Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Blaricum

Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBlaricum
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018
CiteertitelVerordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, art. 149
  2. Jeugdwet, art. 2.9
  3. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, art. 2.1.3

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

25-12-201801-05-2018Nieuwe regeling

05-06-2018

Gemeenteblad

278009

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018

 

 

Paragraaf 2 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs

Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begrippen

Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, Participatiewet, het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 (Bbz), IOAW of IOAZ, Wet passend onderwijs (Wet op het primair onderwijs (Wpo), Wet op het Voortgezet (Wvo) en Wet op de expertisecentra (Wec)), Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.

  • 1.

    aanvraag:

    • ·

      een verzoek om toekenning van een voorziening in het kader van de Jeugdwet;

    • ·

      een aanvraag zoals bedoeld in artikel 41 van de Participatiewet;

    • ·

      een verzoek om toekenning van een voorziening in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

    • ·

      een aanvraag zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • ·

      een aanvraag zoals bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • 2.

    cliënt:

    • ·

      een jeugdige of zijn ouder(s) of pleegouder(s)/een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin opvoedt, voor zover de jeugdige (conform de Jeugdwet) woonplaats heeft in gemeente Blaricum;

    • ·

      een persoon zoals bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet;

    • ·

      een inwoner die zich tot het college heeft gewend voor schuldhulpverlening, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

    • ·

      een leerling van een school, ouder, voogd of verzorger zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • ·

      een persoon zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Verder in deze verordening wordt de term: cliënt gehanteerd;

  • 3.

    bemoeizorg:

bemoeizorg is een vorm van hulpverlening die zich richt op zorgmijders: mensen die in behoeftige omstandigheden leven maar de stap naar de reguliere hulpverlening nog niet kunnen, of niet meer willen maken. Bemoeizorg is gericht op het toeleiden naar zorg.

4.college:

college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum.

5.eigen bijdrage:

een bijdrage in de kosten van een voorziening als bedoeld in artikel 2.1.4 lid 1 Wmo 2015 en artikel 6.2.7 van deze verordening;

6.cliëntondersteuning:

onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

7.familiegroepsplan:

hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;

8.gebruikelijke hulp/zorg:

hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Zoals beschreven in bijlage 1 en 2;

9.informele zorg:

mantelzorg, vrijwilligerszorg en betaalde zorg van een persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk vormen samen de informele zorg;

10.inwoner:

iemand die ingezetene is van de gemeente Blaricum;

11.kostprijs:

de prijs waarvoor de gemeente de voorziening heeft ingekocht bij de aanbieder of leverancier met daarin begrepen eventuele onderhoudskosten;

  • 12.

    maatwerkvoorziening:

    • a.

      Maatwerkvoorziening: een voorziening, in de vorm van goederen in bruikleen, goederen in eigendom, als persoonlijke dienstverlening of ondersteuning, beschermd wonen of opvang;

    • b.

      individuele voorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening als bedoeld in artikel 3.2.1 die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt op basis van een besluit;

  • 13.

    mantelzorg:

hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

14.melding:

een verzoek van een cliënt (of namens een cliënt door mantelzorger, cliëntondersteuner en/of vertegenwoordiger) om hulp of toekenning van een voorziening in het kader van de Jeugdwet; een melding/verzoek zoals bedoeld in artikel 44 van de Participatiewet; een verzoek van een cliënt om hulp of toekenning van een voorziening in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; een verzoek van een cliënt om toekenning van een vervoersvoorziening in het kader van artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs, een melding zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • 15.

    onderzoek:

    • a.

      een onderzoek naar aanleiding van een melding in het kader van de Jeugdwet;

    • b.

      het onderzoek zoals bedoeld in artikel 53a van de Participatiewet;

    • c.

      een onderzoek naar aanleiding van een melding in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

    • d.

      een onderzoek naar aanleiding van een melding in het kader van artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

    • e.

      het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • 16.

    professionele maatschappelijke ondersteuning:

ondersteuning beroepsmatig verleend door een persoon:

  • ·

    die de opleidings- en beroepskwalificaties heeft om de betreffende hulp en zorg beroepsmatig te mogen verlenen, en die geen deel uitmaakt van het sociale netwerk van de cliënt;

  • ·

    of - ondersteuning niet-beroepsmatig verleend door een persoon die:

  • ·

    de opleidings- en beroepskwalificaties heeft om de betreffende hulp en zorg beroepsmatig te mogen verlenen die deel uitmaakt van het sociale netwerk van de cliënt, en die deze hulp en zorg niet verleent als gebruikelijke zorg zoals gedefinieerd in artikel 1.1. lid 7 van deze verordening;

  • 17.

    niet-professionele maatschappelijke ondersteuning:

  • ·

    ondersteuning verleent door een persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk van de cliënt, waarbij

  • ·

    de persoon die de hulp en ondersteuning verleent niet beschikt over de opleidings- en beroepskwalificaties om de betreffende hulp en zorg beroepsmatig te mogen verlenen; en

  • ·

    geen sprake is van gebruikelijke zorg zoals gedefinieerd in artikel 1.1. lid 6 van deze verordening;

  • 18.

    persoonlijk plan:

een plan waarin de cliënt de omstandigheden, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

19.persoonsgebonden budget (pgb):

een bedrag waarmee cliënten zelf hun jeugdhulp of ondersteuning kunnen inkopen;

20.sociaal domein:

de wetten binnen het toepassingsbereik van deze verordening:

  • ·

    de Jeugdwet;

  • ·

    de Participatiewet;

  • ·

    de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

  • ·

    artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • ·

    de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • 21.

    sociaal netwerk:

personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, (mede)leden van een vereniging en kennissen;

22.veilig thuis:

het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet en artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

23.vertegenwoordiger:

een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen;

  • 24.

    voorziening:

  • a.

    een voorziening zoals bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet

  • b.

    ondersteuning bij arbeidsinschakeling en het verlenen van bijstand zoals bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet;

  • c.

    schuldhulpverlening zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

  • d.

    een vervoersvoorziening in het kader van artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • e.

    een voorziening zoals bedoeld in artikel 2.3.5. va n de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • 25.

    Woonvoorziening:

elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een cliënt bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt;

  • 26.

    Specifiek voor de Participatiewet en inkomensvoorziening

    • I.

      inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand;

    • II.

      peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt;

    • III.

      benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;

    • IV.

      referteperiode: periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum.

    • V.

      bijstandsnorm:

      • i.

        toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, indien van toepassing inclusief de bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet;

      • ii.

        grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ;

    • VI.

      uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ.

    • VII.

      beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

    • VIII.

      verrekenen: verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde lid, van de Participatiewet.

    • IX.

      doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de participatiewet.

    • X.

      economische zelfredzaamheid: een persoon wordt als economisch zelfredzaam beschouwd als door inkomsten uit arbeid volledig in het eigen onderhoud kan voorzien of als dat niet mogelijk is zijn aanwezige arbeidsvermogen volledig wordt benut.

    • XI.

      sociale zelfredzaamheid: een persoon wordt als sociaal zelfredzaam beschouwd als hij zelfstandige maatschappelijke participeert. Economische zelfredzaamheid is een volgende stap nadat het doel sociale zelfredzaamheid is bereikt.

    • XII.

      afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet binnen afzienbare termijn mogelijk;

  • 27.

    specifiek voor Leerlingenvervoer:

  • a.

    aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, taxibus of bustaxi;

  • b.

    afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;

  • c.

    begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;

  • d.

    eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of fiets;

  • e.

    inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;

  • f.

    leerling: leerling van een school als bedoeld in dit artikel;

  • g.

    ondersteuningsplan:

    • i

      voor het primair onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 18a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het primair onderwijs; of

    • ii

      voor het voortgezet onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 17a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • h.

    openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer per bus, trein, metro, tram, veerdienst of auto;

  • i.

    opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer;

  • j.

    reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer;

  • k.

    samenwerkingsverband:

    • ·

      voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs; of

    • ·

      voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a, tweede en zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; - school:

    • ·

      basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;

    • ·

      school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of

    • ·

      school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • l.

    stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding;

  • m.

    toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school;

  • n.

    vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt;

  • o.

    vervoersvoorziening:

    • a.

      bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider;

    • b.

      aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of

    • c.

      gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider;

  • p.

    woning: plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft.

Hoofdstuk 2 Integrale benadering

Artikel 2.1 Melding hulpvraag

  • 1.

    Een melding kan schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal worden gedaan bij de gemeente Blaricum.

  • 2.

    Indien er sprake is van een melding in het kader van artikel 44 van de Participatiewet wordt de aanvraag digitaal gedaan bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).

  • 3.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek;

  • 4.

    Na de melding volgt een onderzoek;

  • 5.

    Het college informeert de cliënt, en/of diens vertegenwoordiger en eventueel diens mantelzorger(s) voorafgaand aan het onderzoek over de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning.

  • 6.

    Spoedeisende hulp: bij spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk:

  • a.

    een passende tijdelijke maatregel, of

  • b.

    een passende voorziening, of

  • c.

    vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.

Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

Artikel 2.2 Het onderzoek

  • 1.

    Het onderzoek start met het voeren van een gesprek met cliënt. Het college maakt binnen een week na ontvangst de melding een afspraak voor een gesprek. Het college streeft ernaar het gesprek binnen twee weken te laten plaatsvinden of indien mogelijk eerder.

  • a.

    Het gesprek is voor het college een middel om zijn wettelijke verantwoordelijkheden en de verantwoordelijkheden zoals genoemd in artikel 2.1 lid 3 van deze verordening, ten uitvoer te brengen.

  • b.

    De vraag van cliënt is leidend in hoe uitgebreid het gesprek is.

  • c.

    indien door cliënt gewenst, worden de mantelzorger en/of diens vertegenwoordiger bij het gesprek betrokken.

  • d.

    Op basis van het gesprek wordt bepaald of nader onderzoek nodig is en hoe het onderzoek invulling krijgt.

  • 2.

    Tijdens het gesprek informeert het college de cliënt en/of diens vertegenwoordiger over de vervolgprocedure en vraagt het college toestemming om de persoonsgegevens van cliënt te verwerken. Het college kan persoonsgegevens van een jeugdige en/of ouder verwerken zonder daartoe de toestemming te hebben verkregen, wanneer daarmee tegemoet gekomen wordt aan een spoedeisend belang van de jeugdige en/of zijn ouder of een wettelijke plicht. Het college legt de afspraken over het verwerken van persoonsgegevens vast in een protocol. Indien noodzakelijk voor het onderzoek wordt toestemming gevraagd om het inwinnen en delen van informatie;

  • 3.

    Het college onderzoekt voor zover nodig:

  • a.

    de behoefte die voorkomt uit de wensen, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling, gezinssituatie en mogelijkheden van cliënt;

  • b.

    de draagkracht en steunbehoefte van de eventuele mantelzorger van cliënt en de belasting die deze ervaart bij de zorg voor de cliënt;

  • c.

    het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

  • d.

    de mogelijkheden om op eigen kracht en/of met behulp van anderen in eigen oplossingen te voorzien;

  • e.

    de mogelijkheid om door middel van (algemene)voorzieningen het gewenste resultaat te bereiken;

  • f.

    de mogelijkheden die er bestaan om voorzieningen af te nemen en de gevolgen daarvan;

  • g.

    in hoeverre een mogelijk toe te kennen voorziening kan worden afgestemd op andere voorzieningen en/of behoeften van cliënt op het gebied van jeugdhulp, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en/of werk en inkomen;

  • h.

    indien van toepassing: of er sprake is van een bijdrage in de kosten voor het gebruik van een voorziening en (een inschatting van) de hoogte van de verschuldigde bijdrage;

  • i.

    indien aan het college overhandigd: het persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 van de Wmo 2015 familiegroepsplan als bedoeld in artikel 2.1 sub g van de Jeugdwet;

  • j.

    de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze;

  • k.

    andere aspecten die in het kader van het onderzoek noodzakelijk zijn, zoals in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 4.

    Voor het verzamelen van gegevens, noodzakelijk voor het in kaart brengen van het (functionerings) probleem of het beoordelen van een aanvraag, kan gebruik worden gemaakt van (een combinatie van) de volgende onderzoeksmethoden:

  • a.

    een (aanvullend) gesprek;

  • b.

    dossieronderzoek;

  • c.

    telefonisch onderzoek;

  • d.

    het inschakelen externe deskundigheid;

  • e.

    het inwinnen van informatie bij behandelaars, zorgverleners, familie en/of overige externe partijen;

  • f.

    een huisbezoek of een aanvullend huisbezoek;

  • g.

    overige onderzoeksmethoden waartoe het college (wettelijk) bevoegd is.

  • 5.

    Het college is bevoegd om in het kader van het onderzoek cliënt en/of diens vertegenwoordiger op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen, rekening houdend met de in de persoon gelegen mogelijkheden en/of beperkingen.

  • 6.

    Cliënt of diens vertegenwoordiger is verplicht om aan het college of de door haar aangewezen advies- instantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het onderzoek en/of de beoordeling van de melding/aanvraag.

  • 7.

    Het college borgt bij het verrichten van het onderzoek een integrale aanpak ten aanzien van de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en justitie,

  • 8.

    Bij het onderzoek wordt aan de cliënt medegedeeld welke mogelijkheden er bestaan ten aanzien van de oplossingsrichting, inclusief de wijze van bekostiging.

  • 9.

    Wanneer er sprake is van een situatie waarin de veiligheid van cliënt en/of zijn/haar gezinsleden in het geding is, en/of wanneer een gerechtelijke uitspraak dit voorschrijft, kan dit artikel buiten toepassing worden gelaten.

  • 10.

    Dit artikel is niet van toepassing op verwijzing van de huisarts, medisch specialist en/of de jeugdarts in het kader van de Jeugdwet en zoals bedoeld in artikel 2.6 onder g van de Jeugdwet.

Artikel 2.3 De vastlegging van het onderzoek

  • 1.

    Het college verstrekt de cliënt of diens vertegenwoordiger een weergave van de uitkomsten van het onderzoek in een plan van aanpak, tenzij de cliënt of diens vertegenwoordiger heeft medegedeeld dit niet te wensen.

  • 2.

    Cliënt of diens vertegenwoordiger kan feitelijk onjuiste en/of onvolledige gegevens corrigeren en kan zijn/haar opmerkingen bij het onderzoeksverslag kenbaar maken. Correcties en opmerkingen worden aan het (persoonlijk) plan van aanpak toegevoegd.

Artikel 2.4 De aanvraag

  • 1.

    De aanvraag zoals bedoeld in artikel 1.1 lid 1 moet schriftelijk plaatsvinden. Hiertoe wordt een vastgesteld aanvraagformulier beschikbaar gesteld.

  • 2.

    In afwijking van het gestelde in lid 1.1 kan een aanspraak op grond van de Participatiewet, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve worden vastgesteld.

  • 3.

    Het college beoordeelt de aanvraag op basis van het in artikel 2.2 omschreven onderzoek.

  • 4.

    Het besluit op de aanvraag is zo nodig afgestemd op de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maat- schappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en justitie.

Artikel 2.5 Aanvraag en persoonsgebonden budget

  • 1.

    Indien de cliënt een persoonsgebonden budget wenst, vermeldt hij dit op de aanvraag.

  • 2.

    Aan de aanvraag voegt de aanvrager een budgetplan toe voor de inzet van het persoonsgebonden budget met een begroting.

  • 3.

    Aan het plan voegt de aanvrager een verklaring omtrent gedrag toe, als bedoeld in artikel 4.1.6 van de Jeugdwet.

  • 4.

    Indien jeugdhulp wordt ingezet na verwijzing, kan door of namens de jeugdige of zijn ouders een aanvraag voor een persoonsgebonden budget worden ingediend als het aanbod van jeugdhulp als zorg in natura van de door de gemeente gecontracteerde of gesubsidieerde zorgaanbieder niet passend wordt geacht. Lid 2, 3 en 4 van dit artikel zijn hierbij van toepassing.

Artikel 2.6 Voorwaarden bij verstrekking persoonsgeboden budget

  • 1.

    Indien de cliënt de voorziening als een persoonsgebonden budget verstrekt krijgt, gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    indien de jeugdige of zijn ouders zorg inkopen bij derden, zijn zij verplicht een zorgovereenkomst af te sluiten met deze zorgverlener(s);

  • b.

    het is niet toegestaan bemiddelingskosten of administratiekosten te betalen vanuit het persoonsgebonden budget;

  • c.

    de werkgeverslasten worden uit het persoonsgebonden budget betaald ;

  • d.

    het is niet toegestaan de zorgverlener een eenmalige uitkering te verstrekken vanuit het persoonsgebonden budget;

  • e.

    het is toegestaan de zorgverlener reiskosten te vergoeden vanuit het persoonsgebonden budget;

  • f.

    het is toegestaan de zorgverlener een feestdagenuitkering van maximaal € 200,- te verstrekken vanuit het persoonsgebonden budget;

  • g.

    indien het persoonsgebonden budget aan het eind van het kalenderjaar niet geheel is besteed, kan de jeugdige of zijn ouder aanspraak maken op een verantwoordingsvrij bedrag van maximaal € 100,-;

  • h.

    indien de houder van het persoonsgebonden budget overlijdt, is het toegestaan om ten laste van het persoonsgebonden budget aan de zorgverlener(s) die werknemer of opdrachtnemer is c.q. zijn van de budgethouder een eenmalige uitkering te verstrekken ter hoogte van het periodebedrag voor vier weken.

  • i.

    De cliënt sluit een particuliere aansprakelijkheidsverzekering af voor schade die door het gebruik van de voorziening niet zijnde een dienstverlening, aan derden kan ontstaan.

Artikel 2.7 De inhoud van de beschikking

Bij het treffen van een voorziening legt het college in ieder geval de volgende onderdelen bij beschikking vast:

  • a.

    de resultaten die cliënt wenst te bereiken op grond van de Jeugdwet, de Participatiewet, artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • b.

    de conclusies uit het onderzoek;

  • c.

    welke voorziening(en) het college treft om het resultaat te bereiken;

  • d.

    de hoogte van een eventueel budget;

  • e.

    de looptijd van de voorziening(en);

  • f.

    in welke vorm de voorziening(en) word(en)t verstrekt;

  • g.

    of er sprake is van een tussentijdse evaluatie en de wijze waarop die plaatsvindt;

  • h.

    de voorwaarden waaronder de voorziening(en) is (zijn) verstrekt;

  • i.

    Welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding/verkrijging van een pgb;

  • j.

    de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen de beschikking;

  • k.

    als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage.

Artikel 2.8 Wijziging situatie

Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet, artikel 17 van de Participatiewet en artikel 6 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en artikel 2.3.8 van de Wet maatschappelijke ondersteuning, doet cliënt of diens vertegenwoordiger uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op een beslissing van het college op een aanvraag.

Artikel 2.9 Heronderzoek

Onverminderd artikel 8.1.3 van de Jeugdwet, artikel 53a van de Participatiewet en artikel 2.3.9 van de Wet maatschappelijke ondersteuning, kan het college een heronderzoek instellen om vast te stellen of er aanleiding bestaat om een beslissing op een aanvraag te heroverwegen.

Artikel 2.10 Intrekking herziening en beëindiging

Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet, artikel 54.3 van de Participatiewet en artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning, kan het college een beslissing aangaande een voorziening, geheel of gedeeltelijk intrekken en beëindigen indien:

  • a.

    niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de Jeugdwet, de Participatiewet, de regelingen zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet maatschappelijke ondersteuning.

  • b.

    blijkt dat de beschikking op grond van onjuiste gegevens is afgegeven en, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.

  • c.

    Voor Jeugd en Wmo: Een beslissing tot verlening van een maatwerkvoorziening of een pgb kan worden ingetrokken of herzien als blijkt dat de maatwerkvoorziening of het pgb binnen zes maanden na toekenning niet of onvoldoende is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 2.11 Terugvordering

Onverminderd artikel 58 van de Participatiewet en artikel 2.4.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning, kan indien het recht op een voorziening is ingetrokken, op basis daarvan geheel of gedeeltelijk de geldswaarde van de ten onrechte genoten voorziening in natura of het ten onrechte genoten geldbedrag worden teruggevorderd.

Artikel 2.12 Informatie aan de cliënt

Het college informeert cliënt of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wet.

Artikel 2.13 Waardering mantelzorgers

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat de cliënt aan wie mantelzorg wordt verleend, zijn mantelzorgers jaarlijks een blijk van waardering kan verlenen (mantelzorgcompliment).

  • 2.

    De cliënt kan voor het verlenen van een blijk van waardering, hiervoor een aanvraag indienen bij het college.

  • 3.

    Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.

Artikel 2.14 Sociaal medische indicatie

  • 1.

    Het college kan op aanvraag aan personen die niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, op sociaal medische gronden een tegemoetkoming verstrekken in de kosten van kinderopvang.

  • 2.

    Het college stelt nadere regels vast over de te verstrekken tegemoetkoming.

Hoofdstuk 3 Jeugdhulp

Paragraaf 1 Algemene voorzieningen

Artikel 3.1.1 Toegang algemene voorziening

Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling.

Artikel 3.1.2. Beschikbare algemene voorzieningen

  • 1.

    De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      informatieverstrekking over ontwikkelingsbehoeften jeugdigen en opvoedingsvragen van opvoeders, en/of;

    • b.

      basisondersteuning, waaronder het bieden van informatie, advies en consultatie bij opgroei- en opvoedvragen;

    • c.

      vrij toegankelijke lichte ondersteuning en lichte hulp voor jeugdigen en/of ouders, waaronder vormen van hulp, gericht op het creëren van een stabiele opvoed- en opgroeisituatie.

  • 2.

    Het gewenst te bereiken resultaat bepaalt welke voorziening ingezet dient te worden om dit resultaat te bereiken.

  • 3.

    Wanneer mogelijk wordt het resultaat bereikt door inzet van een algemene voorziening.

  • 4.

    Het college kan een individuele voorziening verlenen om het gewenste resultaat te bereiken.

Paragraaf 2 Individuele voorzieningen

Artikel 3.2.1 Beschikbare individuele voorzieningen

  • 1.

    De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      ambulante jeugdhulp;

    • b.

      dagverblijf;

    • c.

      pleegzorg;

    • d.

      verblijf (24 uur);

    • e.

      jeugdbescherming;

    • f.

      jeugdreclassering;

    • g.

      begeleiding;

    • h.

      dagbesteding;

    • i.

      kortdurend verblijf;

    • j.

      persoonlijke verzorging;

    • k.

      beschermd wonen Jeugdwet;

    • l.

      crisishulp

    • m.

      Zelfstandig leven

  • 2.

    Het college kan nadere regels vaststellen over welke individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Paragraaf 3 Toegang tot jeugdhulp

Artikel 3.3.1 Toegang tot jeugdhulp

  • 1.

    Via de gemeente: Het college kan besluiten een individuele voorziening voor jeugdhulp te verlenen.

  • 2.

    Via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts: Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 3.

    Via de gecertificeerde instelling: Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering.

  • 4.

    Via justitie: Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.

  • 5.

    Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken of als het college dit noodzakelijk acht, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.

  • 6.

    Het college verleent geen beschikking voor de inzet van jeugdhulp als bedoeld in lid 3 en lid 4 van dit artikel.

Artikel 3.3.2 Informatie over persoonsgebonden budget

Wanneer een individuele voorziening aan de orde is, informeert het college de jeugdige en/of zijn ouders tijdens het onderzoek volledig, objectief en in voor hem begrijpelijke bewoordingen welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en wat de gevolgen van die keuze zijn.

Paragraaf 4 Criteria voor toekenning en weigering jeugdhulp

Artikel 3.4.1 Criteria individuele voorzieningen

1.Jeugdigen of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover:

  • a.

    zij op eigen kracht, met gebruikelijke hulpof met hulp van andere personen uit het sociale netwerk geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag;

  • b.

    zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een algemene voorziening, of;

  • c.

    zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een andere voorziening.

Artikel 3.4.2 Criteria persoonsgebonden budget

  • 1.

    Het college verstrekt een persoonsgebonden budget in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet indien:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan het budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en;

    • b.

      de jeugdige en zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college voorgestelde aanbieder, niet passend achten, en;

    • c.

      naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en zijn ouder van het persoonsgebonden budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.

  • 2.

    Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 8.1.4 eerste lid, onderdeel a, d of e van de Jeugdwet.

  • 3.

    Onverminderd artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, verstrekt het college geen persoonsgebonden budget voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt.

  • 4.

    Aanvrager dient een verklaring omtrent gedrag te overleggen van de gekozen zorgverlener die de individuele ondersteuning gaat leveren.

Artikel 3.4.3 Berekening hoogte persoonsgebonden budget

  • 1.

    De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt op maat vastgesteld.

  • 2.

    De hoogte van het persoonsgebonden budget:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan met begroting als bedoeld in artikel 3.3.4 van de verordening over hoe zij het persoonsgebonden budget gaan besteden, en

    • b.

      is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede jeugdhulp in te kopen, en

    • c.

      wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura die de gemeente beschikbaar heeft.

    • d.

      de hoogte van het persoonsgebonden budget bedraagt voor jeugdhulp ingekocht bij een professionele hulpverlener ten hoogste 100% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura die de gemeente beschikbaar heeft;

    • e.

      wanneer de jeugdige of zijn ouder met het persoonsgebonden budget niet professionele jeugdhulp verwerft, wordt de hoogte van het persoonsgebonden budget gesteld op het geldend minimum uurloon voor 23 jaar en ouder.

  • 3.

    Het college indexeert jaarlijks het tarief voor individuele voorzieningen in natura conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau van de Statistiek en de NEA-index. Hier wordt bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget rekening mee gehouden.

Artikel 3.4.4 Criteria sociaal netwerk

  • 1.

    De persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, mits:

    • a.

      dit aantoonbaar tot kwalitatieve hulp leidt en doelmatiger is dan de inzet van een voorziening in natura of een voorziening bekostigd uit een persoonsgebonden budget voor professionele hulp;

    • b.

      deze persoon heeft aangegeven dat de hulp aan de jeugdige en/of ouder voor hem niet tot overbelasting leidt;

    • c.

      tussenpersonen of belangbehartigers niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald.

  • 2.

    De persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan de jeugdhulp alleen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, wanneer er sprake is van een beperking en deze vorm van ondersteuning noodzakelijk is voor het kunnen wonen en functioneren van de jeugdige binnen het eigen gezin. Voor deze vorm van besteding van persoonsgebonden budget gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    de hulp is niet goed vooraf in te plannen;

  • b.

    de hulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden;

  • c.

    de hulp moet op veel korte momenten per dag geboden worden;

  • d.

    de hulp moet op verschillende locaties worden geleverd;

  • e.

    de hulp moet 24 uur per dag en op afroep beschikbaar zijn;

  • f.

    de hulp moet geboden worden door een persoon waarmee de jeugdige geen hechtings- of contactprobleem heeft.

  • g.

    de hulp is alleen toegestaan voor persoonlijke verzorging, kortdurend verblijf en begeleiding.

Paragraaf 5 Verhouding prijs en kwaliteit

Artikel 3.5.1 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

  • c.

    een redelijke toeslag voor overheadkosten;

  • d.

    een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

  • e.

    kosten voor bijscholing van het personeel.

  • 1.

    Voor de zorg die met een persoonsgebonden budget wordt ingekocht bij een professionele zorgaanbieder, gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor vergelijkbare voorzieningen in natura.

  • 2.

    Voor de zorg die verleend wordt door een niet-professionele ondersteuner zijn de volgende kwaliteitseisen van toepassing:

  • a.

    de persoon verleent verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van een goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig, en cliëntgerichtheid wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige en de ouder

  • b.

    de kwaliteit van de voorziening moet voldoende zijn om de gestelde doelen in het budgetplan te kunnen realiseren;

  • c.

    de geleverde voorziening is afgestemd op de persoonlijke situatie van de aanvrager en de eventuele andere vormen van hulp en/of zorg in het gezin;

  • d.

    de persoon meldt iedere calamiteit en ieder geweld die bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering ervan plaatsvindt bij de Inspectie Jeugdzorg en het college;

  • e.

    de persoon stelt een vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te voeren.

Paragraaf 6 Vertrouwenspersoon

Artikel 3.6.1 Vertrouwenspersoon

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

  • 2.

    Het college wijst jeugdigen, ouders en pleegouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Hoofdstuk 4 Inkomensvoorziening Participatiewet

Paragraaf 1 Individuele inkomenstoeslag

Artikel 4.1.1 Indienen verzoek

Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.

Artikel 4.1.2 Langdurig laag inkomen

Een cliënt heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm.

Artikel 4.1.3 Hoogte individuele inkomenstoeslag

  • 1.

    Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:

  • a.

    € 366 voor een alleenstaande;

  • b.

    € 468 voor een alleenstaande ouder;

  • c.

    € 522 voor gehuwden.

  • 2.

    Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

  • 3.

    Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend.

  • 4.

    De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig het indexeringspercentage voor alimentaties en afgerond op hele euro’s.

Paragraaf 2 Individuele studietoeslag

Artikel 4.2.1 Indienen verzoek

Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.

Artikel 4.2.2 Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon

Het college kan met betrekking tot het oordeel of een cliënt met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie, het UWV of een andere externe adviseur om advies vragen.

Artikel 4.2.3 Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen

Een cliënt kan slechts eenmaal binnen een periode van 6 maanden in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.

Artikel 4.2.4 Hoogte individuele studietoeslag

  • 1.

    Een individuele studietoeslag bedraagt € 500.

  • 2.

    Het bedrag genoemd in het eerste lid wordt jaarlijks geïndexeerd conform het indexeringspercentage voor alimentaties en afgerond op hele euro's.

Artikel 4.2.5 Betaling individuele studietoeslag

Een individuele studietoeslag wordt eenmalig als één bedrag uitbetaald.

Paragraaf 3 Handhaving

Artikel 4.3.1 Beleidsplan

  • 1.

    Het college stelt een beleidsplan vast voor de bestrijding van het ten onrechte (tot een te hoog bedrag) ontvangen van de uitkering en bijzondere bijstand.

  • 2.

    Dit plan omvat in elk geval:

    • a.

      maatregelen in het kader van fraudepreventie;

    • b.

      voorlichting;

    • c.

      een beschrijving van de instrumenten die kunnen worden ingezet bij de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand of uitkering.

  • 3.

    Het college zendt eenmaal per jaar aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid.

Artikel 4.3.2 Vaststellen van de rechtmatigheid

  • 1.

    Het college onderzoekt de rechtmatigheid van de uitkering.

  • 2.

    Het onderzoek zoals bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd bij de aanvraag, gedurende de verstrekking van de uitkering, en bij beëindiging van de uitkering.

  • 3.

    Het college stelt hiertoe een onderzoeksplan op.

Paragraaf 4 Afstemming

Artikel 4.4.1 Het besluit tot opleggen van een verlaging

In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering, als bedoeld in artikelen 9a, twaalfde lid en 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ, wordt in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging;

  • a.

    de duur van de verlaging;

  • b.

    het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en

  • c.

    indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.

Artikel 4.4.2 Horen van de cliënt

  • 1.

    Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 2.

    Het horen van cliënt kan achterwege worden gelaten indien:

    • a.

      de vereiste spoed zich daartegen verzet;

    • b.

      de cliënt reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

    • c.

      het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid;

    • d.

      de verlaging wordt opgelegd wegens ernstige misdragingen als bedoeld in artikel 4.4.14 van deze verordening.

Artikel 4.4.3 Afzien van het opleggen van een verlaging

  • 1.

    Het college ziet af van het opleggen van een verlaging indien:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of

    • b.

      de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden; of

    • c.

      het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 2.

    Als het college afziet van het opleggen van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een cliënt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Artikel 4.4.4 Ingangsdatum en tijdvak van de verlaging

  • 1.

    Een verlaging wordt toegepast op de uitkering inclusief bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een cliënt is bekendgemaakt.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Participatiewet als de verwijtbare gedraging van cliënt in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.

  • 3.

    Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast voor zover de uitkering inclusief de bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 4.4.2 van deze verordening nog niet is uitbetaald en de ingangsdatum van de verlaging niet voor de te sanctioneren gedraging komt te liggen.

  • 4.

    Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als cliënt binnen een termijn van een jaar opnieuw een uitkering ontvangt.

  • 5.

    In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor het levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, de verlaging met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve vaststelling van de bijstand.

Artikel 4.4.5 Berekeningsgrondslag

  • 1.

    Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. Daarbij wordt uitgegaan van de op het tijdstip van toepassing van de verlaging geldende bijstandsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt een verlaging berekend over de bijzondere bijstand als de verwijtbare gedraging van cliënt in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.

  • 3.

    Bij toepassing van het tweede lid, moet in artikelen 4.4.8, 4.4.9, 4.4.10, 4.4.11, 4.4.12, 4.4.13, 4.4.14 en 4.4.15 van dit hoofdstuk, tenzij er een specifieke bepaling is opgenomen, ‘ de bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’.

Artikel 4.4.6 Samenloop van gedragingen

  • 1.

    Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen of een geüniformeerde verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

  • 2.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen of een geüniformeerde verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedragingen, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de cliënt niet verantwoord is.

  • 3.

    Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening genoemde verplichting of een geüniformeerde verplichting als bedoeld artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, als de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

  • 4.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening genoemde verplichting of een geüniformeerde verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet als de inlichtingplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de cliënt niet verantwoord is.

Artikel 4.4.7 Recidive

  • 1.

    De duur van de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld als een cliënt, zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging.

  • 2.

    De duur en/of hoogte van de verlaging wordt individueel vastgesteld als een cliënt, zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een recidivebesluit als bedoeld in lid 1, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging.

  • 3.

    Als een cliënt zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet (‘de geüniformeerde arbeidsverplichtingen’), opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.

  • 4.

    Met een besluit waarmee een verlaging is toegepast wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 4.4.3, tweede lid van de verordening en een besluit waarmee een verlaging is toegepast op grond van artikel 18 lid vierde lid van de Participatiewet.

Niet nakomen van de niet-geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 4.4.8 Gedragingen Participatiewet

Gedragingen van een cliënt waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, en 9a, 17, tweede lid, en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • 1.

    Eerste categorie:

    a.het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

  • 2.

    Tweede categorie:

    • a.

      het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling

    • b.

      het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;

    • c.

      het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een cliënt jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet;

    • d.

      het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet;

    • e.

      het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;

    • f.

      het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet;

  • 3.

    Derde categorie:

het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.

Artikel 4.4.9. Gedragingen IOAW en IOAZ

Gedragingen van een cliënt waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • 1.

    Eerste categorie:

    a.het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

  • 2.

    Tweede categorie:

    • a.

      het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

    • b.

      het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ;

    • c.

      het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;

    • d.

      het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.

  • 3.

    Derde categorie:

    • a.

      gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren;

    • b.

      het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

    • c.

      het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;

  • 4.

    Vierde categorie:

    • a.

      het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;

    • b.

      het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a of b, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, onder a of b, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

Artikel 4.4.10 Hoogte en duur van de verlaging

  • 1.

    De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 4.4.8 en 4.4.9, wordt vastgesteld op:

    • a.

      vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;

    • b.

      tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;

    • c.

      vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie.

    • d.

      honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.

  • 2.

    In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a van dit artikel kan worden volstaan wordt met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van 24 maanden gerekend vanaf de datum waarop eerder aan de cliënt een zodanige waarschuwing is gegeven.

  • 3.

    Met de in het vorige lid genoemde datum wordt bedoeld de datum waarop de schriftelijke waarschuwing is verzonden.

Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 4.4.11 Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting

Als een cliënt een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.

Artikel 4.4.12 Verrekenen verlaging

Bij een verlaging als bedoeld in artikel 4.4.11 van deze verordening, kan in bijzondere omstandigheden de verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de verlaging wordt toebedeeld.

Overige gedragingen die leiden tot een verlaging

Artikel 4.4.13 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1.

    Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt vastgesteld op:

    • a.

      het benadelingsbedrag gedurende een maand bij een benadelingsbedrag lager dan de bijstandsnorm.

    • b.

      honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag van de bijstandsnorm tot € 5.000,--.

    • c.

      honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij een benadelingsbedrag van € 5.000,-- tot € 10.000,--;

    • d.

      honderd procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij een benadelingsbedrag van € 10.000,-- of hoger.

  • 2.

    Indien sprake is tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in relatie met het recht op bijzondere bijstand anders dan op grond van artikel 12 van de Participatiewet, wordt de verlaging vastgesteld op het benadelingsbedrag.

  • 3.

    Indien een cliënt niet kan beschikken over een passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht, wordt een maatregel opgelegd van honderd procent gedurende de eerste drie maanden van de bijstandsverlening gerekend vanaf de start van de verrekening.

Artikel 4.4.14 Zeer ernstige misdragingen

  • 1.

    Als een cliënt zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.

  • 2.

    Als een cliënt zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of de IOAZ, wordt een verlaging opgelegd van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.

Artikel 4.4.15 Niet nakomen van overige verplichtingen

Als een cliënt een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:

  • a.

    twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;

  • b.

    twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;

  • c.

    veertig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;

  • d.

    honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

Hoofdstuk 5 Participatie

Paragraaf 1 Re-integratie, Beleid en financiën

Artikel 5.1.1 Budgetplafonds

  • 1.

    Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening.

  • 2.

    Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.

  • 3.

    Het college kan bepalen dat een bijdrage van een persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a 7º, van de Participatiewet, wordt gevraagd.

Artikel 5.1.2 Evenwichtige verdeling en financiering

  • 1.

    Het college biedt aan een persoon uit de doelgroep en voor zover het college dat noodzakelijk acht een voorziening aan.

  • 2.

    Het college kan de voorziening, bedoeld in de artikelen 5.2.2, 5.2.4, 5.2.5, 5.2.6 en 5.2.7 van deze verordening aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep waarbij het te bereiken resultaat economische zelfredzaamheid is.

  • 3.

    Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.2.3 en 5.2.7 van deze verordening aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep waarbij het te bereiken resultaat vooralsnog sociale zelfredzaamheid is

  • 4.

    Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen en de invulling daarvan, biedt het college maatwerk. Daarbij wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de voorziening, gelet op de omstandigheden, mogelijkheden, capaciteiten, functionele beperkingen en indien mogelijk rekening houdend met de wensen van de belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op het te bereiken resultaat. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en

    • b.

      de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.

  • 5.

    Het college draagt zorg voor voldoende mogelijkheden aan ondersteuning en voorzieningen.

  • 6.

    Het college zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid.

Paragraaf 2 Voorzieningen re-integratie

Artikel 5.2.1 Algemene bepalingen over voorzieningen

  • 1.

    Een voorziening moet gericht zijn op en bijdragen aan het (op termijn) bereiken van economische zelfstandigheid van een persoon (‘het resultaat’).

  • 2.

    Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een uitvoeringsplan vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden om het resultaat te bereiken en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.

  • 3.

    Het college kan een voorziening beëindigen als:

    • a.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt;

    • b.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;

    • c.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de wet;

    • d.

      naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een duurzame en snelle arbeidsinschakeling;

    • e.

      de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening;

    • f.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;

    • g.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

Artikel 5.2.2 Maatwerkvoorziening gericht op economische zelfredzaamheid (kort traject)

  • 1.

    Het college kan een persoon uit de doelgroep een maatwerkvoorziening aanbieden gericht op economische zelfredzaamheid voor zover hij niet op eigen kracht algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen, maar daartoe met de ondersteuning wel binnen afzienbare termijn in staat is of om zijn aanwezige arbeidsvermogen te vergroten.

  • 2.

    De duur van het traject is maximaal 3 maanden. Deze termijn kan eenmalig worden verlengd met 3 maanden. In bijzondere omstandigheden kan het college van deze termijnen afwijken.

  • 3.

    Scholing kan onderdeel uitmaken van de ondersteuning voor zover de scholing naar het oordeel van het college bijdraagt aan het te bereiken resultaat.

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing op personen jonger dan 27 jaar die uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen.

  • 5.

    Nazorg kan onderdeel uitmaken van de ondersteuning voor de duur van maximaal twaalf maanden na acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid.

Artikel 5.2.3 Maatwerkvoorziening gericht op sociale zelfredzaamheid

Het college kan een persoon een maatwerkvoorziening aanbieden gericht op sociale zelfredzaamheid voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in dit hoofdstuk.

Artikel 5.2.4 Maatwerkvoorziening beschut werk

  • 1.

    het college biedt conform artikel 10.b lid 1 van de Participatiewet de voorziening beschut werk alleen aan indien door het UWV beoordeeld is, dat de persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

  • 2.

    de datum van het (positief) advies van het UWV is bepalend voor de volgorde van het aanbod van de voorziening beschut werk;

  • 3.

    het aantal jaarlijks te realiseren dienstbetrekkingen is beperkt tot het aantal waarvoor de gemeente middelen ontvangt van het rijk, dan wel het aantal dat bij ministeriële regeling is vastgesteld.

  • 4.

    wanneer het aantal (positieve) adviezen van het UWV het in enig jaar te realiseren aantal dienstbetrekkingen overtreft, kan het college in overleg met betrokkene(n) een andere voorziening inzetten tot het moment dat de dienstbetrekking aanvangt. Hiertoe behoren sociale activering, scholing, persoonlijke ondersteuning, maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie zoals bedoeld in de Wmo 2015 en schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening als mogelijk in te zetten voorzieningen;

  • 5.

    het college wijst een organisatie aan die optreedt als werkgever van de personen in beschut werk;

  • 6.

    om de in artikel 10b, lid 1 van de Participatiewet bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken en te laten voortduren, zet het college waar nodig de volgende voorzieningen in: proefplaatsing, fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

Artikel 5.2.5 Maatwerkvoorziening ondersteuning bij leer-werktraject

Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft:

  • a.

    van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of

  • b.

    van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

Artikel 5.2.6 Maatwerkvoorziening participatieplaats

  • 1.

    Het college biedt aan degene die op grond van artikel 10a van de wet additionele werkzaamheden verricht een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan in de vorm van een scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert. Doel van deze scholing of opleiding is het behalen van een diploma of certificaat met minstens het niveau van een startkwalificatie tenzij naar het oordeel van het College een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de cliënt te boven gaat.

  • 2.

    De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt € 300,- per 6 maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

Artikel 5.2.7 Maatwerkvoorziening persoonlijke ondersteuning

  • 1.

    Aan een persoon, die behoort tot de doelgroep als bedoeld in de wet, kan het college persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten.

  • 2.

    Het college kan in bijzondere omstandigheden aan personen die met een voorziening als bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk (loonkostensubsidie) werkzaam zijn persoonlijke ondersteuning anders dan bij het verrichten van de aan hem opgedragen taken, aanbieden ter voorkoming van uitval.

  • 3.

    Het college kan aan de duur van de persoonlijke ondersteuning een maximum verbinden.

Paragraaf 3 Loonkostensubsidie

Artikel 5.3.1 Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort

  • 1.

    Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de wet.

  • 2.

    Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:

    • a.

      een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet;

    • b.

      die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en;

    • c.

      die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

  • 3.

    Een nader door het college aan te wijzen instantie adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. De adviesinstantie neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht.

Artikel 5.3.2 Vaststelling loonwaarde

  • 1.

    Het college gebruikt de Dariuz Works Loonwaardemeting om de loonwaarde van een persoon vast te stellen.

  • 2.

    Een nader door het college aan te wijzen instantie adviseert het college met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Het neemt daarbij de Dariuz Works Loonwaardemeting in acht.

Paragraaf 4 Tegenprestatie

Artikel 5.4.1 Inhoud van een tegenprestatie

  • 1.

    Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:

    • a.

      naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;

    • b.

      niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument;

    • c.

      worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en

    • d.

      niet leiden tot verdringing.

  • 2.

    Het college neemt in het uitvoeringsplan zoals bedoeld in 5.2.1, tweede lid van deze verordening tevens op welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden, de prioritering binnen en tussen doelgroepen bij het opdragen van een tegenprestatie en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.

Artikel 5.4.2 Het aanbieden van een tegenprestatie

  • 1.

    Het college kan een persoon met afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie aanbieden en stimuleren deze te vervullen.

  • 2.

    Bij het aanbieden van een tegenprestatie staat “meedoen naar vermogen” en “maatwerk” centraal. Het college houdt rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van de persoon;

    • b.

      de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een persoon moeten in overweging genomen;

    • c.

      maatschappelijke activiteiten, verplichte inburgeringsactiviteiten of vrijwilligerswerk die/dat al worden verricht

  • 3.

    De persoon aan wie het college voornemens is een tegenprestatie aan te bieden kan binnen een redelijke termijn aan het college kenbaar maken welke werkzaamheden hij als tegenprestatie verricht of wil verrichten.

  • 4.

    Het college verstrekt hiertoe voldoende voorlichtingsmateriaal, waaronder een lijst van organisaties in de gemeente waar in ieder geval onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden verricht.

  • 5.

    Indien de persoon zelf geen passende werkzaamheden kan vinden, wordt hij door het college ondersteund bij het zoeken van werkzaamheden die als tegenprestatie kunnen worden aangemerkt of worden door het college werkzaamheden aangeboden.

  • 6.

    Het college beoordeelt of de voorgestelde werkzaamheden voldoen aan de voorwaarden als genoemd in Paragraaf 4, artikel 5.4.1 van dit hoofdstuk, neemt een besluit over acceptatie van de tegenprestatie en bevestigt dat schriftelijk.

  • 7.

    Het college biedt geen tegenprestatie aan indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

  • 8.

    Indien het college geen tegenprestatie aanbiedt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college binnen zes maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

Artikel 5.4.3 Duur en omvang van een tegenprestatie

  • 1.

    De tegenprestatie wordt aangeboden voor de maximale duur van 12 maanden.

  • 2.

    De tegenprestatie wordt aangeboden voor maximaal 12 uren per week.

  • 3.

    De tegenprestatie kan maximaal 3 maal in een periode van 5 jaar worden aangeboden.

Artikel 5.4.4 Mantelzorg en vrijwilligerswerk

Het college biedt geen tegenprestatie aan indien een persoon:

  • a.

    aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie die op grond van deze verordening kan worden opgedragen;

  • b.

    mantelzorg verricht voor zover het verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is en naar omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie.

Hoofdstuk 6 leerlingenvervoer

Paragraaf 1 Vervoersvoorziening

Artikel 6.1.1 De door het college noodzakelijk te achten vervoersvoorziening

  • 1.

    Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

  • 2.

    Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen.

  • 3.

    De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.

  • 4.

    Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag verstrekt aan de leerling.

Artikel 6.1.2 Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

  • 1.

    Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.

  • 2.

    Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan een andere school van dezelfde onderwijssoort, ontstaat slechts aanspraak op een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.

Artikel 6.1.3 Toekenning vervoersvoorziening

Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.

Artikel 6.1.4 Aanvraagprocedure

  • 1.

    Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens.

  • 2.

    Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken.

  • 3.

    Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens.

  • 4.

    Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.

  • 5.

    Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:

    • a.

      wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag;

    • b.

      wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum.

Artikel 6.1.5 Doorgeven van wijzigingen

  • 1.

    De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen aan het college.

  • 2.

    Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe.

  • 3.

    Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening terstond en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan de ouders.

  • 4.

    Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening.

Artikel 6.1.6 Peildatum leeftijd leerling

Voor het toekennen van een vervoersvoorziening op basis van artikel 6.2.3 is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de voorziening betrekking heeft.

Artikel 6.1.7 Andere vergoedingen

De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht.

Artikel 6.2.1 Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs

  • 1.

    In deze paragraaf wordt verstaan onder school:

    • a.

      een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; of

    • b.

      een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op leerlingen van scholen voor speciaal en voortgezet onderwijs die voortgezet speciaal onderwijs volgen:

  • 3.

    Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6.1.3 wordt een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en:

    • a.

      de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, of

    • b.

      een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a.

  • 4.

    Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.

Artikel 6.2.2 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets

  • 1.

    Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld in artikel 6.2.1 lid 1a bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes km bedraagt.

  • 2.

    Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld in artikel 6.2.1 lid 1b bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan twee km bedraagt.

  • 3.

    Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste en/of tweede lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets.

Artikel 6.2.3 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider

  • 1.

    Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld in artikel 6.2.1 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider indien:

    • a.

      aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 6.2.2 en de leerling jonger dan negen jaar is, en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, of

    • b.

      de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.

  • 2.

    Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking.

Artikel 6.2.4 Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer

  • 1.

    Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld in artikel 6.2.1 bezoekt, indien:

    • a.

      aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 6.2.2 of 6.2.3 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;

    • b.

      aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 6.2.2 of 6.2.3 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets;

    • c.

      aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 6.2.3 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of

    • d.

      de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van openbaar vervoer gebruik te maken.

  • 2.

    Indien begeleiding in het aangepast vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepast vervoer.

Artikel 6.2.5 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer

  • 1.

    Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.

  • 2.

    Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren:

    • a.

      een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; of

    • b.

      een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid.

  • 3.

    Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid.

  • 4.

    Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.

  • 5.

    Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.

Artikel 6.2.6 Drempelbedrag

  • 1.

    a. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan € 25.650,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 6.2.2 lid 1 bepaalde afstand te boven gaan.

  • b.

    Aan de ouders van een leerling die een speciale school voor basisonderwijs zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan 155% van het onder artikel 6.2.6 lid 1a vermelde bedrag rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 6.2.2 lid 1 bepaalde afstand te boven gaan.

  • 2.

    a. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 6.2.2 lid bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 25.650,-.

  • b.

    In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 6.2.2 lid bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan 155% van het onder artikel 6.2.6 lid 1a vermelde bedrag rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-.

  • 3.

    De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 6.2.2. lid 1 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

  • 4.

    Het bedrag van € 25.650,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2017 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 25.650,-.

  • 5.

    Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

  • 6.

    Het drempelbedrag, genoemd in het eerste en tweede lid, wordt geheven voor het eerste en tweede kind uit hetzelfde gezin.

Artikel 6.2.7 Financiële draagkracht

  • 1.

    Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.

  • 2.

    In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.

  • 3.

    De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Zij bedragen:

Inkomen in euro’s

Eigen bijdragen in euro’s

0-32.500

Nihil

32.500-39.000

130

39.000-45.000

545

45.000-51.000

1015

51.000-58.000

1485

58.000-64.000

1955

64.000 en verder

Voor elke extra € 5.000: € 480 erbij

  • 4.

    De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2014 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.

  • 5.

    De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2014 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.

  • 6.

    Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

Paragraaf 3 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs

Artikel 6.3.1 Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs

  • 1.

    In deze paragraaf wordt verstaan onder school:

    • a.

      een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs; of

    • b.

      een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.

  • 2.

    Deze paragraaf is alleen van toepassing op leerlingen van scholen voor speciaal en voortgezet (speciaal) onderwijs die voortgezet onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs volgen.

  • 3.

    Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer eventuele (vervoers) adviezen van deskundigen die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.

Artikel 6.3.2 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets

  • 1.

    Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld in artikel 6.3.1 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet zelfstandig van de fiets gebruik kan maken.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets/ bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets/ bromfiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per fiets/ bromfiets.

Artikel 6.3.2a. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding en vervoer per fiets

  • 1.

    Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld in artikel 6.3.1 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer van de leerling en een begeleider, indien de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.

  • 2.

    Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking.

  • 3.

    In afwijking van de bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, zoals bedoeld in het eerste lid, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets.

Artikel 6.3.3 Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer

  • 1.

    Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoeraan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld in artikel 6.3.1 bezoekt, indien:

    • a.

      aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 6.3.2 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;

    • b.

      aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 6.3.2 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets;

    • c.

      aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 6.3.2 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of

    • d.

      de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van openbaar vervoer gebruik te maken.

  • 2.

    Indien begeleiding in het aangepaste vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepaste vervoer.

Artikel 6.3.4 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer

  • 1.

    Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.

  • 2.

    Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren:

    a.een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; b. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid.

  • 3.

    Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid.

  • 4.

    Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.

  • 5.

    Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.

Paragraaf 4 Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer

Artikel 6.4.1 Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie aan in de gemeente wonende ouders

Met inachtneming van artikel 6.1.2 kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze paragraaf.

Artikel 6.4.2 Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie

  • 1.

    Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindvervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties.

  • 2.

    Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.

  • 3.

    Paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk 6 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 6.2.4, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 6.3.3, eerste lid, aanhef en onder a.

Hoofdstuk 7 Wmo

Paragraaf 1 Maatwerkvoorziening

Artikel 7.1.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college neemt het persoonlijk plan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening;

  • 2.

    het college zet bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening zal worden verstrekt, steeds de ondersteuningsvraag van de cliënt centraal en betrekt bij de beoordeling van diens aanvraag alle betrokken belangen, waaronder de belangen van de cliënt zelf, diens naaste omgeving, diens familie, het maatschappelijk belang in algemene zin en de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid;

  • 3.

    de maatwerkvoorziening wordt toegekend, indien cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid en/of participatie door gebruik te maken van: eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of vrijwilligerszorg; algemene voorzieningen en/of; een voorziening op grond van andere wet- en regelgeving conform artikel 2.3.5 lid 5 van de Wet;

  • 4.

    een maatwerkvoorziening draagt bij aan het bereiken van de volgende resultaten: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en/of; het voeren van een gestructureerd huishouden en/of; het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en/of; beschermd woont en/of; wordt opgevangen;

  • 5.

    indien meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, kent het college de goedkoopst compenserende voorziening toe;

  • 6.

    bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning, wordt onderzocht of verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is.

Artikel 7.1.2 Weigeringsgronden

  • 1.

    Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 7.1.1 lid 3 van deze verordening;

    • b.

      indien het een voorziening betreft die de cliënt voor de melding, aanvraag of het besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend;

    • c.

      voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;

    • d.

      voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht.

  • 2.

    Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in- en om de woning gebruikte materialen;

    • b.

      voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft;

    • c.

      indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen andere noodzakelijke reden voor verhuizing aanwezig is;

    • d.

      indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

    • e.

      voor zover het voorzieningen in woongebouwen betreft die specifiek gericht zijn op ouderen of mensen met beperkingen en die bij nieuwbouw of renovatie meegenomen kunnen worden;

    • f.

      als de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld.

    • g.

      Het college verstrekt geen woonvoorziening als de cliënt woont in of verhuist naar een hotel, pension, trekkerswoonwagen, vakantiewoning, tweede woning of intramurale opvang.

  • 3.

    Geen pgb ten behoeve van een verhuizing wordt verstrekt:

    • a.

      als cliënt voor het eerst zelfstandig gaat wonen;

    • b.

      als cliënt verhuist naar een tijdelijke woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar te bewonen.

Paragraaf 2 Persoonsgebonden budget

Artikel 7.2.1 Regels voor het persoonsgebonden budget (pgb)

  • 1.

    Het college verstrekt, indien cliënt dit wenst, een pgb indien:

    • a.

      de cliënt op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger (niet zijnde de hulpverlener), in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

    • b.

      de cliënt de aan het pgb verbonden taken en verantwoordelijkheden op verantwoorde wijze kan uitvoeren en op zich kan nemen;

    • c.

      de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen;

    • d.

      het college van oordeel is dat de in te kopen maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is en effectief bijdraagt aan het te bereiken resultaat.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de Wmo 2015 verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt.

  • 3.

    De hoogte van een pgb

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden;

    • b.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura;

    • c.

      wanneer cliënt niet professionele ondersteuning verwerft of via het informele circuit ondersteuning verwerft, wordt de hoogte van het pgb bepaald aan de hand van het geldend minimum uurloon vanaf 23 jaar;

    • d.

      een pgb ten behoeve van verhuizing bedraagt de werkelijke kosten (tot maximaal € 2.500)

    • e.

      indien verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is en cliënt niet wenst te verhuizen, wordt de hoogte van een eenmalige pgb voor aanpassing van de betreffende woning vastgesteld op maximaal€ 2.500.

    • f.

      een pgb voor het gebruik van een (rolstoel)taxi/individueel taxivervoer bedraagt het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van maximaal 500 zones per jaar;

    • g.

      Het bezit van een eigen auto is algemeen gebruikelijk. Indien het gebruik van de eigen auto in het specifieke geval van de cliënt niet als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, bedraagt het pgb voor het gebruik van de eigen auto €0,19 per kilometer tot 2500 kilometer per jaar;

    • h.

      van de maxima genoemd in sub d tot en met g kan op basis van maatwerk gemotiveerd worden afgeweken indien deze niet toereikend blijken te zijn.

    • i.

      een pgb ten behoeve van een autoaanpassing bedraagt de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen. Aan het verkrijgen van een pgb voor een autoaanpassing, zijn de volgende voorwaarden verbonden:

      • i.

        de cliënt vraagt minimaal twee offertes aan;

      • ii.

        het college accepteert de geldende goedkoopst adequate offerte;

      • iii.

        alleen noodzakelijke op het vervoer van de cliënt of het gebruik door de cliënt gerichte autoaanpassingen komen voor een pgb in aanmerking. Aanpassingen die zijn gericht op comfort zoals wandbekleding en isolatie komen niet voor vergoeding in aanmerking.

    • j.

      Een pgb voor aanschaf van een sportvoorziening bedraagt maximaal de laagste prijs die hiervoor zouden worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde leverancier. Een sportvoorziening wordt verstrekt als er een noodzaak bestaat voor maatschappelijke participatie;

    • k.

      een pgb ten behoefte van het bezoekbaar maken van een woning bedraagt de laagste kosten van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aannemer en rekening houdend met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer;

    • l.

      een pgb voor het bezoekbaar maken van een woning voor een cliënt die buiten de gemeente woont of een cliënt met een WLZ indicatie bedraagt de werkelijke kosten tot een maximum van € 5.000,- Uit het pgb worden alleen de kosten voor aanpassing van de entree, de woonkamer en het toilet vergoed;

    • m.

      Indien een pgb wordt verstrekt voor de aanschaf van goederen wordt indien van toepassing een (jaarlijks) bedrag verstrekt ter dekking van een deel van of de totale onderhouds- en reparatiekosten. De maximale vergoeding staat gelijk aan het bedrag voor onderhouds- en reparatiekosten voor de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening in natura.

    • n.

      Het tarief voor maatwerkvoorzieningen in natura wordt jaarlijks geïndexeerd conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau van de Statistiek en de NEA-index. Hier wordt bij de toekenning van het pgb rekening mee gehouden.

  • 4.

    Een pgb ten behoeve van tijdelijke huisvesting of dubbele woonlasten bedraagt maximaal de werkelijk gemaakte kosten, voor een periode van maximaal drie (3) maanden met als maximum de maximale huurgrens als genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag.

  • 5.

    Wanneer cliënt via het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer gecompenseerd wordt (Wmo-taxi) dan is er geen sprake van een bijdrage in de kosten. Er is dan sprake van een reizigersbijdrage (per zone) die overeenkomt met de geldende tarieven van het reguliere openbaar vervoer.

Artikel 7.2.2 Opschorting betaling uit het pgb

Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet.

Paragraaf 3 Bijdrage in de kosten van een algemene voorziening

Artikel 7.3.1 Regels voor bijdrage in de kosten van een algemene voorziening

Voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde onafhankelijke cliëntondersteuning, kan de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn. De raad bepaalt de hoogte van deze eigen bijdrage, die kan worden vastgelegd in door het college te nemen subsidie-besluiten aan de betrokken uitvoerende organisaties op grond van de subsidieverordening.

Artikel 7.3.2 Regels voor bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening en pgb

  • 1.

    Overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is, met uitzondering van de rolstoel en maat-werkvoorzieningen woningaanpassingen voor jeugdigen tot 18 jaar, cliënt voor het gebruik van een maatwerkvoorziening en pgb een bijdrage in de kosten verschuldigd.

  • 2.

    De omvang van de verschuldigde bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en pgb worden vastgesteld op de maximale bijdrage binnen de kaders van artikel 3.1 en artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 3.

    De omvang van de verschuldigde bijdrage in de kosten voor opvang wordt binnen de kaders van artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vastgesteld.

  • 4.

    Het Centraal Administratie Kantoor stelt de bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en pgb, vast en int deze.

  • 5.

    Het college stelt de bijdrage in de kosten voor opvang vast en int deze.

  • 6.

    De eigen bijdrage is nooit meer dan de maximale kostprijs van de voorziening.

  • 7.

    Voor de maatwerkvoorziening individuele begeleiding en dagbesteding wordt de eigen bijdrage berekend op de kostprijs per uur tot een maximum van de kostprijs voor huishoudelijke hulp. Voor de maatwerkvoorziening kortdurend verblijf is de eigen bijdrage de kostprijs tot een maximum van de kostprijs per uur van huishoudelijke hulp.

  • 8.

    Bij bepaalde vormen van bemoeizorg voor maatschappelijke zorgdoelgroepen is de cliënt geen bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening verschuldigd. Het gaat om de doelgroepen, bij wie zorgmijding leidt tot maatschappelijke uitval, of deze in stand houdt. Dit artikel is van toepassing op de volgende vormen van bemoeizorg:

    • a.

      Bemoeizorg met vermoeden van verslavingsproblematiek of GGZ problematiek

    • b.

      Consultatie & Advies vraag vanuit de uitvoeringsdienst t.b.v. verslavingsproblematiek of GGZ problematiek

    • c.

      Advies bij Methadonverstrekking

    • d.

      Begeleiding naasten waaronder mantelzorgers t.b.v. omgang verslavingsproblematiek

    • e.

      Administratieve ondersteuning bij aanhoudende verslavingsproblematiek

    • f.

      Begeleidingstraject daklozenopvang

    • g.

      Ambulant begeleidingstraject vrouwenopvang

    • h.

      Cliënten tot en met 23 jaar zijn geen bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening verschuldigd. Daarmee worden deze cliënten gelijk behandeld met hun leeftijdsgenoten die onder de verlengde jeugdzorg vanuit de Jeugdwet vallen.

Paragraaf 4 Kwaliteit

Artikel 7.4.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wmo 2015, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • d.

      voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

  • 2.

    Van aanbieders van een voorziening als pgb wordt minimaal dezelfde kwaliteitsstandaard verwacht als van aanbieders van een voorziening in natura.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en het uitvoeren van klantkwaliteitsonderzoeken zoals bedoeld in artikel 2.5.1 van de Wmo 2015 en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 7.4.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorzieningen door derden

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de

tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten en voorzieningen in ieder geval rekening met:

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    een redelijke toeslag voor overheadkosten;

  • c.

    een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

  • d.

    kosten voor bijscholing van het personeel;

  • e.

    kwaliteitseisen van de voorziening;

  • f.

    deskundigheid van beroepskrachten;

  • g.

    het handelen volgens professionele standaarden;

  • h.

    arbeidsvoorwaarden passend bij de vereiste vaardigheden van beroepskrachten en de zwaarte van de functie;

  • i.

    de eisen rondom duurzaamheid van de voorziening;

  • j.

    het creëren van maatschappelijke waarde door de aanbieder;

  • k.

    de reële kostprijs van de voorziening.

Paragraaf 5 Calamiteiten

Artikel 7.5.1 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan;

  • 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar;

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over de afwikkeling daarvan en het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Paragraaf 6 Chronische zieken

Artikel 7.5.2 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

  • 1.

    Het college kan op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid van de participatie;

  • 2.

    Het college stelt nadere regels vast over de te verstrekken tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid van de participatie.

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen

Paragraaf 1 Klachten, medezeggenschap en inspraak

Artikel 8.1.1 Melding klachten

  • 1.

    Voor de afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op gedragingen jegens cliënt van het college of personen die namens haar meldingen en aanvragen behandelt, hanteert het college de klachtenregeling ingevolge de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    Onverminderd artikel 4.2.1 van de Jeugdwet en artikel 3.2 van de Wmo 2015 stellen aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie subsidie is verleend, een effectieve en laagdrempelige regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen jegens een cliënt en de uitvoering/ levering van de voorziening.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks klantkwaliteitsonderzoek.

Artikel 8.1.3 Betrekken van inwoners bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning

Paragraaf 2 Slotbepalingen

Artikel 8.2.1 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in deze verordening.

Artikel 8.2.2 Hardheidsclausule

Het college kan de bepalingen in deze verordening in bijzondere gevallen, ten gunste van de inwoner, buiten toepassing laten of daarvan afwijken. Voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze verordening beoogt te beschermen, tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 8.2.3 Indexering

Het college kan –tenzij anders aangegeven- jaarlijks per 1 januari de bedragen, opgenomen in deze of op deze verordening berustende nadere regels, verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek en de NEA-index.

Artikel 8.2.4 Monitoring

Het college verzamelt, ter bevordering van de kwaliteit en de continuïteit van voorzieningen, systematisch informatie over:

  • a.

    de ervaringen van cliënten bij de toegekende voorzieningen;

  • b.

    de mate waarop de toegekende voorzieningen bijdragen aan de (sociale/economische) zelfredzaamheid en participatie van cliënten;

  • c.

    in hoeverre de resultaten uit de beschikkingen daadwerkelijk worden bereikt.

Artikel 8.2.5 Intrekking verordeningen en overgangsrecht

  • 1.

    Met ingang van de inwerkingtreding van de Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018 worden de verordeningen: Verordening Jeugdhulp gemeente Blaricum, Verordening Participatie 2015, Verordening Inkomensvoorziening Participatiewet 2015, Verordening Leerlingenvervoer gemeente Blaricum 2014, Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Blaricum 2015 en de Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2015 ingetrokken.

  • 2.

    Een besluit, genomen op grond van genoemde verordeningen blijft na inwerkintreding van de Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018, voor de duur van dat besluit van kracht totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder bovengenoemde verordeningen en waarop nog niet is beslist bij het inwerkingtreden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening sociaal domein Blaricum 2018.

  • 4.

    Op bezwaarschriften en (hoger-)beroepschriften tegen een besluit op grond van genoemde verordening wordt beslist met inachtneming van de verordening die daarop van toepassing is.

Artikel 8.2.6 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie in het elektronisch gemeenteblad en werkt terug tot 1 mei 2018.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018”.

Bijlage 1: Gebruikelijke zorg jeugd

Gebruikelijke zorg omvat de normale, dagelijkse zorg die ouders geacht worden aan hun kinderen te bieden. Ouders behoren hun minderjarige kinderen (tot 18 jaar) te verzorgen, op te voeden en toezicht te bieden, ook als er sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking.

Er kan sprake zijn van noodzakelijke zorg op het gebied van verzorging, verpleging en begeleiding die uitgaat boven de zorg die redelijkerwijs kan worden verwacht bij een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen.

Bij de beoordeling van de zorgzwaarte wordt uitgegaan van een vijftal criteria:

  • 1.

    De leeftijd van het kind. Jongere kinderen hebben meer zorg nodig dan oudere kinderen. Gaandeweg de jaren nemen de vaardigheden en zelfstandigheid toe, en daarmee de zorgtaken af.

  • 2.

    De aard van de zorghandeling. Niet alle zorghandelingen komen standaard voor bij alle kinderen.

  • 3.

    De frequentie. Niet alle zorghandelingen komen structureel voor in het patroon van zorgtaken.

  • 4.

    De tijd die men besteedt aan de zorghandeling. Zorghandelingen kunnen bij bijzondere omstandigheden meer tijd vergen.

  • 5.

    Een samenhangende beoordeling waarbij de bovenstaande criteria als geheel worden beschouwd in het licht van de specifieke leef- en opgroeiomstandigheden van het kind.

Daarnaast wordt het onderstaande schema als uitgangspunt genomen. Het omvat in grote lijnen de normale ontwikkeling van kinderen zonder beperking in verschillende levensfasen.

Normale ontwikkeling kinderen uitgesplitst in levensfasen

 

Kinderen van 0 tot 3 jaar

 

•hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;

•ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

•zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

 

Kinderen van 3 tot 5 jaar

 

•kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

•kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

•hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

•hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

•zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

 

Kinderen van 5 tot 12 jaar

 

•kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

•kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

•hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;

•hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;

•zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

•hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

 

 

Kinderen van 12 tot 18 jaar

 

•hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

•kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

•kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;

•kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

•hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

•hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

•hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

•hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Bron: Factsheet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport “Zorg voor kinderen met een intensieve zorgvraag. Gebruikelijke zorg.”

Bijlage 2: Gebruikelijke Hulp Wmo 2015

Er wordt geen maatwerkvoorziening getroffen wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp. In deze paragraaf wordt toegelicht wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp.

Dit is het geval wanneer er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Of iemand inwonend is en behoort tot de leefeenheid, wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld.

Alle huisgenoten die 18 jaar of ouder zijn worden geacht om huishoudelijke hulp te bieden en een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Huisgenoten vanaf 23 jaar worden verondersteld een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren en daarmee de taken van cliënt over te nemen.

Gebruikelijke hulp door jonge huisgenoten

Er wordt van zowel volwassen als jonge huisgenoten een bijdrage verlangd in het huishouden. Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsfase van kinderen.

Voor gezonde jonge huisgenoten geldt:

  • -

    Huisgenoten tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden;

  • -

    Huisgenoten van 5 tot en met 12 jaar worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden; (zoals: opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien);

  • -

    Huisgenoten van 13 tot en met 17 jaar kunnen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden. (zoals: opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien en hun eigen kamer op orde houden. (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen)

Maatwerk

In de definitie van gebruikelijke hulp wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden, lange werkweken of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Ook redenen als 'niet gewend zijn om' of 'geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten’ leiden niet tot hulp uit hoofde van de Wmo 2015. In die situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen, maar via instructies gestuurd. Toch heeft de gemeente de mogelijkheid om, ondanks de aanwezigheid van huisgenoten, een maatwerkvoorziening toe te kennen. Dit is het geval wanneer aanwezige huisgenoten om aanwijsbare redenen niet, of onvoldoende, gebruikelijke hulp kunnen leveren. Ook dreigende overbelasting van een mantelzorger kan een reden zijn om huishoudelijke hulp te verstrekken.

Particuliere Hulp

De aanwezigheid van particuliere hulp, zoals een hulp van Schoonthuis, kan worden gezien als een vorm van gebruikelijke hulp. Wel moet worden meegewogen of de ‘gebruikelijk aanwezige’ schoonmaak voldoende toereikend is, vanuit Wmo 2015 maatstaven gezien. Hulp bij het huishouden vanuit de Wmo 2015 kan immers meer inhouden dan alleen schoonmaak en heeft ook een signalerende functie. Daarnaast kan het doel hiervan ook zijn het samen opwerken met de klant of het ondersteunen bij de organisatie van het huishouden.

De gemeente zal daarom steeds moeten onderzoeken en een afweging moeten maken of particuliere schoonmaakhulp voldoende is of dat inzet van huishoudelijke hulp vanuit de Wmo 2015 (ter aanvulling) noodzakelijk is. Van de klant wordt verwacht dat deze inzage geeft in de werkzaamheden van de particuliere hulp.

Indien een inwoner een beroep wil doen op de Wmo 2015 voor Huishoudelijke Hulp en nog geen gebruik maakt van een particuliere schoonmaakhulp, kan particuliere hulp niet gezien worden als gebruikelijke hulp. Wel kan de inwoner worden gewezen op de mogelijkheid van particuliere hulp, zoals Schoonthuis. Het staat de inwoner echter vrij om te kiezen voor ondersteuning vanuit de Wmo 2015.