Regeling vervallen per 01-01-2023

Verordening precariobelasting 2022

Geldend van 01-01-2022 t/m 31-12-2022

Intitulé

Verordening precariobelasting 2022

De raad van de gemeente Sluis

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 november 2021;

gelet op de artikelen 228 van de Gemeentewet;

gezien het advies van de commissie Samenleving/Middelen van 14 december 2021;

besluit:

vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2022

(Verordening precariobelasting 2022)

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    jaar: kalenderjaar;

  • 2.

    maand: een kalendermaand;

  • 3.

    week: een periode van zeven achtereenvolgende dagen;

  • 4.

    dag: een periode van 24 uren, aanvangende te 00.00 uur, of een gedeelte daarvan;

  • 5.

    vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon een of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.

Artikel 4 Vrijstellingen

De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van:

  • a.

    voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen;

  • b.

    voorwerpen, waarvan de gemeente genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, met uitzondering van voorwerpen die in gebruik zijn bij een derde;

  • c.

    voorwerpen bij kleine en middelgrote evenementen, zoals bedoeld in de nota evenementenbeleid.

  • d.

    Uithangborden die in het kader van het ROMA-project zijn aangebracht in de Weststraat, Marktstraat, Oude Kerkstraat en Tuimelsteenstraat te Aardenburg en die voldoen aan de door de gemeente gestelde eisen van uiterlijk en mogelijke voorstellingen.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

De precariobelasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde.

Artikel 6 Berekening van de precariobelasting

  • 1.

    Voor de berekening van de precariobelasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel genoemde lengte- of oppervlaktemaat een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt.

  • 2.

    Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de precariobelasting berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald.

  • 3.

    De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek.

  • 4.

    Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerpen of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de precariobelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij het vijfde lid van overeenkomstige toepassing is.

  • 5.

    Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor verschillende tijdseenheden zijn opgenomen, wordt de precariobelasting berekend op de voor de belastingplichtige meest voordelige wijze.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1 wordt voor de berekening van de precariobelasting:

    • a.

      indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een weektarief, maar geen dagtarief is opgenomen, een gedeelte van een week gelijkgesteld met een week;

    • b.

      indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een maandtarief, maar geen dag- of weektarief is opgenomen, een gedeelte van een maand gelijkgesteld met een maand.

  • 7.

    Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een dagtarief, weektarief of maandtarief is opgenomen en het belastingtijdvak een langere periode dan een dag, onderscheidenlijk een week of een maand omvat, gelden deze tarieven per dag, onderscheidenlijk week of maand van het belastingtijdvak.

Artikel 7 Belastingtijdvak

  • 1.

    In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaaroverschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.

  • 2.

    In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de in het kalenderjaar gelegen aaneengesloten periode gedurende welke het belastbaar feit zich voordoet of heeft voorgedaan.

Artikel 8 Wijze van heffing

  • 1.

    De precariobelasting wordt geheven bij wege van aanslag.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt de voor een dag verschuldigde precariobelasting geheven door middel van een mondelinge kennisgeving, dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    In de gevallen bedoeld in artikel 7, eerste lid, is de precariobelasting verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar de jaartarieven geheven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de naar jaartarieven geheven precariobelasting voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde precariobelasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Artikel 10 Termijn van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn twee maanden later.

  • 2.

    In afwijking van het eerst lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan minder is dan € 10.000 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3.

    In afwijking van de voorgaande leden moet de precariobelasting, geheven door middel van een kennisgeving als bedoeld in artikel 8, lid 2, worden betaald binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

  • 4.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Kwijtschelding

Bij de invordering van de precariobelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12 Overgangsrecht

De ‘Verordening precariobelasting 2021’ vastgesteld op 17 december 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 13 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022.

Artikel 14 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening Precariobelasting 2022’.

Ondertekening

Sluis, 23 december 2021

DE RAAD VOORNOEMD,

De griffier, De voorzitter,

Mr. P.T.G. Claeijs Mr. M.M.D. Vermue

Bijlage Tarieventabel

Hoofdstuk1 Installaties voor het al dan niet automatisch aftappen van motorbrandstoffen, olie, lucht of water

1

Het tarief bedraagt voor het hebben van:

1.1

een aftappunt met toebehoren voor motorbrandstof of olie, per aftappunt, per jaar

161,55

1.1

een aftappunt met toebehoren voor lucht of water per aftappunt, per jaar

46,25

1.1

een tank voor bewaring van vloeistoffen voor elke m3 inhoud van de tank, per jaar

18,40

Hoofdstuk 2 Terrassen

2.1

Het tarief bedraagt voor het hebben van voorwerpen onder op of boven een terras voor:

2.1.1

de bebouwde kom Sluis, per m2 per maand

4,90

2.1.2

Kaai, Spuiplein en Oranjeplein Breskens, per m2 per maand

3,65

2.1.3

Boul. de Wielingen Cadzand-bad, per m2 per maand

3,65

2.1.4

Ledelplein, Markt, Erasmusstraat, Raadhuisplein en Eenhoornplantsoen Oostburg, per m2 per maand

2,95

2.1.5

overige locaties, per m2 per maand

2,55

2.2

Het tarief bedraagt voor het hebben van een incidenteel terras:

2.2.1

per dag per 10 m2

22,30

Hoofdstuk 3 Reclameobjecten

3

Het tarief bedraagt voor het hebben van reclameborden, uithangborden, verkoopautomaten, lichtbakken, lichtreclame, vitrines, lampen of lantaarns met opschrift of reclame e.d., per stuk per jaar, voor zover deze geen deel uitmaken van een terras, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van deze tarieventabel.

36,75

Hoofdstuk 4 Overige voorwerpen

4.1

Het tarief bedraagt voor het hebben van:

4.1.1

zonneschermen en luifels aan niet-woningen, per stuk per jaar,

31,35

4.1.2

uitgestalde zaken langs en aan gevels, per m2 per jaar,

4,70

4.1.3

steigers, stellingen, bouwketen, schaftwagens, containers, afbraak- en bouw-materialen of door afrastering t.b.v. de uitvoering van bouw-, verbouw- of onderhoudswerkzaamheden, per m2 per week

2,40

4.1.4

een vetvang put, per stuk per jaar

55,45

4.1.5

hobbelmachines e.d., per stuk per jaar,

23,15

4.2

Het tarief bedraagt voor het hebben van voorwerpen t.b.v. een vaste standplaats voor de verkoop van waren op één dag per week gedurende meerdere weken per jaar:

4.2.1

minder dan 5 m2 / per maand

39,30

4.2.2

groter dan 5m2 / per maand

78,50

4.3

Het tarief bedraagt voor het hebben van voorwerpen t.b.v. een vaste standplaats voor de verkoop van waren op 2 of meer dagen per week, gedurende meerdere weken per jaar:

4.3.1

minder dan 5 m2 / per maand

78,50

4.3.2

groter dan 5 m2 /per maand

157,05

4.4

Het tarief bedraagt voor het hebben van voorwerpen t.b.v. een incidentele standplaats voor de verkoop van waren, anders bedoeld dan onder 4.2 en 4.3 per plaats per dag per 4 strekkend meter

9,85

4.5

Het tarief bedraagt voor het hebben van voorwerpen t.b.v. een standplaats, anders dan voor de verkoop van waren, per 10m2 per dag

7,30

4.6

Het tarief bedraagt voor het hebben van maximaal 10 waterfietsen in het kanaal Sluis-Brugge, per jaar

485,00

4.7

Het tarief bedraagt voor het hebben van voorwerpen t.b.v. attracties bij evenementen zoals snoepkraam, draaimolen, schiettent, springkussen , etc., per attractie per dag

20,00

4.8

Het tarief bedraagt voor het innemen van een standplaats voor circussen, stuntgroepen en tenten (zoals stuntcarshows, luchtacrobatiek, bungyjumping, e.d.):

4.8.1

per attractie tot max. 100 m2, per dag

88,00

4.8.2

per attractie > 100 m2, per dag

122,40

4.9

Het tarief bedraagt voor het hebben van een ondergrondse afvalcontainer: per m3 per jaar

134,30

Behorende bij raadsbesluit van 23 december 2021

De griffier van de gemeente Sluis,

Mr. P.T.G. Claeijs