Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Amstelveen

Centrumregeling ambtelijke samenwerking Aalsmeer en Amstelveen

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieAmstelveen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingCentrumregeling ambtelijke samenwerking Aalsmeer en Amstelveen
CiteertitelCentrumregeling ambtelijke samenwerking Aalsmeer en Amstelveen
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Centrumregeling ambtelijke samenwerking Aalsmeer en Amstelveen van 2013

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet gemeenschappelijke regelingen, hoofdstuk I
  2. Gemeentewet
  3. Wet waardering onroerende zaken, artikel 30, zevende lid
  4. Algemene wet bestuursrecht, afdeling 10.1.1 en 10.1.2

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-08-201501-01-2013nieuwe regeling

18-03-2015

Website gemeente, 15 juli 2015

Z-2014/063543

Tekst van de regeling

Intitulé

Centrumregeling ambtelijke samenwerking Aalsmeer en Amstelveen

De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de gemeenten Aalsmeer en Amstelveen, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft;

overwegende dat

  • -

    de colleges van burgemeester en wethouders van Aalsmeer en Amstelveen het voornemen hebben uitgesproken hun uitvoeringskracht zo veel mogelijk te bundelen in één ambtelijke organisatie, geplaatst bij de gemeente Amstelveen;deze bundeling onverlet laat de bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer, waarvan slechts de voorbereiding en uitvoering wordt opgedragen aan Amstelveen;

  • -

    deze bundeling onverlet laat dat bij de gemeente Aalsmeer enkele ambtenaren werkzaam blijven, waaronder de secretaris en de griffier;

  • -

    de raden van Aalsmeer en Amstelveen aan hun colleges van burgemeester en wethouders en burgemeesters voor het treffen van deze gemeenschappelijke regeling toestemming hebben verleend, overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

gelet op hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de Wet waardering onroerende zaken (artikel 30, zevende lid) en afdeling 10.1.1 en 10.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluiten te treffen de Centrumregeling ambtelijke samenwerking Aalsmeer en Amstelveen.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1 – Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    centrumgemeente: de gemeente Amstelveen;

  • b.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • c.

    gastgemeente: de gemeente Aalsmeer;

  • d.

    gemeenten: de centrumgemeente en de gastgemeente;

  • e.

    ambtenaren: ambtenaren, als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet of artikel 4 van de Gemeentewet, werkzaam bij de centrumgemeente onderscheidenlijk de gastgemeente;

  • f.

    belastingambtenaar: de ambtenaar van de centrumgemeente, als bedoeld in artikel 232, tweede lid onder c, en artikel 231, tweede lid onder d, van de Gemeentewet;

  • g.

    belastingdeurwaarder : de ambtenaar van de centrumgemeente, als bedoeld in artikel 232, tweede lid onder d, en artikel 231, tweede lid onder e, van de Gemeentewet;

  • h.

    heffingsambtenaar: de ambtenaar van de centrumgemeente, als bedoeld in artikel 232, tweede lid onder a, en artikel 231, tweede lid onder b, van de gemeentewet en als bedoeld in artikel 30 zevende lid en artikel 1, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken;

  • i.

    invorderingsambtenaar: de ambtenaar van de centrumgemeente, als bedoeld in artikel 232, tweede lid, onder b en artikel 231, tweede lid, onder c, van de gemeentewet;

  • j.

    kwijtscheldingsregels: de door de raden van de gemeente Aalsmeer vastgestelde regels als bedoeld in artikel 255, derde en vierde lid, van de gemeentewet;

  • k.

    nadere regels: nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordeningen;

  • l.

    regeling: de Centrumregeling ambtelijke samenwerking Aalsmeer en Amstelveen.

Hoofdstuk 2. Centrumconstructie
Paragraaf 1. Belang en centrumgemeente
Artikel 2. Belang

De regeling wordt getroffen ten behoeve van het vormen van een gemeenschappelijke ambtelijke organisatie die belast is met de uitvoering van de door de bestuursorganen van de gemeenten opgedragen taken.

Artikel 3. Centrumgemeente

De gemeente Amstelveen wordt aangewezen als centrumgemeente, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Paragraaf 2. Taken en bevoegdheden
Artikel 4. Bevoegdheden colleges
  • 1.

    Het college van de centrumgemeente wordt mandaat verleend om binnen de beleidskaders van de gastgemeente namens het college van de gastgemeente alle besluiten te nemen ter uitvoering van wetten, algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen, provinciale verordeningen en gemeentelijke verordeningen, de gastgemeente betreffende, tenzij een wettelijk voorschrift of de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet.

  • 2.

    Het college van de centrumgemeente wordt mandaat verleend om namens het college van de gastgemeente alle besluiten te nemen ter uitvoering van de artikelen 230 tot en met 257 van de Gemeentewet in samenhang met de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Wet waardering onroerende zaken en door de raden van de gastgemeente vastgestelde belastingverordeningen.

  • 3.

    Is vervallen per 1 januari 2015.

  • 4.

    Het college van de centrumgemeente wordt mandaat verleend om namens het college van de gastgemeente alle feitelijke en rechtshandelingen te verrichten ter voorbereiding en uitvoering van de beslissingen van het college van de gastgemeente.

  • 5.

    De bevoegdheid te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid wordt niet opgedragen aan het college van de centrumgemeente. Het college van de centrumgemeente kan wel namens het college van de gastgemeente alle handelingen ter voorbereiding van de beslissing op bezwaar verrichten.

  • 6.

    Ten aanzien van de bevoegdheden die in dit artikel in mandaat worden opgedragen aan het college van de centrumgemeente, kan dit college ondermandaat verlenen aan medewerkers van de centrumgemeente.

Artikel 5. Overgedragen collegebevoegdheden
  • 1.

    Het college van de centrumgemeente kan bepalen dat voor toezending of uitreiking van aanslagbiljetten ingevolge artikel 8, eerste lid, van de invorderingswet 1990 voor de in artikel 232, tweede lid onder b, bedoelde ambtenaar een andere ambtenaar van de centrumgemeente in de plaats komt.

Artikel 6. Bevoegdheden burgemeesters
  • 1.

    De burgemeester van de centrumgemeente wordt mandaat verleend om binnen de beleidskaders van de gastgemeente namens de burgemeester van de gastgemeente alle besluiten te nemen ter uitvoering van wetten, algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen, provinciale verordeningen en gemeentelijke verordeningen, de gastgemeente betreffende, tenzij een wettelijk voorschrift of de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet.

  • 2.

    Is vervallen per 1 januari 2015.

  • 3.

    De burgemeester van de centrumgemeente wordt mandaat verleend om namens de burgemeester van de gastgemeente alle feitelijke en rechtshandelingen te verrichten ter voorbereiding en uitvoering van de beslissingen van het college van de gastgemeente.

  • 4.

    De bevoegdheid te beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid wordt niet opgedragen aan de burgemeester van de centrumgemeente. De burgemeester van de centrumgemeente kan wel namens de burgemeester van de gastgemeente alle handelingen ter voorbereiding van de beslissing op bezwaar verrichten.

  • 5.

    Ten aanzien van de bevoegdheden die in dit artikel in mandaat worden opgedragen aan de burgemeester van de centrumgemeente, kan deze burgemeester ondermandaat verlenen aan medewerkers van de centrumgemeente.

Artikel 7. Ambtelijke bevoegdheden
  • 1.

    Het college van de gastgemeente wijst, met inachtneming van artikel 232, tweede lid onder a Gemeentewet en artikel 30, zevende lid, van de Wet waardering onroerende zaken de door de centrumgemeente aangewezen heffingsambtenaar aan als heffingsambtenaar van zijn gemeente;

  • 2.

    Het college van de gastgemeente wijst, met inachtneming van artikel 232, tweede lid onder b Gemeentewet de door de centrumgemeente aangewezen invorderingsambtenaar aan als invorderingsambtenaar van zijn gemeente;

  • 3.

    Het college van de gastgemeente wijst, met inachtneming van artikel 232, tweede lid onder c Gemeentewet de door de centrumgemeente aangewezen belastingambtenaar aan als belastingambtenaar van zijn gemeente;

  • 4.

    Het college van de gastgemeente wijst, met inachtneming van artikel 232, tweede lid onder d Gemeentewet de door de centrumgemeente aangewezen belastingdeurwaarder aan als belastingdeurwaarder van zijn gemeente;

Artikel 8. Dienstverleningshandvest

In het dienstverleningshandvest, te sluiten door de colleges en de burgemeesters van de gemeenten, wordt nadere uitwerking gegeven aan deze regeling. In het dienstverleningshandvest worden in ieder geval geregeld:

  • a.

    de uitvoeringskaders;

  • b.

    de kwaliteitseisen waaraan de taakuitoefening door de centrumgemeente moet voldoen;

  • c.

    de verdeelsleutel en de wijze waarop de gastgemeente een financiële bijdrage levert in de kosten die de centrumgemeente maakt voor de uitvoering van de krachtens deze regeling opgedragen taken en bevoegdheden;

  • d.

    de verplichtingen tussen de colleges onderscheidenlijk de burgemeesters van de gemeenten;

  • e.

    de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de informatieplichten, bedoeld in de artikelen 11, 12, 13 en 14; en

  • f.

    de wijze waarop de colleges onderscheidenlijk de burgemeesters van de gemeenten elkaar informeren over het niet nakomen van hun verplichtingen en de gevolgen die zij daaraan verbinden.

Paragraaf 3. Overleg
Artikel 9. Bestuurlijk overleg
  • 1.

    Het college van de centrumgemeente overlegt ten minste eenmaal per jaar met het college van de gastgemeente. De colleges van de gemeenten komen voorts bijeen wanneer één van de colleges dit, onder schriftelijke opgaaf van redenen, noodzakelijk acht.

  • 2.

    Het extra bestuurlijk overleg, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk binnen vijf werkdagen na het verzoek van één van de colleges belegd.

  • 3.

    In het bestuurlijk overleg, bedoeld in het eerste lid, wordt gesproken over de harmonisatie van beleid en uitvoering van de gemeenten en het verloop van de samenwerking.

  • 4.

    Het college van de centrumgemeente onderscheidenlijk het college van de gastgemeente kan zich in het overleg, bedoeld in het eerste lid, laten vertegenwoordigen door een of meerdere van zijn leden.

  • 5.

    De secretarissen van de gemeenten zijn tijdens het bestuurlijk overleg, bedoeld in het eerste lid, aanwezig.

Artikel 10. Ambtelijk overleg
  • 1.

    De secretaris van de centrumgemeente overlegt ten minste viermaal per jaar met de secretaris van de gastgemeente over de uitvoering van het dienstverleningshandvest, bedoeld in artikel 8.

  • 2.

    Bij het secretarissenoverleg, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste eenmaal per jaar ook de griffiers van de beide gemeenten uitgenodigd.

Paragraaf 4. Informatie en verantwoording
Artikel 11. Informatievoorziening colleges
  • 1.

    Het college van de centrumgemeente geeft het college van de gastgemeente schriftelijk de door een of meer leden van het college van de gastgemeente gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.

  • 2.

    Het college van de centrumgemeente geeft het college van de gastgemeente alle inlichtingen die het college van de gastgemeente voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

  • 3.

    Het college van de centrumgemeente geeft het college van de gastgemeente vooraf inlichtingen over de uitoefening van bevoegdheden, indien het college van de gastgemeente daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gastgemeente. In het laatste geval neemt het college van de centrumgemeente geen besluit dan nadat het college van de gastgemeente in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college van de centrumgemeente te brengen.

Artikel 12. Informatievoorziening burgemeesters
  • 1.

    De burgemeester van de centrumgemeente geeft de burgemeester van de gastgemeente schriftelijk de door de burgemeester van de gastgemeente gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.

  • 2.

    De burgemeester van de centrumgemeente geeft de burgemeester van de gastgemeente alle inlichtingen die de burgemeester van de gastgemeente voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

  • 3.

    De burgemeester van de centrumgemeente geeft de burgemeester van de gastgemeente vooraf inlichtingen over de uitoefening van bevoegdheden, indien de burgemeester van de gastgemeente daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gastgemeente. In het laatste geval neemt de burgemeester van de centrumgemeente geen besluit dan nadat de burgemeester van de gastgemeente in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de burgemeester van de centrumgemeente te brengen.

Artikel 13. Informatievoorziening door gastgemeente
  • 1.

    Het college van de gastgemeente geeft het college van de centrumgemeente alle inlichtingen die het college of een medewerker van de centrumgemeente voor de uitoefening van zijn taken, bedoeld in artikel 4, nodig heeft.

  • 2.

    De burgemeester van de gastgemeente geeft de burgemeester van de centrumgemeente alle inlichtingen die de burgemeester of een medewerker van de centrumgemeente voor de uitoefening van zijn taken, bedoeld in artikel 6, nodig heeft.

Artikel 14. Ambtelijke informatievoorziening

De medewerkers van de centrumgemeente geven het college, de burgemeester en de medewerkers van de gastgemeente alle door hen gevraagde inlichtingen omtrent de uitoefening van de hen opgedragen taken en bevoegdheden voor zover deze de gastgemeente betreffen en onverminderd de verantwoordelijkheden van het college onderscheidenlijk de burgemeester van de centrumgemeente krachtens de wet of deze regeling.

Artikel 15. Overige informatievoorziening
  • 1.

    De rekenkamer van de gastgemeente is bevoegd alle documenten die berusten bij het gemeentebestuur van de centrumgemeente te onderzoeken voor zover zij dat ter vervulling van haar taak als bedoeld in artikel 182, eerste lid, van de Gemeentewet nodig acht.

  • 2.

    Het gemeentebestuur van de centrumgemeente verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die de rekenkamer van de gastgemeente ter vervulling van haar taak als bedoeld in artikel 182, eerste lid, van de Gemeentewet nodig acht.

  • 3.

    De artikelen 155a tot en met 155e zijn van overeenkomstige toepassing op ambtenaren of gewezen ambtenaren, in de zin van artikel 4 Gemeentewet, werkzaam door of vanwege het gemeentebestuur van de centrumgemeente aangesteld of daaraan ondergeschikt, wanneer de raad van de gastgemeente besluit een onderzoek in te stellen, als bedoeld in artikel 155a, eerste lid, van de Gemeentewet.

  • 4.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van de rekenkamerfunctie, wanneer de raad van de gastgemeente overeenkomstig artikel 81oa van de Gemeentewet op een andere wijze heeft voorzien in de uitoefening van de rekenkamerfunctie.

Hoofdstuk 3: Uitvoering ambtelijke bevoegdheden
Artikel 16. Heffingsambtenaar
  • 1.

    De heffingsambtenaar heeft de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de inspecteur, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing van de gemeenten.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de heffingsambtenaar de nadere regels van het college van de gastgemeente in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die dat gastcollege heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 17. Invorderingsambtenaar
  • 1.

    De invorderingsambtenaar heeft de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Wet milieubeheer zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de ambtenaar belast met de invordering van de gemeenten.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de gastgemeente in acht en de nadere regels van het college van de gastgemeente in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels die dat gastcollege heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 18. Belastingambtenaar
  • 1.

    De belastingambtenaar oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing of invordering van de gemeentelijke belastingen als bedoeld in artikel 231, tweede lid onder d, van de Gemeentewet.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de belastingambtenaar de nadere regels van het college van de gastgemeente in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van dat college ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 19. Belastingdeurwaarder
  • 1.

    De belastingdeurwaarder oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de belastingdeurwaarder de nadere regels van de gastgemeente in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die dat college heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Hoofdstuk 4. Geschillen
Artikel 20. Deskundigenadvies
  • 1.

    Onverminderd artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, worden geschillen over deze regeling, in de ruimste zin, onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies.

  • 2.

    Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het deskundigenadvies, bedoeld in het eerste lid, wordt het geschil besproken tussen afvaardigingen van de colleges van de gemeenten.

  • 3.

    Indien het overleg, bedoeld in het tweede lid, niet tot een oplossing leidt, benoemen de colleges van de gemeenten elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen gezamenlijk een derde deskundige, die als voorzitter van de adviescommissie optreedt. De colleges van de gemeenten treden gezamenlijk op als opdrachtgever van de adviescommissie. De colleges van de gemeenten zetten in hun opdracht aan de adviescommissie in ieder geval het probleem uiteen, formuleren de te beantwoorden vragen en bepalen de termijn waarbinnen de adviescommissie haar advies uitbrengt.

  • 4.

    De adviescommissie, bedoeld in het derde lid, regelt de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt toegezonden aan de colleges van de gemeenten.

  • 5.

    Na ontvangst van het advies, bedoeld in het vierde lid, treden de afvaardigingen, bedoeld in het tweede lid, nogmaals in overleg om te trachten, gelet op het advies van de adviescommissie, bedoeld in het vierde lid, tot een oplossing van het geschil te komen. Indien dat overleg niet tot een oplossing leidt, kan het college van elk van de gemeenten het geschil, overeenkomstig artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, voorleggen aan gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland.

  • 6.

    De colleges van de gemeenten dragen de kosten van de werkzaamheden van de adviescommissie, bedoeld in het derde lid, evenredig.

Hoofdstuk 5. Wijziging, uittreding en opheffing
Artikel 21. Wijziging van de regeling
  • 1.

    Deze regeling kan door de colleges en de burgemeesters van de gemeenten worden gewijzigd, nadat zij hiertoe onderling overeenstemming hebben bereikt.

  • 2.

    De colleges en de burgemeesters van de gemeenten besluiten omtrent de voorgestelde wijziging niet dan nadat zij daartoe toestemming hebben verkregen van hun raden, overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 3.

    Een wijziging van de centrumregeling is tot stand gekomen wanneer de colleges en de burgemeesters van de gemeenten op de wijze als vermeld in het tweede lid hiermee hebben ingestemd.

  • 4.

    De wijziging van de regeling treedt, in werking op 1-1-2015. Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22. Uittreding en opheffing
  • 1.

    Deze regeling wordt opgeheven bij gelijkluidend besluit van de colleges en de burgemeesters van de gemeenten.

  • 2.

    Opheffing is behoudens bijzondere omstandigheden niet mogelijk in de eerste vijf jaar na het treffen van deze regeling. Van bijzondere omstandigheden is slechts sprake als hierover tussen de colleges en de burgemeesters van de gemeenten overeenstemming bestaat.

  • 3.

    Indien een besluit tot opheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt genomen, geven de colleges van de gemeenten gezamenlijk een onafhankelijke registeraccountant opdracht om een opheffingsplan op te stellen.

  • 4.

    Het opheffingsplan, bedoeld in het derde lid, voorziet in ieder geval in de verplichtingen van de gastgemeente tot deelneming in de financiële en in de personele gevolgen van de opheffing.

  • 5.

    Het college van de centrumgemeente is belast met de uitvoering van het opheffingsplan, bedoeld in het derde lid.

  • 6.

    Een besluit tot uittreding door het college en de burgemeester van één der gemeenten leidt eveneens tot opheffing van de regeling. Een besluit tot uittreding door het college en de burgemeester van één der gemeenten wordt niet genomen dan nadat zij daartoe toestemming hebben verkregen van de raad, overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 7.

    Het besluit tot uittreding treedt in werking op 1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen. Het tweede tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 23. Duur van de regeling

De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.

Artikel 24. Inzending regeling

Het college van de centrumgemeente is belast met de inzending van deze regeling aan gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland.

Artikel 25. Is vervallen per 1-1-2015

 

Artikel 26. Evaluatie

Deze regeling, alsmede het dienstverleningshandvest bedoeld in artikel 8, en de uitvoering van deze regelingen worden voor 1 juli 2015 geëvalueerd.

Artikel 27. Inwerkingtreding
  • 1.

    Deze regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgend op de dag waarop de colleges en de burgemeesters van de gemeenten deze regeling op de gebruikelijke wijze bekend hebben gemaakt.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid treedt de regeling in werking op 1 januari 2013 indien de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten deze regeling eerder dan 1 december 2012 op de bekende wijze hebben bekendgemaakt.

Artikel 28. Citeerwijze

Deze regeling wordt aangehaald als Centrumregeling ambtelijke samenwerking Aalsmeer en Amstelveen.

Aldus besloten door:

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer in de vergadering van 4 november 2014.

de loco-secretaris,

drs. T.C.H.M. Kuin, Msc

de burgemeester,

A.Verburg

De burgemeester van de gemeente Aalsmeer bij besluit van 4 november 2014.

A.Verburg

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen in de vergadering van 6 januari 2015.

de secretaris,

R.J.T. Schurink

de burgemeester,

drs. M.M. van ‘t Veld

De burgemeester van de gemeente Amstelveen bij besluit van6 januari 2015.

drs. M.M. van ‘t Veld