Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Boxmeer

Regeling Maatschappelijke Participatie 2015

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBoxmeer
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingRegeling Maatschappelijke Participatie 2015
CiteertitelRegeling Maatschappelijke Participatie 2015
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Participatiewet
  2. Algemene wet bestuursrecht
  3. Gemeentewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

11-03-201501-01-2015Nieuwe regeling

24-02-2015

Boxmeers Weekblad van 10 maart 2015

I-SZ/2014/1811

Tekst van de regeling

Intitulé

Regeling Maatschappelijke Participatie 2015

Deze regeling heeft tot doel de maatschappelijke participatie van inwoners met een minimuminkomen te stimuleren. Het college acht het wenselijk om financiële belemmeringen zo veel als mogelijk weg te nemen zodat men daadwerkelijk aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Deze beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college de tegemoetkoming verstrekt op grond van de Participatiewet.

De nadere uitwerking van de Regeling Maatschappelijke Participatie 2015:

 

Artikel 1 Begrippen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze regeling worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.

  • 2.

    In deze regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      regeling: beleidsregels betreffende de bijzondere bijstand voor kosten van sociaal culturele en educatieve activiteiten evenals schoolkosten;

    • b.

      het college: het college van burgemeester en wethouders;

    • c.

      tegemoetkoming: een aanspraak op financiële middelen op grond van de Participatiewet;

    • d.

      schoolgaand kind: kind tot 18 jaar dat voortgezet onderwijs volgt;

    • e.

      studenten: studerenden van 18 jaar en ouder die recht hebben op studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering (WSF) of die recht hebben op een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS);

    • f.

      kalenderjaar: het tijdvak lopend van 1 januari tot 1 januari van het opvolgend jaar.

Artikel 2 Maatschappelijke participatie

Maatschappelijke participatie is het deelnemen aan activiteiten van sportieve, sociaal-culturele of educatieve aard met als doel sociale uitsluiting tegen te gaan. Onder kosten van maatschappelijke participatie wordt verstaan kosten van:

  • a.

    lidmaatschap van verenigingen op het gebied van sport, cultuur, educatie of ontspanning;

  • b.

    indirecte schoolkosten, niet zijnde de schoolkosten bedoeld in de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS).

Artikel 3 Rechthebbenden

  • 1.

    Recht op een tegemoetkoming maatschappelijke participatie bestaat voor de in Nederland woonachtige Nederlander of een daarmee gelijkgestelde vreemdeling als bedoeld in de Participatiewet die volgens de gemeentelijke basisadministratie woonachtig is in de gemeente.

  • 2.

    Recht op een tegemoetkoming maatschappelijke participatie bestaat voor een alleenstaande, een alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of gehuwden met ten laste komende kinderen, waarbij het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 115% van de toepasselijke bijstandsnorm; én,

  • 3.

    het in aanmerking te nemen vermogen lager is dan de toepasselijke vermogensgrens als bedoeld in de Participatiewet.

  • 4.

    Voor een tegemoetkoming maatschappelijke participatie ten behoeve van ten laste komende kinderen (tot 18 jaar) geldt dat deze kinderen tot het huishouden van de ouder/verzorger moeten behoren en ook daadwerkelijk op dit adres verblijven.

  • 5.

    Recht op de tegemoetkoming maatschappelijke participatie voor indirecte schoolkosten bestaat voor de ouder(s)/verzorger van een schoolgaand kind tot 18 jaar in het voortgezet onderwijs.

  • 6.

    Studenten hebben geen recht op een tegemoetkoming maatschappelijke participatie.

Artikel 4 Voorwaarden

Uitsluitend kosten voor maatschappelijke participatie conform artikel 2 komen in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van deze regeling.

Artikel 5 Maximale tegemoetkoming

  • 1.

    De hoogte van de tegemoetkoming voor maatschappelijke participatie (sociaal- culturele, educatieve en sportieve activiteiten) bedraagt maximaal per gezinslid € 120,00 per kalenderjaar.

  • 2.

    De hoogte van de tegemoetkoming voor maatschappelijke participatie (indirecte schoolkosten) bedraagt maximaal per schoolgaand kind in het voortgezet onderwijs tot 18 jaar € 115,00 per kalenderjaar.

Artikel 6 Aanvraagprocedure

  • 1.

    De aanvraag om een tegemoetkoming maatschappelijke participatie wordt schriftelijk bij het college ingediend op het daarvoor bestemde formulier en onder overlegging van de gevraagde gegevens.

  • 2.

    Op het aanvraagformulier wordt vermeld op welk gezinslid/gezinsleden de aanvraag betrekking heeft en welke kosten het betreft.

  • 3.

    De tegemoetkoming is gebaseerd op de werkelijk gemaakte, of te maken, kosten en de kosten moeten worden aangetoond.

  • 4.

    Tot uiterlijk 1 maart van het volgende kalenderjaar kunnen nog aanvragen voor kosten over het voorgaande kalenderjaar worden ingediend.

Artikel 7 Inlichtingenplicht

Indien het voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, verzoekt het college de aanvrager om aanvullende informatie te verstrekken. De aanvrager is op grond van de Participatiewet verplicht om de gevraagde gegevens te overleggen.

Artikel 8 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Maatschappelijke Participatie 2015.

Artikel 9 Inwerkingtreding

De “Regeling Maatschappelijke Participatie 2015” treedt, met terugwerkende kracht, in werking per 1 januari 2015.

 

Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 24 februari 2015.

 

Voor Boxmeer:

De secretaris, De burgemeester,

Drs. Ir. H.P.M. van der Loo K.W.T. van Soest 

 

Voor Sint Anthonis:

De secretaris, De burgemeester,

Ir. S. Middelkamp, M.L.P. Sijbers

 

TOELICHTING

 

Inleiding

De overheid stimuleert gemeenten om het aantal kinderen uit arme gezinnen dat maatschappelijk om financiële redenen niet kan meedoen terug te dringen. Daartoe voorzag de wet op grond van artikel 8 lid 2 sub d WWB in een verordeningplicht voor gemeenteraden ten aanzien van artikel 35 lid 5 WWB. Met de inwerkingtreding van de Participatiewet per 1 januari 2015 is deze verplichting komen te vervallen.

 

Per 1 januari 2015 mogen gemeenten ook geen bijzondere bijstand in categoriale vorm meer verstrekken. Daarvan is sprake als er recht op bijzondere bijstand bestaat louter om het feit dat men tot een bepaalde categorie behoort.

 

Om bovenstaande redenen vervallen van rechtswege per 1 januari 2015 de Verordening Maatschappelijke participatie WWB 2012 en de Beleidsregels Maatschappelijke participatie WWB 2013.

 

Het college van burgemeester en wethouders meent echter dat de maatschappelijke functie van de regeling als zodanig wel in stand dient te blijven. De maatschappelijke participatie van kinderen is van groot belang met het oog op een zelfredzame toekomst.

Het lage inkomen van ouders mag geen struikelblok zijn om deel te kunnen nemen aan activiteiten die belangrijk voor de ontwikkeling zijn.

 

De Regeling Maatschappelijke Participatie 2015 heeft tot doel om personen met een laag inkomen tegemoet te komen in de kosten van sociaal-culturele, educatieve en sportieve activiteiten en voor indirecte schoolkosten.

 

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1 Begrippen

Ad 1: Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze regeling. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten ook deze regeling moet worden gewijzigd.

 

Ad 2: Onder schoolgaande kinderen wordt niet alleen verstaan kinderen die feitelijk schoolgaand zijn, maar ook zij die de verplichting hebben omdat ze onder de leerplicht of kwalificatieplicht vallen.

Artikel 2 Maatschappelijke participatie

Maatschappelijke participatie betekent mee (kunnen) doen in de maatschappij. Kosten die verband houden met maatschappelijke participatie worden in dit artikel benoemd.

Wat wordt bedoeld onder het gestelde in lid a en lid b wordt onderstaand gespecificeerd. De lijst dient als richtlijn en biedt houvast bij de uitvoering van de regeling.

 

Ad a: Sociaal-culturele, educatieve resp. sportieve activiteiten

Activiteiten kunnen in georganiseerd verband plaatsvinden dan wel op individuele basis. Bij deelname aan sociaal culturele, educatieve en sportieve activiteiten kan gedacht worden aan:

  • o

    abonnement/entreegeld zwembad, theater, schouwburg, bioscoop, musea, bibliotheek, pretparken, evenementen;

  • o

    abonnementen krant of tijdschrift;

  • o

    internetkosten voor een vaste computer of laptop;

  • o

    contributie sport-, jeugdverenigingen en jongerenwerk;

  • o

    contributie ouderenorganisaties (bijv. KBO);

  • o

    contributie kindervakantiewerk en buurtverenigingen;

  • o

    eigen bijdrage muziekonderwijs (via een opleidingsinstituut en privé);

  • o

    peuterspeelzaal;

  • o

    cursusgeld voor instellingen voor hobby, educatie of onderwijs (ook buiten de gemeente);

  • o

    kosten voor excursies, schoolreizen en schoolkampen dan wel ouderbijdrage (geen overblijfkosten).

     

Ad b: Indirecte schoolkosten

Het gaat om kinderen in de leeftijd tot 18 jaar die voortgezet onderwijs volgen.

Wat de indirecte studiekosten betreft moet gedacht worden aan: ouderbijdrage, kosten schoolreisje, schoolkamp, excursies, kosten schooltas, schrijfmiddelen, fiets, leermiddelen.

Artikel 3 Rechthebbenden

In dit artikel is vastgelegd welke personen in aanmerking kunnen komen voor bijzondere bijstand in het kader van deze regeling. Voor de bepaling van het recht op tegemoetkoming zijn de bepalingen uit de Participatiewet overeenkomstig van toepassing. De belangrijkste daarvan zijn rechtmatig verblijf in Nederland, de leefvorm, inkomen en vermogen.

De inkomensgrens ligt op 115% van de geldende bijstandsnorm. Dit betekent dat personen met een lager of gelijk inkomen van de regeling gebruik kunnen maken mits ook het vermogen niet hoger is dan de van toepassing zijnde vermogensgrens in de bijstand. Personen met een hoger inkomen en, of hoger vermogen zijn uitgesloten van het recht op de regeling.

 

Voor alleenstaande ouders en gehuwden geldt dat de ten laste komende kinderen tot 18 jaar onder de regeling vallen. Met ouders worden gelijk gesteld verzorgenden met ten laste komende kinderen.

 

Studenten komen niet in aanmerking voor een tegemoetkoming, omdat ze door hun studie geacht worden voldoende mee te doen aan de maatschappij.

Artikel 4 Voorwaarden

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 5 Maximale tegemoetkoming

In dit artikel staat per onderdeel de maximale tegemoetkoming waarvoor men in aanmerking kan komen.

Artikel 6 Aanvraagprocedure

Dit artikel geeft aanvragers duidelijkheid over de afwikkeling van de aanvraag en is een handvat voor de uitvoering. De tegemoetkoming wordt op individuele basis verstrekt waarbij de kosten moeten worden aangetoond door overlegging van bewijs.

Artikel 7 Inlichtingenplicht

Op grond van de Participatiewet heeft de aanvrager een verplichting tot het overleggen van gegevens ter beoordeling van het recht op bijzondere bijstand. Als de benodigde gegevens achterwege blijven kan het recht niet worden vastgesteld en wordt de aanvraag afgewezen.

Artikel 8 Citeertitel

In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze regeling.

Artikel 9 Inwerkingtreding

Dit artikel spreekt voor zich.