Regeling vervallen per 01-01-2015

Verordening tot wijziging van de verordening op de heffing en de invordering van reclamebelasting 2014

Geldend van 26-03-2014 t/m 31-12-2014

Intitulé

Verordening tot wijziging van de verordening op de heffing en de invordering van reclamebelasting 2014

De raad van de gemeente Zuidhorn;

Gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 maart 2014;

Gelet op de artikelen 156 en 227 van de Gemeentewet;

Gezien het Convenant inzake Ondernemersfonds Zuidhorn, zoals overeengekomen tussen de gemeente Zuidhorn en de Stichting Ondernemersfonds Zuidhorn;

b e s l u i t :

de ´Verordening tot wijziging van de verordening op de heffing en de invordering van reclamebelasting 2014` vast te stellen.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    lichaam: elk van de lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301);

  • b.

    tussenpersoon: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die zijn bedrijf maakt van het verlenen van bemiddeling bij het tot stand brengen en het sluiten van overeenkomsten in opdracht en op naam van personen tot wie hij niet in een vaste betrekking staat tot;

  • c.

    exploitant: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die zijn bedrijf maakt van het ten behoeve van derden tegen vergoeding aanbrengen van aankondigingen op door hem daartoe beschikbaar gestelde oppervlakten;

  • d.

    maand: een kalendermaand;

  • e.

    jaar: een kalenderjaar;

  • f.

    bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij directe of indirecte steun vindt in of op de grond;

  • g.

    object: een roerende of onroerende zaak die blijkens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en/of naar opvatting in het maatschappelijk verkeer moet worden aangemerkt als een afzonderlijk bedrijf.

  • h.

    gezondheidszorg: het geheel van voorzieningen en maatregelen om zieken te genezen (curatief), ziek worden te voorkomen (preventief) en gezondheid op peil te houden.

  • i.

    openbare aankondiging: elke tot het publiek gerichte mededeling van commerciële dan wel ideële aard waarmee de aandacht wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap;

  • j.

    adres: aansluitend bij de Basisregistratie Adressen: een combinatie van de Openbare ruimte en de nummeraanduiding die zijn gekoppeld aan een verblijfsobject.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam reclamebelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg.

Artikel 3 Gebiedsomschrijving

Deze verordening is van toepassing op de straten en het gebied binnen het centrumgebied van Zuidhorn zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart. Het betreft de volgende straten:

Burgemeester Geldermanlaan

Klein Frankrijk

Burgemeester Kruisingalaan

Klinckemalaan

Beatrixlaan

Marktplein

Boslaan

Maurits Clantlaan

De Dorpsvenne

Molenstraat

De Gast

Nieuwstraat

Frankrijkerlaan

Nieuwstraatpassage

Hanckemalaan

Overtuinen

Hoofdstraat

Stationsweg

Jellemaweg

Wilhelminalaan

Kerkstraat

Willem Alexanderstraat

Artikel 4 Belastingplicht

  • 1. De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van een onroerende zaak waar het belastbaar feit zich voor doet.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt, ingeval er geen gebruiker valt aan te wijzen, de reclamebelasting van de eigenaar van de onroerende zaak geheven waar het belastbaar feit zich voordoet, indien de eigenaar de openbare aankondigingen voor zichzelf dan wel als exploitant doet, dan wel het aanbrengen van de aankondiging(en) gedoogt.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de reclamebelasting niet geheven van gebruiker van een onroerende zaak als de openbare aankondiging duidelijk aantoonbaar niet ten dienste staat van de gebruiker en het gebruik van de onroerende zaak. In dat geval wordt de eigenaar van de onroerende zaak belastingplichtig.

  • 4. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van openbare aankondigingen, zichtbaar vanaf de openbare weg, de reclamebelasting geheven van degene aan wie de vergunning is verleend.

  • 5. In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid wordt de reclamebelasting ter zake van openbare aankondigingen die door tussenkomst van een exploitant of tussenpersoon zijn aangebracht, geheven van die exploitant of tussenpersoon.

  • 6. Degene die in voorkomende gevallen als genoemd in artikel 6 lid 4 op grond van de “Beleidsregel aanwijzing belastingplichtige voor de reclamebelasting” de aanslag reclamebelasting ontvangt, is bevoegd de belasting te verhalen op zijn medegebruikers, met dien verstande dat een evenredig deel van de belasting voor zijn rekening blijft.

Artikel 5 Vrijstellingen

De reclamebelasting wordt niet geheven ter zake van openbare aankondigingen:

  • 1.

    door publiekrechtelijke rechtspersonen gedaan in de uitoefening van hun publiekrechtelijke taak;

  • 2.

    die uitsluitend dienen ten behoeve van de regulering van het verkeer over openbare land- en waterwegen;

  • 3.

    van politieke partijen

  • 4.

    op bouwterreinen voor zover deze rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden;

  • 5.

    die zijn gedaan in verband met de verhuur of de verkoop van onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verhuren en/of verkopen zaak;

  • 6.

    openbare aankondigingen van scholen, verzorgingstehuizen, ziekenhuizen, en daarmee vergelijkbare instellingen;

  • 7.

    die door de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond, ANWB of een overeenkomstig lichaam zijn aangebracht of geplaatst ten behoeve van een vlotte doorstroming van het verkeer of ten dienste van de openbare ruimte

  • 8.

    openbare aankondigingen van religieuze, cultureel- maatschappelijke, ideële of charitatieve aard, aangebracht of geplaatst op onroerende zaken die in gebruik zijn bij de religieuze, cultureel-maatschappelijke, ideële of charitatieve instellingen die de aankondiging doen;

  • 9.

    die door gezondheidszorginstellingen zijn aangebracht en in hoofdzaak betrekking hebben op activiteiten die zijn gericht op de gezondheidszorg.

  • 10.

    die door dierengezondheidscentra zijn aangebracht en in hoofdzaak betrekking hebben op activiteiten die zijn gericht op de dierengezondheidszorg.

Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief

  • 1. De belasting voor het hebben van een openbare aankondiging wordt geheven naar een vast bedrag per object.

  • 2. Openbare aankondigingen behoren in elk geval tot één object indien zij daarmee fysiek zijn verbonden of daarmee tezamen worden gebruikt;

  • 3. De belasting als bedoeld in artikel 6, lid 1, bedraagt per object per belastingjaar € 400,00.

  • 4. Voor de toepassing van het derde lid wordt, bij meerdere inschrijvingen op één adres in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, de heffing gemaximeerd tot € 400,00 per adres per belastingjaar.

Artikel 7 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar, met dien verstande dat het eerste belastingjaar loopt van 1 april 2014 tot en met 31 december 2014.

Artikel 8 Wijze van heffing

De reclamebelasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1. De reclamebelasting is verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar jaartarieven geheven reclamebelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de naar jaartarieven geheven reclamebelasting voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde reclamebelasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede en derde termijn twee respectievelijk vier maanden later.

  • 1.1 In afwijking van lid 1 geldt, dat aanslagen tot € 50,00, moeten worden betaald in één termijn. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen reclamebelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

  • 2 In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd over­blijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie en ten hoogste tien bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 2.2 In afwijking van lid 2 geldt, dat aanslagen tot € 50,00 moeten worden betaald in twee gelijke termijnen. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen reclamebelasting of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag

  • 3 De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

  • 4 Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeen­komstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

Artikel 11 Aanmeldingsplicht

De belastingplichtige bedoeld in artikel 4 is gehouden, indien hij na het in werking treden van deze verordening belastingplichtig wordt, zulks schriftelijk te melden aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdelen b en d, van de Gemeentewet.

Artikel 12 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de belasting.

Artikel 13 Kwijtschelding

Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de vijfde dag na die van de bekendmaking.

  • 2. De datum van ingang van de heffing is 1 april 2014.

  • 3. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Gewijzigde verordening Reclamebelasting 2014'.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Zuidhorn in de openbare vergadering van 10 maart 2014.
L.K. Swart, voorzitter
J. Slopsema – Terpstra, griffier