Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Utrecht

Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 29 maart 2016, nr. 8180D8C4, houdende nadere regels op grond van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht voor subsidies Economic Board Utrecht (Uitvoeringsverordening Economic Board Utrecht 2016)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieUtrecht
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingBesluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 29 maart 2016, nr. 8180D8C4, houdende nadere regels op grond van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht voor subsidies Economic Board Utrecht (Uitvoeringsverordening Economic Board Utrecht 2016)
Citeertitel
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerpmilieu, subsidies, natuur en landschap, economische zaken, volksgezondheid

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Algemene subsidieverordening provincie Utrecht, art.4
  2. Algemene subsidieverordening provincie Utrecht, art.6
  3. Algemene subsidieverordening provincie Utrecht, art.32
  4. art. 125 AW

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Algemene subsidieverordening provincie Utrecht, art.4

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

28-03-2018Wijzigingsregeling

20-03-2018

prb-2018-2215

81CA50BB
04-03-201728-03-2018Wijzigingsregeling : Artikel 6 lid 1, Artikel 14 lid 1, Artikel 15, Artikel 16 lid 3 en extra lid 4, Artikel 17, Artikel 22 lid 1, Artikel 23, Artikel 24 extra lid 4, Artikel 25, Artikel 26 lid 2, Artikel 30 lid 1, Artikel 32 extra lid 5, Artikel 33, Artikel 36, Artikel 37, Artikel 40, Artikel 41 lid 1, Artikel 45 lid 1, Artikel 49 lid2, Artikel 50 onder b, Artikel 51, Artikel 58

21-02-2017

prb-2017-935

81A700C3
13-07-201604-03-2017art. 15, 23, 58

05-07-2016

Provinciaal blad, 2016, 4031

8187280
07-04-201613-07-2016nieuwe regeling

29-03-2016

Provinciaal blad, 2016, 2004

8180D8C4

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 29 maart 2016, nr. 8180D8C4, houdende nadere regels op grond van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht voor subsidies Economic Board Utrecht (Uitvoeringsverordening Economic Board Utrecht 2016)

Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 29 maart 2016, nr. 8180D8C4, houdende nadere regels op grond van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht voor subsidies Economic Board Utrecht (Uitvoeringsverordening Economic Board Utrecht 2016)

Gedeputeerde Staten van Utrecht;

Gelet op de artikelen 4, 6 en 32 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht;

Overwegende dat:

Besluiten de volgende uitvoeringsverordening vast te stellen:

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    adviesorganisatie: een organisatie die deskundigheid heeft op het gebied van een in deze regeling genoemde activiteit waarvoor de subsidie wordt gevraagd, en die als bedrijfsactiviteit adviesopdrachten uitvoert;

  • b.

    Algemene Groepsvrijstellingsverordening: het staatssteunkader met spelregels van de Europese Commissie om rechtmatige staatssteun te kunnen verlenen, vastgelegd in EU Verordening nr. 651/2014, Pb EU2014, L187;

  • c.

    Asv: Algemene subsidieverordening provincie Utrecht;

  • d.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • e.

    bestaande lening: een lening die een financier al aan de aanvrager heeft uitbetaald of beschikbaar gesteld;

  • f.

    crowdfunding: een vorm van financiering waarbij een onderneming met behulp van een bemiddelend platform

  • rechtstreeks financiering verkrijgt van het publiek;

  • g.

    EBU: Economic Board Utrecht dat is opgezet als samenwerkingsverband van vertegenwoordigers uit het Utrechtse bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden, waaronder de provincie Utrecht, die zich op persoonlijke titel inzetten om een economische, duurzame ontwikkeling in de regio Utrecht te stimuleren zoals beschreven op www.economicboardutrecht.nl;

  • h.

    fonds: een entiteit met als doel financiering in de vorm van risicokapitaal, leningen en/of garanties aan ondernemingen beschikbaar te stellen;

  • i.

    garantie: een subsidie onder opschortende betalingsvoorwaarden waarbij de betaling is verpand aan de leninggever als zekerheid voor nakoming van een leningovereenkomst tussen de aanvrager en de leninggever;

  • j.

    haalbaarheidsproject: een project dat bestaat uit een combinatie van een haalbaarheidsstudie en industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;

  • k.

    haalbaarheidsstudie: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn, conform artikel 2, lid 87 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

  • l.

    innovatie: de toepassing van een nieuwe, creatieve of sterk verbeterde techniek, dienst, proces of organisatiemethode zoals dat niet eerder in Nederland of alleen op kleine schaal is toegepast, waarbij sprake is van toegevoegde waarde voor de economie;

  • m.

    innovatieprogramma’s topsectoren: de thema’s zoals omschreven in de innovatieprogramma’s voor de topsectoren Water, Agri&Food, Tuinbouw & uitgangsmaterialen, Hightech systemen & materialen (incl. ICT), Chemie (waaronder bio based economy), Life Sciences & Health, Energie, Logistiek en Creatieve industrieën, zoals beschreven op www.topsectoren.nl;

  • n.

    intern uurloon: bedrag dat per uur wordt gerekend voor eigen werknemer. Naast de salariskosten mogen hier ook de direct aan de werknemer gerelateerde kosten als managementoverhead, huisvestingskosten, kosten voor kantoorautomatisering, vervoerskosten en opleidingskosten in zijn meegenomen. In het interne uurloon mag geen winstopslag zijn verwerkt;

  • o.

    kennisevenement: een bijeenkomst met een wetenschappelijk karakter of een toegepast wetenschappelijk karakter;

  • p.

    kennisinstelling:

    • a)

      onder a, b, c, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder j van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit;

    • b)

      andere dan onder a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;

    • c)

      geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:

      • i. openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder a,

      • ii. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    • d)

      rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder a, b of c direct of indirect:

      • i.

        meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft,

      • ii.

        volledig aansprakelijk vennoot is of

      • iii.

        overwegende zeggenschap heeft;

    • e)

      onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder a tot en met d;

  • q.

    kredietunie: een coöperatieve kredietvereniging met uitgesloten aansprakelijkheid zonder winstoogmerk waarin ondernemers zich per regio of per branche organiseren om elkaar geld te lenen;

  • r.

    leninggever: een private organisatie die een niet achtergestelde lening beschikbaar heeft gesteld of stelt aan de subsidieaanvrager;

  • s.

    MIT-regeling: regeling MKB Innovatiestimulering Regio en Topsectoren van het ministerie van Economische Zaken;

  • t.

    MKB-onderneming: middelgrote- of kleine onderneming zijnde

    • a.

      kleine onderneming: een onderneming met minder dan 50 personen in dienst en een jaaromzet of balanstotaal van minder dan € 10 miljoen, zoals bepaald in bijlage I van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (EU) nr. 651/2014, Pb EU2014, L187;

    • b.

      middelgrote onderneming: een onderneming met minder dan 250 personen in dienst en tevens een jaaromzet van minder dan € 50 miljoen of een balanstotaal van minder dan € 43 miljoen, zoals bepaald in bijlage I van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (EU) nr. 651/2014, Pb EU2014, L187;

  • u.

    NoM-renovatie: een nul-op-de-meter renovatie die leidt tot een woning waar in- en uitgaande energiestromen voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, warm tapwatergebruik, ventileren, het gebruik van alle huishoudelijke en overige elektrische apparatuur inclusief verlichting en eigen opwekking van energie op jaarbasis in balans is, zodat de som nul is, onder standaard condities zoals die gelden in Nederland en bij standaard gebruik van de woning, zoals vastgelegd en in de ontwerpuitgangspunten onderbouwd door Nederlandse normen;

  • v.

    particuliere woningeigenaar: natuurlijk persoon die eigenaar of mede-eigenaar is van een woning en die woning als hoofdvestiging permanent bewoont;

  • w.

    programma: een samenhangend geheel van projecten;

  • x.

    project: een samenhangend geheel van activiteiten dat binnen een afgebakende periode in tijd wordt uitgevoerd en dat leidt tot concrete resultaten;

  • y.

    R&D: activiteiten die bestaan uit Research and Development (Onderzoek en Ontwikkeling);

  • z.

    R&D-samenwerkingsproject: een R&D-project met samenwerking tussen bedrijven en/of kennisinstellingen, waar geen van de deelnemers meer dan 70% van de subsidiabele kosten (exclusief subsidie) draagt;

  • aa.

    risicokapitaal: een financiering op naam van het fonds of een andere financier in de vorm van aandelen of vergelijkbare financiële instrumenten waarbij het rendement afhankelijk is van de winst van de aanvrager en die niet gedekt zijn bij wanbetaling;

  • bb.

    samenwerkende partij: een organisatie die in samenwerking met de aanvrager van de subsidie een programma of een project uitvoert;

  • cc.

    strategische Agenda EBU: de agenda waarin de prioriteiten van de EBU zijn vastgelegd en die door Provinciale Staten zijn vastgesteld voor de besteding uit de middelen cofinanciering voor de periode 2013 – 2020;

  • dd.

    subsidie: onder ‘subsidie’ worden in deze verordening nadrukkelijk ook revolverende financiële instrumenten bedoeld zoals leningen of borgstellingen;

  • ee.

    vestiging: een vestiging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van de Handelsregisterwet 2007;

  • ff.

    wetenschappelijke instelling: een rechtspersoon die is opgericht met een bepaald wetenschappelijk doel.

Artikel 2 Subsidiecriteria

  • 1

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 32 van de Asv die zijn gericht op het stimuleren van kenniseconomie en innovatie.

  • 2

    Subsidie als bedoeld in het eerste lid kan worden verstrekt voor een programma of project dat in samenwerking of in overleg met de EBU is ontwikkeld en bijdraagt aan de realisatie van de doelstellingen van de Strategische Agenda EBU, zijnde:

    • a.

      Gezond leven:

      • i.

        Zelfmanagement en langdurig thuis wonen: slimme inzet van nieuwe diensten en producten die aan de behoefte bijdragen zo lang mogelijk thuis te blijven wonen en die tegelijk leiden tot meer kosteneffectiviteit in de zorg;

      • ii.

        One Health: preventie en bestrijding van infectieziekten, garanderen van voedselveiligheid: het benutten van de in de regio aanwezige expertise om ziekten die overgaan van mens op dier te voorkomen en te bestrijden en om voedselveiligheid en zekerheid te garanderen;

      • iii.

        Voeding en gezondheid: ondersteunen van de kennisopbouw en -toepassing bij de ontwikkeling, bewijsvoering en wereldwijde distributie van de gespecialiseerde voeding in het kader van ziektepreventie en gezondheidsbevordering;

      • iv.

        Versterken valorisatieketen Life Sciences: ontwikkeling en inzet van de in de regio aanwezige excellente kennis voor nieuwe doelmatige en kosteneffectieve zorgproducten en behandelmethoden;

    • b.

      Groene economie:

      • i.

        Energiepositief wonen en werken: ontwikkeling of uitrol van vernieuwende concepten in de overgang van consument van energie naar producent ervan;

      • ii.

        Duurzame herontwikkeling van stedelijk gebied: ontwikkeling van integrale oplossingen voor energie, water en grondstofvraagstukken;

      • iii.

        Circulaire economie: transitie van een producteconomie naar een diensteneconomie: ontwikkeling van nieuwe diensten en productieconcepten die grondstoffen na gebruik herwaarderen;

    • c.

      Diensteninnovatie en slimme toepassing van technologie:

      • i.

        Versnellen van next generation (ICT) infra- en informatiestructuren;

      • ii. Ontwikkeling en opschaling (innovatieve) diensten;

      • iii.

        Versterking kennis en vaardigheden door publiek-private opleidingsmogelijkheden te creëren.

  • 3

    Subsidie kan worden verstrekt als het programma of project, bedoeld in het tweede lid, voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het programma of project heeft een economisch effect in de provincie Utrecht doordat het onder meer leidt tot meer werkgelegenheid, meer private investeringen of tot versterking van de (internationale) concurrentiepositie van Utrechtse ondernemingen;

    • b.

      in het programma of project werken minstens twee organisaties daadwerkelijk samen; en

    • c.

      minstens één projectpartner is gevestigd in de provincie Utrecht.

  • 4

    Voor subsidie als bedoeld in 2.2, onder a, sub iv (versterken valorisatieketen life science) geldt niet deze uitvoeringsverordening maar de Uitvoeringsverordening MKB-ers Life science Economic Board provincie Utrecht, als de aanvrager:

    • a.

      een MKB’er is, zijnde een onderneming met minder dan 250 personen in dienst en tevens een jaaromzet van minder dan € 50 miljoen of een balanstotaal van minder dan € 43 miljoen;

    • b.

      activiteiten verricht op het gebied van Public health (one-health, neuro, food&health), cardiovasculair, kanker, regeneratief geneeskundig onderzoek en stamcellen;

    • c.

      de onderzoeks- en economische activiteiten in Utrecht uitbreidt,

    • d.

      als besloten vennootschap is vormgegeven; en

    • e.

      in één van de onderstaande ontwikkelingsfases verkeert:

      • i.

        zich nog niet op de markt begeeft, zich niet langer dan 7 jaar op de markt begeeft of voor de verdere ontwikkeling financiering nodig heeft van minimaal 50% van de omzet van de afgelopen 5 jaren; of

      • ii.

        in een doorgroeifase verkeert waarbij de plannen voor het doorgroeien van de aanvrager al waren opgenomen in het aanvankelijke businessplan en de aanvrager geen andere aandeelhouders heeft gekregen vanaf de start van de onderneming. Deze bepaling geldt eveneens voor een aanvrager die zich langer dan 7 jaar op de markt begeeft.

  • 5

    In afwijking van het vierde lid geldt deze uitvoeringsverordening wel als de cofinanciering, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening MKB-ers Life science Economic Board provincie Utrecht uitblijft.

Artikel 3 Bijzondere categorieën subsidies

  • 1

    Subsidie kan tevens worden verstrekt voor de subsidiabele activiteiten, genoemd in hoofdstuk 2 van deze uitvoeringsverordening, met inachtneming van het gestelde in hoofdstuk 2.

Artikel 4 Vorm

  • 1

    Subsidie kan worden verstrekt in verschillende vormen, zoals een subsidie onder een opschortende voorwaarde voor betaling, een lening of een borgstelling.

  • 2

    De subsidie wordt verstrekt in de vorm die Gedeputeerde Staten, mede gezien de toelichting van de EBU bedoeld in artikel 5, vierde lid, het meest passend achten gelet op de meest effectieve inzet van provinciale middelen in verhouding tot het beoogde resultaat.

Artikel 5 Aanvraag

  • 1

    Aanvragen kunnen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

  • 2

    Aanvragen worden ingediend met behulp van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager alle gegevens die in het aanvraagformulier zijn vermeld.

  • 3

    De aanvrager overlegt bij de aanvraag een samenvatting van de gesubsidieerde activiteit en een verklaring dat hij akkoord gaat met openbare publicatie van deze samenvatting.

  • 4

    Bij de aanvraag overlegt de aanvrager in ieder geval een schriftelijke toelichting van de EBU over de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gevraagd. Deze toelichting heeft in ieder geval betrekking op:

    • a.

      de mate waarin aan de subsidiecriteria van artikel 2 respectievelijk paragraaf 2 is voldaan;

    • b.

      de subsidievorm die gelet op artikel 4 het meest passend wordt geacht;

    • c.

      de verhouding tussen de hoogte van de subsidie tot de totale projectkosten en de door het project uitgelokte private investeringen;

    • d.

      de aanbevolen verplichtingen voor de ontvanger van de subsidie.

  • 5

    De toelichting van de EBU is ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de EBU op basis van een formulier zoals dat door Gedeputeerde Staten is vastgesteld en op grond van het reglement dat de EBU in overeenstemming met de provincie heeft vastgesteld.

Artikel 6 Subsidieplafond

  • 1

    Het subsidieplafond bedraagt € 9 miljoen.

  • 2

    Onverminderd het eerste lid geldt voor de bijzondere categorieën subsidies, genoemd in hoofdstuk 2, het deelplafond dat per bijzondere categorie is opgenomen.

Artikel 7 Hoogte van de subsidie en subsidiabele kosten

  • 1

    De subsidie wordt bepaald op basis van het tekort aan financiering voor het project of programma zoals bepaald in artikel 12 Asv.

  • 2

    De hoogte van de subsidie wordt mede bepaald aan de hand van de toelichting van de EBU, met als uitgangspunt de meest effectieve inzet van provinciale middelen in verhouding tot het beoogde resultaat.

  • 3

    De hoogte van de subsidie wordt mede bepaald door de eventuele toepassing van de Europese regelgeving op het gebied van staatssteun.

  • 4

    Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval, naast de vaste personeelslasten van de aanvrager zoals berekend op grond van artikel 12, vijfde lid, Asv, de volgende kosten voor zover deze samenhangen met de gesubsidieerde activiteit:

     

    • a.

      kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen;

    • b.

      kosten voor financiële transacties, financieel juridische diensten, patenten en bankkosten, met uitzondering van debetrente, boetes, financiële sancties en gerechtskosten;

    • c.

      reis- en verblijfskosten voor binnenlandse en buitenlandse reizen, voor zover deze niet inbegrepen zijn in het integrale uurtarief;

    • d.

      kosten voor promotie en publiciteit;

    • e.

      andere aan derden verschuldigde kosten.

Artikel 8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 10 van de Asv gelden de volgende weigeringsgronden:

  • 1.

    Subsidie wordt geweigerd indien de aanvrager of een samenwerkende partij in financiële moeilijkheden verkeert of er een bevel uitstaat voor terugvordering van de subsidie wegens staatssteun.

  • 2.

    Subsidie kan worden geweigerd:

    • a.

      als het bedrag van de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt;

    • b.

      voor zover de subsidie aan een project of programma meer dan 33,3% van de totale projectof programmakosten zou bedragen;

    • c.

      voor zover de subsidie aan een fonds meer dan 25% van de totale omvang van het fonds zou bedragen.

Artikel 9 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1

    Subsidie, bijvoorbeeld als deze wordt verleend in de vorm van een geldlening of borgstelling, kan worden verleend onder de voorwaarde dat tussen de subsidieontvanger en de provincie een overeenkomst ter uitvoering van de subsidiebeschikking tot stand komt.

  • 2

    In de subsidiebeschikking en de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, kunnen afspraken worden gemaakt over betaling van rente of premie.

  • 3

    De aanvrager gaat akkoord met de publicatie van een openbare samenvatting van de gesubsidieerde activiteit.

Artikel 10 Europese regelgeving

Voor zover subsidie wordt verstrekt aan een onderneming gebeurt dit met inachtneming van de Europese regelgeving op het gebied van staatssteun.

De subsidies worden ondermeer verstrekt op basis van artikel 17, 27 of 31 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

HOOFDSTUK 2 BIJZONDERE CATEGORIEËN SUBSIDIES

 

Artikel 11 Toepasselijkheid hoofdstuk 1 en 2

Voor de categorieën subsidies die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, geldt ook het gestelde in hoofdstuk 1 tenzij anders is bepaald.

PARAGRAAF 2.1 MIT HAALBAARHEIDSPROJECT MKB-ONDERNEMING

Artikel 12 Subsidiecriteria

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een haalbaarheidsproject als het:

  • a.

    voldoet aan de criteria van artikel 2, met uitzondering van het derde lid, onder b (in afwijking van artikel 2, derde lid, onder b, is geen daadwerkelijke samenwerking nodig);

  • b.

    voor tenminste 60% bestaat uit een haalbaarheidsstudie en voor ten hoogste 40% uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; en

  • c.

    past binnen de innovatieprogramma’s Topsectoren.

Artikel 13 Doelgroep

Subsidie kan worden verstrekt aan een MKB-onderneming die in de provincie Utrecht is gevestigd.

Artikel 14 Aanvraag

  • 1

    In afwijking van artikel 5 kan de aanvraag worden ingediend van 17 april 2018 (00.00 uur) tot en met 6 september 2018 (23.59 uur). Met toepassing van artikel 6, vierde lid, van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht vindt de beslissing op subsidieaanvragen in volgorde van binnenkomst plaats.

  • 2

    De aanvrager hoeft bij de aanvraag geen schriftelijke toelichting van de EBU te overleggen.

Artikel 15 Deelplafond

Onverminderd artikel 6 bedraagt het deelplafond voor de subsidies uit deze paragraaf (MIT Haalbaarheidsproject MKB-onderneming) € 600.000.

Artikel 16 Hoogte van de subsidie en subsidiabele kosten

  • 1

    In afwijking van artikel 7 wordt de subsidie niet bepaald op basis van het tekort aan financiering.

  • 2

    De subsidiabele kosten voor een haalbaarheidsproject betreffen de kosten van de haalbaarheidsstudie en de kosten voor het eventuele industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling conform artikel 25 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

  • 3

    De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten die aan het haalbaarheidsproject zijn verbonden tot een maximum van € 25.000.

  • 4

    De te hanteren loonkosten zijn gebaseerd op een intern uurloon (inclusief werkgeverslasten) van maximaal € 60.

Artikel 17 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd als:

  • a.

    de voorgenomen activiteiten waarop het haalbaarheidsproject betrekking heeft, in technische of financiële zin onvoldoende risicovol zijn om de haalbaarheidsstudie te rechtvaardigen;

  • b.

    het haalbaarheidsproject onvoldoende inzicht geeft in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft;

  • c.

    de aanvrager in het lopende kalenderjaar op grond van deze uitvoeringsverordening reeds subsidie voor een haalbaarheidsproject (conform paragraaf 2.1) heeft gekregen;

  • d.

    er onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de activiteiten kunnen financieren;

  • e.

    er onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de activiteiten;

  • f.

    er onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de activiteiten;

  • g.

    er onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de activiteiten naar behoren uit te voeren;

  • h.

    het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen de in artikel 18 gestelde termijnen kunnen worden voltooid.

 

Artikel 18 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1

    De subsidieontvanger start binnen vier maanden na de subsidieverlening met het haalbaarheidsproject.

  • 2

    De subsidieontvanger voert het haalbaarheidsproject uit binnen twaalf maanden na de start van het haalbaarheidsproject.

Artikel 19 Europese regelgeving

De subsidie wordt verstrekt op basis van artikel 25 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

PARAGRAAF 2.2 MIT RESEARCH & DEVELOPMENT SAMENWERKINGSPROJECT GROOT

Artikel 20 Subsidiecriteria

Subsidie kan worden verstrekt voor een R&D-samenwerkingsproject als het:

  • a.

    voldoet aan de criteria van artikel 2;

  • b.

    past binnen de innovatieprogramma’s Topsectoren;

  • c.

    bestaat uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, conform artikel 25 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

  • d.

    wordt uitgevoerd voor gezamenlijke rekening en risico door een R&D-samenwerkingsverband; en

  • e.

    meer dan 50% van de projectkosten worden gemaakt in de provincie Utrecht.

Artikel 21 Doelgroep

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt aan een deelnemer in een R&D-samenwerkingsverband dat een R&D-samenwerkingsproject uitvoert.

  • 2.

    De aanvrager is de penvoerder die deelneemt aan het R&D-samenwerkingsverband.

  • 3.

    De aanvrager is gevestigd in de provincie Utrecht.

  • 4.

    Het R&D-samenwerkingsverband bezit geen rechtspersoonlijkheid en bestaat uit twee of meer niet in een groep verbonden MKB-ondernemingen.

  • 5.

    Het R&D-samenwerkingsverband is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een R&D-samenwerkingsproject.

Artikel 22 Aanvraag

  • 1

    In afwijking van artikel 5 kan de aanvraag worden ingediend van 2 juli 2018 tot en met 6 september 2018 17.00 uur ‘s middags.

  • 2

    In afwijking van artikel 5 hoeft de aanvrager geen schriftelijke toelichting van de EBU te overleggen.

  • 3.

    Aan een project waarvoor subsidie is aangevraagd, wordt aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toegekend naarmate:

    • a.

      er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht;

    • b.

      er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het R&D-samenwerkingsverband, voor de innovatieagenda topsectoren of de economie in de provincie Utrecht;

    • c.

      de kwaliteit van de R&D samenwerking hoger is, ten minste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie;

    • d.

      er meer sprake is van sector-overstijgende combinaties en van combinaties van de innovatieagenda topsectoren die niet conventioneel zijn.

  • 4.

    Voor de onderdelen a, b en c van het derde lid worden ten minste één en ten hoogste dertig punten toegekend en voor onderdeel d van het vierde lid één en ten hoogste tien punten.

  • 5.

    De aanvragen worden na de uiterste indiendatum van aanvragen, genoemd in het eerste lid, gerangschikt waarbij een aanvraag een hogere rangschikking krijgt naarmate op basis van de vorige leden in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Artikel 23 Deelplafond

Onverminderd artikel 6 bedraagt het deelplafond voor de subsidies uit deze paragraaf (R&D samenwerkingsproject groot) en de subsidies uit paragraaf 2.3 (MIT R&D samenwerkingsproject klein) samen maximaal € 2.280.000, waarvan tot maximaal 50% voor subsidies MIT R&D samenwerkingsproject groot is bestemd.

Artikel 24 Hoogte van de subsidie en subsidiabele kosten

  • 1

    In afwijking van artikel 7 wordt de subsidie niet bepaald op basis van het tekort aan financiering.

  • 2

    De subsidie bedraagt ten hoogste 35% van de totale subsidiabele kosten tot een maximum van € 350.000 per R&D-samenwerkingsproject en met een minimum van € 200.000 per R&D-samenwerkingsproject.

  • 3

    Het subsidiebedrag per deelnemende MKB-deelnemer aan het R&D-samenwerkingsverband bedraagt doorgerekend ten minste € 25.000 en ten hoogste € 175.000.

  • 4

    De subsidiabele kosten zijn de kosten, genoemd in artikel 25, derde lid, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

  • 5.

    De te hanteren loonkosten zijn gebaseerd op een intern uurloon (inclusief werkgeverslasten) van maximaal € 60.

Artikel 25 Weigeringsgronden

Subsidie voor een R&D samenwerkingsproject wordt geweigerd als:

  • 1.

    een individuele deelnemer aan het R&D-samenwerkingsverband meer dan 70% van de voor subsidie in aanmerking komende kosten van het R&D-samenwerkingsproject voor zijn rekening neemt;

  • 2.

    het R&D samenwerkingsproject niet voldoende bijdraagt aan de vernieuwing van producten, processen of diensten of wezenlijke nieuwe toepassingen van bestaande producten, processen of diensten;

  • 3.

    het R&D samenwerkingsverband niet voldoende bijdraagt aan het creëren van economische waarde voor de deelnemers in het samenwerkingsverband;

  • 4.

    de kwaliteit van het R&D-samenwerkingsverband ontoereikend is om het R&D-samenwerkings­project uit te voeren;

  • 5.

    de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is;

  • 6.

    de aanvrager op grond van deze uitvoeringsverordening reeds subsidie heeft gekregen voor een R&D-samenwerkingsproject dat is ingediend binnen de in artikel 22 genoemde openstellingsperiode.

  • 7.

    er onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de activiteiten kunnen financieren;

  • 8.

    er onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de activiteiten;

  • 9.

    er onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de activiteiten;

  • 10.

    er onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de activiteiten naar behoren uit te voeren;

  • 11.

    het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen de in artikel 26 gestelde termijnen kunnen worden voltooid.

  • 12.

    Aanvragen die op de uiterste indiendatum na 17.00 uur worden ingediend, worden geweigerd.

Artikel 26 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1

    De subsidieontvanger start het R&D samenwerkingsproject binnen zes maanden na het indienen van de subsidieaanvraag.

  • 2

    De subsidieontvanger voert het R&D samenwerkingsproject binnen twee jaar na het moment van subsidieverstrekking uit.

Artikel 27 Europese Regelgeving

De subsidie wordt verstrekt op basis van artikel 25 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

PARAGRAAF 2.3 MIT RESEARCH & DEVELOPMENT SAMENWERKINGSPROJECT KLEIN

Artikel 28 Subsidiecriteria

Subsidie kan worden verstrekt voor een R&D-samenwerkingsproject als het:

  • a.

    voldoet aan de criteria van artikel 2;

  • b.

    past binnen de innovatieprogramma’s Topsectoren;

  • c.

    bestaat uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, conform artikel 25 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

  • d.

    wordt uitgevoerd voor gezamenlijke rekening en risico door een R&D-samenwerkingsverband; en

  • e.

    meer dan 50% van de projectkosten worden gemaakt in de provincie Utrecht.

Artikel 29 Doelgroep

  • 1

    Subsidie kan worden verstrekt aan een deelnemer in een R&D-samenwerkingsverband dat een R&D-samenwerkingsproject uitvoert.

  • 2

    De aanvrager is de penvoerder die deelneemt aan het R&D-samenwerkingsverband.

  • 3

    De aanvrager is gevestigd in de provincie Utrecht.

  • 4

    Het R&D-samenwerkingsverband bezit geen rechtspersoonlijkheid en bestaat uit twee of meer niet in een groep verbonden MKB-ondernemingen.

  • 5

    Het R&D-samenwerkingsverband is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een R&D-samenwerkingsproject.

Artikel 30 Aanvraag

  • 1

    In afwijking van artikel 5 kan de aanvraag worden ingediend van 2 juli 2018 tot en met 6 september 2018 17.00 ‘s middags.

  • 2

    In afwijking van artikel 5 hoeft de aanvrager geen schriftelijke toelichting van de EBU te overleggen.

  • 3

    Aan een project waarvoor subsidie is aangevraagd, wordt aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toegekend naarmate:

    • a.

      er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht;

    • b.

      er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het R&D-samenwerkingsverband, voor de innovatieagenda topsectoren of de economie in de provincie Utrecht;

    • c.

      de kwaliteit van de R&D samenwerking hoger is, ten minste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie;

    • d.

      er meer sprake is van sector-overstijgende combinaties en van combinaties van de innovatieagenda topsectoren die niet conventioneel zijn.

  • 4

    Voor de onderdelen a, b en c van het derde lid worden ten minste één en ten hoogste dertig punten toegekend en voor onderdeel d van het derde lid één en ten hoogste tien punten.

  • 5

    De aanvragen worden na de uiterste indiendatum van aanvragen, genoemd in het eerste lid, gerangschikt waarbij een aanvraag een hogere rangschikking krijgt naarmate op basis van de vorige leden in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Artikel 31 Deelplafond

Onverminderd artikel 6 bedraagt het deelplafond voor de subsidies uit deze paragraaf (R&D samenwerkingsproject klein) en de subsidies uit paragraaf 2.2 (MIT R&D samenwerkingsproject groot) samen maximaal € 2.280.000, waarvan tot maximaal 50% voor subsidies MIT R&D samenwerkingsproject groot is bestemd.

Artikel 32 Hoogte van de subsidie en subsidiabele kosten

  • 1

    In afwijking van artikel 7 wordt de subsidie niet bepaald op basis van het tekort aan financiering.

  • 2

    De subsidie bedraagt ten hoogste 35% van de totale subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000 per R&D-samenwerkingsproject en met een minimum van € 50.000 per R&D-samenwerkingsproject.

  • 3

    Het subsidiebedrag per deelnemende MKB-deelnemer aan het R&D-samenwerkingsverband bedraagt doorgerekend ten minste € 25.000 en ten hoogste € 100.000.

  • 4

    De subsidiabele kosten zijn de kosten, genoemd in artikel 25, derde lid, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

  • 5

    De te hanteren loonkosten zijn gebaseerd op een intern uurloon (inclusief werkgeverslasten) van maximaal € 60.

     

Artikel 33 Weigeringsgronden

Subsidie voor een R&D samenwerkingsproject wordt geweigerd als:

  • 1.

    een individuele deelnemer aan het R&D-samenwerkingsverband meer dan 70% van de voor subsidie in aanmerking komende kosten van het R&D-samenwerkingsproject voor zijn rekening neemt;

  • 2.

    het R&D samenwerkingsproject niet voldoende bijdraagt aan de vernieuwing van producten, processen of diensten of wezenlijke nieuwe toepassingen van bestaande producten, processen of diensten;

  • 3.

    het R&D samenwerkingsverband niet voldoende bijdraagt aan het creëren van economische waarde voor de deelnemers in het samenwerkingsverband;

  • 4.

    de kwaliteit van het R&D-samenwerkingsverband ontoereikend is om het R&D-samenwerkings­project uit te voeren;

  • 5.

    de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is;

  • 6.

    de aanvrager naar aanleiding van een subsidieaanvraag binnen de in artikel 30 genoemde openstellingsperiode reeds subsidie heeft gekregen voor een R&D-samenwerkingsproject op grond van deze uitvoeringsverordening;

  • 7.

    er onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de activiteiten kunnen financieren;

  • 8.

    er onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de activiteiten;

  • 9.

    er onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de activiteiten;

  • 10.

    er onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de activiteiten naar behoren uit te voeren;

  • 11.

    het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen de in artikel 34 gestelde termijnen kunnen worden voltooid.

  • 12.

    Aanvragen die op de uiterste indiendatum na 17.00 uur worden ingediend, worden geweigerd.

Artikel 34 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1

    De subsidieontvanger start het R&D samenwerkingsproject binnen zes maanden na het indienen van de subsidieaanvraag.

  • 2

    De subsidieontvanger voert het R&D samenwerkingsproject binnen twee jaar na het moment van subsidieverstrekking uit.

Artikel 35 Europese regelgeving

De subsidie wordt verstrekt op basis van artikel 25 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

PARAGRAAF 2.4 GROEN, GEZOND, SLIM FONDS

Artikel 36 Subsidiecriteria

Subsidie kan worden verstrekt voor het aanvullen van private financiering van een MKB-onderneming of van een andersoortige organisatie die zich qua grootte en activiteiten kenmerkt en gedraagt als een MKB-onderneming als voldaan is aan de volgende criteria:

  • a.

    de activiteiten van de subsidieaanvrager voldoen aan de bepalingen van artikel 2. In afwijking van artikel 2, derde lid, onder b, is geen daadwerkelijke samenwerking nodig;

  • b.

    de subsidieaanvrager is een juridische verplichting aangegaan met één of meerdere private financiers, niet zijnde publiekrechtelijke rechtspersonen en niet zijnde de ondernemer zelf, het bestuur, grootaandeelhouder of familie van de ondernemer;

  • c.

    de private financier, bedoeld in het vorige onderdeel, heeft een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten of is door de Autoriteit Financiële Markten nadrukkelijk en expliciet vrijgesteld van een vergunning;

  • d.

    ten minste 25% van de totale financiering wordt verzorgd door crowdfunding of een kredietunie;

  • e.

    de financiering van de private financiers is verstrekt in de vorm van een lening, aandelenparticipatie of een vergelijkbaar financieel instrument waarbij het rendement afhankelijk is van de winst van de aanvrager en dat niet gedekt is bij wanbetaling.

Artikel 37 Doelgroep

Subsidie kan worden verstrekt aan:

a. een MKB-onderneming die in de provincie Utrecht is gevestigd;

b. een andersoortige organisatie die in de provincie Utrecht is gevestigd en die zich qua grootte en activiteiten kenmerkt en gedraagt als een MKB-onderneming.

 

Artikel 38 Vorm

De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een lening.

Artikel 39 Aanvraag

In afwijking van artikel 5 hoeft de aanvrager geen schriftelijke toelichting van de EBU te overleggen.

Artikel 40 Deelplafond

Onverminderd artikel 6 bedraagt het deelplafond voor het Groen, Gezond, Slim Fonds € 1,5 miljoen.

 

Artikel 41 Hoogte van de subsidie en subsidiabele kosten

  • 1

    In afwijking van artikel 7 bedraagt de hoogte van de lening maximaal 25% van de benodigde financiering, de private inbreng in de benodigde financiering bedraagt dus minimaal 75%.

  • 2

    De lening bedraagt minimaal € 25.000 en maximaal € 100.000.

Artikel 42 Weigeringsgronden

De lening wordt geweigerd indien:

  • 1.

    de financiering van de private financiers bedoeld is voor een overname;

  • 2.

    voor het crowdfunding of kredietunie deel sprake is van een vorm van donatie (gift) in plaats van revolverende afspraken.

Artikel 43 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1

    Voor een MKB financiering uit het Groen, Gezond, Slim Fonds worden de volgende verplichtingen opgelegd aan de subsidieontvanger:

    • a.

      de subsidieontvanger lost de lening af na twee jaar na de datum van de subsidieverlening in vijf gelijke jaarlijkse termijnen. De subsidieontvanger kan een verzoek indienen de subsidie gedurende de looptijd direct volledig af te lossen;

    • b.

      de subsidieontvanger betaalt jaarlijks een rente van tenminste 2% bestaande uit een positieve basispercentage van de 12-maands Euribor vermeerderd met een risico-opslag van 2%. Als genoemd basispercentage niet positief is, wordt bij de toepassing van de vorige zin uitgegaan van een 0% basispercentage van de 12-maands Euribor.

  • 2

    Aan de subsidieontvanger kan de verplichting worden opgelegd om de ondernemer, bestuurder of groot aandeelhouder hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de terugbetaling van de lening en de rente.

Artikel 44 Europese regelgeving

De subsidie wordt verstrekt op basis van artikel 28 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

PARAGRAAF 2.5 NUL OP DE METER MARKTINTRODUCTIEFONDS

Artikel 45 Subsidiecriteria

  • 1

    Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een NoM-renovatie van een woning in de provincie Utrecht die als hoofdvestiging permanent worden bewoond door een particuliere woningeigenaar.

  • 2

    In afwijking van artikel 2, lid 3 b en c is geen daadwerkelijke samenwerking nodig en hoeft een projectpartner niet in de provincie Utrecht te zijn gevestigd.

Artikel 46 Doelgroep

Subsidie kan worden verstrekt aan een onderneming of een consortium van ondernemingen waarvan de primaire bedrijfsactiviteiten van alle betrokken ondernemingen bestaan uit het bouwen of renoveren van renovaties van woningen en waarbij de onderneming respectievelijk alle betrokken ondernemingen van het consortium:

  • a.

    zijn aangesloten bij een garantiefonds dat bij faillissement van de betrokken ondernemingen de uitvoering van de NoM-renovatie garandeert;

  • b.

    zijn verzekerd om bij faillissement de NoM-renovatie van de woningen te realiseren;

  • c.

    zijn aangesloten bij een brancheorganisatie;

  • d.

    een samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot het consortium hebben getekend waarin in ieder geval afspraken zijn gemaakt over aansprakelijkheden en de aanvrager een volmacht heeft om de subsidie bevrijdend te ontvangen. Aan de overeenkomst kunnen GS nadere eisen stellen.

Artikel 47 Aanvraag

  • 1

    In afwijking van artikel 5 hoeft de aanvrager bij de aanvraag voor een NoM-renovatie geen schriftelijke toelichting van de EBU te overleggen.

  • 2

    In aanvulling op artikel 5 overlegt bij de aanvraag tot subsidieverlening voor een NoM-renovatie de volgende documenten of bescheiden:

    • a.

      een getekende intentieovereenkomst van minimaal één van de bewoners van de woningen die gerenoveerd worden;

    • b.

      bewijs van deelname aan het garantiefonds, zoals bepaald in artikel 46;

    • c.

      polis van de verzekering, zoals bepaald in artikel 46;

    • d.

      samenwerkingsovereenkomst als de aanvrager bij een consortium hoort;

    • e.

      getekende de-minimisverklaring voor de aanvrager en de betrokken ondernemingen in het consortium;

    • f.

      getekende akkoordverklaring van de particuliere woningeigenaar dat de woning op verzoek van de aanvrager minimaal drie keer te bezichtigen is.

Artikel 48 Deelplafond

Onverminderd artikel 6 geldt voor subsidies voor een NoM-renovatie een deelplafond van € 672.500, waarbij binnen dit deelplafond voor de gemeentelijke bijdragen de volgende deelplafonds gelden:

  • a.

    Gemeente Houten: € 15.000;

  • b.

    Gemeente Utrecht: € 60.000;

  • c.

    Gemeente Woerden: € 30.000;

  • d.

    Gemeente Wijk bij Duurstede: € 15.000;

  • e.

    Gemeente De Bilt : € 15.000;

  • f.

    Gemeente Zeist: € 15.000;

  • g.

    Gemeente Stichtse Vecht € 7.500;

  • h.

    Gemeente Nieuwegein € 7.500;

  • i.

    Gemeente Bunnik € 7.500.

Artikel 49 Hoogte van de subsidie en subsidiabele kosten

  • 1

    In afwijking van artikel 7 wordt de subsidie niet bepaald op basis van het tekort aan financiering.

  • 2

    Voor de hoogte van een subsidie voor een NoM-renovatie geldt dat:

    • a.

      de hoogte van de subsidie € 7.500 per woning bedraagt;

    • b.

      het bedrag, genoemd in het tweede lid, onder a, van toepassing is op de eerste 30 woningen waarvoor op grond van deze uitvoeringsverordening subsidie wordt verstrekt;

    • c.

      het maximum bedrag, genoemd in het tweede lid, onder a, na de eerste 30 woningen vermeld onder b, € 2.500 per woning bedraagt;

    • d.

      de subsidie genoemd in het tweede lid, onder a. en c., kan worden verhoogd met € 2.500 per woning in de gemeenten zoals genoemd in artikel 48, verband houdend met de cofinanciering door die gemeenten, voor zover het deelplafond voor elke gemeente niet is overschreden.

  • 3

    De subsidiabele kosten zijn alle toerekenbare kosten van de betreffende NoM-renovatie.

Artikel 50 Weigeringsgronden

Subsidie voor een NoM-renovatie wordt geweigerd:

  • a.

    als blijkt dat niet overtuigend kan worden aangetoond dat de NoM-renovatie van de woningen gerealiseerd kan worden;

  • b.

    als de aanvraag betrekking heeft op de NoM-renovatie van meer dan 15 woningen;

  • c.

    als de aanvrager of de betrokken ondernemingen binnen het consortium met een nieuwe aanvraag voor een NoM-renovatie op grond van deze uitvoeringsverordening het maximum van 15 woningen overschrijdt.

Artikel 51 Verplichtingen subsidieontvanger

Voor een subsidie aan een NoM-renovatie geldt dat de subsidieontvanger:

  • a.

    binnen 24 maanden na het verlenen van de subsidie de subsidiabele activiteit uitvoert of door de betrokken ondernemingen in het consortium laat uitvoeren;

  • b.

    op verzoek van de provincie een bezoek aan de woning organiseert.

Artikel 52 Europese regelgeving

De subsidie aan een NoM-renovatie wordt verstrekt onder de regels en procedures voor de-minimis steun. Daarmee bevat deze maatregel geen staatssteun.

PARAGRAAF 2.6 KENNISEVENEMENTEN

Artikel 53 Subsidiecriteria

Onverminderd artikel 2 kan subsidie voor de organisatie van een kennisevenement worden verstrekt als:

  • a.

    er sprake is van een nieuw kennisevenement voor de provincie Utrecht;

  • b.

    er sprake is van een bijeenkomst van minimaal 1 dagdeel waaraan tenminste 50 personen deelnemen; en

  • c.

    in geval van een internationaal kennisevenement, tenminste 50% van de deelnemers uit het buitenland komt.

Artikel 54 Doelgroep

  • 1

    Subsidie kan worden verstrekt aan een nationale of internationale wetenschappelijke instelling of een bevoegd vertegenwoordiger daarvan.

  • 2

    In afwijking van artikel 2, derde lid, onder c, hoeft de subsidieontvanger niet in de provincie Utrecht gevestigd te zijn.

Artikel 55 Aanvraag

  • 1

    In afwijking van artikel 5 hoeft de aanvrager geen schriftelijke toelichting van de EBU te overleggen.

  • 2

    De aanvrager overlegt bij de aanvraag voor een kennisevenement in ieder geval de volgende documenten of bescheiden:

    • a.

      een beknopt plan met een beschrijving en een begroting van het kennisevenement;

    • b.

      een beschrijving van de beoogde doelgroep van deelnemers en het te verwachten bezoekersaantal, inclusief een overzicht van te verwachten nationale en internationale deelnemers; en

    • c.

      een beschrijving van het thema van het kennisevenement en de raakvlakken met de thema’s uit de Strategische Agenda 2013–2020 van de Economic Board Utrecht.

Artikel 56 Deelplafond

Onverminderd artikel 6 bedraagt het deelplafond voor de subsidies uit deze paragraaf voor Kennisevenementen €  350.000.

Artikel 57 Hoogte van de subsidie en subsidiabele kosten

Voor de hoogte van een subsidie voor een kennisevenement geldt dat:

  • a.

    In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de subsidie niet bepaald op basis van het tekort aan financiering.

  • b.

    De subsidiabele kosten zijn alle toerekenbare kosten van het betreffende kennisevenement, zoals de kosten van de organisatie, de locatie, de catering en de marketing.

  • c.

    De subsidie voor een nationaal kennisevenement bedraagt ten hoogste € 5,00 per deelnemer per kennisevenement tot een maximum van € 5.000 per kennisevenement en tot maximaal de hoogte van de totale subsidiabele kosten van het kennisevenement.

  • d.

    De subsidie voor een internationaal kennisevenement bedraagt ten hoogste € 7,50 per deelnemer per kennisevenement tot een maximum van € 10.000 per kennisevenement en tot maximaal de hoogte van de totale subsidiabele kosten van het kennisevenement.

  • e.

    Aanvragers kunnen in aanmerking komen voor een extra bijdrage van € 2,50 per deelnemer per kennisevenement als er ook een aantoonbare significante verbinding wordt aangegaan met bedrijven of organisaties die gevestigd zijn in de provincie Utrecht. Het totale maximum per kennisevenement bedraagt dan € 10.000,– en tot maximaal de hoogte van de totale subsidiabele kosten van het kennisevenement.

Artikel 58 Weigeringsgronden

  • 1.

    Subsidie voor een kennisevenement wordt geweigerd als:

    • a.

      de aanvrager niet, of onvoldoende, kan aantonen dat het kennisevenement een wetenschappelijk karakter of een toegepast wetenschappelijk karakter heeft;

    • b.

      de aanvraag wordt ingediend als het evenement reeds heeft plaatsgevonden.

  • 2.

    Subsidie voor een kennisevenement kan worden geweigerd als niet binnen twee jaar na indiening van de aanvraag duidelijkheid te verwachten is over de doorgang van het kennisevenement.

     

Artikel 59 Verplichtingen subsidieontvanger

Voor een subsidie aan een kennisevenement geldt dat de aanvrager binnen zes weken na het evenement rapporteert hoeveel bezoekers aanwezig waren, met bijvoeging van gegevens of bescheiden die het gestelde bezoekersaantal aantoonbaar onderbouwen.

Artikel 60 Europese regelgeving

In overeenstemming met artikel 11 is het gestelde in artikel 10 van toepassing.

HOOFDSTUK 3 SLOTBEPALINGEN

Artikel 61 Intrekking

Ingetrokken worden:

  • a.

    de Uitvoeringsverordening Economic Board van 19 november 2013, nr. 80EEB26D;

  • b.

    de wijziging van de Uitvoeringsverordening Economic Board van 7 april 2015, nr. 814D6D30;

  • c.

    de wijziging van de Uitvoeringsverordening Economic Board van 14 juli 2015, nr. 81581F5F.

Artikel 62 Inwerkingtreding

Deze uitvoeringsverordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 63 Citeertitel

Deze uitvoeringsverordening wordt aangehaald als: Uitvoeringsverordening Economic Board Utrecht 2016.

Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van Utrecht van 29 maart 2016.

Voorzitter

Secretaris  

Toelichting op het wijzigingsbesluit Provinciaal blad 4031 van 2016

Algemeen De Economic Board Utrecht (EBU) is een samenwerkingsverband tussen vertegenwoordigers uit het Utrechtse bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden, waaronder de provincie Utrecht. Het doel is het stimuleren van economische en duurzame ontwikkeling in de regio Utrecht.

In de verordening zijn onder paragraaf 2.1 en paragraaf 2.2. respectievelijk de regelingen MIT Haalbaarheidsproject MKB-onderneming en MIT Innovatieadviesproject MKB-onderneming opgenomen. Het subsidieplafond voor deze regelingen samen betrof € 600.000. Op 10 mei 2016 zijn deze twee MIT-regelingen voor 2016 opengesteld. Reeds op de eerste dag werd direct het subsidieplafond overvraagd. Door in deze wijzigingsverordening het gezamenlijke subsidieplafond voor MIT Haalbaarheidproject MKB-onderneming en MIT Innovatieadviesproject MKB-onderneming te verhogen naar € 925.000 kunnen naar verwachting circa 8 extra projecten worden ondersteund. Deze projecten passen binnen de Strategische Agenda van de EBU.

De regeling Kennisevenementen geeft een prikkel om wetenschappelijke instellingen te laten kiezen voor Utrecht als locatie van hun kennisevenement. Hiertoe kan per deelnemer van het internationale en nationale kennisevenement een bijdrage worden verkregen van respectievelijk € 7,50 en € 5 per dag, tot een maximum van € 10.000 en € 5000 per evenement. Dit is ook zo verwoord in de toelichting van de Uitvoeringsverordening Economic Board Utrecht 2016. Bij de beoordeling van de eerste aanvraag voor de regeling Kennisevenementen is echter gebleken dat artikel 58 van de Uitvoeringsverordening hier niet duidelijk genoeg over was. Met een tekstuele aanpassing is dit gerepareerd.

 

TOELICHTING

Algemeen De oorspronkelijke Uitvoeringsverordening Economic Board Utrecht volgde uit het besluit van Gedeputeerde Staten van 19 november 2013, nr. 80EEB26D. Deze verordening werd inmiddels al een paar keer geactualiseerd. Dit is niet bevorderlijk voor de integrale leesbaarheid van de verordening en daarmee de transparantie. Wens was dan ook om een geconsolideerde tekst te maken, een ‘schone’ versie, met een integratie van alle genomen besluiten, een actualisatie en een nieuwe logische doornummering. Echt nieuw in deze Uitvoeringsverordening Economic Board Utrecht 2016 is de regeling voor kennisevenementen; de andere wijzigingen hebben meer het karakter van een update, integratie en stroomlijning.

De provincie ziet het als haar taak om de regionale economie zo goed als mogelijk te stimuleren. De provincie wil daarbij zorgen voor goede randvoorwaarden en het stimuleren van innovatie. Dit moet leiden tot een hogere economische groei in de provincie en meer werkgelegenheid. De provincie is zich echter bewust dat de provincie deze taak alleen kan uitvoeren in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven, kennisinstellingen en andere overheden. Deze partijen kennen de economie en weten wat er speelt. Het is niet aan de provincie om eenzijdig te bepalen wat goed is voor de economie.

Om de samenwerking vorm te geven werd in 2013 de Economic Board Utrecht opgericht. Deze staat bekend als de EBU. Dit is een samenwerkingsverband tussen vertegenwoordigers uit het Utrechtse bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden, waaronder de provincie Utrecht. Deze partijen zetten zich op persoonlijke titel in om een economische, duurzame ontwikkeling in de regio Utrecht te stimuleren. De werkzaamheden van de EBU staan beschreven op www.economicboardutrecht.nl. De kracht van de EBU is dat deze de creativiteit van de samenleving stimuleert om programma’s en projecten te ontwikkelen die vooraf niet in te schatten zijn. De rol van de EBU is het verbinden en enthousiasmeren van bedrijven, kennisinstellingen en overheden rond innovatieve oplossingen voor grote maatschappelijke vraagstukken.

In de Strategische Agenda 2013–2020 van de EBU wordt het inhoudelijk kader geschetst voor de regeling. Uitgangspunten voor deze agenda zijn cross-sectoraal werken als basis en maatschappelijke behoeften als marktkans. Het cross-sectoraal werken heeft als achterliggende gedachte dat ondernemers juist over de sectorgrenzen heen kijken. Met de maatschappelijke behoefte als marktkans wordt gedoeld op afstemming tussen publieke en private agenda’s. De Strategische Agenda staat gepubliceerd op de website van de EBU.

De provincie heeft besloten middelen beschikbaar te stellen voor projecten en programma’s die passen binnen de Strategische Agenda van de EBU. Om de creativiteit optimaal te benutten kiest de provincie voor een financieringsrol die meer faciliterend van aard is. Dit betekent dat de provincie niet gaat sturen op vooropgestelde oplossingen, maar de creativiteit van de maatschappij wil uitlokken. Dit is een nieuwe rol die de provincie daarbij inneemt. De provincie stelt zich daarbij afhankelijk van het oordeel van de EBU. De EBU adviseert voor een zeer belangrijk deel waar de provinciale middelen het meest effectief ingezet kunnen worden. Op deze manier financiert de provincie juist die projecten die in de economie de grootste impact hebben en waar een ondersteuning van de provincie het grootste verschil uitmaakt.

De provincie wil daarbij wel een zakelijke rol innemen. Dit betekent dat de provincie alleen die projecten financiert die daadwerkelijk van de grond gaan komen en zullen bijdragen aan de realisatie van de Strategische Agenda van de EBU. Van de aanvragers wordt derhalve verwacht om goed onderbouwde businessplannen aan te leveren waaruit de haalbaarheid blijkt. De hoogte van de bijdrage van de provincie zal dan mede afhangen van de bijdrage die noodzakelijk is om het project of programma van de grond te krijgen. De bijdrage kan voor het ene project of programma lager uitvallen, omdat er in het oordeel van de provincie voldoende financiering van andere partijen mogelijk of nodig is. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om haar bijdrage in een andere vorm dan een subsidie beschikbaar te stellen, bijvoorbeeld als een lening of garantstelling. Op deze manier kunnen de provinciale middelen zo effectief mogelijk worden ingezet waarbij de provincie een zakelijke afweging maakt. De provincie kan daarbij ervoor kiezen een vergoeding in de vorm van een rente of premie te vragen.

Deze verordening is de juridische basis voor het verlenen van de provinciale bijdrage aan de economische en duurzame ontwikkeling in Utrecht. De verordening is relatief ruim van opzet waarbij voor elk project afzonderlijk bekeken zal worden of en in welke mate het project of programma bijdraagt aan de Strategische Agenda van de EBU en welke provinciale bijdrage hierbij het meest passend is. In het eerste hoofdstuk staan algemene bepalingen en criteria opgenomen en uiteenlopende vormen van subsidie kunnen op basis van hoofdstuk 1 verstrekt worden. Hoofdstuk 2 bevat zes bijzondere categorieën subsidies, welke zijn weergegeven in paragraven.

Artikelsgewijs

Artikel 1 Begripsbepalingen De EBU staat voor de Economic Board Utrecht dat is mede op initiatief van de provincie opgezet als een samenwerkingsverband van vertegenwoordigers uit het Utrechtse bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden, waaronder de provincie Utrecht. De samenwerking tussen deze partijen (de zogenaamde ‘triple helix’) is cruciaal voor de stimulering van de regionale economie. Via de EBU heeft de provincie vorm gegeven aan de regionale triple helix samenwerking. Alle vertegenwoordigers die in de EBU zitten, zetten zich op persoonlijke titel in om de economische concurrentiepositie van de regio Utrecht te verbeteren. De EBU als netwerk verbindt mensen, organisaties en sectoren op thema’s waarin Utrecht in excelleert en waar kansen liggen voor een economisch duurzame ontwikkeling in de regio Utrecht: gezond leven, groene economie en diensteninnovatie. De EBU heeft een eigen website op www.economicboardutrecht.nl.

De Strategische Agenda van de EBU vormt de inhoudelijke kern van de verordening. In deze agenda staan alle prioriteiten van de EBU. De Strategische Agenda is door Provinciale Staten vastgesteld als kader voor de besteding van de middelen uit de bestemmingsreserve Cofinanciering voor de periode 2013 – 2020. De Strategische Agenda staat op de website van de EBU: www.economicboardutrecht.nl.

De definitie van innovatie is ontleend aan de Europese regels met betrekking tot staatssteun. Het moet gaan om de toepassing van nieuwe, creatieve of sterk verbeterde technieken, diensten, processen of organisatiemethodes. Indien de innovatie reeds een onderdeel is van een al bestaand proces zal de bijdrage niet worden toegekend, de realisering van de betreffende innovatie is dan immers niet van de overheidssteun afhankelijk en het proces is, ook zonder de overheidssteun, al in gang gezet. De gedachte is om de overheidssteun te koppelen aan innovatie die niet eerder in Nederland of alleen op kleine schaal is toegepast. De overheidssteun is dan bedoeld om de innovatie op te schalen zodat de economie in Utrecht wordt gestimuleerd.

Een subsidie is mogelijk voor een programma of een project. Bij een programma gaat het om meerdere projecten die met elkaar samenhangen. Bij een project staat de uitvoering van activiteiten centraal. Een kenmerk van een project is dat het binnen een duidelijke afgebakende periode moet zijn uitgevoerd. Verder moet een project leiden tot concrete resultaten. Uit het voorstel moet blijken welke projecten en programma’s tot uitvoering komen. Er moet ook aannemelijk worden gemaakt dat de planning en uitvoering realistisch zijn. Bij een programma of een project kunnen partijen met elkaar samenwerken. De samenwerking kan blijken uit een samenwerkingsovereenkomst. De definitie van een samenwerkende partij is een organisatie die in samenwerking met de aanvrager van de subsidie een programma of een project uitvoert. Met de term organisatie geeft de provincie aan dat alle rechtsvormen mogelijk zijn. Hieronder vallen bijvoorbeeld alle rechtspersonen, maar ook persoonsvennootschappen zoals een VOF of een CV. Natuurlijke personen kunnen echter niet tot een samenwerking behoren. Dit zijn immers geen organisaties.

Er is een definitie opgenomen van een leninggever. Dit zijn partijen die naast het fonds private financiering in kunnen brengen. Het risico van de leninggever kan door een garantie van de provincie worden verminderd. De garantie is gedefinieerd als een subsidie onder opschortende betalingsvoorwaarden van de provincie waarbij de betaling is verpand aan de leninggever als zekerheid voor de nakoming van een leningovereenkomst tussen de aanvrager en een leninggever.

Deze uitvoeringsverordening beperkt zich op verschillende onderdelen tot MKB-ondernemingen. De definitie van middelgrote en kleine ondernemingen (MKB) is ontleend aan de Europese staatssteunregels. Een onderneming met minder dan 50 personen in dienst en een jaaromzet of balanstotaal van minder dan € 10 miljoen, zoals bepaald in bijlage I van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (EU) nr. 651/2014, Pb EU2014, L187/1. Bij een middelgrote onderneming zijn er minder dan 250 personen werkzaam en is er een jaaromzet van minder dan € 50 miljoen en/of een balanstotaal van minder dan € 43 miljoen.

Artikel 2 Subsidiecriteria In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar artikel 32 van de Algemene Subsidieverordening van de provincie Utrecht (Asv). Op grond van dit artikel kunnen Gedeputeerde Staten deze verordening vaststellen voor zover die gericht is op het stimuleren van kenniseconomie en innovatie of op economische stimulering in het kader van cofinanciering van programma’s van het Rijk en de Europese Commissie. Dit artikel is de basis van subsidie op grond van deze verordening.

In het tweede lid wordt de meer algemene verwijzing naar de Asv uit het eerste lid verder ingekaderd. Een bijdrage is alleen mogelijk voor een programma of project dat in samenwerking of in overleg met de EBU is ontwikkeld. Het doel van de provincie hierbij is om de EBU als het regionaal samenwerkingsverband en netwerkorganisatie optimaal te gebruiken om een economisch duurzame ontwikkeling in 15 Provinciaal blad 2016 nr. 2004 6 april 2016 de regio Utrecht te stimuleren. De provincie heeft immers initiatief genomen tot de oprichting van de EBU om de regionale samenwerking van het bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden vorm te geven met als doel de economische concurrentiepositie van de regio Utrecht te verbeteren. De voorstellen moeten bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van de Strategische Agenda EBU, te vinden op: www.economicboardutrecht.nl. De Strategische Agenda vormt hiermee de inhoudelijke kern van deze verordening. De provincie laat zich door de EBU informeren over de bijdrage van het desbetreffende voorstel aan de Strategische Agenda. Ter aanvulling op de criteria zoals in de vorige leden zijn opgenomen, is in het derde bepaald dat de provincie een programma of project aan additionele voorwaarden zal toetsten. Zo moet het project of programma een positief effect hebben op de economie in de provincie Utrecht. Dit is bijvoorbeeld het geval als het programma of het project leidt tot meer werkgelegenheid, meer investeringen of tot versterking van de (internationale) concurrentiepositie van Utrechtse ondernemingen. De aanvrager moet dit op verzoek van de provincie kunnen onderbouwen waarbij enkel een verklaring niet volstaat. De provincie kan de aanvrager verzoeken hiervoor objectief bewijs te leveren. Daarnaast is opgenomen dat er in het programma of project minstens twee organisaties daadwerkelijk met elkaar moeten samenwerken. De samenwerking kan blijken uit een samenwerkingsovereenkomst waarin de onderlinge prestaties zijn weergegeven. Verder staat er in dit lid dat er minstens één projectpartner moet zijn gevestigd in de provincie Utrecht. Als de provincie niet overtuigd is dat aan de voorwaarden uit dit lid is voldaan dan kan dat een reden voor de provincie zijn de aanvraag af te wijzen.

Artikel 3 Bijzondere categorieën subsidies Daar waar artikel 2 van deze uitvoeringsverordening een algemeen artikel is, op basis waarvan subsidie kan worden verleend, wordt in artikel 3 toegelicht dat er ook bijzondere categorieën zijn, die in hoofdstuk 2 worden gespecificeerd.

Artikel 4 Vorm In het eerste lid is opgenomen dat de subsidie in verschillende vormen kan worden verstrekt waarbij een aantal vormen al is genoemd zoals een subsidie onder een opschortende voorwaarde voor betaling, een lening of een borgstelling. De provincie geeft voorkeur aan ‘revolverende’ financiële instrumenten om het beleidseffect van de inzet van provinciale middelen te maximaliseren. Bij een subsidie onder een opschortende voorwaarde keert de provincie de subsidie uit pas als zich een bepaald risico heeft voorgedaan. Daarmee is dit een vorm van een garantie. Voor de overige instrumenten sluit de provincie aan bij de systematiek van het burgerlijk wetboek en het privaatrecht. Op grond van artikel 17 van de Asv zal de provincie binnen twee weken na de vaststelling tot betaling overgaan. Bij een garantie is sprake van vaststelling nadat het risico zich voor heeft gedaan.

In deze verordening is bewust open gelaten in welke vorm subsidie wordt verstrekt. Dit is op voorhand namelijk niet te bepalen. De provincie zal, mede op basis van de toelichting van de EBU, per project of programma bepalen welke subsidievorm de provincie het meest passend acht. Voor de provincie is daarbij vooral van belang welke subsidievorm het meest effectief is in verhouding tot het beoogde resultaat. De provincie zal bijvoorbeeld kijken naar de hoogte van de onrendabele top en de mogelijkheden van terugverdienen.

Artikel 5 Aanvraag Aanvragen kunnen gedurende het gehele jaar worden ingediend. Voor de bijzondere categorieën (hoofdstuk) gelden wel specifieke aanvraagperiodes. De aanvragen moeten worden ingediend met behulp van een door de Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager alle gegevens die in het aanvraagformulier zijn vermeld. Ook overlegt de aanvrager een samenvatting van de gesubsidieerde activiteit en een verklaring dat hij of zij akkoord gaat met openbare publicatie van deze samenvatting. Doelstelling van deze Uitvoeringsverordening is immers vooral innovatiebevordering door samenwerking tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven en kennisinstellingen. Communicatie is daarbij ook cruciaal, dat is onder meer het weten met elkaar wat er speelt, wie daar aan meedoet en welke (gestimuleerde) activiteiten er gaande zijn. Uiteraard zal de provincie daarbij rekening houden met bedrijfsvertrouwelijke gegevens en de rechten op intellectueel eigendom.

Bij de aanvraag overlegt de aanvrager in ieder geval een toelichting van de EBU over de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gevraagd. De provincie wil dat de EBU op een aantal specifieke punten een toelichting geeft over elke aanvraag. Daarbij licht de EBU toe hoe het project of programma aan de realisatie van de doelstellingen van de Strategische Agenda van de EBU bijdraagt, welke subsidievorm het meest passend is en wat de verhouding is tussen de hoogte van de subsidie tot de totale projectkosten en tot de door het project uitgelokte private investeringen. De reden om de EBU de toelichting te laten geven is dat de EBU vanuit de praktijk het beste kan beoordelen welke programma’s of projecten het meest geschikt zijn om bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelstellingen van de Strategische Agenda van de EBU.

De toelichting van de EBU is ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de EBU op basis van een adviesformulier zoals dat door de Gedeputeerde Staten is vastgesteld en op grond van het reglement dat de EBU in overeenstemming met de provincie heeft vastgesteld.

Artikel 6 Subsidieplafond Het subsidieplafond, dat is het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak maximaal beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies. Gedeputeerde Staten kunnen tevens een deelplafond vaststellen voor een bepaald onderwerp zoals bepaald in artikel 4 tweede lid.

Artikel 7 Hoogte van de subsidie en subsidiabele kosten De hoogte van de bijdrage van de provincie wordt per aanvraag bepaald op basis van het tekort aan financiering voor het project of programma zoals bepaald in artikel 12 Asv. De hoogte van de subsidie zal aan de hand van de toelichting van de EBU worden bepaald, waarbij gekeken wordt naar de meest passende en effectieve inzet van provinciale middelen in verhouding tot het beoogde resultaat en de inbreng van de aanvragers en andere partijen. De hoogte van de subsidie kan ook mede bepaald worden door de beperkingen die de Europese regelgeving stelt aan de overheidssteun aan ondernemingen.

Artikel 8 Weigeringsgronden In de verordening is een aantal weigeringsgronden opgenomen die ter aanvulling op artikel 10 van de Asv gelden. Zo wordt een subsidie geweigerd als blijkt dat de aanvrager of een samenwerkende partij in financiële moeilijkheden verkeert of er een uitstaand bevel is voor terugvordering van de subsidie wegens staatssteun. Dit volgt uit staatssteunregelgeving. Daarnaast kan de subsidie worden geweigerd als het bedrag van de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt. Daarnaast houdt de provincie de mogelijkheid open om een subsidie te weigeren als de provincie voor meer dan 33,3% van de totale projectkosten zou moeten bijdragen. De reden hiervoor kan zijn dat de provincie juist wil dat andere partijen eveneens mee gaan financieren. Voor een subsidie aan een fonds is opgenomen dat de provincie een subsidie kan weigeren als deze meer dan 25% bedraagt van de totale fondsomvang. Op deze manier wil de provincie een hefboom creëren op haar eigen middelen.

Artikel 9 Verplichtingen Dit artikel bepaalt dat subsidie alleen kan worden verleend onder de voorwaarde dat tussen de subsidieontvanger en de provincie een overeenkomst ter uitvoering van de subsidiebeschikking tot stand komt. In deze subsidiebeschikking en/of de overeenkomst worden ook de afspraken gemaakt over betaling van rente of premie. Zo is de subsidieontvanger bij een lening verplicht om te voldoen aan de betalingsvoorwaarden voor terugbetaling zoals die in de beschikking zijn opgenomen. De subsidieontvanger moet verder de rente of premie betalen voor zover dat noodzakelijk is op grond van de staatssteunregels.

Een andere verplichting is dat de aanvrager akkoord moet gaan met de publicatie van een openbare samenvatting van de gesubsidieerde activiteit. Deze verplichting strekt tot verwezenlijking van het doel waarvoor de subsidie wordt verstrekt, namelijk kennisverbreding. Kennisontwikkeling krijgt pas een vliegwieleffect als meerdere bedrijven, kennisinstellingen, overheden en bijvoorbeeld consumenten die kennis ook tot zich kunnen nemen. En uiteraard wordt daarbij rekening gehouden met de randvoorwaarden van intellectueel eigendom en bedrijfsvertrouwelijke gegevens.

Artikel 10 Europese regelgeving Bij de subsidieverlening door de provincie kan sprake zijn van staatssteun. Van staatssteun binnen de regels van het EU Verdrag is sprake als een overheid een selectief voordeel aan een onderneming geeft dat de concurrentie binnen de interne markt van de Europese Unie mogelijk verstoort. Een onderneming in de zin van de staatsteunwetgeving is elke entiteit, ongeacht haar rechtsvorm en wijze van financiering, die een economische activiteit uitvoert. Een winstoogmerk is daarbij niet vereist, concurrentie op de markt volstaat. De subsidies binnen deze verordening zullen veelal aan ondernemingen gegeven worden. Dit betekent dat de provincie per geval moet toetsen in hoeverre de toepassing van de zogenoemde vrijstellingsverordeningen mogelijk zijn. Als voldaan is aan voorwaarden van deze verordeningen is de staatssteun namelijk geoorloofd en dan kan de provincie de staatssteun verlenen zonder voorafgaande goedkeuring van de Europese Commissie.

Dit kan bij voorkeur via de zogeheten Algemene Groepsvrijstellingsverordening ((EU) nr. 651/2014, Pb EU2014, L187/1). Met deze EU verordening wordt een groot aantal categorieën staatssteun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de gemeenschappelijke markt verenigbaar verklaard. De steun is dan geoorloofd en hoeft niet aan de Europese Commissie ter goedkeuring te worden voorgelegd. Wel dient er dan een kennisgeving plaats te vinden, maar dit is een kleine administratieve handeling. Ook kan er uit staatssteun optiek gebruik worden gemaakt van de de-minimisverordening. Steun die in een kleine hoeveelheid wordt gegeven, heeft volgens het EU recht geen invloed op de handel tussen Lidstaten en kan om die reden tot de-minimis steun worden geoormerkt; de-minimis steun is daarmee geen staatssteun volgens het EU Verdrag. Onder de de-minimis spelregels is er steun mogelijk van maximaal € 200.000 gedurende drie achtereenvolgende belastingjaren. Hiervoor moet de zogenoemde de-minimisverklaring worden overgelegd, waarin de subsidieontvanger verklaart dat hij of zij in de afgelopen drie belastingjaren in totaal minder dan € 200.000 aan de-minimis subsidies heeft ontvangen.

Ook de financiering van leningen moet passen in de regels van staatssteun. De financiering aan een MKB-onderneming kan staatssteun bevatten, als er geen marktconforme voorwaarden gesteld worden. Soms is het ook een doel om de rente voor de lening of de premie voor de garantie laag aan te bieden, zodat de financiering een stimulerend effect heeft. De provincie kan daarbij een rentevoordeel geven, het niveau daarvan kan verschillen per gefinancierde MKB-onderneming. De hoogte van de staatssteun wordt bepaald door het verschil tussen de marktconforme rente of premie en de lagere rente of premie die de provincie in rekening brengt. De Europese Commissie heeft een methode van referentie- en disconteringspercentages vastgesteld. Hiermee kan de steuncomponent bij leningen worden berekend. De rente die op basis van deze methode wordt berekend, wordt als indicatie van de marktrente gebruikt. In juli 2008 is deze methode in werking getreden, het renteniveau uit deze methodiek wordt periodiek geactualiseerd.

HOOFDSTUK 2 BIJZONDERE CATEGORIEËN SUBSIDIES Voor de categorieën subsidies die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, gelden ook de voorwaarden en criteria zoals gesteld in hoofdstuk 1, tenzij anders is bepaald.

PARAGRAAF 2.1 MIT HAALBAARHEIDSPROJECT MKB-ONDERNEMING De paragraven 2.1, 2.2 en 2.3 (voor haalbaarheidsprojecten, innovatieadvies en R&D samenwerkingsprojecten) zijn verbonden aan de Regeling MKB Innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT) van het ministerie van Economische Zaken. Het ministerie en de regio’s (waaronder de provincie Utrecht) werken vanuit een gezamenlijke instrumentenkoffer samen om nationale en regionale innovatiestimuleringsinstrumenten zo veel mogelijk te harmoniseren en onderling te verbinden. De instrumentenkoffer kent instrumenten als adviesprojecten, haalbaarheids-projecten, R&D-samenwerkingsprojecten, kennisvouchers, TKI-Innovatiemakelaars en -netwerkactiviteiten. Haalbaarheidsprojecten, innovatieadviesprojecten en R&D-samenwerkings-projecten worden regionaal aangeboden (via deze uitvoeringsverordening). Kennisvouchers en de 2 TKI-instrumenten (Innovatiemakelaars en netwerkactiviteiten) zijn landelijk beschikbaar. Voor 2016 is € 600.000 beschikbaar komt voor haalbaarheids- en innovatieadviesprojecten (volgens het ‘first come, first serve-principe’) en € 1.320.000 voor R&D-samenwerkingsprojecten (middels een tender).

In deze paragraaf wordt de mogelijkheid geboden om een subsidie te verstrekken voor de uitvoering van een haalbaarheidsproject. Voorwaarde is dat het haalbaarheidsproject voor tenminste 60% bestaat uit een haalbaarheidsstudie en voor ten hoogste 40% uit experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek en dat het past binnen de innovatieprogramma’s van het nationale Topsectoren beleid. Er kan alleen subsidie worden verstrekt aan een MKB-onderneming die in de provincie Utrecht is gevestigd.

Inhoudelijk moet het haalbaarheidsproject passen binnen de Topsectoren programma’s die op nationaal niveau zijn opgesteld door bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden. De subsidie wordt verstrekt op basis van artikel 25 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

In het kader van de MIT regeling van het Ministerie van Economische Zaken is de afspraak gemaakt dat subsidies aan de haalbaarheid- en innovatieadvies-projecten volgens het zogeheten ‘first come, first serve-principe’ beschikbaar worden gesteld. Er vindt een rangschikking plaats naar volgorde van binnenkomst. Om op de dag dat de regeling overvraagd wordt de onderlinge volgorde vast te stellen, doordat meer (per post verzonden) aanvragen op een dag binnenkomen, zal wordt geloot. Dit is in deze situatie een aanvaarde verdelingssystematiek. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling rechtsspraak van de Raad van State van 18 juli 2007, nummer 200700210/1 in een vergelijkbare situatie. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat, in een geval dat ‘een nadere bepaling van de volgorde van binnenkomst van de aanvragen praktisch niet mogelijk was’ omdat de aanvragen in groten getale en op diverse wijzen op één dag binnenkwamen, ter uitvoering van de systematiek van de regeling (volgorde van binnenkomst) mocht worden bepaald ‘dat aanvragen die op dezelfde dag binnenkwamen, werden geacht tegelijkertijd te zijn ontvangen en dat tussen deze aanvragen zou worden geloot. Voor het oordeel dat dan wordt gehandeld in strijd met de regeling waarin stond dat de afhandeling plaatsvond op volgorde van binnenkomst, was geen grond. Er is geen sprake van een nieuwe wijze van verdeling, maar van een noodzakelijke nadere uitwerking van de voorgeschreven wijze van verdeling. Van een handelwijze in strijd met artikel 4:26, tweede lid, van de Awb is geen sprake, evenmin van wijziging van de regeling’.

Een subsidie voor een MKB haalbaarheidsproject wordt geweigerd als de voorgenomen activiteiten waarop het haalbaarheidsproject betrekking heeft, in technische of financiële zin onvoldoende risicovol zijn om de haalbaarheidsstudie te rechtvaardigen. Er moet dus sprake zijn van innovatie. Maar ook kan een MKB haalbaarheidsproject geweigerd worden als er onvoldoende inzicht is in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft. Innovatie heeft pas zin als er ook zicht is op enige markt. Tot slot is een weigeringsgrond bij MKB haalbaarheidsprojecten als de aanvrager op grond van deze verordening eerder subsidie heeft gekregen voor een haalbaarheids- of innovatieadviesproject.

De subsidie wordt verstrekt op basis van artikel 25 van de Algemene Vrijstellingsverordening (AGVV). Artikel 25 AGVV is gericht op steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten. Het gesteunde deel van een onderzoeksproject moet volledig binnen de categorie fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek en/of experimentele ontwikkeling vallen, ofwel een haalbaarheidsstudie zijn. In artikel 2 (definities) van de AGVV worden deze categorieën omschreven, deze definities zijn ook overgenomen in deze Uitvoeringsverordening (artikel 1). De subsidiabele kosten voor O&O projecten onder artikel 25 van de AGVV zijn:

  • a)

    personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

  • b)

    kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

  • c)

    kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

  • d)

    kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

  • e)

    bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

Bij het bepalen van de subsidiabele kosten gaat het om de werkelijke kosten voor de deelnemers. De maximale steunintensiteit moet rekenkundig bepaald worden voor elke individuele begunstigde, ook in het geval van een samenwerkingsproject. Dit is bij samenwerkingsprojecten een rekenkundige exercitie, om de steunruimte voor het gehele samenwerkingsproject rechtmatig vast te stellen. De steun wordt doorgaans niet per deelnemer uitbetaald en hoeft ook niet individueel verantwoord te worden. Projectverantwoording vindt doorgaans plaats via één penvoerder namens de samenwerkende partijen. Dit kan ook een zogeheten ‘special purpose vehicle’ zijn, een speciaal opgerichte entiteit (kan een BV zijn) om het onderzoek te coördineren. De rekenkundige methode om de maximale staatssteun te berekenen heeft vooral te maken met de bonussen die aan de orde zijn bij samenwerking en de MKB status van de deelnemers. Aan deze samenwerking zijn ook weer criteria verbonden. De steunplafonds van artikel 25 AGVV kunnen als volgt worden samengevat:

Steunfonds artikel 25 AGVV

 

 

Klein

Medium

Groot

Fundamenteel onderzoek

 

100%

100%

100%

Industrieel onderzoek

 

 70%

 60%

 50%

Industrieel onderzoek met:

– samenwerking ondernemingen (bij grote onderneming geldt grensoverschrijdend of samenwerking met MKB)

– samenwerking onderneming en onderzoeksorganisatie

 80% 

 75%

 65%

Experimentele ontwikkeling

 

 45% 

 35%

 25%

Experimentele ontwikkeling met:

– samenwerking ondernemingen (bij grote onderneming geldt grensoverschrijdend of samenwerking met MKB)

– samenwerking onderneming en onderzoeksorganisatie

 60%

 50%

 40%

Haalbaarheidsstudies

 

 70% 

 60%

 50%

PARAGRAAF 2.2 MIT INNOVATIEADVIESPROJECT MKB-ONDERNEMING De tweede bijzondere categorie is gericht op het MKB en innovatieadvies projecten. Dit zijn een door een kennisinstelling of een onafhankelijke adviesorganisatie verrichte activiteit bestaande uit het, al dan niet op basis van te verrichten nader onderzoek, adviseren over een toepassingsgerichte kennisvraag van een MKB-ondernemer, uitgaande van voor de ondernemer nieuwe kennis met betrekking tot de vernieuwing van producten, productieprocessen of diensten, dan wel het adviseren van een ondernemer over de marktintroductie van een nieuw product of een nieuwe dienst. Deze subsidie wordt verstrekt op basis van artikel 28 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (dat speciaal gericht is op innovatieadvies projecten voor MKB-ondernemingen).

Ook voor de innovatieadvies-projecten geldt dat in het kader van de MIT regeling van het Ministerie van Economische Zaken de afspraak is gemaakt dat subsidies volgens het zogeheten ‘first come, first serve-principe’ beschikbaar worden gesteld. En daarbij geldt ook dat op de dag dat de regeling budgettair wordt overvraagd middels loting wordt bepaald welke volgorde van aanvragen moet worden gehanteerd.

Subsidie voor een MKB innovatieadviesproject wordt geweigerd als advieswerkzaamheden al gestart zijn en er daarna pas een aanvraag wordt ingediend. In dat geval is er geen sprake van een stimulerend effect van de steun, dan waren partijen toch al van plan een innovatieadviesproject te volgen. Ook is het niet de bedoeling als de aanvrager de subsidie wil aanwenden voor een innovatieadviesproject waarvoor reeds door andere overheden subsidie is verstrekt. Ook moet de kennisvraag in het plan goed aansluiten bij het in het beknopte plan beschreven innovatietraject. En ook een weigeringsgrond bij een MKB innovatieadviesproject is als de aanvrager op grond van deze verordening eerder subsidie heeft gekregen voor een haalbaarheids- of innovatieadviesproject.

Subsidie wordt verstrekt op basis van artikel 28 van de AGVV. Rechtmatige staatssteun is mogelijk onder artikel 28 AGVV voor MKB bedrijven voor onder meer innovatieadviesdiensten. Innovatieadviesdiensten betreffen consulting, bijstand en opleiding op het gebied van kennisoverdracht, verwerving, bescherming en exploitatie van immateriële activa en het gebruik van standaarden en regels waarin deze zijn vastgelegd. Maximaal 100% van dat soort kosten mag worden vergoed, mits het totale bedrag van de steun voor de genoemde innovatiediensten niet meer dan € 200.000 bedraagt per onderneming over een periode van 3 jaar. Deze optie biedt ruimte om kennis, bedrijfsspecifieke opleidingen, technologische ondersteuning, maar ook managementondersteuning bij externe partijen in te kopen. Ten opzichte van de technostarters en het MKB zijn ook de adviseurs van innovatie intermediairs externe adviseurs en leveren zij bijvoorbeeld IP gerelateerde en consultancy diensten. Artikel 28 AGVV (maximaal € 200.000 in 3 jaar) lijkt rekenkundig op het zogeheten de-minimis plafond, maar is niet identiek. Bij deminimis is de ratio dat de steun zo klein is dat deze geen invloed op de handel kan hebben. Als de overheid dan maar per bedrijf onder het de-minimis plafond blijft, dan is er dus geen sprake van staatssteun. De overheid dient dan wel alle voorwaarden uit EU-verordening nr. 1407/2013 (de de-minimis verordening) te volgen. Artikel 28 AGVV hanteert dezelfde plafonds als de de-minimis verordening, maar dit plafond geldt uitsluitend per MKB bedrijf.

PARAGRAAF 2.3 MIT RESEARCH & DEVELOPMENT SAMENWERKINGSPROJECT Een MKB-ondernemer kan namens een samenwerkingsverband een aanvraag indienen voor een R&Dsamenwerkingsproject. Een R&D-samenwerkingsproject is gericht op de ontwikkeling of vernieuwing van producten, productieprocessen of diensten. Het project bestaat uit industrieel onderzoek en/of experimentele ontwikkeling en wordt voor gezamenlijke rekening en risico uitgevoerd door een samenwerkingsverband van minimaal 2 MKB-ondernemers.

De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten. De subsidie is minimaal € 50.000 en maximaal € 200.000 per innovatieproject, waarvan maximaal € 100.000 per deelnemer. De deelnemers aan het MIT-R&D-samenwerkingsverband vormen een evenwichtig samenwerkingsverband met betrekking tot de verdeling van de kosten en verdeling van de inbreng van de deelnemers. Dit betekent dat één deelnemer niet meer dan 70% van de kosten voor zijn rekening mag nemen. Alleen de kosten, gemaakt door de MKB-ondernemers zijn subsidiabel. De looptijd van een MIT-R&D samenwerkingsproject bedraagt maximaal 2 jaar.

Bij een R&D samenwerkingsproject moet er daadwerkelijk sprake zijn van samenwerking, geen van de individuele deelnemers aan een R&D-samenwerkingsverband kunnen dus meer dan 70% van de voor subsidie in aanmerking komende kosten van het R&D-samenwerkingsproject voor zijn rekening nemen (dan is er geen samenwerking meer). Het R&D samenwerkingsproject moet voldoende innovatief zijn en in potentie economische waarde bieden. Ook moet de kwaliteit van het R&D-samenwerkingsverband en het projectplan toereikend zijn. Tot slot is ook een weigeringsgrond bij een R&D samenwerkingsproject is als de aanvrager op grond van deze paragraaf eerder subsidie heeft gekregen.

De subsidie wordt verstrekt op basis van artikel 25 van de Algemene Vrijstellingsverordening (AGVV). Artikel 25 AGVV is gericht op steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten. Het gesteunde deel van een onderzoeksproject moet volledig binnen de categorie fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek en/of experimentele ontwikkeling vallen, ofwel een haalbaarheidsstudie zijn. In artikel 2 (definities) van de AGVV worden deze categorieën omschreven, deze definities zijn ook overgenomen in deze Uitvoeringsverordening (artikel 1). De subsidiabele kosten voor O&O projecten onder artikel 25 van de AGVV zijn:

  • a) personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

  • b) kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

  • c) kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

  • d) kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

  • e) bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

Bij het bepalen van de subsidiabele kosten gaat het om de werkelijke kosten voor de deelnemers. De maximale steunintensiteit moet rekenkundig bepaald worden voor elke individuele begunstigde, ook in het geval van een samenwerkingsproject. Dit is bij samenwerkingsprojecten een rekenkundige exercitie, om de steunruimte voor het gehele samenwerkingsproject rechtmatig vast te stellen. De steun wordt doorgaans niet per deelnemer uitbetaald en hoeft ook niet individueel verantwoord te worden. Projectverantwoording vindt doorgaans plaats via één penvoerder namens de samenwerkende partijen. Dit kan ook een zogeheten ‘special purpose vehicle’ zijn, een speciaal opgerichte entiteit (kan een BV zijn) om het onderzoek te coördineren. De rekenkundige methode om de maximale staatssteun te berekenen heeft vooral te maken met de bonussen die aan de orde zijn bij samenwerking en de MKB status van de deelnemers. Aan deze samenwerking zijn ook weer criteria verbonden. De steunplafonds van artikel 25 AGVV kunnen als volgt worden samengevat:

 

 

Klein

Medium

Groot

Fundamenteel onderzoek

 

100%

100%

100%

Industrieel onderzoek

 

 70%

 60%

 50%

Industrieel onderzoek met:

– samenwerking ondernemingen (bij grote onderneming geldt grensoverschrijdend of samenwerking met MKB)

– samenwerking onderneming en onderzoeksorganisatie

 80% 

 75%

 65%

Experimentele ontwikkeling

 

 45% 

 35%

 25%

Experimentele ontwikkeling met:

– samenwerking ondernemingen (bij grote onderneming geldt grensoverschrijdend of samenwerking met MKB)

– samenwerking onderneming en onderzoeksorganisatie

 60%

 50%

 40%

Haalbaarheidsstudies

 

 70% 

 60%

 50%

PARAGRAAF 2.4 GROEN, GEZOND, SLIM FONDS In de EBU Uitvoeringsverordening uit 2013 was reeds de regeling Groen, Gezond, Slim Fonds opgenomen onder de naam Financiering MKB-onderneming. Via deze regeling kunnen MKB-ondernemers een lening krijgen als zij hun overige financiering (gedeeltelijk) via crowdfunding organiseren. Deze geactualiseerde regeling verduidelijkt dat de hoogte van de provinciale lening maximaal 25% van de benodigde financiering kan bedragen. Tevens is opgenomen om naast projecten die financiering ontvangen via crowdfunding ook projecten die financiering ontvangen vanuit kredietunies de mogelijkheid te bieden ondersteuning te krijgen via een lening, mits tenminste 25% van de totale financiering wordt verzorgd door crowdfunding of een kredietunie.

Een weigeringsgrond bij subsidie uit het Groen, Gezond, Slim Fonds is als de financiering van de private financiers bedoeld is voor een overname. En voor het deel dat verzorgd wordt door crowdfunding of een kredietunie moet er wel sprake zijn van revolverende afspraken. Dat soort afspraken zijn in de reguliere financiële wereld doorgaans alleen gericht op geld, in de wereld van crowdfunding zijn er ook revolverende modellen van levering van goederen of diensten beschikbaar.

De MKB financiering vanuit het Groen Gezond Slim Fonds kan een voordeel bevatten ten opzichte van de marktconforme rentetarieven die de provincie op basis van de methode van referentie- en disconteringspercentages van de Europese Commissie zou moeten hanteren. Het is dus niet uitgesloten dat MKB financiering staatssteun kan bevatten, soms is dat ook noodzakelijk om een investering mogelijk te maken. De eventuele staatssteun kan berekend worden door de netto contante waarde te berekenen (het zogeheten bruto steunequivalent) van het verschil tussen de afgesproken rente en het marktconforme rentetarief dat op basis van de methode van referentie- en disconteringspercentages van de Europese Commissie zou moeten worden gehanteerd over de looptijd van de lening. En via artikel 28 van de AGVV mogen MKB-ondernemers staatssteun ontvangen voor diensten voor innovatieondersteuning. Financiering is ook een belangrijke dienstverlening, zo lang de lening ook gericht is op innovatieve activiteiten. En juist hiervoor is het Groen Gezond Slim fonds voor bedoeld. Ook via artikel 28 AGVV geldt een (nominaal) steunplafond van € 200.000 in 3 fiscale jaren (net als het de-minimis plafond). Maar een belangrijk verschil met de-minimis is dat staatssteun via artikel 28 AGVV per MKB-onderneming gegeven kan worden, terwijl bij de-minimis veel nadrukkelijker naar moeder/dochter bedrijven gekeken 21 Provinciaal blad 2016 nr. 2004 6 april 2016 moet worden en exclusieve prijsafspraken met leveranciers. Steun onder artikel 28 AGVV kan ook via een rentecomponent gegeven worden, conform de transparantievoorwaarden onder artikel 5 AGVV.

PARAGRAAF 2.5 NUL OP DE METER MARKTINTRUDUCTIEFONDS Het Nul op de Meter MarktintroductieFonds (NOMMIF) is bedoeld om de toepassing van de Nul op de Meter-aanpak te stimuleren in het kader van de doelstelling om in 2020 50.000 energieneutrale woningen (de zogenaamde Nul op de Meter-woningen) in de regio Utrecht te hebben gerealiseerd. Uit gesprekken met marktpartijen is gebleken dat er een extra financiële stimulans nodig is om de bouwbedrijven en consumenten over te halen om de Nul-op-de-Meter-woningen te realiseren. Daarom is voor de eerste 30 woningen het plafond verhoogd naar maximaal € 10.000 per woning (€ 7.500 van de provincie plus € 2.500 van de gemeente indien de realisering plaatsvindt in een deelnemende gemeente). Na die 30 woningen moet er voldoende ervaring zijn opgedaan om binnen het beschikbare budget met een maximum van € 5.000 per woning (€ 2.500 van de provincie plus € 2.500 van de gemeente indien de realisering plaatsvindt in een deelnemende gemeente en het betreffende deelplafond daar nog in voorziet) meer Nul-op-de-meter-woningen te realiseren. De subsidie wordt verleend per drie woningen. Het budget voorziet daarmee in ongeveer 90 NoM-woningen in totaal.

Subsidie voor een NoM-renovatie wordt geweigerd als blijkt dat niet overtuigend kan worden aangetoond dat de NoM-renovatie van de woningen gerealiseerd kan worden. Andere afwijzingsgronden zijn als de aanvrager of de betrokken ondernemingen binnen het consortium eerder op grond van andere artikelen van deze verordening subsidie heeft gekregen voor de NoM-renovatie van woningen in de gemeente Amersfoort, de aanvraag betrekking heeft op de NoM-renovatie van meer dan 15 woningen of als de aanvrager of de betrokken ondernemingen in het consortium eerder subsidie op grond van deze paragraaf hebben gekregen.

De subsidie wordt verstrekt onder de regels en procedures voor de-minimus steun. Daarmee bevat deze maatregel geen staatsteun.

PARAGRAAF 2.6 KENNISEVENEMENTEN De Provincie Utrecht wenst wetenschappelijke instellingen via een subsidie te prikkelen voor de provincie Utrecht te kiezen als locatie voor de organisatie van hun kennisevenement. Het thema van de te organiseren evenementen moet binnen de strategische agenda van de EBU vallen. De kennisevenementen moeten als doel hebben kennis over te dragen met een wetenschappelijk karakter of een toegepast wetenschappelijk karakter. Voor de provincie Utrecht moet het om een nieuw kennisevenement gaan, nieuw in de zin dat het voor het eerst plaatsvindt in de provincie Utrecht. Dit kan dus ook een periodiek congres zijn dat tot dan toe buiten de provincie Utrecht plaatsvond.

De maximale bijdrage voor internationale kennisevenementen bedraagt € 7,50 per persoon per dag (p.p.p.d.). Aanvragers komen in aanmerking voor een extra bijdrage van € 2,50 p.p.p.d. als naast provincie Utrecht als locatie er ook een verbinding aangegaan wordt met het Utrechtse ecosysteem. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de organisatie van een side event met Utrechtse partijen. Het nominale maximum per internationaal kennisevenement bedraagt € 10.000,–. Voor nationale kennisevenementen geldt een maximale bijdrage van € 5,– p.p.p.d. met een maximum van € 5.000,–. Conform de algemene subsidie verordening van de provincie (Artikel 17) wordt het subsidiebedrag binnen twee weken na de subsidievaststelling betaald. De subsidieaanvraag dienst plaats te vinden voorafgaand aan het betreffende evenement, want het indienen van een subsidieaanvraag na afloop van een evenement heeft geen stimulerend effect en is dus niet gewenst. Bij de verantwoording van de subsidie en definitieve vaststelling van de subsidie is een duidelijk en aantoonbaar bewijs van het aantal deelnemers een vereiste. In geval van annulering van het congres, wordt de volledige bijdrage ten allen tijde teruggestort.

In totaal wordt € 350.000 beschikbaar gesteld, waarbij evaluatie van deze subsidieregeling wordt gestart nadat het plafond van € 250.000 is bereikt. Op deze manier wordt tijdig het gesprek gestart over eventuele voortzetting van het fonds en het beschikbaar stellen van extra middelen daarvoor met de alliantie. Deze alliantie bestaande uit gemeente Utrecht, gemeente Amersfoort, Stichting Host, Marienhof, TeKa Groep, de Flint, de jaarbeurs, UMCU en UU investeren gezamenlijk in acquisitieactiviteiten. Hiervoor zijn zij een totaalpakket overeengekomen met een budget van € 1.070.000,– euro. Deze afspraken zijn in projectplannen vastgelegd. De provincie kan bovengenoemde partijen verzoeken om voortgang van de toegezegde inspanning te laten zien t.b.v. verantwoording.

Subsidie voor een kennisevenement wordt geweigerd als de aanvrager niet, of onvoldoende, kan aantonen dat het kennisevenement een wetenschappelijk karakter of een toegepast wetenschappelijk karakter heeft. Ook wordt een subsidie geweigerd als de aanvraag wordt ingediend als het evenement reeds heeft plaatsgevonden.

De provincie heeft de voorgenomen subsidies aan kennisevenementen ook aan de Europese staatssteun regels getoetst. Zodra een provincie subsidies verstrekt voor kennisevenementen en andere regio’s doen dat niet, dan is de subsidiemaatregel specifiek, met overheidsmiddelen gefinancierd in een markt van congresaanbieders die ook nog eens internationaal opereert. Dat brengt een zekere staatssteungevoeligheid met zich mee. Echter, de meeste activiteiten van universiteiten en onderzoeksorganisaties vallen buiten het toepassingsbereik van de staatssteunregels, met name als ze gerelateerd zijn aan de kerntaken van diezelfde organisaties. Volgens het staatssteunrecht (1) zijn deze:

  • a)

    opleiding met het oog op meer en beter gekwalificeerde menselijke hulpbronnen;

  • b)

    het verrichten van onafhankelijk onderzoek en ontwikkeling met het oog op meer kennis en een beter inzicht, daaronder begrepen samenwerking bij onderzoek en ontwikkeling, en

  • c)

    de verspreiding van onderzoeksresultaten.

Juist onder dat laatste luik valt de voorgenomen steun aan de congressen, vooral omdat het uitsluitend kennisevenementen betreft met een wetenschappelijk open karakter of een toegepast wetenschappelijk open karakter. Doel is dus een ‘staatssteunvrije’ stimuleringsmaatregel op te zetten voor de kennisevenementen, in dat kader zijn er dan ook geen aanmelding- of kennisgeving procedures of andere staatssteun verplichtingen.

(1) Zoals geformuleerd in de Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, paragraaf 2.1.1. inzake de overheidsfinanciering voor organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding en onderzoeksinfrastructuur voor niet-economische activiteiten (PB EU C 189 d.d. 27.06.2014).