Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Zuid-Holland

Besluit van Gedeputeerde Staten van 18 april, PZH-2017-854213349 (DOS-2013-0010135) tot vaststelling van het Openstellingsbesluit POP-3 niet-productieve investeringen water Zuid-Holland 2017 (Openstellingsbesluit POP-3 niet-productieve investeringen water Zuid-Holland 2017)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieZuid-Holland
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingBesluit van Gedeputeerde Staten van 18 april, PZH-2017-854213349 (DOS-2013-0010135) tot vaststelling van het Openstellingsbesluit POP-3 niet-productieve investeringen water Zuid-Holland 2017 (Openstellingsbesluit POP-3 niet-productieve investeringen water Zuid-Holland 2017)
CiteertitelOpenstellingsbesluit POP-3 niet-productieve investeringen water Zuid-Holland 2017
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Dit besluit vervalt op 31 december 2024

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland, art. 1.3

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

25-04-2017nieuwe regeling

18-04-2017

Prov. Blad 2017, 1834

PZH-2017-854213349 DOS 2013-0010135

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van gedeputeerde staten van 18 april, PZH-2017-854213349 (DOS 2013-0010135) tot vaststelling van het Openstellingsbesluit POP-3 niet-productieve investeringen water Zuid-Holland 2017 (Openstellingsbesluit POP-3 niet-productieve investeringen water Zuid-Holland 2017) (Prov. Blad 2017, 1834)

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

 

Gelet op artikel 1.3 van de Uitvoeringsregeling POP- 3 Zuid-Holland,

 

Gelet op het door Provinciale Staten op 9 november 2016 voor de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland vastgestelde subsidieplafond van € 23.114.599,- voor het jaar 2017;

 

Overwegende dat het wenselijk is om niet-productieve investeringen in of nabij watersystemen te subsidiëren die een bijdrage leveren aan doelstellingen zoals beschreven in de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn, herstel natuurlijk toestand watersystemen, het duurzaam optimaliseren van de waterhuishouding en om maatregelen gericht op voorkomen of beperken van watertekorten, wateroverlast, verzilting en bodemdaling waaronder het vergroten van het watervasthoudend vermogen van landbouwgrond;

 

Besluiten vast te stellen het volgende besluit:

 

Openstellingsbesluit POP-3 niet-productieve investeringen water Zuid-Holland 2017

Artikel 1 Aanvraagperiode

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie, als bedoeld in paragraaf 2.6 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland kan worden ingediend in de periode van 29 mei 2017 tot en met 5 juli 2017.

  • 2.

    Een aanvraag is tijdig ingediend indien deze binnen de in het eerste lid genoemde is ontvangen.

Artikel 2 Deelplafond

  • 1.

    Het deelplafond voor dit openstellingsbesluit bedraagt € 5.948.000 ,-

  • 2.

    Het deelplafond, bedoeld in het eerste lid, bestaat geheel uit ELFPO middelen.

Artikel 3 Subsidiabele activiteit

In afwijking van artikel 2.6.1 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland kan subsidie worden verstrekt voor niet-productieve investeringen in het landelijk gebied die betrekking hebben op de herinrichting, inrichting, of transformatie en het beheer van watersystemen voor landbouw-, water- of klimaatdoelen.

Artikel 4 Weigeringsgrond

In aanvulling op artikel 1.7 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland wordt een subsidie geweigerd indien de activiteit wordt uitgevoerd om te kunnen voldoen aan een wettelijke verplichting;

Artikel 5 Subsidiabele kosten

  • 1.

    In aanvulling op artikel 2.6.3 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland komen voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      personeelskosten;

    • b.

      niet verrekenbare of compensabele BTW;

    • c.

      voorbereidingskosten;

    • d.

      bijdragen in natura voor zover het betreft onbetaalde eigen arbeid, onbetaalde arbeid van vrijwilligers, gronden of onroerende goederen;

  • 2.

    In afwijking van artikel 2.6.3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland komen de kosten van tweedehands goederen niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 6 Subsidiehoogte

  • 1.

    De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 110.000,- wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 7 Selectiecriteria

  • 1.

    Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden gerangschikt op basis van de volgende criteria:

    • a.

      kosteneffectiviteit;

    • b.

      haalbaarheid;

    • c.

      mate van effectiviteit van de activiteit;

    • d.

      urgentie.

  • 2.

    Voor ieder van de in het eerste lid bedoelde criteria kunnen 1 tot en met 4 punten worden behaald.

  • 3.

    De criteria hebben de volgende wegingsfactoren:

    • a.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder a, heeft een wegingsfactor 3;

    • b.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een wegingsfactor 2;

    • c.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder c, heeft een wegingsfactor 3;

    • d.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder d, heeft een wegingsfactor 1.

  • 4.

    Indien een aanvraag minder dan 25 punten behaalt, wordt de aanvraag niet gehonoreerd.

  • 5.

    Aanvragen worden op volgorde van de rangschikking gehonoreerd.

  • 6.

    Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben verkregen en hun plaats in de rangschikking zodanig is dat de som van de toe te kennen maximale subsidiebedragen het subsidieplafond overstijgt, wordt met inachtneming van het subsidieplafond subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

  • 7.

    Indien de aanvragen als bedoeld in het zesde lid een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  • 8.

    Indien de aanvragen als bedoeld in het zevende lid een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, wordt de subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 9.

    Indien de aanvragen als bedoeld in het achtste lid een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en b, wordt de subsidie verleend voor de aanvraag om subsidie met het hoogste aantal punten behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.

  • 10.

    Indien de aanvragen als bedoeld in het negende lid een gelijk aantal punten hebben behaald op het criterium bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c, b en d, , wordt door middel van loting bepaald welke aanvraag als eerste wordt gehonoreerd.

Artikel 8 bevoorschotting

In afwijking van artikel 1.19, derde lid, van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland heeft een aanvraag om een voorschot betrekking op minimaal € 50.000,-.

Artikel 9 inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin dit besluit is geplaatst.

Artikel 10 werkingsduur

Dit besluit vervalt op 31 december 2024.

Artikel 11 citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit POP-3 niet-productieve investeringen water Zuid-Holland 2017.

 

 

Den Haag 18 april 2017

Drs. J.H. de Baas, Secretaris.

Drs. J. Smit, voorzitter

Toelichting

Algemeen

In het Plattelandsontwikkelingsprogramma voor Nederland 2014-2020 (hierna: POP programma) is voor Water- en bodembeheer de volgende SWOT analyse gemaakt:

Sterk:

De belasting van het grond- en oppervlaktewater met gewasbeschermingsmiddelen, stikstof en fosfaat is afgenomen dankzij inspanningen van de landbouwsector.

Kansen:

Emissies van nutriënten en gewasbeschermings-middelen kunnen worden gereduceerd door precisielandbouw, aangepaste gangbare landbouw of biologische landbouw.

Zwak:

-Overschrijding van normen voor grond- en oppervlaktewater;

-Ecologische doelen KRW nauwelijks gehaald;

-Mineralen overschot nog (te) hoog;

-Forse bodembelasting met fosfor;

-Bodemkwaliteit staat onder druk

Bedreigingen:

Veel wateren zijn nog eutroof (rijk aan nutriënten zoals fosfaat, nitraat en andere voedingsstoffen), ondanks de inspanningen en verbeteringen die in de afgelopen decennia zijn gerealiseerd.

De gehele SWOT-analyse uit het POP programma laat zien dat voor de landbouw in Nederland een verdere verduurzaming met behoud van de concurrentiekracht de grootste uitdaging is. De maatschappij stelt eisen aan het milieu, klimaat, dierenwelzijn, diergezondheid, landschap, omgevingskwaliteit (inclusief waterkwaliteit) en biodiversiteit.

 

De landbouw heeft invloed op de toestand van het water, zowel chemisch, ecologisch alsfysisch. De Nitraatrichtlijn vraagt om het voorkomen en verminderen van waterverontreiniging doornutriënten uit agrarische bronnen. De Kaderrichtlijn Water beoogt om uiterlijk in 2027 een goede

ecologische toestand van grond- en oppervlaktewater te bereiken.

 

De belasting van het oppervlaktewater met nutriënten en gewas-beschermingsmiddelen neemt volgens deSWOT-analyse slechts in geringe mate af waardoor de ecologische doelen van het waterbeleid slechts

beperkt gehaald worden. Dit wordt ook veroorzaakt door de sterk op snelle afvoer gerichte watergangenin agrarisch gebied. De opgave is daarom het ecologisch functioneren van het watersysteem in hetagrarisch gebied te verbeteren door het herstel van de natuurlijke hydrologie en morfologie en door deemissies van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen te verminderen. Daarnaast is het van belangefficiënt om te gaan met onze hulpbronnen.

 

Op grond van dit openstellingsbesluit kunnen subsidies worden verstrekt voor niet-productieve investeringen in of nabij watersystemen. De investeringen moeten een bijdrage leveren aan de doelstellingen zoals beschreven in de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn, herstel natuurlijk toestand watersystemen, het duurzaam optimaliseren van de waterhuishouding en om maatregelen gericht op voorkomen of beperken van watertekorten, wateroverlast, verzilting en bodemdaling waaronder het vergroten van het watervasthoudend vermogen van landbouwgrond De investeringen moeten tevens een directe relatie hebben met de landbouw. De enkele omstandigheid dat een waterlichaam onder invloed staat van de landbouw (bijvoorbeeld dat de waterkwaliteit wordt aangetast door bestrijdingsmiddelen afkomstig van de landbouw) is onvoldoende voor een directe link met de landbouw.

 

Voorbeelden van niet-productieve investeringen zijn: de aanleg en inrichting van natuurvriendelijke oevers die bijdragen aan doelen KRW en tevens een buffer vormen voor emissies naar oppervlaktewater, herstel watersystemen naar hun natuurlijke toestand, herstellen migratiemogelijkheden, vernatting gronden, aanleg van bufferzones langs watergangen, maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en watersystemen vergroten (bijvoorbeeld: peil-gestuurde drainage/onderwater drainage) aanleg van helofytenfilters en waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem.

Het openstellingsbesluit vormt samen met de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland het kader waaraan aanvragen om subsidie moeten voldoen.

Artikel 4

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor bovenwettelijke activiteiten. In het Programmadocument POP3 is in het maatregelfiche ‘niet-productieve investeringen water’ opgenomen dat geen investeringen worden ondersteund om aan eisen te voldoen die direct voortvloeien uit de EU-richtlijnen. Omdat deze zin voor meer dan één uitleg vatbaar was, is in de notificatie POP3 deze passage scherper geformuleerd, namelijk: "Voor deze submaatregel is de investering er op gericht verder te gaan dan de eisen die direct en rechtstreeks voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water of Nitraatrichtlijn, zoals beschreven in de basismaatregelen KRW (artikel 11, lid 3, onder a t/m l, KRW) en omschreven in de ‘Samenvatting maatregelprogramma’ van de stroomgebiedbeheerplannen."

 

De samenvatting maatregelenprogramma (voor Zuid-Holland is dit het maatregelenprogramma Rijn 2016-2021, onderdeel van het stroomgebiedbeheerplan Rijn) kent de volgende hoofdstukken:

  • -

    Hoofdstuk 1. Communautaire waterbeschermingswetgeving. Dit betreft het implementeren van de Europese richtlijnen in de nationale wetgeving.

  • -

    Hoofdstuk 2. Overige basismaatregelen. Dit betreft onder andere maatregelen die op basis van generiek beleid worden genomen, gericht op een duurzaam en efficiënt watergebruik, puntbronnen, diffuse bronnen, waterbeweging en hydromorfologie, directe lozing van stoffen in grondwater, prioritaire stoffen en ter voorkoming van calamiteiten.

  • -

    Hoofdstuk 3. Aanvullende maatregelen, met onderscheid naar: - Gebiedsgerichte maatregelen, die te herleiden zijn naar een specifieke locatie, op grond van artikel 11, lid 4 van de KRW. - Extra maatregelen, waarmee wordt gedoeld op Maatregelen op grond van artikel 11, lid 5 van de KRW. Denk daarbij aan de initiatieven in het kader van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer.

  • -

    Hoofdstuk 4. Maatregelen voor specifieke knelpunten. Hieronder worden onder andere verstaan de aanpak van nutriënten (in aanvulling op de wettelijke aanpak van o.a. het 5e Actieprogramma Nitraatrichtlijn heeft LTO Nederland het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer opgesteld) en aanpak van knelpunten in de inrichting van watersysteem (denk aan vispassages en verdrogingsbestrijding).

 

Van deze maatregelen komen alleen de maatregelen als bedoeld in hoofdstuk 3 en 4 voor POP3 subsidie in aanmerking. Hoofdstuk 1 en 2 zijn maatregelen die direct voortvloeien uit de EU-richtlijnen en zijn ‘wettelijk verplicht’. Ook activiteiten die op grond van een bijvoorbeeld de keur van het waterschap verplicht zijn, zoals mitigerende maatregelen, komen niet voor subsidie in aanmerking.

In de toetsing van aanvragen in het kader van de Uitvoeringsregeling POP3 zal hiermee rekening worden gehouden.

Artikel 7

De selectie van aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen zal plaatsvinden via een zogenaamde ‘tender-methode’: alle tijdig ingediende aanvragen worden, indien ze voldoen aan de voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen, gescoord op basis van vier criteria. Indien de score tenminste gelijk is dan het minimum aantal punten (25 punten) komen de projecten voor subsidie in aanmerking. Is het beschikbare subsidieplafond ontoereikend dan gaan projecten met hogere scores voor.

In het geval er meerdere aanvragen op dezelfde plaats gerangschikt worden en vanwege het bereiken subsidieplafond niet al die aanvragen kunnen worden gehonoreerd wordt prioriteit gegeven aan de aanvraag met de hoogste score op het criterium ‘mate van effectiviteit’. Indien de aanvragen even hoog scoren op het criterium ‘mate van effectiviteit’, dan wordt prioriteit gegeven aan de aanvraag met de hoogste score op het criterium ‘kosteneffectiviteit’. Scoren de aanvragen ook op dit criterium even hoog, dan wordt prioriteit gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium ‘haalbaarheid’. Scoren de aanvragen ook op dit criterium even hoog, dan wordt prioriteit gegeven aan de aanvraag die het hoogst scoort op het criterium ‘urgentie’. Scoren de aanvragen ook op dit punt even hoog, dan beslist het lot welke aanvraag wordt gehonoreerd.

Criterium a: de kosteneffectiviteit van de activiteit

Met dit criterium wordt gekeken naar de kosten van de investering in relatie met de effectiviteit van de investering (value for money). De kosten van een investering kunnen zeer hoog zijn, maar tegelijk kan de investering ook heel effectief zijn (door de investering wordt een grote bijdrage geleverd aan de verbetering van de waterkwaliteit/ wateropgave).

Zijn de kosten van de investering relatief hoog ten opzichte van het effect (het gaat om een relatief kostbare investering met bijvoorbeeld een beperkt effect op de waterkwaliteit), dan al de kosteneffectiviteit matig zijn.

1 punt wordt toegekend indien de totale subsidiabele kosten zeer hoog zijn ten opzichte van het effect van de investering.

2 punten worden toegekend indien de totale subsidiabele kosten hoog zijn ten opzichte van het effect van de investering.

3 punten worden toegekend indien de totale subsidiabele kosten redelijk zijn ten opzichte van het effect van de investering.

4 punten worden toegekend indien de totale subsidiabele kosten zeer redelijk zijn ten opzichte van het effect de investering.

Er is niet gekozen om dit criterium te beoordelen op basis van normkosten. Onder dit openstellingsbesluit kunnen vele investeringen gesubsidieerd worden. Het is dan ook niet mogelijk om voor deze openstelling een uitputtende lijst van investeringen met normkosten daaraan gekoppeld vast te stellen.

Criterium b: haalbaarheid

Met dit criterium wordt naar de haalbaarheid van de investering gekeken. Voor de haalbaarheid worden de volgende aspecten in samenhang bezien:

  • -

    de eisen die gesteld worden aan de projectleider (ervaring en opleiding);

  • -

    kent het project een realistische planning, opzet en begroting ( is er draagvlak, zijn eventuele benodigde gronden al verworven, zijn benodigde vergunningen al verleend?) ;

  • -

    de kwaliteit van het projectplan. Een kwalitatief goed projectplan is een plan dat realistisch is, waarin risico’s zijn geïdentificeerd en beheersbaar zijn gemaakt en zijn gereduceerd;

  • -

    zijn de relevante partijen bij de investering betrokken.

 

Op basis van bovenstaande punten wordt de haalbaarheid van de activiteit als matig, voldoende, goed of zeer goed gekwalificeerd.

1 punt wordt toegekend indien de kwalificatie matig is.

2 punten worden toegekend indien de kwalificatie voldoende is.

3 punten worden toegekend indien de kwalificatie goed is.

4 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer goed is.

Criterium c: mate van effectiviteit van de activiteit

Met dit criterium wordt gekeken naar de effectiviteit van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd.

Een activiteit is minder effectief (matig) als er met de investering slechts een kleine bijdrage aan bijvoorbeeld de verbetering van de waterkwaliteit van een overig water, wordt geleverd. Een activiteit is zeer effectief als de bijvoorbeeld door de activiteit de waterkwaliteit in een KRW waterlichaam sterk wordt verbetert en tegelijk het waterbergend vermogen van het waterlichaam sterk toeneemt.

1 punt wordt toegekend indien de kwalificatie matig is.

2 punten worden toegekend indien de kwalificatie voldoende is.

3 punten worden toegekend indien de kwalificatie goed is.

4 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer goed is.

Criterium d: de mate van urgentie om de doelen bedoeld onder a te realiseren.

Met dit criterium wordt voorrang geven aan activiteiten die urgentie hebben. Een activiteit kan urgentie hebben omdat bijvoorbeeld de kwaliteit van het water zeer onvoldoende is, of dat het waterbergend vermogen onvoldoende is (bij regenval blijven de landbouw gronden te lang te nat). Een maatregel is in dat op zeer korte termijn nodig. In dat geval worden 4 punten behaald. Is de kwaliteit van het water zodanig dat er niet gelijk op korte termijn maatregelen nodig zijn dan worden 2 punten behaald. Zijn er op de middellange termijn maatregelen nodig, dan wordt er 1 punt behaald. Is de kwaliteit van het water zodanig goed dat er ook niet op de lange termijn maatregelen nodig zijn, dan worden er 0 punten behaald.

1 punt wordt toegekend indien de kwalificatie matig is.

2 punten worden toegekend indien de kwalificatie voldoende is.

3 punten worden toegekend indien de kwalificatie goed is.

4 punten worden toegekend indien de kwalificatie zeer goed is.

Wegingsfactoren

Aan de criteria ‘kosteneffectiviteit’ en ‘mate van effectiviteit’ wordt de hoogste wegingsfactor toegekend. De effectiefste activiteiten dragen het meeste bij aan de beleidsdoelen. Ook is van belang dat die bijdrage kosteneffectief gebeurt. Het criterium ‘urgentie’ heeft de laagste wegingsfactor. De maatregelen waarvoor subsidie wordt gevraagd zullen naar verwachting allen urgent zijn.