Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Alphen-Chaam

Het college van de gemeente Alphen-Chaam;

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieAlphen-Chaam
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingHet college van de gemeente Alphen-Chaam;
CiteertitelBeleidsregels bijzondere bijstand gemeente Alphen-Chaam (december 2018)
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpgeen

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

De 'Beleidsregels Bijzondere bijstand minimabeleid gemeente Alphen-Chaam (maart 2018)” worden per 5 december 2018 ingetrokken.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Participatiewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

11-12-201805-12-201819-06-2019nieuwe regeling

04-12-2018

Gemeenteblad, jaargang 2018, nr. 263214

Nr. 263214

Tekst van de regeling

Intitulé

Het college van de gemeente Alphen-Chaam;

Besluit vast te stellen de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Alphen-Chaam (december 2018)

HOOFDSTUK 1 Algemeen

Paragraaf 1: Inleiding bijzondere bijstand

Bijzondere bijstand wordt verstrekt, indien bijzondere omstandigheden in een individueel geval leiden tot noodzakelijke kosten waarin de algemene bijstand niet voorziet en waarvoor men zelf onvoldoende draagkracht heeft.

Maatwerk

Het beoordelen van het recht op bijzondere bijstand is een kwestie van maatwerk. Het individualiseringsprincipe, zoals verwoord in artikel 18 Participatiewet, is onverkort van toepassing. Dit houdt in dat burgemeester en wethouders de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen dienen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokken persoon en/of het gezin. De bijzondere situatie waarin belanghebbende verkeert, is dus het uitgangspunt bij de bijzondere bijstandsverlening.

Toetsingskader aanvraag bijzondere bijstand

Hoewel maatwerk dus het uitgangspunt is, dient het college ingevolge artikel 35 van de Participatiewet een dwingende volgorde aan te houden bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand:

  • 1.

    Is er een voorliggende voorziening?

  • 2.

    Zo nee, doen de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd zich voor?

  • 3.

    Zo ja, zijn die kosten noodzakelijk in het individuele geval?

  • 4.

    Zo ja, vloeien de kosten voort uit de bijzondere omstandigheden?

Worden de hiervoor genoemde vragen door het college ten gunste van de aanvrager beantwoord, dan resten er nog twee vragen die gaan over de draagkracht van de aanvrager:

  • 5.

    Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm of een inkomen op die hoogte?; of

  • 6.

    Kunnen de kosten worden voldaan uit de individuele inkomenstoeslag, het vermogen of het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm?

Beleidsregels

Bovenstaand toetsingskader blijkt in sommige gevallen onvoldoende houvast te geven. Met name de begrippen “noodzakelijkheid” en “bijzondere omstandigheden” leiden soms tot onduidelijkheid en zijn voor velerlei uitleg vatbaar. Om die reden zijn er gemeentelijke beleidsregels opgesteld die aanvullend gelden op bovenstaande bepalingen van de Participatiewet. Als ook de beleidsregels onvoldoende houvast geven, dan wordt Grip Op Participatiewet geraadpleegd.

Bedragen

De richtbedragen voor de diverse vormen van bijzondere bijstand zijn opgenomen in het Handboek Participatiewet van Schulinck. Uitgangspunt zijn de bedragen genoemd in de NIBUD-Prijzengids.

Paragraaf 2: Draagkracht

Artikel 1 – Draagkrachtperiode

  • 1.

    De draagkrachtperiode is voor bijstandsgerechtigden gelijk aan de periode waarover algemene bijstand wordt ontvangen.

  • 2.

    In overige situaties wordt de draagkracht in het inkomen vastgesteld over een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarop de aangevraagde kosten betrekking hebben.

  • 3.

    Voor de vaststelling van de draagkracht als bedoeld in het vorige lid wordt de draagkracht die is vastgesteld per maand, toegerekend naar een periode van 12 maanden.

  • 4.

    Incidentele kosten worden in één keer in minder gebracht op de draagkracht per jaar als bedoeld in het tweede lid. Bijzondere bijstand wordt toegekend indien de draagkracht in dat jaar is opgesoupeerd.

  • 5.

    In het geval van periodieke kosten wordt de (resterende) draagkracht toegerekend aan de toekenningsperiode van de periodieke bijstand en vervolgens omgerekend naar draagkracht per toekenningsmaand. De periodieke kosten worden in mindering gebracht op de draagkracht per toekenningsmaand.  Bijzondere bijstand wordt toegekend indien de draagkracht in die maand is opgesoupeerd.

  • 6.

    Bij samenloop van incidentele en periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht bij voorrang verrekend met de incidentele kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend.

  • 7.

    Indien het inkomen tijdens de draagkrachtperiode daalt tot onder 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, dan wordt de draagkracht in het inkomen opnieuw vastgesteld over een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag waarop de daling van inkomen ingaat.

Artikel 2 - Toekenningsperiode

  • 1.

    Indien bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend, dan heeft dit een maximale terugwerkende kracht van 6 maanden vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ontvangen.

  • 2.

    Bijzondere bijstand wordt incidenteel toegekend als er sprake is van eenmalige kosten.

  • 3.

    Bijzondere bijstand wordt periodiek toegekend als er sprake is van dezelfde, terugkerende kosten.

  • 4.

    In beginsel wordt de bijzondere bijstand voor de periode van maximaal één jaar toegekend. Tenzij vooraf duidelijk is dat de noodzaak van de kosten zich langer dan één jaar voordoet en belanghebbende bovendien algemene bijstand ontvangt. Toekenningsperiode wordt dan afhankelijk gemaakt van ontvangst algemene bijstand.

Artikel 3 – Draagkracht in inkomen

  • 1.

    Voor bijzondere bijstand geldt dat het inkomen in principe niet meer mag bedragen dan 110% van de geldende bijstandsnorm.

  • 2.

    Voor de verlening van bijzondere bijstand wordt het inkomen boven 110% van de relevante bijstandsnorm volledig als draagkracht in aanmerking genomen.

  • 3.

    Indien er sprake is van zowel draagkracht uit vermogen als uit inkomen, wordt eerst de draagkracht uit vermogen aangesproken.

  • 4.

    Het gedeelte van het inkomen waarop beslag is gelegd, wordt door het college gezien als inkomen waarover niet redelijkerwijs kan worden beschikt en telt derhalve niet meer voor de draagkrachtberekening.

  • 5.

    Indien de bijzondere bijstand betrekking heeft op ondersteuning voor levensonderhoud, dan wordt het inkomen boven 100% van de relevante bijstandsnorm volledig als draagkracht in aanmerking genomen.

  • 6.

    De in artikel 31 lid 2 van de Participatiewet genoemde middelen worden niet tot het inkomen gerekend.

  • 7.

    Voor de vaststelling van het voor de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen, kan het college rekening houden met zogenaamde buitengewone uitgaven die ten laste van de belanghebbende komen.

  • 8.

    Als er sprake is van wisselende inkomsten, dan wordt op basis van loonstroken of uitkeringsspecificaties over de afgelopen drie maanden, het gemiddelde inkomen berekend.

Artikel 4 - Draagkracht in het geval van Wsnp en minnelijke schuldregeling

  • 1.

    Wsnp: het college stelt vast dat er geen draagkracht is.

  • 2.

    Minnelijke schuldregeling: het college stelt vast dat er geen draagkracht is.

Artikel 5 – Vermogen

  • 1.

    Voor de verlening van bijzondere bijstand nemen we het vermogen dat hoger is dan de vermogensgrens uit artikel 34 Participatiewet als draagkracht in aanmerking.

  • 2.

    Indien er sprake is van vermogen in de woning en de gevraagde (bijzondere) bijstand beperkt blijft tot een bedrag van € 2.500,00 op jaarbasis, dan kan deze bijstand ‘om niet’ worden verstrekt en blijft de vaststelling van het vermogen binnen de woning buiten beschouwing.

  • 3.

    De in artikel 31 lid 2 van de Participatiewet genoemde middelen worden niet tot het vermogen gerekend.

  • 4.

    De in artikel 34 lid 2 van de Participatiewet genoemde middelen worden niet tot het vermogen gerekend.

  • 5.

    De gemeentelijke vrijlating op de lopende rekening is ook van toepassing voor bijzondere bijstand.

  • 6.

    Voor personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd rekenen we een reservering van € 4.988,00 voor de kosten van een begrafenis of crematie niet tot het vermogen, als er geen dekkende uitvaartverzekering is.

  • 7.

    Het zakelijk vermogen van zelfstandigen wordt buiten beschouwing gelaten.

Paragraaf 3: Duurzame gebruiksgoederen

Artikel 6 – Duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    Indien de aanvrager drie jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau heeft, kan er, in de vorm van een gift, bijzondere bijstand voor noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verstrekt. Voor een lijst van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen wordt verwezen naar de bijlage.

  • 2.

    Indien de aanvrager minder dan drie jaar een inkomen op bijstandsniveau heeft, verlenen we in principe geen bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen, omdat er vanuit wordt gegaan dat men hiervoor reserveert. Indien toch bijzondere bijstand wordt verstrekt is dit alleen voor noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen en gebeurt dit in de vorm van een geldlening, met inachtneming van de navolgende bepalingen:

    • a.

      Belanghebbende is gehouden om gedurende 36 maanden af te lossen op de geldlening.

    • b.

      De geldlening wordt afgelost met een bedrag gelijk aan tenminste 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantie-uitkering).

    • c.

      Indien belanghebbende een inkomen ontvangt boven de bijstandsnorm, moet belanghebbende daarnaast 50% van het inkomen boven de bijstandsnorm aanwenden voor het aflossen van de geldlening (dus 6% van de bijstandsnorm + 50% van het inkomen boven de bijstandsnorm).

    • d.

      Indien tenminste gedurende 36 maandelijkse termijnen volledig aan de aflossingsverplichtingen is voldaan, kan het resterende bedrag van de lening worden omgezet in bijstand om niet. Indien de verstrekking van de geldlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening van het bestaan, dient de aflossingsduur tenminste 48 maanden te bedragen.

  • 3.

    Bij toekenning van bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen maken we gebruik van de Nibud-richtprijzen.

HOOFDSTUK 2 Kostensoorten

Artikel 7 – Vrijetijdsbesteding

  • 1.

    De kosten van maatschappelijke, sportieve of culturele activiteiten worden gerekend tot de noodzakelijke kosten om de fysieke en mentale weerstand van een belanghebbende te bevorderen en mee te doen in de maatschappij.

  • 2.

    De bijzondere bijstand bedraagt maximaal € 150,00 per volwassene (18 jaar en ouder) per jaar en€ 400,00 per kind per jaar

  • 3.

    De bijzondere bijstand wordt betaald na ontvangst van de betaalbewijzen.

  • 4.

    In afwijking van artikel 1 van deze beleidsregels, stellen we geen draagkrachtperiode vast. We volstaan met het vaststellen van de draagkracht op de peildatum.

Artikel 8 – Eigen bijdrage peuterspeelzaal

De eigen bijdrage van de peuterspeelzaal (tot een maximum van twee dagdelen per kind) wordt gerekend tot de noodzakelijke kosten om de motorische ontwikkeling en de verstandelijke en taalontwikkeling van het kind te stimuleren.

Artikel 9 – Zwemles

  • 1.

    De kosten van de zwemlessen om de zwemdiploma’s A en B te halen, worden gerekend tot noodzakelijke kosten om de veiligheid van het kind of de volwassene te waarborgen.

  • 2.

    Bijzondere bijstand wordt in principe toegekend tot en met het behalen van diploma B (afhankelijk daarvan wordt de periode bepaald, mits er geen sprake is van draagkrachtjaar).

  • 3.

    De minimumleeftijd van een kind waarvan de zwemlessen worden vergoed is 5 jaar.

  • 4.

    Ook noodzakelijke bijbehorende kosten als inschrijfgeld, kosten diplomazwemmen en noodzakelijke toebehoren als een zwemvest worden vergoed.

Artikel 10 – Fiets

  • 1.

    De noodzaak voor een fiets wordt in ieder geval aanwezig geacht als deze noodzakelijk is voor het bezoek aan het voortgezet onderwijs of voor inburgering.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor een fiets bedraagt maximaal € 150,00.

Artikel 11 – Reiskosten

  • 1.

    Als op basis van artikel 35 van Participatiewet sprake is van bijzondere omstandigheden, dan hanteren wij als uitgangspunten voor de vergoeding van reiskosten:

    • a.

      De vergoeding is gelijk aan de hoogte van de kosten van het openbaar vervoer.

    • b.

      Indien reizen met openbaar vervoer niet mogelijk is of als het goedkoper is om met de auto te reizen, bedraagt de vergoeding € 0,19 per kilometer. Indien de vergoeding wordt aangevraagd voor meerdere personen die met dezelfde auto reizen, bedraagt de vergoeding ook € 0,19 per kilometer per auto.

  • 2.

    Parkeerkosten worden enkel vergoed voor 1,5 uur en indien gebleken is dat kosteloos parkeren niet redelijkerwijs kan worden verlangd.

Artikel 12 - Kosten schoolgaande kinderen

  • 1.

    Kosten die in rekening worden gebracht door scholen, worden als noodzakelijk aangemerkt.

  • 2.

    Voor bovenlokale reiskosten vanwege schoolbezoek aan voortgezet onderwijs, kan bijzondere bijstand worden verleend. Het gaat hier om kosten voor openbaar vervoer vanaf de dichtstbijzijnde bushalte naar de bushalte bij de school.

  • 3.

    Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor directe en indirecte schoolkosten voor jongeren onder de 18 jaar in het voortgezet onderwijs tot maximaal een bedrag van € 224,00 per jaar.

  • 4.

    Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor directe en indirecte schoolkosten voor jongeren onder de 18 jaar in het beroepsonderwijs tot een bedrag van maximaal € 574,00 per jaar. In deze maximale vergoeding is tevens het bedrag opgenomen voor reiskosten binnen de gemeenten en/of voor de aanschaf van een fiets.

Artikel 13 – Bewindvoeringskosten (Beschermingsbewind), mentorschap en curatele

  • 1.

    Als de kantonrechter de noodzaak tot onderbewindstelling, mentorschap of curatele heeft beoordeeld en vastgesteld, bestaat er voor het college geen vrijheid meer de onderbewindstelling, mentorschap of curatele te beoordelen en evenmin om te bezien of er andere oplossingen mogelijk zouden zijn.

  • 2.

    Als bewijs dient een beschikking van de kantonrechter te worden overgelegd waaruit blijkt dat de kosten in rekening mogen worden gebracht.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de jaarbeloning zoals opgenomen in de instellingsbeschikking van de kantonrechter.

  • 4.

    De ingangsdatum van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld conform het bepaalde in artikel 3 lid 4 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

  • 5.

    De kosten van de aanvangswerkzaamheden/entreekosten komen op per datum dat de bewindvoerder, mentor of curator door de rechtbank is benoemd, tevens zijnde de datum van de beschikking van de rechtbank.

Artikel 14 – Griffiegeld en eigen bijdrage rechtsbijstand

  • 1.

    De kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand en griffiegeld en andere bijkomende kosten in de procedure worden noodzakelijk geacht om ook voor burgers met een minimuminkomen de mogelijkheid van de rechtsgang te garanderen. De noodzaak wordt ontleend aan het feit dat de Raad voor de Rechtsbijstand een advocaat heeft toegevoegd.

  • 2.

    Bij de berekening van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt steeds rekening houden met de verkregen korting op de eigen bijdrage van de Raad voor de Rechtsbijstand, ook indien de aanvrager niet naar het Juridisch Loket is geweest.

  • 3.

    De kosten van het griffierecht komen op, op de datum waarop een belanghebbende het beroepschrift of verzoekschrift indient bij de rechter.

  • 4.

    De kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand komen op, op de dag dat de rechtsbijstandsverlener het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand tot verlening van de aangevraagde toevoeging heeft ontvangen.

Artikel 15 – Toeslag jongeren van 18 t/m 20 jaar in een inrichting

  • 1.

    Bijzondere bijstand aan personen van 18 t/m 20 jaar, die in een inrichting verblijven, kan slechts worden verstrekt indien redelijkerwijs geen beroep kan worden gedaan op degene die onderhoudsplichtig is op grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 2.

    De hoogte van de in lid 1 bedoelde toeslag is afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden vanbelanghebbende, doch bedraagt ten hoogste het bedrag genoemd in artikel 20, lid 1, onder aParticipatiewet.

Artikel 16 – Inrichtingskosten

  • 1.

    De noodzaak en de bijzondere omstandigheden moeten worden onderzocht, zo nodig middels een huisbezoek.

  • 2.

    Bij een aanvraag voor inrichtingskosten door statushouders wordt steeds uitgegaan van het bestaan van bijzondere omstandigheden, noodzakelijke kosten en de afwezigheid van mogelijkheid vooraf te reserveren of achteraf gespreid te betalen.

  • 3.

    Indien de aanvrager drie jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau heeft, wordt de bijzondere bijstand in de vorm van een gift verstrekt.

  • 4.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld conform de forfaitaire bedragen:

Maximale vergoedingen woninginrichting (duurzame gebruiksgoederen) per 1 januari 2018:

Alleenstaande kamerbewoner € 1.708,00

Alleenstaande, zelfstandige huisvesting € 3.266,00

Gehuwd/Samenwonend € 5.511,00

Een-oudergezin € 5.511,00

Voor ieder kind € 673,00

Opknapkosten

Woonkamer incl keuken, badkamer etc.€ 308,00

Slaapkamer € 124,00

  • 5.

    De bedragen in deze tabel worden jaarlijks gewijzigd aan de hand van het indexeringspercentage (berekend op grond van de consumentenprijsindex, afgerond op hele euro’s).

  • 6.

    Vaststelling van de aflossingsverplichting en de kwijtschelding geschiedt conform lid 2.

  • 7.

    Belanghebbenden overleggen bij toekenning conform lid 3 enkel indien nodig de betaalbewijzen van aangekochte spullen.

Artikel 17 - Baby-uitzet

  • 1.

    Bijzondere bijstand is mogelijk voor de kosten van een baby-uitzet indien er sprake is van een noodzaak.

  • 2.

    We achten een baby-uitzet noodzakelijk indien er geen (volledige) baby-uitzet aanwezig is. Dit kan worden onderzocht middels een huisbezoek.

  • 3.

    Indien er een noodzaak is, wordt er een forfaitair bedrag verstrekt van € 545,00.

  • 4.

    De bijzondere bijstand wordt als een gift verstrekt.

  • 5.

    Indien de toekenning bijzondere bijstand ziet op een enkele kostensoort(en), verstrekken we bijzondere bijstand op basis van Nibud-richtprijzen. Er wordt niet meer verstrekt dan het forfaitaire bedrag van € 545,00.

Artikel 18 – Computer

  • 1.

    De noodzaak en bijzondere omstandigheden voor een computer worden aanwezig geacht indien:

    • a.

      Het kind waar de aanvraag betrekking op heeft voortgezet onderwijs geniet;

    • b.

      De inburgeringscursus dit vergt van een statushouder.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor een computer (laptop of desktop) bedraagt maximaal€ 400,00.

  • 3.

    Bijzondere bijstand voor een computer wordt verstrekt in de vorm van een geldlening, tenzij er sprake is van overgang naar het voortgezet onderwijs. Ook als de aanvrager drie jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau heeft, is de bijzondere bijstand voor een computer een gift.

  • 4.

    Vaststelling van de aflossingsverplichting en de kwijtschelding geschiedt conform artikel 6.

Artikel 19 –  Overbruggingsuitkering

  • 1.

    Een overbruggingsuitkering is bijstand welke kan worden verstrekt om de periode tot de eerste volledige betaling van de algemene uitkering voor levensonderhoud te overbruggen. De overbrugging wordt verstrekt op het moment dat er sprake is van een wijziging in het betaalritme.

  • 2.

    Bij een aanvraag door statushouders wordt gezien de betalingssystematiek van de bijstand steeds uitgegaan van bijzondere omstandigheden en noodzakelijke kosten.

  • 3.

    De overbruggingsuitkering wordt gezien als algemene bijstand.

  • 4.

    De hoogte van de overbruggingsuitkering wordt naar rato berekend op basis van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief VT, over de te overbruggen periode.

  • 5.

    De inkomsten die ontvangen worden in deze periode (hieronder verstaan we ook de te ontvangen bijstand) dienen volledig met de overbruggingsuitkering in mindering gebracht te worden.

  • 6.

    Indien het totale banksaldo van de aanvrager boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm komt, wordt het meerdere hiervan in mindering gebracht op de overbruggingsuitkering.

  • 7.

    Mogelijke bijzondere bijstand om niet voor de betaling van de eerste maand huur, dient op de overbruggingsuitkering in mindering gebracht worden.

Artikel 20 – Eerste maand huur

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor de eerste maand huur en administratiekosten is mogelijk op het moment dat er sprake is van een noodzakelijke verhuizing en belanghebbende niet de mogelijkheid heeft gehad om voor deze kosten te reserveren.

  • 2.

    De hoogte van de eerste maand huur wordt gebaseerd op het huurcontract/de eerste verhuurnota.

  • 3.

    De bijzondere bijstand voor de eerste maand huur en administratiekosten, minus de te ontvangen huurtoeslag, wordt verstrekt om niet.

  • 4.

    De huurtoeslag die de klant gaat ontvangen over de periode van de eerste maand huur kan worden verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening (art. 48 lid 2 onder a Pw).

  • 5.

    Een eventuele borgsom wordt verstrekt in de vorm van een renteloze lening (art. 48 lid 2 onder c Pw).

Artikel 21 – Woonkostentoeslag bij huurwoning

  • 1.

    De belanghebbende die geen of onvoldoende beroep kan doen op de Wet op de huurtoeslag, komt in aanmerking voor woonkostentoeslag.

  • 2.

    De hoogte van de woonkostentoeslag bij een huurwoning wordt vastgesteld volgens het Berekeningsformulier woonkostentoeslag huurders uit Grip Op Participatiewet.

  • 3.

    Indien de rekenhuur meer bedraagt dan de maximale huurgrens, wordt de belanghebbende de verhuisverplichting opgelegd.

  • 4.

    Indien de verhuisverplichting wordt opgelegd, dan verlenen we bijstand ‘om niet’ voor de noodzakelijke kosten van verhuizing (transport) en de noodzakelijke kosten van stoffering op degoedkoopste manier.

Artikel 22 - Woonkostentoeslag bij koopwoning

  • 1.

    De hoogte van de woonkostentoeslag bij een koopwoning wordt vastgesteld volgens het Berekeningsformulier woonkostentoeslag eigenaren uit Grip Op Participatiewet.

  • 2.

    Voor de bepaling van de woonkosten die in aanmerking komen voor woonkostentoeslag worden in ieder geval in aanmerking genomen:

    • a.

      de hypotheekrente voor de woning;

    • b.

      de onroerende zaakbelasting, de rioolheffing en de aanslag waterschapsbelasting (allen eigenaarsgedeelte);

    • c.

      de premie van de opstalverzekering.

  • 3.

    Indien de kosten genoemd in lid 2 meer bedragen dan de maximale huurgrens, wordt de belanghebbende een verhuisverplichting opgelegd.

  • 4.

    Indien de verhuisverplichting wordt opgelegd, wordt bijstand om niet verleend in de noodzakelijke kosten van verhuizing (transport) en de noodzakelijke kosten van stoffering op degoedkoopste manier.

Artikel 23 - Dienstencheques WZSW

De bijdrage voor de dienstencheque WZSW komt in aanmerking voor vergoeding op grond van bijzondere bijstand.

Artikel 24 – Maaltijdvoorziening

  • 1.

    De noodzaak voor de maaltijdvoorziening wordt aangenomen indien de leverancier een noodzakelijkheidstoets heeft gedaan; er wordt steeds uitgegaan van de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden.

  • 2.

    Bij afwezigheid van een noodzakelijkheidstoets dient belanghebbende de noodzaak te motiveren.

  • 3.

    Voor de hoogte van de bijzondere bijstand per maaltijd bedraagt het verschil tussen de daadwerkelijke kosten van de maaltijdvoorziening en de kosten van de gewone voeding (NIBUD-prijzengids, rekening houdend met de omvang van het huishouden).

  • 4.

    Belanghebbende dient een betaalbewijs over te leggen waaruit het aantal verstrekte maaltijden over een bepaalde periode blijkt.

Artikel 25 – Personenalarmering

De eigen bijdrage die de zorgverzekeraar in rekening brengt en de abonnementskosten van dit alarm komen in aanmerking voor bijzondere bijstand. De noodzaak van deze kosten blijkt uit de vergoeding van het alarm door de Zorgverzekeringswet.

Artikel 26 - Zorgkosten

  • 1.

    Indien er sprake is van zorgkosten waarvoor geen voorliggende voorziening aanwezig is, dan wordt hiervoor bijzondere bijstand verleend tot een maximum van € 300,00 per persoon per jaar.

  • 2.

    Zorgkosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking komen zijn:

    • a.

      eigen bijdrage van zorgverzekeraar;

    • b.

      eigen bijdrage CAK;

    • c.

      tandarts;

    • d.

      brillen;

    • e.

      lenzen;

    • f.

      gehoorapparaten;

    • g.

      fysiotherapie en beweegzorg;

    • h.

      orthopedisch schoeisel;

    • i.

      dieetkosten;

    • j.

      rollator;

    • k.

      (zelfzorg)geneesmiddelen waarvan de noodzaak is vast komen te staan doordat deze zijn voorgeschreven door een arts;

    • l.

      reiskosten m.b.t. afspraken in het ziekenhuis (indirecte zorgkosten). Bij gebruik van de deeltaxi, vergoeden we de gemaakte kosten. Gaat het om eigen vervoer, dan vergoeden we 0,19 per kilometer per auto.

  • 3.

    Voor het verplichte bedrag aan eigen risico voor de zorgverzekering en voor niet door een arst voorgeschreven zelfzorggeneesmiddelen wordt geen bijzondere bijstand toegekend, omdat deze kosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 4.

    In afwijking van artikel 1 van deze beleidsregels, stellen we geen draagkrachtperiode vast. We volstaan met het vaststellen van de draagkracht op de peildatum.

HOOFDSTUK 3 Slotbepalingen

Artikel 27 – Aanvraagformulier bijzondere bijstand

Het indienen van een aanvraag bijzondere bijstand is mogelijk middels een door de gemeente

beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

Artikel 28 – Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule

In bijzondere gevallen kan worden afgeweken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 29 - Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ‘Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Alphen-Chaam (december 2018)”.

Artikel 30 - Inwerkingtreding

De regeling treedt in werking per 5 december 2018.

Artikel 31 - Intrekking oude beleidsregels

De 'Beleidsregels Bijzondere bijstand minimabeleid gemeente Alphen-Chaam (maart 2018)” worden per 5 december 2018 ingetrokken.

Het college van de gemeente Alphen-Chaam

BIJLAGE

Lijst noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen:

  • -

    wasmachine;

  • -

    koelkast met vriesvak;

  • -

    kookplaat;

  • -

    matras;

  • -

    stofzuiger.