Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Elburg 2018

Geldend van 01-01-2018 t/m 31-12-2018

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Elburg 2018

De raad der gemeente Elburg;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van;

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4,eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de artikelen 3.8, tweede lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

overwegende dat:

- burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

- van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;

- burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

- het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang;

- het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

b e s l u i t :

vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Elburg 2018.

HOOFDSTUK 1: Begrippen

Artikel 1. Begripsbepalingen

1. Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

2. In deze verordening wordt verstaan onder:

a. algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;

b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

c. beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Elburg;

d. Besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Elburg;

e. bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;

f. gesprek: het gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2., eerste lid van de wet na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang;

g. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

h. ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Elburg;

i. maatschappelijke opvang: is het bieden van een tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd, gekoppeld aan zorg en begeleiding en/of het verhelpen van een crisis. Het betreft mensen die al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

j. melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

k. onverwijld: zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen drie werkdagen;

l. persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

m. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

n. uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

o. voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;

p. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag

Artikel 2. Melding

1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

2. Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van de melding en maakt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 5 werkdagen een afspraak voor een gesprek.

3. In afwijking van het bepaalde in lid 1 dient een hulpvraag voor – uitsluitend - beschermd wonen en maatschappelijke ondersteuning te worden ingediend bij een door burgemeester en wethouders aan te wijzen instantie.

Artikel 3. Cliëntondersteuning

1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan

1. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.

2. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

3. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie kan in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste lid als:

a. de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente;

b. een voorafgaand onderzoek gelet op het spoedeisende karakter op dat moment niet mogelijk of niet gewenst is;

c. als blijkt dat er sprake is van een enkelvoudige, niet gecompliceerde ondersteuningsvraag.

4. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

Artikel 5. Gesprek

1. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers, cliëntondersteuners en desgewenst familie of personen uit diens netwerk, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang;

d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang;

e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang;

g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang;

h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en

j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie heeft overhandigd, wordt dat plan betrokken bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

3. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.

4. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie, onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 6. Verslag

1. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.

2. Binnen 7 werkdagen na het gesprek verstrekt het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

4. Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag.

Artikel 7. Aanvraag

1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek als bedoeld in artikel 4 en 5 is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.

2. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een cliënt schriftelijk of digitaal bij het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie worden ingediend.

3. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie merkt een ondertekend verslag van het gesprek als aanvraag aan als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.

HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening

Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening

1. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie neemt het verslag, indien aanwezig, als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of

b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

3. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of maatschappelijke opvang geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:

a. de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en

b. de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

4. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,

a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

5. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

6. Met inachtneming van lid 1 tot en met 5 van dit artikel kan een cliënt in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als

a. hij feitelijk of residentieel dakloos is en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

b. hij de situatie van dakloosheid en het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving - niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen.;

c. opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

7. Met inachtneming van lid 1 tot en met 5 van dit artikel kan een cliënt (alsmede eventuele kinderen van deze cliënt) in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang als

a. deze de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico’s voor de veiligheid van deze cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk geweld, en de cliënt niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

b. deze de situatie - waarbij de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico’s voor de veiligheid van de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk geweld - , niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen;

c. opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het afwenden van gevaar voor de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt), voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht en in een veilige situatie zich te handhaven in de samenleving.

8. Met inachtneming van lid 1 tot en met 5 van dit artikel kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 als

a. hij psychische- of psychosociale problemen heeft en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en

b. hij de situatie van psychische of psychosociale problemen - met als gevolg het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving - niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende mate kan verminderen of wegnemen;

c. beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en daarbij voorziet in de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

9. In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond maatschappelijke opvang of beschermd wonen nodig is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2 van deze verordening onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening voor maatschappelijke opvang of beschermd wonen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet en de en de aanvraag van de cliënt.

Artikel 9. Voorwaarden en weigeringsgronden

1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

a. voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

b. voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;

c. voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;

d. indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

e. indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

f. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan inwoner al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen, of tenzij inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;

g. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

h. indien de cliënt tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond.

2. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt:

a. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Elburg.

b. in het geval de maatwerkvoorziening een hulpmiddel of woningaanpassing betreft en deze niet langdurig noodzakelijk is;

3. Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;

c. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;

d. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

e. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.

4. Een cliënt kan voor een voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget in aanmerking worden gebracht wanneer beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken, dan wel een collectief systeem niet aanwezig is.

Artikel 10. Advisering

Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie kan een daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van een melding of aanvraag om een maatwerkvoorziening.

Artikel 11. Inhoud beschikking

1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is:

c. indien van toepassing de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven;

d. hoe de voorziening wordt verstrekt, en

e. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,

e. de voorwaarden voor uitbetaling van het persoonsgebonden budget en de wijze van uitbetaling van het persoonsgebonden budget en

f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 12. Regels voor pgb

1. Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

3. De hoogte van een pgb:

a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en

c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

4. Ten aanzien van de berekeningswijze van pgb’s wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van zorg en ondersteuning en, voor zover van toepassing, in ieder geval in verband met de te bieden deskundigheid en/of het vereiste opleidingsniveau en/of er gewerkt wordt volgens toepasselijke professionele of kwaliteitsstandaarden.

5. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als:

a. deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg gangbare tarief voor informele hulpverleners, en

b. tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald.

6. Het college stelt de nadere regels als bedoeld in het vierde lid met inachtneming van de volgende bepalingen:

De pgb-tarieven zijn onderscheiden in:

1. een tarief voor hulpverleners die werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden. Deze kwaliteitsstandaarden zijn gelijk aan die gelden voor aanbieders van zorg in natura;

2. een tarief voor hulpverleners die niet werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden. Eisen aan deze hulpverleners zijn

- De aanbieder moet ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel;

- De hulpverlener moet beschikken over een actuele Verklaring Omtrent Gedrag (VOG);

- De hulpverlener moet over een adequate opleiding beschikken;

- De hulpverlener moet, voor zover dit voor de aard van de dienstverlening vereist is, beschikken over een BIG-registratie;

- De aanbieder moet meewerken aan een cliëntervaringsonderzoek en/of daarvoor de benodigde informatie te verstrekken.

3. een tarief voor hulpverleners uit het eigen sociale netwerk.

7. Het pgb-tarief voor ondersteuning die geleverd wordt door gecontracteerde aanbieders van zorg in natura en hulpverleners die werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden wordt bepaald op maximaal 80% van de op grond van artikel 16 van deze verordening door het college vastgestelde prijzen van de betreffende maatwerkvoorziening in natura.

8. In afwijking van het zevende lid wordt het pgb-tarief voor Beschermd wonen bepaald op basis van een naar aard en omvang oplopend percentage tot maximaal 80% van de in het besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Elburg gehanteerde prijzen van de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen in natura.

9. Het pgb-tarief voor hulpverleners die niet werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden wordt bepaald op maximaal 75% van de op grond van artikel 16 van deze verordening door het college vastgestelde prijzen van de betreffende maatwerkvoorziening in natura.

10. Het pgb-tarief voor hulpverleners uit het eigen sociale netwerk wordt bepaald op het tarief dat gehanteerd wordt bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg gangbare tarief voor informele hulpverleners.

11. Met in achtneming van het in lid 1 tot en met 10 bepaalde, legt het college in het Besluit de hoogte van het pgb per soort maatwerkvoorziening, respectievelijk categorie vast.

HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten

Artikel 13. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

1. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van:

a. algemene voorziening schoon en leefbaar huis, ter hoogte van maximaal € 10,00 per uur per huishouden;

b. collectief vervoer, ter hoogte van het tarief per kilometer, zoals dat geldt voor het openbaar vervoer;

c. de was- en strijkservice, ter hoogte van maximaal € 5,00 per week per persoon per gewassen en/of gestreken was;

2. Indien de inwoner tot een of meer van de in het derde lid genoemde doelgroepen behoort, bedraagt de bijdrage als genoemd in het eerste lid onder a. maximaal € 5,00 per uur.

3. De in het tweede lid bedoelde doelgroepen zijn inwoners die in aanmerking komen voor:

a. Beleidsregel volwassenenpakket en kindpakket

b. Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Elburg

c. Verordening Individuele inkomenstoeslag gemeente Elburg

d. Beleidsregel kwijtschelding gemeente belastingen

4. Met in achtneming van het in lid 1 tot en met 3 bepaalde, legt het college in het Besluit de hoogte van de bijdrage in de kosten per soort algemene voorziening vast.

Artikel 14. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s

1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot.

2. De bijdrage in de kosten voor een voorziening in de vorm van een pgb is verschuldigd zolang de hierna volgende afschrijvingstermijnen niet zijn verstreken:

a. 7 jaar voor vervoersvoorzieningen;

b. 7 jaar voor roerende woonhulpmiddelen;

c. 10 jaar voor woningaanpassingen, niet zijnde een aanbouw;

d. 15 jaar voor een woningaanpassing in de vorm van een aanbouw.

3. De bijdrage, dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of het vijfde, respectievelijk zesde lid van dit artikel geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

4. De kostprijs van een:

a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;

b. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

5. Geen bijdrage is verschuldigd voor:

a. onderhouds- en reparatiekosten van woonvoorzieningen die in eigendom of bruikleen worden verstrekt;

b. een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt;

c. dovenmaatschappelijk werk

d. vervoerskosten van en naar de dagbesteding.

6. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van:

a. begeleiding in groepsverband ter hoogte van maximaal € 2,50 per uur;

b. individuele begeleiding ter hoogte van maximaal € 30,00 per uur;

c. hulp bij het huishouden ter hoogte van maximaal € 30,00 per uur;

d. kortdurend verblijf, respectievelijk respijtzorg ter hoogte van maximaal € 30,00 per etmaal;

e. een hulpmiddel ter hoogte van maximaal € 30,00 per maand per middel.

7. Met in achtneming van het in lid 1 tot en met 6 bepaalde, legt het college in het Besluit de hoogte van de eigen bijdrage per soort maatwerkvoorziening, respectievelijk categorie hulpmiddel vast.

8. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het Centraal administratie kantoor (CAK) vastgesteld en geïnd.

HOOFDSTUK 5: Kwaliteit en veiligheid

Artikel 15. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, door:

a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

2. de eisen als bedoeld in het eerste lid zijn in ieder geval zodanig dat:

a. de dienstverlening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt;

b. de dienstverlening tijdig en conform afspraak wordt verstrekt;

c. de dienstverlening is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt;

d. de dienstverlening verstrekt wordt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt;

e. de aanbieder van zorg een actieve signaleringsplicht heeft ten aanzien van veranderingen in de gezondheid (fysiek en psychisch), de sociale situatie en de behoefte van de cliënt aan meer of andere zorg;

f. de ondersteuning wordt geleverd met gekwalificeerd personeel, passend bij de behoeften en persoonskenmerken van de cliënt;

g. de aanbieder zorg draagt voor scholing zodanig dat de medewerkers over kwalitatief verantwoorde kennis en kunde kunnen (blijven) beschikken;

h. medewerkers, indien van toepassing, geregistreerd zijn volgens de geldende beroepsregistratie;

i. personen die beroepsmatig dan wel vanuit een professioneel georganiseerde situatie in contact kunnen komen met cliënten, een verklaring omtrent het gedrag (VOG) bezitten die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de aanbieder ging werken;

j. de aanbieder zorg draagt voor het naleven van beroeps- en meldcodes door de medewerkers;

k. elke medewerker de Nederlandse taal spreekt en schrijft.

3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 16. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of

b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

1. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

2. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

a. de kosten van de beroepskracht;

b. redelijke overheadkosten;

c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

d. reis en opleidingskosten;

e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

6. Het college kan zich voor de vaststelling van de in voorgaande leden bedoelde prijs laten adviseren door een onafhankelijke adviseur.

Artikel 17. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Artikel 18. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015.

1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

1. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

2. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

3. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

4. de cliënt langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet;

5. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of

6. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

5. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

6. Als het recht op een in eigendom of een in bruikleen of in pgb verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

Artikel 18a. Opschorting betaling uit het pgb

1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 18, derde lid, onder d.

3. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.

Artikel 18b. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s

Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

HOOFDSTUK 6: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten

Artikel 19. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

1. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college of bij een door het college aangewezen instantie voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht.

2. Het college bepaalt, indien van toepassing in overleg met de door het college aangewezen instantie, bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.

Artikel 20. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, als:

a. die een inkomen hebben lager dan 120 procent van de van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 20 t/m 22 van de Participatiewet en

b. een vermogen hebben dat maximaal twee maal het bedrag is van de in artikel 34 lid 3 Participatiewet bedoelde vermogensgrens

2. Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de op grond van het eerste lid te verstrekken tegemoetkoming bestaat.

HOOFDSTUK 7: Klachten, medezeggenschap en inspraak

Artikel 21. Klachtregeling

1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten.

2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders.

Artikel 22. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle door de aanbieder aangeboden voorzieningen.

2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders.

Artikel 23. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

1. Het college stelt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.

3. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

HOOFDSTUK 8: Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 24. Nadere regels en hardheidsclausule

1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

2. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.

3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 25. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 26. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Elburg 2015 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2018.

2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Elburg, zoals die gold tot 1 januari 2018, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Elburg 2018.

Ondertekening

Aldus besloten door de raad der gemeente Elburg

in zijn vergadering van 27 november 2017

de voorzitter, de griffier,

ir. J.N. Rozendaal. M.C. Luiting.