Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Brielle

Beleidsregels Participatiewet 2016

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBrielle
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregels Participatiewet 2016
CiteertitelBeleidsregels Participatiewet 2016
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Participatiewet
  2. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
  3. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

05-04-2016Nieuwe regeling

05-04-2016

Gemeenteblad

sector samenleving
01-01-201523-12-2016Nieuwe regeling

23-09-2014

Gemeenteblad

sector samenleving

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels Participatiewet 2016

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brielle;

 

gelet op de bepalingen in de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

 

besluit:

 

vast te stellen de Beleidsregels Participatiewet 2016

 

 

Begripsomschrijvingen  

In deze beleidsregels worden de volgende afkortingen en begrippen gehanteerd:

In deze beleidsregels worden de volgende afkortingen en begrippen gehanteerd:

 

  • a.

    Awb : Algemene wet bestuursrecht;

  • b.

    BBZ 2004 : Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004

  • c.

    uitkeringsgerechtigde: de persoon die een Participatiewetuitkering heeft aangevraagd of aan wie (mede) een Participatiewetuitkering is toegekend of een uitkering op grond van de Participatiewet Ioaw of Ioaz;

  • d.

    college: het college van burgemeester en wethouders van Brielle;

  • e.

    leerplichtige leeftijd: de leeftijd vanaf het 5e tot het 16e levensjaar;

  • f.

    Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting;

  • g.

    redelijk vermoeden: het redelijk vermoeden dat een belanghebbende niet of in onvoldoende mate de Nederlandse taal beheerst;

  • h.

    referentieniveau: het fundamentele niveau taal zoals bedoeld in de Wet en Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen;

  • i.

    referentieniveau 1F: beheersing van de Nederlandse taal op het niveau groep 8 basisonderwijs;

  • j.

    referentieniveau 2F: beheersing van de Nederlandse taal op het niveau 3e leerjaar VMBO;

  • k.

    Rv: wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

  • l.

    taalmeter: digitale tool, welke wordt aangeboden door stichting Lezen & Schrijven, waarmee het taalniveau op het onderdeel (begrijpend) lezen kan worden gemeten;

  • m.

    taaltoets: een taaltoets op referentieniveau 1F welke inhoudelijk voldoet aan het bepaalde in het Besluit taaltoets Participatiewet;

  • n.

    WEB: Wet Educatie en Beroepsonderwijs;

  • o.

    wet: Participatiewet;

  • p.

    WSNP: Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.

Hoofdstuk 1 Bijzondere doelgroepen

Artikel 1.1 Definitie adreslozen

Met adreslozen worden personen bedoeld die niet beschikken over of niet langdurig gebruik maken van zelfstandige huisvesting of van residentiële huisvesting (waaronder ook klinieken en penitentiaire inrichtingen zijn te rekenen). Zij hebben geen onderdak bij familie of vrienden en zij beschikken niet over een adres. Zij leiden een zwervend bestaan en brengen de nacht door op straat, in portieken, openbare gebouwen en ander beschutting biedende plaatsen. Soms brengen zij een beperkt aantal nachten in de nachtopvang door.

Artikel 1.2 Adreslozen

  • 1.

    Op grond van artikel 40, eerste lid van de wet, stelt het college de mogelijkheid tot inschrijving op het centraal postadres van de gemeente beschikbaar, indien de belanghebbende:

    • a.

      in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de wet; en

    • b.

      aannemelijk maakt adresloos te zijn.

  • 2.

    Het college weigert of beëindigt de inschrijving op het centraal postadres van de gemeente, indien;

    a. de belanghebbende een verblijfplaats heeft als zijnde een woning, auto, boot of caravan op een vaste plaats, waar de persoon naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten; of

    b. de belanghebbende een plaats heeft, bijvoorbeeld bij vrienden of in een opvanginstelling, waar de persoon naar verwachting gedurende drie maanden ten minste tweederde van de tijd kan overnachten; of

    c. er sprake is van een adres waar de persoon zijn post kan worden bezorgd, bijvoorbeeld bij familie of vrienden en waar, indien daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover, de belanghebbende bereiken; of

    d. blijkt uit gegevens van de gemeentelijke basisadministratie of anderszins, dat de belanghebbende een (brief)adres heeft; of

    e. de aanvraag om algemene bijstand is afgewezen; of

    f. het recht op algemene bijstand is ingetrokken of beëindigd.

Artikel 1.3 Aanvullende inlichtingenplicht adreslozen

Voor de beoordeling van zijn verblijfplaats is de adresloze verplicht om op grond van artikel 17 van de wet desgevraagd aannemelijk te maken dat hij adresloos is, waarvoor minimaal eens per maand schriftelijk conform het door het college gehanteerde adreslozenformulier, wordt medegedeeld in welke straten/plaatsen de belanghebbende in de nachten van de voorgaande maand doorgaans heeft verbleven.

Artikel 1.4 Aanvullende verplichtingen adreslozen

Het college legt op grond van artikel 55 van de wet, de adresloze de verplichting op om:

  • a.

    een keer per week het postvak te legen.

  • b.

    te verblijven in een opvangvoorziening voor adreslozen, dit in situaties waarbij dit noodzakelijk word geacht gezien de omstandigheden van belanghebbende en deze deelneemt aan een voorziening ten behoeve van re-integratie, waarbij de traceerbaarheid bij de deelname aan een concrete voorziening van belang is.

  • c.

    actief te zoeken naar woonruimte.

Hoofdstuk 2 Re-integratie

Artikel 2.1 Zoektermijn personen tot 27 jaar

  • 1.

    De persoon tot 27 jaar als bedoeld in artikel 41, vierde lid van de wet, dient een aanvraag voor algemene bijstand in, zo spoedig mogelijk na afloop van de zoektermijn als bedoeld in artikel 41, vierde lid van de wet, doch uiterlijk binnen twee weken na afloop van deze zoektermijn.

  • 2.

    Wanneer de aanvraag niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn is ingediend dient overeen-komstig artikel 44, tweede lid van de wet opnieuw een melding om bijstand te worden gedaan.

Artikel 2.2 Scholingsplicht jongeren tot 27 jaar

  • 1.

    Onder een beroepskwalificatie wordt verstaan een diploma van uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs op MBO2-, MBO3- , MBO4-, HBO- of WO- niveau;

  • 2.

    Overeenkomstig artikel 13 tweede lid onder c van de wet legt het college jongeren tot 27 jaar de verplichting op om zich maximaal in te spannen een beroepskwalificatie te bemachtigen.

Artikel 2.3 Mogelijkheid ontheffen scholingsplicht jongeren tot 27 jaar

  • 1.

    Overeenkomstig artikel 9, tweede lid van de wet kan het college personen tot 27 jaar, indien hier dringende redenen voor aanwezig zijn, voor de duur van maximaal twaalf maanden ontheffen van de scholingsplicht zoals benoemd in artikel 2.2.

  • 2.

    Een dringende reden wordt in ieder geval aanwezig geacht indien betrokkene een dagbehandeling volgt voor medische- of psychische problematiek welke het onmogelijk maakt om reguliere scholing te volgen.

Artikel 2.4 Loonkostensubsidie en scholingsbudget

  • 1.

    Op grond van artikel 32 van de Participatieverordening, kan het college aan een werkgever die een uitkeringsgerechtigde in dienst neemt voor de duur van tenminste zes maanden, eenmalig een budget verstrekken ter hoogte van maximaal € 7.000,- als loonkostensubsidie en/of scholingsbudget, ten behoeve van het vervullen van de functie.

  • 2.

    Het college kan de hoogte van de loonkostensubsidie en/of het scholingsbudget, welke voorafgaand aan het dienstverband wordt vastgesteld, lager vaststellen dan het maximum bedrag als bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, wordt door het college meegewogen in hoeverre de uitkeringsgerechtigde begeleid dient te worden, de duur van de overeenkomst en de inzet van andere werkgeversvoorzieningen.

  • 4.

    De uitbetaling van de loonkostensubsidie als bedoeld in het eerste lid, vindt driemaandelijks- en in gelijke delen plaats, voor het eerst drie maanden na het aangaan van het dienstverband, tenzij het college anderszins bepaalt.

  • 5.

    De uitbetaling van het scholingsbudget als bedoeld in het eerste lid, vindt in beginsel plaats na inlevering van de factuur. Deze dient betrekking te hebben op de kosten van de ingezette scholing.

  • 6.

    Indien het dienstverband binnen zes maanden eindigt, vindt betaling van de vergoeding naar rato plaats voor geheel gewerkte maanden. Indien binnen deze maanden de werkgever het scholingsbudget (aantoonbaar) heeft aangewend en de (voormalig) uitkeringsgerechtigde de ingezette scholing heeft afgerond, behoeft het verstrekte scholingsbudget door de werkgever niet te worden terugbetaald.

Hoofdstuk 3 Inkomsten en Middelen

Paragraaf 1 Vrijlatingen

Artikel 3.1.1 Toepassing inkomstenvrijlating

  • 1.

    Onder inkomstenvrijlating wordt verstaan de inkomsten die op grond van:

    • a.

      artikel 31, tweede lid onder n van de wet, artikel 8, tweede lid van de Ioaw en artikel 8, derde lid van de Ioaz gedurende een periode van 6 aaneengesloten maanden niet aangemerkt worden als middelen en die bijdragen aan arbeidsinschakeling;

    • b.

      artikel 31, tweede lid onder z van de wet, artikel 4b en artikel 8, het zevende en achtste lid van de IOAW en artikelen 4b en artikel 8, elfde en twaalfde van de IOAZ niet aangemerkt worden als middelen, tenzij er niet langer sprake is van een medische urenbeperking.

  • 2.

    Onder de in het eerste lid onder a genoemde arbeidsinschakeling worden alle betaalde werkzaamheden verstaan.

  • 3.

    De inkomstenvrijlating als bedoeld in het eerste lid, gaat in op de eerste dag van de maand waaraan de inkomsten moeten worden toegerekend.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid, wordt geen inkomstenvrijlating toegepast over inkomsten die door belanghebbende zijn verzwegen en waarbij de teveel of ten onrechte verstrekte uitkering op grond van de Participatiewet of de Ioaw of de Ioaz alsnog door het college wordt teruggevorderd of verrekend.

  • 5.

    Aan de inkomstenvrijlating als bedoeld in het eerste lid onder a wordt als eerste toepassing gegeven, alvorens de inkomstenvrijlating als bedoeld in het eerste lid onder b toe te passen.

Artikel 3.1.2 Eenmalige toekenning inkomstenvrijlating

  • 1.

    De inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 32, tweede lid onder n, wordt één maal per uitkeringsperiode toegekend.

  • 2.

    Als dezelfde uitkeringsperiode wordt aangemerkt:

    • a.

      de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter is dan 30 dagen wordt voortgezet;

    • b.

      de situatie waarin de uitkering wordt hersteld, na een onderbreking wegens verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht de duur van de onderbreking;

    • c.

      de situatie waarin sprake is van voortzetting van een uitkering die in een andere gemeente al werd verstrekt;

    • d.

      de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld woon- of gezinssituatie de uitkering met een andere norm wordt voortgezet.

  • 3.

    Indien de nieuwe uitkeringsperiode minder dan zes maanden na de laatste inkomstenvrijlating aanvangt, ontstaat geen nieuw recht op inkomstenvrijlating.

Artikel 3.1.3 Vrijlating inkomsten alleenstaande ouder

Het college maakt geen gebruik van de wettelijke mogelijkheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder r van de wet, artikel 8, vijfde lid Ioaw en artikel 8, negende lid Ioaz, omdat deze arbeid niet gezien wordt als bijdragend aan de arbeidsinschakeling.

 

Paragraaf 2 Norm

Artikel 3.2.1 Kamerhuurder

  • 1.

    Kamerhuurder is de persoon die zijn hoofdverblijf heeft bij een ander, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, die met die ander een commerciële overeenkomst is aangegaan voor het zelfstandig gebruik van een deel van de woning, al dan niet met maaltijdvoorziening, welke overeenkomst voldoet aan door burgemeester en wethouders vast te stellen vereisten.

  • 2.

    Een kamerverhuurder is de persoon die over zelfstandige huisvesting beschikt en één of meer anderen, niet zijne een bloed- of aanverwant in de eerste graad of tweede graad, met wie voor het zelfstandig gebruik van een deel van de woning, al dan niet met maaltijdvoorziening, een commerciële overeenkomst is aangegaan, welke overeenkomst voldoet aan door burgemeester en wethouders vast te stellen vereisten.

  • 3.

    Bij het vaststellen of er in situaties van kamerhuur of kamerverhuur sprake is van een commerciële relatie als bedoeld in artikel 22a, vierde lid onder a en b van de wet, dienen de volgende voorwaarden getoetst te worden:

    • a.

      het verhuren van een kamer door de kamerverhuurder of het betrekken van een eigen kamer door de kamerhuurder;

    • b.

      een volledig ingevulde en ondertekende kamerhuurovereenkomst naar het model van de afdeling Inkomen is overgelegd;

    • c.

      een bewijsstuk is overgelegd dat de onderhuur rechtmatig plaatsvindt;

    • d.

      het kamerhuurbedrag bedraagt minimaal 20% van norm echtpaar, zonder kostendelende medebewoners;

    • e.

      het kamerhuurbedrag wordt maandelijks door de kamerhuurder aan de kamerverhuurder overgemaakt door overschrijving van de bankrekening op naam van de kamerhuurder naar een bankrekening op naam van de kamerverhuurder.

Artikel 3.2.2 Co-ouderschap

Als co-ouder wordt aangemerkt de alleenstaande welke structureel een deel van de feitelijke verzorging voor een of meer kinderen verricht. De afspraken over gedeelde zorg dienen formeel te zijn vastgelegd in een door de rechtbank vastgesteld echtscheidingsconvenant, ouderschapsplan en/ of co-oudercontract.

Artikel 3.2.3 Bijstand aan kinderen van minderjarigen

  • 1.

    Op basis van artikel 18 eerste lid van de wet wordt aan een kind van een minderjarige alleenstaande ouder die bij diens ouders inwoont, een uitkering verstrekt, ter hoogte van het verschil tussen de norm voor gehuwden met ten laste komende kinderen en de norm voor gehuwden zonder ten laste komende kinderen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de minderjarige alleenstaande ouder een beroep kan doen op de alleenstaande ouderkop (ALO-kop).

Artikel 3.2.4 Verlaging norm o.g.v. woonsituatie

  • 1.

    Op grond van artikel 27 van de wet, stelt het college de norm van de belanghebbende die ouder is dan 21 jaar, lager vast, indien de belanghebbende:

    • a.

      lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van bewoning van een woning waaraan geen woonkosten verbonden zijn;

    • b.

      geen woning wordt aangehouden;

    • c.

      gebruik maakt van de opvangvoorziening De Boeg;

  • 2.

    De verlaging, als bedoeld in het eerste lid, bedraagt 20% van de norm echtpaar, zonder kostendelende medebewoners.

  • 3.

    Het college laat de verlaging als bedoeld in het eerste en tweede lid achterwege, indien belanghebbende gebruik maakt van de Jongerenopvangvoorziening.

Artikel 3.2.5 Norm schoolverlaters 21/22 jarigen

Het college maakt geen gebruik van de wettelijke mogelijkheid als bedoeld in artikel 28 van de wet, om de norm, voor de belanghebbende die recent de deelname aan beroepsopleiding of onderwijs heeft beëindigd, lager vast te stellen.

 

Paragraaf 3 Middelen

Artikel 3.3.1. Geen vermogen

Niet tot het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet, wordt gerekend:

  • a.

    Een auto met een bouwjaar van 10 jaar of ouder, met uitzondering van een auto die gezien zijn waarde niet verenigbaar is met een inkomen op bijstandsniveau;

  • b.

    Vermogensmutaties tot een bedrag van € 250.

Artikel 3.3.2 Schadevergoeding en giften

  • 1.

    Giften en andere vergoedingen voor materiële en immateriële schade op grond van artikel 31, tweede lid onder m, worden niet tot de middelen gerekend:

  • 2.

    Indien aan de uitkeringsgerechtigde een schadevergoeding wordt toegekend voor materiële schade en:

    • a.

      de vergoeding is bedoeld voor geleden schade aan goederen die vanuit bijstandsoogpunt noodzakelijk zijn, en

    • b.

      de schadevergoeding daadwerkelijk wordt aangewend voor de geleden schade of dat de geleden schade eerder uit eigen middelen is voldaan.

  • 3.

    Indien aan de uitkeringsgerechtigde een schadevergoeding wordt toegekend voor immateriële schade, voor zover de vergoeding minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens.

  • 4.

    Indien aan de uitkeringsgerechtigde een gift wordt toegekend en:

    • a.

      de gift een bestemming heeft, en;

    • b.

      de bestemming ten behoeve van een goed is dat naar aard en waarde algemeen gebruikelijk is, dan wel gezien de persoonlijke omstandigheden noodzakelijk is, en;

    • c.

      de gift incidenteel is.

  • 5.

    Indien aan de uitkeringsgerechtigde een schadevergoeding wordt toegekend voor gederfde inkomsten of voor andere middelen bedoeld voor levensonderhoud, wordt deze schadevergoeding tot de middelen, overeenkomstig artikel 31 eerste lid van de wet gerekend.

Artikel 3.3.3 Heffingskortingen

Bij aanspraak op heffingskortingen worden deze, zolang de heffingskortingen niet worden ontvangen, maximaal drie maanden, vanaf het moment dat de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken over de heffingskortingen, niet tot de middelen gerekend.

 

Paragraaf 4 Bestuurlijke boete in verband met schending inlichtingenplicht

Artikel 3.4.1 Geen benadelingsbedrag

Indien de belanghebbende niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet of artikel 13 van de Ioaw/Ioaz,zonder dat als gevolg daarvan ten onrechte of te veel bijstand is verstrekt, wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven.

Artikel 3.4.2. Opzet en grove schuld

  • 1.

    Aan de uitkeringsgerechtigde die is gehouden om gegevens of inlichtingen te verstrekken en:

    • a.

      aan wiens opzet het is te wijten dat geen gegevens of inlichtingen zijn verstrekt, wordt een boete opgelegd ter hoogte van 100% van het benadelingsbedrag, waarbij de boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek Strafrecht bedraagt;

    • b.

      aan wiens grove schuld het is te wijten dat geen gegevens of inlichtingen zijn verstrekt, wordt een boete opgelegd van ten hoogste 75% van het benadelingsbedrag, waarbij de boete ter hoogte het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek Strafrecht bedraagt;

    • c.

      aan wie het is te verwijten is dat geen gegevens of inlichtingen zijn verstrekt terwijl er geen sprake is van opzet of grove schuld wordt een boete opgelegd van ter hoogte 50% van het benadelingsbedrag, waarbij de boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek Strafrecht bedraagt;

  • 2.

    De hoogte van de boete wordt afgestemd op de draagkracht van de belanghebbende;

  • 3.

    Bij het berekenen van de draagkracht als bedoeld in het tweede lid wordt uitgegaan van het aanwezige vermogen, met inbegrip van het vermogen beneden de vrijlatingsgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid van de wet, én het bedrag welke gelijk is aan de voor beslag vatbare ruimte berekend op basis van de beslagvrije voet:

    • a.

      waarbij voldoening van de boete mogelijk is binnen 24 maanden,ingeval van een boete als bedoeld in het eerste lid onder a;

    • b.

      waarbij voldoening van de boete mogelijk is binnen18 maanden,ingeval van een boete als bedoeld in het eerste lid onder b;

    • c.

      waarbij voldoening van de boete mogelijk is binnen 12 maanden, ingeval van een boete als bedoeld in het eerste lid onder c.

  • 4.

    De draagkracht wordt berekend op basis van het inkomen van de maand voorafgaand aan het boetebesluit.

  • 5.

    Bij het ontbreken van een (toereikend) inkomen wordt de draagkracht berekend aan de hand van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Artikel 3.4.3. Recidive

  • 1.

    Aan de uitkeringsgerechtigde die is gehouden om gegevens en inlichtingen te verstrekken enhij binnen de recidivetermijn als bedoeld in artikel 18a, vierde lid van de wet of artikel 20a, vierde lid van de Ioaw/Ioaz de inlichtingenplicht schendt, zonder dat er sprake is van een benadelingsbedrag als bedoeld in artikel 3.4.1, legt het college een bestuurlijke boete op ter hoogte van € 150.

  • 2.

    Aan de uitkeringsgerechtigde die is gehouden om gegevens en inlichtingen te verstrekken waarbij binnen de recidivetermijn als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid van de wet of artikel 20a, vijfde lid van de Ioaw/Ioaz eerder een boete is opgelegd en:

    • a.

      aan wiens opzet is te wijten dat geen gegevensof inlichtingen zijn verstrekt, wordt een boete opgelegd ter hoogte van 150% van het benadelingsbedrag, waarbij de boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek Strafrecht bedraagt;

    • b.

      aan wiens grove schuld het is te wijten dat geen gegevens of inlichtingen zijn verstrekt, wordt een boete opgelegd van ter hoogte 75% van 150% van het benadelingsbedrag, waarbij de boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek Strafrecht bedraagt;

    • c.

      aan wie het is te verwijten is dat geen gegevens of inlichtingen zijn verstrekt terwijl er geen sprake is van opzet of grove schuld wordt een boete opgelegd van ter hoogte 50% van 150% van het benadelingsbedrag, waarbij de boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek Strafrecht bedraagt;

  • 3.

    De hoogte van de boete wordt afgestemd op de draagkracht van de belanghebbende als bedoeld in artikel 3.4.2, derde, vierde en vijfde lid.

Artikel 3.4.4. Verminderde verwijtbaarheid

  • 1.

    Aan de uitkeringsgerechtigde die is gehouden om gegevens of inlichtingen te verstrekken en:

    • a.

      aan wie het niet geheel te verwijten is dat geen gegevens of inlichtingen zijn verstrekt wordt een boete opgelegd van ter hoogte 25% van het benadelingsbedrag, waarbij de boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek Strafrecht bedraagt;

    • b.

      aan wie het niet geheel te verwijten is dat er binnen de recidivetermijn als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid van de wet of artikel 20a, vijfde lid van de Ioaw/Ioaz geen gegevens of inlichtingen zijn verstrekt wordt een boete opgelegd van ter hoogte 25% van 150% van het benadelingsbedrag, waarbij de boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek Strafrecht bedraagt;

  • 2.

    De hoogte van de boete wordt afgestemd op de draagkracht van de belanghebbende;

  • 3.

    Bij het berekenen van de draagkracht als bedoeld in het tweede lid wordt uitgegaan van het aanwezige vermogen, met inbegrip van het vermogen beneden de vrijlatingsgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid van de wet, én het bedrag welke gelijk is aan de voor beslag vatbare ruimte berekend op basis van de beslagvrije voet, waarbij voldoening van de boete mogelijk is binnen 6 maanden;

  • 4.

    Indien de verwijtbaarheid in het geheel ontbreekt, wordt geen boete opgelegd.

Artikel 3.4.5. Dringende redenen

  • 1.

    1. Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

  • 2.

    Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de belanghebbende. Het moet dan gaan om incidentele zeer uitzonderlijke gevallen, waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.

  • 3.

    Lichamelijke en psychische klachten die al enige tijd bestaan en dus niet in het bijzonder het gevolg zijn van het boetebesluit vormen op zichzelf geen dringende redenen.

Hoofdstuk 4 Minimabeleid

Paragraaf 1 Bijzondere bijstand algemeen

Artikel 4.1.1 Draagkracht inkomen en middelen

  • 1.

    Voor het bepalen van het recht op bijzondere bijstand op grond van artikel 35 eerste lid van de wet, wordt het inkomen boven de 110% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm, volledig in aanmerking genomen als draagkracht.

  • 2.

    Bij het bepalen van het inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt uitgegaan van het inkomen waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken.

  • 3.

    Tot dit inkomen wordt in ieder geval niet gerekend:

    • a.

      Indien op dit inkomen de WSNP van toepassing is;

    • b.

      Het deel van het inkomen waarover executoriaal beslag is gelegd;

    • c.

      Het deel van het inkomen waarover een bestuurlijke sanctie is opgelegd en deze onherroepelijk is.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid, wordt 100% van het inkomen boven de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm in aanmerking genomen, in de volgende gevallen:

    • a.

      bij de verstrekking van woonkostentoeslag;

    • b.

      bij de verstrekking van bijzondere bijstand voor levensonderhoud;

    • c.

      bij de verstrekking van bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten;

    • d.

      bij de verstrekking van bijzondere bijstand voor kosten kleding en slijtage;

    • e.

      bij de verstrekking van bijzondere bijstand voor schulden;

    • f.

      bij de verstrekking van bijzondere bijstand voor verhuiskosten;

    • g.

      bij de verstrekking van bijzondere bijstand voor kosten van de eigen bijdrage AWBZ;

  • 5.

    Om te bepalen welke middelen in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van draagkracht wordt aangesloten bij artikel 31 tot en met 34 van de wet.

  • 6.

    Niet als middelen worden aangemerkt:

    • a.

      De middelen, als bedoeld in artikel 31, tweede lid van de wet;

    • b.

      Het middel als bedoeld in artikel 36 van de wet.

  • 7.

    De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend en wordt in beginsel voor één jaar vastgesteld.

Artikel 4.1.2 Draagkracht vermogen

  • 1.

    Van het vermogen wordt 100% in aanmerking genomen als draagkracht, voor zover het vermogen hoger is dan het in artikel 34, derde lid van de wet genoemde bedrag.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, wordt het vermogen, voor zover dit meer bedraagt dan € 1.250,-, in aanmerking genomen als draagkracht, in de volgende gevallen:

    • a.

      bij de verstrekking van duurzame gebruiksgoederen;

    • b.

      bij de verstrekking van overige inrichtingskosten;

    • c.

      bij de verstrekking van leenbijstand op grond van artikel 48, het tweede lid, onder b van de wet.

  • 3.

    De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend en wordt in beginsel voor één jaar vastgesteld.

Artikel 4.1.3 Aanvraagdatum bijzondere bijstand

  • 1.

    Een aanvraag om bijzondere bijstand op basis van artikel 35, eerste lid van de wet kan betrekking hebben op noodzakelijke kosten die tot 6 maanden voor het ontstaan van deze betalingsverplichting zijn.

  • 2.

    In het algemeen wordt als uitgangspunt voor het ontstaan van een betalingsverplichting, de factuurdatum genomen.

  • 3.

    Indien door indiening van de aanvraag achteraf, de noodzaak niet meer kan worden aangetoond, wordt geen bijstand toegekend.

  • 4.

    Het achteraf aanvragen van bijzondere bijstand is niet mogelijk voor de kosten die verband houden met- of bijdragen aan de arbeidsinschakeling, kosten voor inrichting of duurzame gebruiksgoederen of verhuiskosten.

     

    Paragraaf 2 Bijzondere bijstand kostensoorten

Artikel 4.2.1 Woonkostenoteslag bij huurkosten

  • 1.

    Huurtoeslag wordt geacht een voorliggende voorziening te zijn die in het algemeen passend en toereikend is als tegemoetkoming in de huurkosten.

  • 2.

    Indien de huurtoeslag is vastgesteld op basis van een inkomen dat hoger ligt dan het huidige structurele inkomen van belanghebbende, wordt woonkostentoeslag als noodzakelijk gezien.

  • 3.

    Indien door redenen die belanghebbende niet te verwijten zijn, over een bepaalde periode geen huurtoeslag (meer) kan worden aangevraagd, wordt woonkostentoeslag als noodzakelijk gezien.

  • 4.

    Bij berekening van de woonkostentoeslag wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de berekeningssystematiek van huurtoeslag, met dien verstande dat het huidige structurele inkomen in de berekening wordt gebruikt en vermogen boven de vermogensgrens als genoemd in artikel 34 van de wet als middelen in aanmerking wordt genomen.

  • 5.

    Woonkostentoeslag voor een huur boven de maximale huurgrens wordt voor maximaal 12 maanden verstrekt, tenzij dringende redenen zich hiertegen verzetten.

  • 6.

    De hoogte van de woonkostentoeslag als bedoeld in het vijfde lid, wordt bepaald op het bedrag aan huurtoeslag bij een huur ter hoogte van de maximale huurgrens, plus het verschil tussen de maximale huurgrens en de kale huur volgens de overeenkomst.

  • 7.

    Indien belanghebbende een huurcontract aangaat voor een huur boven de maximale huurgrens en hij ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst een inkomen heeft dat recht geeft op huurtoeslag, bestaat geen recht op woonkostentoeslag.

  • 8.

    Woonkostentoeslag wordt verstrekt tot de eerstvolgende datum waarop een beroep op huurtoeslag mogelijk zou kunnen worden.

  • 9.

    Werkt belanghebbende niet mee aan beperking van de woonkosten, of betoont belanghebbende onvoldoende besef van verantwoordelijkheid op het gebied van woonkosten, wordt de woonkostentoeslag geweigerd of beëinigd.

  • 10.

    Het draagkrachtbeleid als bedoeld in artikel 4.1.1, het vierde lid, is van toepassing.

Artikel 4.2.2 Woonkostentoeslag bij eigen woning

  • 1.

    Indien belanghebbende eigenaar is van een door hemzelf bewoonde woning en hij deze redelijkerwijs niet kan verkopen of (verder) kan bezwaren met geldleningen, maar het inkomen niet toereikend is om de woonkosten te voldoen, wordt woonkostentoeslag als noodzakelijk gezien.

  • 2.

    Als in aanmerking te nemen woonkosten worden gezien de hypotheekrente, eigenaarsdeel onroerende-zaakbelasting, waterschapslasten, premie opstalverzekering, erfpachtcanon en een forfaitair bedrag aan onderhoudskosten, onder aftrek van in aanmerking te nemen rijkssubsidies aan de woningeigenaar of Voorlopige Teruggave Hypotheekrenteaftrek.

  • 3.

    Bij berekening van de woonkostentoeslag wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de berekeningssystematiek van huurtoeslag, met dien verstande dat het huidige structurele inkomen in de berekening wordt gebruikt en vermogen boven de vermogensgrens als genoemd in artikel 34 van de wet als middelen in aanmerking wordt genomen.

  • 4.

    De eigenaar komt niet in aanmerking voor woonkostentoeslag indien qua kosten en draagkracht ten tijde van de aankoop van de woning al behoefte bestond aan woonkostentoeslag.

  • 5.

    Woonkostentoeslag als bedoeld in het eerste lid wordt maximaal 12 maanden verstrekt, tenzij dringende redenen zich hiertegen verzetten.

  • 6.

    Werkt belanghebbende niet mee aan beperking van de woonkosten, of betoont belanghebbende onvoldoende besef van verantwoordelijkheid op het gebied van woonkosten, wordt de woonkostentoeslag geweigerd of beëindigd.

  • 7.

    Het draagkrachtbeleid als bedoeld in artikel 4.1.1, het vierde lid, is van toepassing.

Artikel 4.2.3 Bijzondere woonkosten

  • 1.

    In de niet subsidiabele woonkosten die betrekking hebben op het langer zelfstandig laten wonen van ouderen en mensen met een handicap, wordt bijstand verleend:

    • a.

      voor zover deze kosten voor belanghebbende noodzakelijk worden geacht, waarbij de noodzaak in ieder geval aanwezig wordt geacht bij personen van 75 jaar en ouder, en;

    • b.

      voor zover de totale woonkosten tenminste de minimale huurgrens bedragen waarvoor huurtoeslag mogelijk is.

  • 2.

    Indien vanwege opname in een AWBZ-instelling de bijstandsnorm wordt verlaagd naar een norm bij verblijf in een inrichting, wordt bijzondere bijstand verleend in de kosten van het aanhouden van de woning, onder de volgende voorwaarden:

    • a.

      in de woning van belanghebbende blijven geen bewoners van 18 jaar of ouder achter, en;

    • b.

      de opname duurt naar verwachting niet langer dan 12 maanden, en;

    • c.

      belanghebbende is voornemens en naar verwachting in staat om na de opname terug te keren in de woning.

Artikel 4.2.4 Kleding en kledingslijtage

  • 1.

    Indien extra kledingslijtage voortkomt uit ziekte of handicap, wordt in de meerkosten van kleding bijzondere bijstand verleend. Voor de bepaling van de meerkosten wordt uitgegaan van extra kosten ten opzichte van de normbedragen en normaantallen zoals deze zijn vastgesteld door het Nibud.

  • 2.

    Indien en voor zover niet meer over passende kleding kan worden beschikt vanwege een acute noodsituatie, bijvoorbeeld door ziekte, ongeval of een redelijkerwijs niet-verzekerbare calamiteit, wordt bijzondere bijstand verleend. In dit geval wordt slechts kleding verstrekt voor zover het in dat seizoen passend is.

  • 3.

    In aanvulling op het tweede lid, wordt voor de kosten van kleding aangesloten bij de normbedragen en normaantallen van het Nibud.

  • 4.

    Het draagkrachtbeleid als bedoeld in artikel 4.1.1, het vierde lid, is van toepassing.

Artikel 4.2.5 Bijzondere bijstand voor schulden

  • 1.

    Het college verstrekt in de regel geen bijzondere bijstand voor schulden.

  • 2.

    Indien sprake is van levensbedreigende omstandigheden, die niet via andere weg dan bijstandverlening kunnen worden afgewend, wordt in een schuldsituatie bijstand in de vorm van een lening verleend. Hierbij wordt de ontstaansgeschiedenis van de schuld en of er sprake is van herhaling meegewogen.

  • 3.

    Het draagkrachtbeleid als bedoeld in het vierde lid van artikel 4.1.1, het vierde lid, is van toepassing.

Artikel 4.2.6 Bijzondere bijstand budgetbeheer en beschermingsbewind

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand voor budgetbeheer verstrekken indien:

    • a.

      budgetbeheer buiten een schuldbemiddelingstraject om wordt uitgevoerd, en

    • b.

      budgetbeheer als noodzakelijk wordt geacht door een deskundige.

  • 2.

    Het college kan bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind verstrekken.

  • 3.

    De kosten als bedoeld in het tweede lid, worden geheel vergoed, mits beschermingsbewind in combinatie met een gemeentelijk schuldbemiddelingstraject wordt ingezet.

  • 4.

    Indien naast het beschermingsbewind geen schuldbemiddelingstraject wordt ingezet, bijvoorbeeld omdat deze is afgerond, is het draagkrachtbeleid als bedoeld in artikel 4.1.1, het vierde lid, is van toepassing.

Artikel 4.2.7 Bijzondere bijstand in verband met arbeidsinschakeling

  • 1.

    Indien bijzondere noodzakelijke kosten verband houden met- of bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de uitkeringsgerechtigde, kan het college voor deze kosten bijzondere bijstand verstrekken.

  • 2.

    De kosten als bedoeld in het eerste lid, betreffen in beginsel incidentele kosten. Indien de kosten niet incidenteel zijn maar een periodiek karakter hebben, kunnen deze tot een maximum van zes maanden worden verstrekt.

  • 3.

    Alle mogelijke voorliggende voorzieningen dienen als eerste aangesproken te worden, alvorens bijzondere bijstand op grond van dit artikel kan worden verstrekt.

  • 4.

    Een aanvraag bijzondere bijstand voor bijzondere noodzakelijke kosten die verband houden met- of bijdragen aan de arbeidsinschakeling, kan door belanghebbende niet worden aangevraagd nadat de kosten zijn gemaakt.

Artikel 4.2.8 Bijzondere bijstand voor studiekosten

  • 1.

    Studiekosten ten behoeve van kinderen in de leerplichtige leeftijd worden in beginsel aangemerkt als algemeen noodzakelijke kosten waarin de bijstandsnorm en ontvangen tegemoetkomingen van de rijksoverheid voorzien, waarvoor geen bijzondere bijstand wordt verstrekt.

  • 2.

    Indien een bijzondere situatie leidt tot bijzondere noodzakelijke kosten dan bedoeld in het eerste lid, kan voor de kosten, voor zover zij hoger zijn, bijzondere bijstand worden verleend.

  • 3.

    Voor ten laste komende kinderen die een Mbo-opleiding volgen worden reiskosten om op de dichtstbijzijnde locatie van de opleiding (of stage) van hun keuze te komen vergoed, voor zover deze Mbo-leerling geen aanspraak kan maken op een Ov-studentenkaart en de dichtstbijzijnde opleidingslocatie buiten de gemeente Brielle ligt.

  • 4.

    In aanvulling op het derde lid, vinden vergoedingen plaats op basis van de goedkoopste reismogelijkheid met het openbaar vervoer.

Artikel 4.2.9 Aanslag inkomstenbelasting

  • 1.

    In een aanslag inkomstenbelasting wordt in het algemeen geen bijzondere bijstand, tenzij belanghebbende voldoet aan alle onderstaande criteria:

    • a.

      het netto in aanmerking te nemen inkomen van belanghebbende over het kalenderjaar bedraagt, na aftrek van de aanslag, minder dan de van toepassing zijnde bijstand over dat kalenderjaar;

    • b.

      de belastingaanslag heeft betrekking op een periode waarover belanghebbende bijstand ontving en bij de verstrekking van die bijstand is destijds geen rekening gehouden met de nog op te leggen belastingaanslag;

    • c.

      de aanslag kan door de Belastingdienst niet (verder) worden verlaagd of kwijtgescholden.

  • 2.

    De hoogte van de bijstand bedraagt het verschil tussen de bijstandsnorm en de netto inkomsten na aftrek van de aanslag, maar niet meer dan het bedrag van de aanslag.

Artikel 4.2.10 Huisraad/woninginrichting/duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor kosten van vervanging of reparatie van huisraad/woninginrichting of duurzame gebruiksgoederen involge artikel 51 van de wet, wordt verleend indien;

    • a.

      het noodzakelijke, niet-uitstelbare kosten zijn, die het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden, en

    • b.

      er onvoldoende reserveringsruimte aanwezig is geweest, hetgeen belanghebbende niet te verwijten valt, en

    • c.

      er geen andere bekostigingsmogelijkheid aanwezig is, en

    • d.

      deze kosten het gevolg zijn van een verhuizing, mits er voor de verhuizing een sociale of medische noodzaak bestaat .

  • 2.

    Geen bijzondere bijstand voor kosten wordt verleend indien;

    • a.

      de kosten vergoed hadden kunnen worden op grond van een inboedelverzekering, maar belanghebbende deze verwijtbaar niet had afgesloten;

    • b.

      het een eerste aanschaf/vestiging betreft, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn;

    • c.

      deze voortvloeien uit een echtscheiding.

  • 3.

    Inrichtingskosten worden vergoed conform 30% van de op dat moment geldende normbedragen voor de inventarispakketten van het Nibud. Als een totale inventaris niet noodzakelijk is maar losse artikelen benodigd zijn, wordt dit ook vergoed conform 30% van de Nibud normbedragen.

  • 4.

    Bijstandverlening op grond van dit artikel vindt plaats in de vorm van een lening, ter hoogte van in uitvoeringsrichtlijnen te bepalen normbedragen.

  • 5.

    Een aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen of inrichtingskosten, moet voordat er een betalingsverplichting ontstaat, door de belanghebbende worden aangevraagd.

Artikel 4.2.11 Verhuiskosten

  • 1.

    Voor verhuiskosten wordt geen bijstand verleend, tenzij de verhuizing op sociale of medische gronden noodzakelijk is en de kosten niet of onvoldoende waren te voorzien.

  • 2

    In de kosten van een als noodzakelijk aangemerkte verhuizing wordt bijzondere bijstand verleend, indien belanghebbende vanuit of binnen Brielle verhuist.

  • 3.

    In de kosten van dubbele huur plus administratiekosten en/of waarborgsom wordt bij een noodzakelijke verhuizing bijstand verleend, indien belanghebbende naar of binnen Brielle verhuist.

  • 4.

    Het draagkrachtbeleid als bedoeld in het derde lid van artikel 4.1.1, vierde lid, is van toepassing.

  • 5.

    Een aanvraag bijzondere bijstand voor bijzondere noodzakelijke kosten die verband houden met een verhuizing, moet voordat een betalingsverplichting wordt aangevraagd, door belanghebbende worden aangevraagd.

Artikel 4.2.12 Kosten voor verzorging of verpleging

  • 1.

    Voor de kosten van de eigen bijdrage AWBZ bij een opname in een AWBZ-instelling is geen bijzondere bijstand mogelijk, tenzij:

    • a.

      de inkomsten van belanghebbende minus de eigen bijdrage minder bedragen dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm (meestal verblijf in een inrichting), en;

    • b.

      de eigen bijdrage AWBZ niet (verder) kan worden verlaagd.

  • 2.

    Voor de toegangsbijdrage wordt slechts bijzondere bijstand verleend indien en voor zover een beroep wordt gedaan op een voorziening die door een instantie wordt aangeboden op grond van de AWBZ.

  • 3.

    Voor de kosten van de eigen bijdrage voor officieel geïndiceerde gezinshulp en verpleeghulp wordt bijzondere bijstand verleend, indien het niet afsluiten van de collectieve ziektekostenverzekering voor minima aan belanghebbende niet te verwijten valt.

  • 4.

    Voor de kosten voor de bijdrage gebaseerd op een retributieregeling wordt bijstand verleend.

  • 5.

    Voor de eigen bijdrage voor dagverzorging (inclusief vervoerskosten) wordt bijstand verleend met uitzondering van de daarin begrepen reguliere maaltijdkosten.

  • 6.

    Het draagkrachtbeleid als bedoeld in het derde lid van artikel 4.1.1 (draagkracht) is van toepassing op het eerste lid.

Artikel 4.2.13 Voorkoming opname AWBZ-instelling

Kosten die door belanghebbende worden gemaakt voor voorzieningen die hem in staat stellen (langer) zelfstandig in de woning te blijven wonen en hiermee opname in een AWBZ instelling te voorkomen, worden aangemerkt als noodzakelijke kosten als gevolg van bijzondere omstandigheden. Voor deze kosten wordt individuele bijzondere bijstand verleend voor zover categoriale bijzondere bijstand hierin niet voorziet.

Artikel 4.2.14 Bijzondere reiskosten

  • 1.

    Wanneer een persoon is opgenomen in een inrichting voor geestelijke / lichamelijke verzorging of in detentie zit, wordt bijzondere bijstand verleend aan gezinsleden voor bezoekkosten, voor zover het bezoekkosten betreffen buiten Brielle, maar binnen Nederland.  

  • 2.

    Tot de gezinsleden worden gerekend de inwonende partner en de inwonende minderjarige en meerderjarige kinderen, of ingeval van opname van een kind, de ouders en bij de ouders inwonende broers/zusters.

  • 3.

    De bijstand bij bezoek aan een persoon in een inrichting voor geestelijke/ lichamelijke verzorging, wordt vergoed per gezinslid, waarbij de noodzakelijke bezoekfrequentie door het college individueel wordt bepaald.

  • 4.

    De bijstand bij bezoek aan een persoon in detentie, wordt berekend op basis van bezoek eenmaal per maand per gezinslid.

  • 5.

    Voor zover een vergoeding via een ziektekostenverzekering niet van toepassing is, worden bezoekkosten in verband met een kortdurende ziekenhuisopname (korter dan 3 maanden) vergoed op basis van bezoek door een gezinslid om de dag.

  • 6.

    Vergoedingen vinden plaats op basis van de goedkoopste reismogelijkheid met het openbaar vervoer.

Artikel 4.2.15 Dieetkosten

Voor zover belanghebbende of een gezinslid noodzakelijkerwijs een dieet moet volgen, wordt in de meerkosten van dit dieet ten opzichte van reguliere voeding, bijstand verleend.

Artikel 4.2.16 Uitgesloten kostensoorten

  • 1.

    De volgende kostensoorten worden aangemerkt als algemeen gebruikelijke kosten waarvoor in geen bijzondere bijstand wordt verleend:

    • a.

      Legeskosten en kosten in verband met het verlenen en verlengen van een vergunning tot verblijf in Nederland en naturalisatie;

    • b.

      premiekosten voor een aanvullende ziektekostenverzekering (niet zijnde de gemeentelijke bijdrage aan de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering);

    • c.

      premiekosten voor overige afgesloten algemeen gebruikelijke verzekeringen;

    • d.

      niet-medische kosten in verband met of voortvloeiend uit zwangerschap en geboorte van een kind;

    • e.

      gemeentelijke belastingen of heffingen.

Artikel 4.2.17 Zelfstandig wonende jong-meerderjarigen

  • 1.

    Aan jongeren van 18 tot en met 20 jaar wordt aanvullend op de bijstandsnorm, op grond van artikel 16 en artikel 35 van de wet bijzondere bijstand voor levensonderhoud verstrekt indien de jongere noodzakelijkerwijs zelfstandig woont en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander die 21 jaar of ouder is.

  • 2.

    Van noodzakelijkerwijs zelfstandig wonen is sprake indien:

    • a.

      beide ouders zijn overleden;

    • b.

      beide ouders in het buitenland wonen;

    • c.

      de jongere door een crisissituatie niet thuis kan wonen.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bestaat uit:

    • a.

      de kosten die direct samenhangen met het uitwonen, en;

    • b.

      een forfaitair bedrag voor de overige extra kosten voor levensonderhoud.

  • 4.

    De bijstandsnorm en de bijzondere bijstand die ingevolge dit artikel wordt verstrekt, bedragen samen niet meer dan de norm als bedoeld in artikel 21 onder a van de wet.

  • 5.

    Het draagkrachtbeleid als bedoeld in artikel 4.1.1, vierde lid, is van toepassing.

Artikel 4.2.18 Taxatiekosten eigen woning

Wanneer geen recent taxatierapport aanwezig is van de woning, woonwagen of het woonschip, en de vastgestelde WOZ-waarde biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het vaststellen van de huidige waarde van de woning, is een taxatie ten behoeve van beoordeling van de overwaarde in het kader van artikel 50 van de wet noodzakelijk. Voor de kosten wordt bijzondere bijstand om niet verstrekt.  

Artikel 4.2.19 Kosten voor rechtsbijstand

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand verstrekken indien:

    • a.

      een toevoeging is afgegeven door de Raad voor de rechtsbijstand;

    • b.

      een toevoeging op formele gronden is afgewezen door de Raad voor de rechtsbijstand maar het college deze kosten noodzakelijk acht.

  • 2.

    Geen bijzondere bijstand wordt verstrekt indien:

    • a.

      de Raad voor de rechtsbijstand de procedure niet noodzakelijk acht;

    • b.

      geen toevoeging is aangevraagd bij de Raad voor de rechtsbijstand, terwijl de belanghebbende hier wel gebruik van het kunnen maken;

    • c.

      de belanghebbende een advocaat heeft ingeschakeld voor een procedure waarvoor dat niet nodig is;

    • d.

      het kosten betreffen die betrekking hebben op een procedure ten behoeve van een niet-rechthebbende echtgenoot;

    • e.

      het kosten betreffen voor procedures die voortvloeien uit een de uitoefening van een (voormalig) zelfstandig beroep of bedrijf.

  • 3.

    Wanneer geen gebruik is gemaakt van het juridisch loket wordt de bijzondere bijstand verlaagd met € 53,00.

     

    Paragraaf 3 Categoriale bijzondere bijstand

Artikel 4.3.1 Categoriale bijstand Collectieve Ziektekostenverzekering

  • 1.

    Het college verstrekt op aanvraag aan belanghebbenden met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm een collectieve ziektekostenverzekering (COZV), welke is afgesloten bij de zorgverzekeraar CZ.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde collectieve ziektekostenverzekering, omvat deelname aan de wettelijke basis- en aanvullende verzekering.

Artikel 4.3.2. Bijdrage College categoriale bijstand Collectieve ziektekostenverzekering

  • 1.

    Indien men gebruikt maakt van de collectieve zorgverzekering en een inkomen geniet tot 130% van de bijstandsnorm levert de gemeente op basis van artikel 35 derde lid van de wet een bijdrage in de kosten voor de aanvullende verzekering.

  • 2.

    De bijdrage als bedoeld in het eerste word jaarlijks voorafgaand aan het nieuwe kalenderjaar per volwassen verzekerde per maand door het college bepaald.

Artikel 4.3.2 Bijdrage College categoriale bijstand Collectieve ziektekostenverzekering

  • 1.

    Indien men gebruikt maakt van de collectieve zorgverzekering en een inkomen geniet tot 110% van de bijstandsnorm levert de gemeente op basis van artikel 35 derde lid van de wet een bijdrage in de kosten voor de aanvullende verzekering.

  • 2.

    Indien men gebruikt maakt van de collectieve zorgverzekering en het AV extra uitgebreid pakket en een inkomen geniet tussen de 110% en 130% van de bijstandsnorm levert de gemeente op basis van artikel 35 derde lid van de wet een bijdrage in de kosten voor de aanvullende verzekering;

  • 3.

    De bijdrage als bedoeld in het eerste en tweede lid worden jaarlijks voorafgaand aan het nieuwe kalenderjaar per volwassen verzekerde per maand door het college bepaald.

     

    Paragraaf 4 Individuele Minima Toeslag

Artikel 4.4.1 Recht op individuele inkomenstoeslag

  • 1.

    Het college verleent op verzoek een Individuele Minima Toeslag indien belanghebbende voldoet aan de voorwaarden als opgenomen in de Verordening Individuele Minima Toeslag, deze beleidsregels en artikel 36 van de wet.

Artikel 4.4.2 Zicht op inkomensverbetering

  • 1.

    Het college beoordeelt binnen de kaders van de Verordening Individuele Minima Toeslag en aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval, of de aanvrager geen zicht heeft op inkomensverbetering. Hierbij neemt het college in ieder geval in aanmerking:

    • a.

      de krachten en bekwaamheden van de aanvrager;

    • b.

      de inspanningen die de aanvrager heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

  • 2.

    Indien belanghebbende volledig is vrijgesteld van de arbeidsverplichting vanuit enige sociale wet- of regelgeving, acht het college de krachten en bekwaamheden van belanghebbende onvoldoende om zicht te hebben op inkomensverbetering.

  • 3.

    Naar het oordeel van het college heeft de belanghebbende, binnen zijn krachten en bekwaamheden, voldoende inspanningen verricht om tot inkomensverbetering te komen indien belanghebbende:

    • a.

      volledige of gedeeltelijke arbeidsplicht heeft op grond van enige sociale wet,- en regelgeving; of,

    • b.

      inkomsten uit arbeid heeft.

  • 4.

    De belanghebbende als bedoeld in het tweede en derde lid, heeft recht op de Individuele Minima Toeslag, indien hij voldoet aan de voorwaarden als genoemd in de Verordening Individuele Minima Toeslag.

  • 5.

    Naar het oordeel van het college heeft de belanghebbende die een opleiding als bedoeld in de WTOS, een studie als bedoeld in de WSF 2000 dan wel van andere uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt, zicht op inkomensverbetering en maakt derhalve geen aanspraak op de Individuele Minima Toeslag.

  • 6.

    Het vijfde lid is niet van toepassing op de belanghebbenden die één of meer inwonenden kinderen heeft in de leeftijd van 4 tot en met 17 jaar.

     

    Paragraaf 5 Individuele bijzondere bijstand groepskenmerken

Artikel 4.5.1 Kosten energie ouderen

  • 1.

    Het college verstrekt eenmaal per jaar een bijdrage in de stookkosten aan de belanghebbende die:

    • a.

      op de peildatum (1 januari van het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend) de pensioengerechtigde leeftijd heeft of ouder is dan de pensioengerechtigde leeftijd; en

    • b.

      aangewezen is op een inkomen dat niet hoger is dan 110% van de op belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm; en

    • c.

      geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet;

  • 2.

    Belanghebbende dient te voldoen aan de voorwaarden als bedoeld in het eerste lid onder b en c, gedurende een periode van 12 aaneengesloten maanden voorafgaand aan de peildatum.

  • 3.

    Ingeval sprake is van gehuwden of een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de wet dient, om in aanmerking te komen voor de bijdrage in de stookkosten, één van beide partners de pensioengerechtigde leeftijd te hebben of ouder te zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd.

  • 4.

    In het kalenderjaar waarin belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, bestaat geen recht op de bijdrage in de stookkosten als belanghebbende al de Individuele Minima Toeslag heeft ontvangen, waarvan de peildatum in dat kalenderjaar ligt.

  • 5.

    De bijdrage in de stookkosten bedraagt voor een belanghebbende € 425 per jaar.

Hoofdstuk 5 Wet taaleis

Artikel 5.1. Aantonen kennis van de Nederlandse taal

  • 1.

    Het voldoende beheersen van de Nederlandse taal wordt aangenomen indien:

    • a.

      de persoon in de Leerplichtige leeftijd tenminste 8 jaar in Nederland heeft gewoond;

    • b.

      de persoon is vrijgesteld van de inburgeringsplicht als gevolg van het behalen van een diploma, certificaat of ander document als bedoeld in artikel 2.3 tot en met 2.5 van het Besluit Inburgering;

    • c.

      de persoon een document kan overleggen als bedoeld in artikel 2.3 lid 1 en artikel 2.4 van het Besluit Inburgering;

    • d.

      uit de Taalmeter op Referentieniveau 2F blijkt dat de persoon dit niveau voldoende beheerst;

    • e.

      er tijdens een voorgaande uitkeringsperiode is vastgesteld dat de Nederlandse taal minimaal op Referentieniveau 1F wordt beheerst.

  • 2.

    Aan de persoon die niet aantoont dat hij voldoende kennis heeft van de Nederlandse taal, biedt het college uiterlijk binnen 8 weken na de aanvraagdatum een Taaltoets aan.

Artikel 5.2. Geen taaltoets

  • 1.

    Geen taaltoets wordt afgenomen indien:

    • a.

      uit de Taalmeter op referentieniveau 1F blijkt dat de persoon dit niveau onvoldoende beheerst;

    • b.

      de persoon is ontheven van de plicht tot inburgering;

    • c.

      de persoon is ontheven van de arbeidsplicht op grond van psychische, fysieke of sociale problematiek;

    • d.

      tijdens een eerdere uitkeringsperiode is vastgesteld dat de persoon niet is staat is om de Nederlandse taal op Referentieniveau 1F machtig te worden;

    • e.

      de persoon reeds is gestart met een taaltraject op grond van de Wet inburgering èn hij voldoet aan zijn inspanningsverplichting;

    • f.

      de persoon reeds is gestart met een taaltraject op grond van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs èn hij hiermee voldoet aan zijn inspanningsverplichting;

    • g.

      er sprake is van kortdurende bijstand.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 sub. e en f wordt wel een toets afgenomen wanneer de persoon aangeeft de Nederlandse taal op het Referentieniveau te beheersen.

Artikel 5.3. Het ontbreken van verwijtbaarheid

Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt indien:

  • a.

    er sprake is van een gediagnosticeerd leerprobleem;

  • b.

    er is vastgesteld dat een persoon door in zijn persoon gelegen factoren niet in staat is om de Nederlandse taal op Referentieniveau 1F machtig te worden.

Artikel 5.4. Kennisgeving

  • 1.

    Het college informeert de persoon over het bestaan van het Redelijk vermoeden binnen acht weken nadat deze bekend is geworden.

  • 2.

    De schriftelijke kennisgeving bevat in ieder geval:

    • a.

      de uitslag van de Toets of Taalmeter;

    • b.

      het bestaan van het Redelijk vermoeden;

    • c.

      het opleggen van de inspanningsverplichting;

    • d.

      de wijze waarop de persoon zich bereid kan verklaren om de Nederlandse taal te leren;

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brielle van 5 april 2016

Burgemeester en wethouders van de gemeente Brielle,

de secretaris, P. Schouten

de burgemeester, G.G.J. Rensen