voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

    • g.

      wet: Jeugdwet.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2 Voorzieningen

Artikel 2 Vormen van jeugdhulp

  • 1.

    De beschikbare individuele voorzieningen zijn opgenomen in het interactief aankoopsysteem Regio Centraal Gelderland.

  • 2.

    De beschikbare overige voorzieningen zijn terug te vinden in de app Wegwijs in Zevenaar.

Hoofdstuk 3 Procedureregels

Artikel 3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de instantie waarnaar is doorverwezen van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2.

    Na een verwijzing zoals bedoeld in het eerste lid, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.

  • 3.

    Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening.

Artikel 4 Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1.

    Jeugdigen en ouders moeten een hulpvraag schriftelijk of per e-mail melden bij het college.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van de melding van hulpvraag schriftelijk of, indien de melding per e-mail is gedaan, per e-mail. Na de melding van hulpvraag volgt een onderzoek.

  • 3.

    Het college wijst de jeugdige en ouders voor het onderzoek, bedoeld in het vierde tot en met zevende lid, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

  • 4.

    Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een keukentafelgesprek met de jeugdige en/of ouders.

  • 5.

    De jeugdige en/of ouders verschaffen het college alle gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 6.

    Als de jeugdige en/of ouders genoegzaam bekend zijn bij het college, kan het college in overeenstemming met de jeugdige en/of ouders afzien van het gesprek als bedoeld in het vierde lid.

  • 7.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. Nadat het onderzoek is afgerond, verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

  • 8.

    Het college informeert de jeugdige en/of ouders over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in het negende lid in te dienen.

  • 9.

    Een aanvraag voor een individuele voorziening wordt door of namens een cliënt schriftelijk of per e-mail ingediend bij het college. De aanvraag voor een individuele voorziening kan worden ingediend bij het college d.m.v. het inleveren van het ondertekende verslag zoals bedoeld in lid zeven.

  • 10.

    Het college kan een adviseur om advies vragen, als het dit van belang acht voor de beoordeling van de melding van hulpvraag dan wel aanvraag om een individuele voorziening.

  • 11.

    In spoedeisende gevallen beslist het college na een melding van hulpvraag onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in het vierde tot en met zevende lid.

Hoofdstuk 4 Criteria

Artikel 5 Algemene voorwaarden en weigeringsgronden

  • 1.

    Een cliënt komt niet in aanmerking voor een individuele voorziening:

    • a.

      voor zover de jeugdige of zijn ouders een oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een voorliggende voorziening of een overige voorziening;

    • b.

      indien de aanvraag betrekking heeft op kosten die de jeugdige of zijn ouders voorafgaand aan het moment van beschikken hebben gemaakt en niet meer is na te gaan of de individuele voorziening noodzakelijk is en als goedkoopst passend aan te merken is;

    • c.

      voor zover sprake is van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder geval wordt verstaan de gebruikelijke hulp.

  • 2.

    Indien een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst passende voorziening.

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget

Artikel 6 Regels voor een persoonsgebonden budget

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in de wet komen de jeugdige of zijn ouders niet in aanmerking voor een persoonsgebonden budget:

    • a.

      indien de jeugdige of zijn ouders het door het college vastgestelde budgetplan hebben overgelegd terwijl het niet of onvolledig ingevuld is;

    • b.

      indien de jeugdige of zijn ouders weigeren het budgetplan desgevraagd met het college te bespreken of, na voor zulk een gesprek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnen;

    • c.

      indien sprake is van zwaarwegende bezwaren van overwegende aard;

    • d.

      voor ggz-behandeling;

    • e.

      als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie.

  • 2.

    Het college kan een persoonsgebonden budget bij inzet van jeugdhulp door een persoon die tot het sociaal netwerk behoort weigeren indien er sprake is van schulden bij de jeugdige en/of zijn ouders danwel bij de persoon die tot het sociaal netwerk behoort.

  • 3.

    Het college verstrekt, onverminderd het bepaalde in de wet en deze verordening, slechts een persoonsgebonden budget voor inzet van jeugdhulp door een persoon die tot het sociaal netwerk behoort in die gevallen waarin deze hulp de gebruikelijke hulp overstijgt en waar dit aantoonbaar leidt tot betere en effectievere ondersteuning dan wel aantoonbaar doelmatiger is.

  • 4.

    Het persoonsgebonden budget moet volledig worden besteed aan de jeugdhulp waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt en mag daarom bijvoorbeeld niet worden besteed aan:

    • a.

      eenmalige uitkeringen;

    • b.

      feestdagenuitkeringen;

    • c.

      administratieve kosten van de hulpverlener;

    • d.

      reiskosten van de hulpverlener;

    • e.

      hulp in het buitenland;

    • f.

      tussenpersonen of belangenbehartigers.

Artikel 7 Hoogte persoonsgebonden budget

  • 1.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget:

    • a.

      wordt mede bepaald aan de hand van het door de jeugdige of zijn ouders, conform het door het college vastgestelde format, opgestelde budgetplan over hoe hij het persoonsgebonden budget gaat besteden;

    • b.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende voorziening in natura;

    • c.

      bedraagt nooit meer dan de werkelijk gemaakte kosten.

  • 2.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget voor:

    • a.

      individuele begeleiding door een daartoe opgeleide persoon (en aangesloten bij de voor deze branche van toepassing zijnde beroepsorganisatie) bedraagt maximaal € 32,26 per uur;

    • b.

      begeleiding groep door een daartoe opgeleide persoon (en aangesloten bij de voor deze branche van toepassing zijnde beroepsorganisatie) bedraagt maximaal € 29,00 per dagdeel;

    • c.

      kortdurend verblijf door een daartoe opgeleide persoon (en aangesloten bij de voor deze branche van toepassing zijnde beroepsorganisatie) is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura;

    • d.

      vervoer van en naar de aanbieder is per kilometer gelijk aan het in artikel 13a, lid 4, onder b Wet op de loonbelasting genoemde bedrag;

    • e.

      persoonlijke verzorging door een daartoe opgeleide persoon (en aangesloten bij de voor deze branche van toepassing zijnde beroepsorganisatie) bedraagt maximaal € 27,01 per uur.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, onder a, bedraagt de hoogte van een persoonsgebonden budget voor individuele begeleiding door een persoon uit het sociaal netwerk van de cliënt € 20,- per uur.

  • 4.

    In afwijking van het tweede lid, onder b en c, is de hoogte van een persoonsgebonden budget voor dagbesteding en kortdurend verblijf, indien deze wordt geboden door een persoon uit het sociaal netwerk, gelijk aan de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt kan worden volstaan met een lager persoonsgebonden budget.

Hoofdstuk 6 Kwaliteit

Artikel 8 Kwaliteitseisen

  • 1.

    De kwaliteitseisen voor individuele voorzieningen in natura, zoals voortvloeien uit de wet en het Besluit Jeugdwet en de inkoop, gelden ook voor de jeugdhulp die met een persoonsgebonden budget wordt ingekocht.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, gelden de volgende kwaliteitseisen bij jeugdhulpverlening via persoonsgebonden budget door een persoon uit het sociaal netwerk:

    • a.

      de persoon is in het bezit van een verklaring omtrent gedrag (VOG);

    • b.

      de persoon verleent verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder;

    • c.

      de kwaliteit van de voorziening moet voldoende zijn om de gestelde doelen te kunnen realiseren. De geleverde voorziening wordt afgestemd op de persoonlijke situatie van de jeugdige of ouders en eventuele andere vormen van hulp en/of zorg in het gezin;

    • d.

      de persoon doet melding van iedere calamiteit of geweld die bij de verlening van jeugdhulp of bij de uitvoering ervan plaatsvindt;

    • e.

      de persoon stelt een cliëntondersteuner in de gelegenheid zijn taak uit te voeren.

  • 3.

    Bij jeugdhulpverlening door een professional, zowel in natura als via een persoonsgebonden budget, moet de professional gebruik maken van de meldcode voor huiselijk geweld of kindermishandeling.

  • 4.

    Bij jeugdhulpverlening via persoonsgebonden budget door een persoon uit het sociaal netwerk, moet deze persoon uit het sociaal netwerk contact zoeken met Veilig Thuis in geval van signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling.

Artikel 9 Prijs-kwaliteitsverhouding

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

  • c.

    een redelijke toeslag voor overheadkosten;

  • d.

    een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

  • e.

    kosten voor bijscholing van het personeel.

Hoofdstuk 7 Herziening, intrekking, terugvordering en opschorting

Artikel 10 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1.

    Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening of persoonsgebonden budget beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het persoonsgebonden budget zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening of het persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het persoonsgebonden budget, of

    • e.

      de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

  • 2.

    Als het college een besluit op grond van het eerste lid, onderdeel a, heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten persoonsgebonden budget.

  • 3.

    Een beslissing tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 11 Onderzoek besteding persoonsgebonden budget

Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde jeugdhulp, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van persoonsgebonden budgetten.

Hoofdstuk 8 Algemene en bijzondere bepalingen

Artikel 12 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Jeugdhulpaanbieders dienen calamiteiten en geweldsincidenten zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 5 werkdagen gemeld te worden bij het afdelingshoofd maatschappelijke dienstverlening van de gemeente Zevenaar.

Artikel 13 Inspraak en medezeggenschap

  • 1.

    Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente, onder andere via de Participatieraad Zevenaar, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen, waaronder de Participatieraad Zevenaar, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

Hoofdstuk 9 Overige bepalingen

Artikel 14 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 15 Indexering

De in deze verordening genoemde bedragen, waarbij niet wordt verwezen naar bepalingen uit andere wet- en regelgeving, worden jaarlijks per 1 januari verhoogd of verlaagd aan de hand van de prijsontwikkeling op basis van de consumentenprijsindex (CPI) alle huishoudens van het Centraal bureau voor de Statistiek.

Artikel 16 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening jeugdhulp gemeente Zevenaar 2016 én de Verordening jeugdhulp Rijnwaarden 2015 worden ingetrokken met ingang van 1 november 2019.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van een van de in het eerste lid genoemde verordeningen, zoals die gold tot de inwerkingtreding van deze verordening, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van een van de in het eerste lid genoemde verordeningen, wordt beslist met inachtneming van deze verordening.

Artikel 17 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 november 2019.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening Jeugdwet gemeente Zevenaar’.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Zevenaar, gehouden op 9 oktober 2019.

De griffier

W.M. van derVlies

De burgemeester

L.J.E.M. vanRiswijk