Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Eijsden-Margraten

Subsidieverordening Kerkelijke Rijksmonumenten Cultuurhistorisch erfgoed Eijsden-Margraten

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieEijsden-Margraten
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingSubsidieverordening Kerkelijke Rijksmonumenten Cultuurhistorisch erfgoed Eijsden-Margraten
CiteertitelSubsidieverordening Kerkelijke Rijksmonumenten Cultuurhistorisch erfgoed Eijsden-Margraten
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerpSubsidie Cultuurhistorisch Erfgoed Kerkelijke Rijksmonumenten

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze verordening vrvangt de subsidieverordening onderhoud molens.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Monumentenwet 1988

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

07-12-201115-11-2011nieuwe regeling

01-11-2011

De Etalage, 06-12-2011

11IN003820

Tekst van de regeling

Intitulé

Subsidieverordening Kerkelijke Rijksmonumenten Cultuurhistorisch Erfgoed Eijsden-Margraten

De Raad van de gemeente Eijsden-Margraten;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;

 

gelet op het advies van de raadscommissie Grondgebioedzaken;

 

BESLUIT:

 

  • a.

    De "Subsidieverordening Cultuurhistorisch Erfgoed Eijsden-Margraten" vast te stellen;

  • b.

    te bepalen dat deze in werking treedt op 15 november 2011;

  • c.

    de "Subsidieregeling onderhoud molens 1982" van de voormalige gemeente Eijsden in te trekken per gelijke datum.

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Deze verordening verstaat onder:

    • a.

      Gemeentelijk monument: onroerend monument, dat overeenkomstig de bepalingen van de Erfgoedverordening Eijsden-Margraten 2011 als zodanig is aangewezen.

    • b.

      Rijksmonument:monument dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 en is ingeschreven in het ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde register;

    • c.

      Niet-rendabel rijksmonument:een rijksmonument dat uit de aard der zaak niet op een rendabele wijze kan worden geëxploiteerd.

    • d.

      Kleine cultuurhistorische relicten: kleine objecten in de openbare ruimte (zoals kruisen, kapellen, beelden, gedachtenismonumenten, gedenkstenen, historische straatmeubilair etc) die een beeldbepalend zijn en een hoge geschiedkundige waarde hebben, maar niet dermate bijzonder zijn dat ze voor aanwijzing tot monument in aanmerking komen.

    • e.

      Inspectierapport: een indicatief rapport dat de (bouw)technische staat en de gebreken van een monument beschrijft, niet ouder is dan twee jaar en is opgesteld door Stichting Monumentenwacht Limburg of een andere door het college van het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen ter zake deskundige instantie of persoon;

    • f.

      Bijzondere onderdelen: beschermingswaardige onderdelen van een monument:

      • ·

        die in architectonische, bouwhistorische of cultuurhistorische zin bepalend zijn voor de monumentale waarde van het monument;

      • ·

        die niet direct functioneel zijn en/of details bevatten die niet voorkomen in een soortgelijk gebouw of object dat niet is aangewezen tot beschermd monument;

      • ·

        waarvan de instandhouding relatief hoge kosten met zich meebrengt in vergelijking tot de overige instandhoudingskosten van het monument;

      • ·

        waarvan de instandhouding duidelijk hogere kosten met zich meebrengt in vergelijking tot een soortgelijk gebouw of object dat niet is aangewezen tot beschermd monument;

      • ·

        die als zodanig zijn vermeld in de redengevende omschrijving van het monument;

    • g.

      Bijzonder object: Een gemeentelijk monument dat:

      • ·

        een algemene maatschappelijke functie heeft;

      • ·

        geen economische rendabele gebruiksfunctie heeft en uit de aard der zaak ook na eventuele herbestemming niet op een rendabele wijze kan worden geëxploiteerd;

      • ·

        als zodanig is vermeld in de redengevende omschrijving van het monument;

    • h.

      Eigenaar: de natuurlijke of de rechtspersoon, die het recht van eigendom of een ander gelijkwaardig zakelijk recht heeft op een beschermd monument;

    • i.

      Beheerder: een persoon of instantie, die structureel uitvoering geeft (of zal gaan geven) aan het onderhoud van een of meerdere kleine cultuurhistorische relicten.

    • j.

      Monumentencommissie: de door de gemeenteraad ingestelde commissie, als bedoeld in artikel 15 lid 1 van de Monumentenwet 1988, met als taak om het college van burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, deze verordening en het monumentenbeleid in het algemeen.

    • k.

      Onderhoud: periodieke werkzaamheden aan een monument, welke tot doel hebben het in goede staat houden van het monument of onderdeel hiervan, om toekomstig kostbaar herstel te voorkomen of te verminderen;

    • l.

      Restauratie: werkzaamheden aan een monument, die het normale onderhoud te boven gaan en welke noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de cultuurhistorische waarden van het monument of onderdelen hiervan;

    • o.

      Facilitaire bijdrage:de facilitering, of het met raad en daad bijstaan van de monumenteneigenaar bij de instandhouding van het monument.

    • p.

      Subsidie: een financiële bijdrage die de gemeente levert om de instandhouding van monumenten te bevorderen en/of te verwezenlijken;

    • q.

      Subsidiabele kosten:de kosten voor (sober en doelmatig) onderhoud, restauratie en instandhouding van een gemeentelijk monument of onrendabel rijksmonumenten

Artikel 1.2 Bijdragegrondslag

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan subsidie verlenen, voor zover door de gemeenteraad het benodigde budget beschikbaar is gesteld.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders kan een onderverdeling aanbrengen in de besteding van het bovengenoemde budget voor - restauratie of instandhouding van niet rendabele rijksmonumenten - instandhouding van bijzondere gemeentelijke monumenten of bijzondere onderdelen van gemeentelijke monumenten (niet zijnde kleine gemeentelijke monumenten)

    • -

      instandhouding van kleine cultuurhistorische relicten (kruizen en kapellen. Waterputten etc)

    • -

      buitengewoon herstel van niet monumentale kerkgebouwen

  • 3.

    Voor zover in deze verordening niet anders bepaald, wordt subsidie slechts verleend aan de eigenaar van een van de bovengenoemde objecten.

  • 4.

    De subsidie kan niet meer bedragen dan het ongedekte tekort.

  • 5.

    Indien een eigenaar zelf werkzaamheden in het kader van een restauratie- of instandhoudingswerkzaamheden verricht, zijn diens loonkosten niet subsidiabel tenzij hij die werkzaamheden verricht in het kader van een door hem gedreven onderneming.

  • 6.

    Indien restauratie- of instandhoudingskosten op grond van een verzekering worden gedekt, worden de subsidiabele restauratiekosten verminderd met het bedrag dat ontstaat door het bedrag van de verzekeringspenningen te vermenigvuldigen met de breuk die ontstaat door de subsidiabele restauratiekosten te delen door de restauratiekosten.

  • 7.

    Subsidie wordt slechts verleend voorzover de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het beschermd monument en sober en doelmatig worden uitgevoerd.

  • 8.

    Een subsidie wordt verleend voor zover de middelen van dat jaar er toe strekken.

  • 9.

    Het college van burgemeester en wethouders verdelen de beschikbare budgetten in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de subsidieaanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvullende informatie is ontvangen met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt en onder voorbehoud dat aan de overige in deze verordening gestelde voorwaarden is of kan worden voldaan.

  • 10.

    Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van dit besluit verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Artikel 1.3 Algemene bepalingen inzake aanvraag en beslissing

1Aanvragen, besluiten en andere bestuursrechtelijk gehanteerde termen en

begrippen in deze regeling zijn bedoeld in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In dat verband is het college van burgemeester en wethouders het “bestuursorgaan”, waarbij de subsidieaanvragen moeten worden ingediend en dat beslist op de aanvragen.

  • 2

    De aanvraag om subsidie dient schriftelijk te worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders, waarbij gebruik dient te worden gemaakt van de door of vanwege het college van burgemeester en wethouders verstrekte aanvraagformulieren.

  • 3

    Het college van burgemeester en wethouders beslist op de aanvraag binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag, tenzij anders in deze verordening is aangegeven.

  • 4

    Het college van burgemeester en wethouders kan de termijn als bedoeld in lid 3 eenmalig met maximaal 13 weken verlengen. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk in kennis gesteld voordat de eerste termijn van 13 weken is verstreken.

  • 5

    Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, zal het college van burgemeester en wethouders de aanvrager hiervan binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de aanvraag in kennis stellen en de aanvrager in de gelegenheid stellen om de aanvraag aan te vullen.

  • 6

    De termijn voor het aanvullen van de aanvraag als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt 4 weken.

  • 7

    De termijn voor het geven van de beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de aanvrager overeenkomstig het bepaalde in lid 5 is verzocht om de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de termijn in lid 6 ongebruikt is verstreken.

  • 8

    Indien de gevraagde aanvullende gegevens, niet tijdig of niet volledig worden ingediend, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.

Artikel 1.4 Weigering subsidie

  • 1

    Het college van burgemeester en wethouders verlenen geen subsidie indien:

    • a.

      de subsidie reeds is verstrekt op grond van een andere gemeentelijke subsidieregeling;

    • b.

      de subsidiabele restauratiekosten op grond van de Wet op de omzetbelasting op verschuldigde belasting in aftrek kunnen worden gebracht;

    • c.

      met het treffen van de voorzieningen het belang van de monumentenzorg niet of in onvoldoende mate wordt gediend;

    • d.

      de kosten van de voorzieningen niet in een redelijke verhouding staan tot het te bereiken resultaat;

    • e.

      de vergunning, bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder f of artikel 2.2 lid 1 onder b van de Wabo niet is verleend;

    • f.

      met de uitvoering van de werkzaamheden is begonnen alvorens de subsidiabele kosten door het college van burgemeester en wethouders zijn vastgesteld.

  • 2

    In afwijking van lid 1 sub f kan het college van burgemeester en wethouders, op verzoek van de aanvrager, schriftelijke toestemming verlenen om vooruitlopende op de vaststelling van subsidiabele kosten en de verlening van de subsidie een aanvang te maken met spoedeisende werkzaamheden.

Artikel 2.1 Algemene bepalingen inzake subsidiëring van niet rendabele rijksmonumenten

  • 1.

    Voor de subsidiëring als bedoeld in deze paragraaf komen alleen niet rendabele rijksmonumenten in aanmerking.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders kan op advies van de Monumentencommissie een rijksmonument aanwijzen tot niet rendabel rijksmonument.

  • 3.

    De eigenaar van een niet rendabel rijksmonument dient aantoonbaar niet over fiscale aftrek te beschikken; Hogere overheden, waterschappen, woningstichtingen of woningcorporaties komen niet voor subsidie in aanmerking.

  • 4.

    De provincie dient aantoonbaar eenzelfde subsidie in de kosten van restauratie of instandhouding van het niet rendabele rijksmonument bij te dragen.

Artikel 2.2 Subsidie voor niet rendabele rijksmonumenten

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kunnen alleen subsidie verlenen voor een niet rendabel rijksmonument waarvoor ook een subsidie is verleend op grond van het Besluit Rijkssubsidiering Instandhouding Monumenten (BRIM) of het Besluit Rijkssubsidiering Restauratie Monumenten (BRRM 1997).

  • 2.

    De subsidieaanvraag en verlening vindt plaats op basis van het besluit van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

  • 3.

    Subsidiabel zijn de restauratie- of instandhoudingskosten die door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) voor het betreffende restauratie- of instandhoudingsplan zijn vastgesteld.

  • 4.

    De subsidie voor de restauratie van niet rendabele monumenten bedraagt maximaal 10% van de van rijkswege vastgestelde subsidiabele kosten.

  • 5.

    De subsidie voor de instandhouding van niet rendabele rijksmonumenten is maximaal gelijk aan het van rijkswege in het kader van het Besluit Rijkssubsidiering Instandhouding Monumenten (BRIM) gehanteerde subsidiepercentage.

  • 6.

    De gestapelde subsidie van rijk, provincie en gemeente kan nooit meer bedragen dan 90 % van de subsidiabele restauratie- of instandhoudingkosten, zoals deze bij besluit van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) zijn vastgesteld.

  • 7.

    De gestapelde subsidie van rijk, provincie en gemeente voor instandhouding van niet rendabele monumenten kan nooit meer bedragen dan de maximale subsidiabele kosten zoals deze van rijkswege in de Regeling Rijkssubsidiering Instandhouding Monumenten (BRIM) zijn vastgesteld.

Artikel 2.3 Aanvraag en beslissing op de aanvraag voor niet rendabele rijksmonumenten

  • 1.

    De aanvraag als bedoeld in lid 1 moet vergezeld gaan van:

    • a.

      een ingevuld aanvraagformulier;

    • b.

      het door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed goedgekeurde restauratie- of instandhoudingsplan;

    • c.

      het besluit van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed inzake de vaststelling van de subsidiabele restauratie- of instandhoudingskosten en verlening van de subsidie.

    • d.

      Een afschrift van het besluit van de provinciale subsidieverlening of een afschrift waaruit blijkt dat de provinciale subsidieaanvraag is ingediend.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders beslissen op de subsidieaanvraag uiterlijk 8 weken na indiening van de aanvraag.

  • 3.

    Indien wordt verwacht dat de ingediende aanvragen het door de gemeenteraad beschikbare budget zullen overschrijden, kan het college van burgemeester en wethouders de aanvraag aanhouden totdat beleidsregels zijn vastgesteld waarin staat aangegeven welke monumenten naar oordeel van het college voor subsidie in aanmerking komen en in welke volgorde.

  • 4.

    De beslissing van het college van burgemeester en wethouders houdt in de vaststelling van de subsidiabele restauratiekosten en de verlening van de subsidie.

Artikel 2.4 Aan subsidieverlening van niet rendabele rijksmonumenten verbonden voorschriften

  • 1.

    De werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door ter zake bekwame bedrijven met aantoonbare ervaring op het gebied van onderhoud en restauratie van monumenten.

  • 2.

    De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig het vastgestelde restauratie of instandhoudingsplan.

  • 3.

    Ten behoeve van de definitieve vaststelling van de gemeentelijke subsidie moet de eigenaar binnen 13 weken na ontvangst van het besluit van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed inzake de vaststelling van de daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten, een kopie van dit besluit indienen bij het college van burgemeester en wethouders.

  • 4.

    Nadat subsidie is verleend, kan aan de eigenaar op basis van door de eigenaar ingediende overzichten van gemaakte kosten, die vergezeld gaan van kopieën van de rekeningen, voorschotten verstrekken tot ten hoogste een zesde gedeelte van het totaal verleende subsidiebedrag; De voorschotten worden uitgekeerd voor zover de rekeningen werkzaamheden betreffen die in overeenstemming zijn met het instandhoudingsplan.

  • 5.

    De eigenaar bericht zo spoedig mogelijk aan het college van burgemeester en wethouders indien er zich omstandigheden voordoen die van invloed kunnen zijn op de beslissing inzake de subsidie, onder overlegging van de relevante stukken.

  • 6.

    De eigenaar is verplicht na afloop van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, het beschermd monument te bewaren en te onderhouden in de staat waarin het door de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, is gebracht;

  • 7.

    Indien het beschermde monument hierna wordt vervreemd is de eigenaar gehouden om de instandhoudingsverplichting aan zijn rechtsopvolger als kettingbeding op te leggen.

  • 8.

    Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van één of meer bovenstaande voorwaarden, mits daartoe een schriftelijk verzoek is ingediend.

Artikel 2.5 Vaststelling en uitkering van de subsidie voor niet rendabele rijksmonumenten

  • 1.

    De definitieve subsidie wordt vastgesteld op basis van het besluit van Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed inzake de vaststelling van de daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten.

  • 2.

    Ten behoeve van de definitieve vaststelling van de gemeentelijke subsidie moet de eigenaar binnen 13 weken na ontvangst van het besluit van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed inzake de vaststelling van de daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten, een kopie van dit besluit indienen bij het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het college van burgemeester en wethouders stelt de subsidie zo spoedig mogelijk vast aan de hand van het besluit van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

  • 4.

    Bij de vaststelling blijven de kosten, die niet reeds in de toezegging als subsidiabele kosten zijn aangemerkt, buiten beschouwing.

  • 5.

    De definitieve subsidie wordt uitgekeerd binnen 4 weken nadat door het college van burgemeester en wethouders een positieve beslissing als bedoeld in lid 1 is genomen.

Artikel 3.1 Algemene bepalingen

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan de uitvoering van één of meer bepalingen van deze regeling opdragen aan door het college aan te wijzen personen en/of instellingen.

  • 2.

    De aanvrager geeft aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen personen en/of instellingen, die belast zijn met de uitvoering en controle van deze subsidieverordening, desgevraagd toegang tot het object.

  • 3.

    Aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen personen of instellingen worden door de eigenaar desgevraagd alle bescheiden getoond en alle inlichtingen verstrekt die noodzakelijk zijn voor de controle op de rechtmatige en doelmatige besteding van de subsidie.

  • 4.

    Het college van burgemeester en wethouders is in bijzondere omstandigheden bevoegd om af te wijken van de bepalingen in deze verordening, indien als gevolg van strikte toepassing van deze verordening onbillijkheden zouden ontstaan in relatie tot hetgeen met de verordening is beoogd.

Artikel 3.2 Sanctiebepalingen

Indien de eigenaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt of de voorschriften vastgesteld bij of krachtens deze verordening niet nakomt, kan het college van burgemeester en wethouders de subsidie intrekken en eventueel reeds verstrekte subsidie terugvorderen.

Artikel 3.3 Overgangs- en slotbepalingen

Deze verordening kan worden aangehaald als de “Subsidieverordening Kerkelijke Rijksmonumenten Cultuurhistorisch erfgoed Eijsden-Margraten”.

 

Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad der gemeente

Eijsden-Margraten van 1 november 2011.

 

De griffier, De voorzitter,

Mr. M.G.A.J.T. Verbeet D.A.M. Akkermans

 

 

 

TOELICHTING Subsidieverordening Kerkelijke Rijksmonumenten Cultuurhistorisch Erfgoed Eijsden-Margraten

 

Inleiding

Monumenten zijn overblijfselen uit het verleden en vertellen iets over de geschiedenis van een stad of dorp. Hierdoor dragen monumenten in hoge mate bij aan de belevingswaarde van de bebouwde omgeving en aan het karakter en de identiteit van stad en dorp. De gemeente Eijsden-Margraten draagt dit cultuurhistorisch erfgoed een warm hart toe.

Subsidie voor niet rendabele rijksmonumenten

Tot voor kort kende de gemeente geen subsidieregeling voor rijksmonumenten. Eigenaren van rijksmonumenten ontvingen immers een subsidie van het rijk en hadden eveneens fiscale faciliteiten. Daarnaast konden eigenaren van bepaalde (onrendabele) categorieën rijksmonumenten van de provincie een subsidie krijgen voor de instandhouding van hun monument. In dit kader bestond er geen noodzaak om ook een gemeentelijke bijdrage te doen in de instandhouding van rijksmonumenten. De provinciale subsidieverordening voor cultuurhistorische erfgoed is echter in 2006 ingrijpend veranderd. De provincie is alleen bereid om subsidie te verlenen als de gemeente eveneens bereid is een (gelijke) bijdrage te leveren. De provincie wil hiermee bewerkstelligen dat de gemeentelijke overheid eveneens haar verantwoordelijkheid neemt ten aanzien van de instandhouding van het cultuurhistorische erfgoed. De provincie heeft evenwel de subsidiemogelijkheden beperkt en geeft alleen nog maar een bijdrage aan monumenteneigenaren die geen fiscale aftrek hebben. Het betreft met name subsidie aan stichtingen en kerkbesturen, die vaak eigenaar zijn van grotere niet rendabele monumenten en de restauratie en het onderhoud aan hun monument slechts moeizaam zelf kunnen bekostigen. De provinciale subsidie bedraagt meestal 10% van de vastgestelde subsidiabele kosten. De provincie verdeelt het beschikbare subsidiebudget in twee tenders. Als de ingediende aanvragen het beschikbare subsidiebudget overschrijden geeft de provincie prioriteit aan de monumenten die economische en toeristische meerwaarde hebben en na restauratie mogelijkheden bieden voor culturele en educatieve activiteiten. Het is dus niet zo dat, indien de gemeente bijdraagt, de provinciale subsidieaanvraag automatisch wordt gehonoreerd. Tot op heden kent de gemeente geen budget of regeling die voorziet in de subsidiëring van rijksmonumenten. Dit is evenwel wel wenselijk. Het betreft immers de instandhouding van niet rendabele monumenten, die zich zonder de aanvullende subsidie niet of slechts moeizaam zelf kunnen bekostigen. Eveneens is deze co-financiering van de gemeente nodig omdat de monumenteneigenaar anders geen provinciale subsidie kan ontvangen.