Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Eijsden-Margraten

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2013

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieEijsden-Margraten
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2013
CiteertitelBeleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2013
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet maatschappelijke ondersteuning

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-201301-01-2013Onbekend

22-01-2013

Heuvelland Aktueel en De Etalage

12IN007772

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2013

Burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten;

gelet op de bepalingen in de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2013

Besluiten vast te stellen:

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2013

Inleiding

Voorliggende beleidsregels zijn een verdere uitwerking van het afwegingskader dat de gemeente Eijsden-Margraten hanteert bij de invulling van het compensatiebeginsel van de Wmo. De hoofdlijnen hiervan worden in de ‘verordening maatschappelijke ondersteuning’ weergegeven, vastgesteld door de Raad. Deze beleidsregels geven praktische handvatten aan de medewerkers die de wettelijke verplichtingen van de Wmo uitvoeren en bieden burgers van de gemeente inzicht in hoe de gemeentelijke keuzes tot stand zijn gekomen. Het ‘besluit maatschappelijke ondersteuning’ is vervolgens bedoeld om alle bedragen en een verdere detaillering van de gemeentelijke werkwijze in op te nemen. Zowel de beleidsregels als het besluit worden vastgesteld door het College van burgemeester en wethouders.

Deze nieuwe beleidsregels vormen met de nieuwe verordening een trendbreuk met de oude regels (ooit verstrekkingenboek geheten), zoals die gehanteerd werden onder de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en sinds 2007 onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Was onder de Wvg sprake van een zorgplicht en tamelijk nauwkeurig omschreven voorzieningen, de compensatieplicht van de Wmo vraagt om een andere aanpak. Die andere werkwijze heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) samen met de Chronisch Zieken en Gehandicapten Raad Nederland (CG-Raad) en de gezamenlijke Ouderenbonden ontwikkeld. Kernbegrippen zijn nu het leveren van maatwerk, uitgaan van te bereiken resultaten en eigen verantwoordelijkheid. Bij de beoordeling van een aanvraag, of al tijdens het gesprek voorafgaand aan de aanvraag, komt eerst het resultaat dat bereikt moet worden aan de orde, daarna passeren de verschillende oplossingen de revue waarbij meer dan alleen de individuele voorzieningen op indicatie worden besproken. Omdat maatwerk nodig is vindt een uitgebreid gesprek plaats ter verkenning van de mogelijkheden, wat betreft oplossingen en eigen capaciteiten.

In de allereerste richtingbepalende uitspraak van 10 december 2008 heeft de Centrale Raad van Beroep helder uiteengezet hoe zij aankijkt tegen de compensatieplicht en wat van de gemeente bij de uitvoering mag worden verwacht. Kenmerkend is daarbij de grote invloed van de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager op het gemeentelijk onderzoek. De latere jurisprudentie laat voortdurend zien dat er door gemeenten te weinig onderzoek wordt gedaan, zodat zij geen of onvoldoende kennis hebben van de persoonskenmerken en behoeften en daar dan ook niet of te weinig rekening mee houden.

Art 4 van de Wmo geeft allereerst aan op welke terreinen resultaten bereikt dienen te worden. Daarnaast geeft dit artikel aan dat het in de Wmo gaat om maatwerk. Daar was onder de Wvg veel minder sprake van. Het meest duidelijke voorbeeld is gelegen in het collectieve vraagafhankelijke vervoer (cvv). Onder de Wvg hadden verreweg de meeste gemeenten het primaat van het cvv in hun verordening opgenomen. Daar kon onder de Wvg redelijk consequent mee worden omgegaan, zo leerde de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Als er geen medische noodzaak bestond voor een andere vervoersvoorziening kon de gemeente cvv toekennen en werd deze voorziening adequaat geacht, zelfs goedkoopst-adequaat. De Wmo-jurisprudentie van de Centrale Raad heeft inmiddels duidelijk gemaakt, dat het primaat van het collectief vervoer weliswaar gehanteerd mag worden, maar dat dit niet zo consequent meer kan als vroeger. Er moet altijd beoordeeld worden of er aanleiding is af te wijken. Allereerst kan dat het geval zijn als iemand een persoonsgebonden budget vraagt. Dat mag niet categorisch worden afgewezen: daar moet individueel onderzoek naar worden gedaan. En die afwijking van de hoofdregel moet in ieder geval als er sprake is van twee voorzieningen: een voor het vervoer over de korte afstand en een over de langere afstand. Maar ook als er sprake is van maar één voorziening moet die individuele beoordeling plaats vinden. Gebeurt dat niet, zo leert de jurisprudentie, dan is de kans heel groot dat de rechter het besluit hierop zal vernietigen.

De aanleiding kan ook zijn dat het cvv in het individuele geval niet als goedkoopst-compenserend betiteld kan worden. Bijvoorbeeld omdat het concreet in deze situatie onpraktisch is.

Dit voorbeeld van het cvv maakt duidelijk dat de Wmo andere eisen stelt aan een besluit dan de Wvg deed. De nadruk zal nu veel meer moeten liggen op zorgvuldig onderzoek van het individuele geval. En ook al is het eindresultaat gelijk aan dat wat het onder de Wvg geweest zou zijn: de onderbouwing en motivering moeten er geheel anders uit zien. En aan die onderbouwing toetst de rechter het besluit.

Eigen verantwoordelijkheid

De Wmo is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van voorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem op te lossen. Ook die eigen verantwoordelijkheid komt tijdens het gesprek aan de orde.

Zo kan een oplossing van problemen bijvoorbeeld al aanwezig zijn in het dagelijks normale levenspatroon van mensen en hoeft hier niets aan gewijzigd te worden door middel van het inzetten van een gemeentelijke voorziening. Bij problemen met het schoonhouden van het huis zijn er talloze mensen die gewend zijn daar iemand voor in te huren, zoals tweeverdieners of mensen met voldoende inkomen. In deze situatie hoeft niets te veranderen, als men op basis van leeftijd of een ongeval beperkingen krijgt. Door voort te zetten wat men had ontstaat er geen probleem dat om een oplossing vraagt. Dat zou anders kunnen zijn als door het ontstaan van de beperking het inkomen daalt. Het kan dan zijn dat iemand de eerder ingehuurde schoonmaakhulp niet meer kan betalen. Dat zou aanleiding kunnen zijn wel te compenseren. Daarvoor zal een zorgvuldig onderzoek verricht moeten worden, met name naar de eerdere situatie, zowel wat betreft hulp als wat betreft inkomen, en de veranderde situatie.

Het kan ook zijn dat er (veel) meer hulp in de huishouding nodig is. Dan zou het kunnen zijn dat er wel sprake is van meerkosten en dat er daardoor gecompenseerd moet worden.

Eigen verantwoordelijkheid betekent daarnaast bijvoorbeeld ook de aanschaf en het gebruik van zoveel mogelijk strijkvrije kleding om onnodig beroep op een hulp te voorkomen. Ook nieuwe technische mogelijkheden, zoals een robotstofzuiger, kunnen bekeken worden. Mogelijk is dat een hulpmiddel waardoor iemand meer zelf kan gaan doen in huis.

In art 4 lid 2 van de Wmo is bepaald dat gemeenten rekening houden met de mogelijkheden die iemand heeft om zelf in financiële zin kosten van een voorziening geheel of gedeeltelijk voor eigen rekening te nemen. Dat is wat anders dan de eigen bijdrage regeling. Die speelt een rol nadat een voorziening is verstrekt. Feitelijk zegt de gemeente bij toepassing van dit artikel: als gemeente hoeven we niets te doen want u kunt het zelf betalen, compensatieplicht is niet aan de orde. De discussie loopt of gemeenten op basis van dit artikel ook rekening mogen houden met het vermogen van iemand. Dus niet alleen met het inkomen uit vermogen. Mag je van iemand met een redelijk vermogen, met geld op de bank of aandelen of een eigen huis met overwaarde verlangen dat hij dat gebruikt om een noodzakelijke woningaanpassing te financieren? Mag je van iemand in dergelijke omstandigheden verlangen dat hij zelf zijn eigen vervoer bekostigt, en zijn eigen hulp in huis betaalt? En welke grenzen zouden dan gehanteerd kunnen worden? Juist omdat hierover geen jurisprudentie is, is het lastig hierin te adviseren. Veel gemeenten vinden het onbevredigend dat juist bij dure woningaanpassingen bij eigen woningen slechts drie jaar een eigen bijdrage gevraagd mag worden, die de kosten bij lange na niet dekt. Het wachten is op de eerste gemeente die dit gaat toepassen. Recente jurisprudentie van de CRvB laat zien dat het toepassen van een inkomensgrens nog niet toegestaan is. Daarnaast is in de vorige kabinetsperiode gesproken over het toepassen van een vermogenstoets, maar is hier geen beslissing over genomen. Totdat er meer duidelijkheid is over beide zaken, gaat de gemeente Eijsden-Margraten wel uit van het bekijken van de mogelijkheden van de burger – in financiële en persoonlijke zin – maar wordt er geen meer generiek inkomensbeleid gevoerd.

Mantelzorgers en vrijwilligers

Een bijzondere groep onder de Wmo vormen de mantelzorgers en vrijwilligers. Zij vallen onder de werking van prestatieveld 6. De vraag is of dat leidt tot ‘eigen’ aanspraken van mantelzorgers in het kader van dit prestatieveld, of dat het gaat om afgeleide aanspraken, omdat er een persoon is waarvoor de mantelzorger zorgt en ook de mantelzorger op naam van deze persoon aanspraak kan maken op individuele voorzieningen. Nadrukkelijk moet een gemeente immers rekening houden met de belangen van de mantelzorger en diens dreigende overbelasting. Bij de verschillende onderdelen komt dit aan de orde. Het gaat hierbij overigens om een principieel verschil van inzicht, waarover de jurisprudentie tot op heden nog geen uitsluitsel heeft gegeven. Tot dat gebeurt wordt er door de gemeente Eijsden-Margraten voor gekozen, vooral uit uitvoeringstechnisch oogpunt, uit te gaan van een afgeleid recht op voorzieningen. Beschikkingen zullen dan ook op naam staan en gericht zijn tot degene die de mantelzorg ontvangt. Er is in de gemeente gekozen om de uitwerking van dit afgeleid recht niet via de verordening maatschappelijke ondersteuning en voorliggende beleidsregels te regelen, maar hiervoor uit te gaan van het mantelzorgbeleid van de gemeente. Mantelzorgondersteuning en eventuele praktische voorzieningen kunnen op basis van dit beleid aan de mantelzorger verstrekt worden. Tevens kan in het geval van bijvoorbeeld zorgmijders ook op signaal van derden (denk aan buurvrouw, dochter of huisarts) een ‘keukentafelgesprek’ georganiseerd worden. Dit kan het geval zijn als een mantelzorger overbelast is, maar de verzorgde niet op eigen initiatief ondersteuning vanuit de gemeente inschakelt.

Nieuwe wetgeving

In deze beleidsregels laten we de – op het moment van schrijven controversieel verklaarde- plannen rond de functie begeleiding uit de AWBZ, zoals aangekondigd in het regeerakkoord van VVD en CDA, buiten beschouwing.

Ten geleide

Deze beleidsregels volgen de verordening qua volgorde van de te behandelen onderdelen. Dat betekent dat de te bereiken resultaten uitgangspunt zijn. De omschrijving van deze resultaten komt overeen met de modelverordening van de VNG, die wat dit betreft weer geënt is op de zogenaamde ‘bouwstenen’ van de VNG.

De gemeente heeft het afwegingskader, zoals hieronder weergegeven, per resultaat uitgewerkt. De inleidingen zijn met name voor de uitvoeringsafdeling bedoeld. Cursief gedrukt is de toelichting bij de beleidsregel.

De beleidsregels die nu voorliggen moeten bevorderen dat de doelstelling van de compensatieplicht, zoals die door de wetgever in de Wmo geformuleerd is, te weten zelfredzaamheid en participatie door burgers met beperkingen, ook daadwerkelijk gerealiseerd wordt. Een goed gesprek, heldere resultaten en oplossingen op maat zijn daartoe nodig.

Hoofdstuk 1. Beoordeling van de te bereiken resultaten

Resultaat 1: een schoon en leefbaar huis

Inleiding

Tot een schoon en leefbaar huis behoort het zwaar en licht huishoudelijk werk, zoals voor 2007 benoemd onder de AWBZ. Het gaat daarbij concreet om het stofzuigen van de woning, het soppen van badkamer, keuken, toilet, het dweilen van vloeren en het overigens schoonhouden van de ruimten die onder de compensatieplicht vallen.

Deze ruimten zijn die ruimten die - op het niveau sociale woningbouw - voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn. Niveau sociale woningbouw betekent dat dit niveau als uitgangspunt wordt genomen. Daarbij kunnen persoonskenmerken en behoeften het noodzakelijk maken hiervan af te wijken.

Afwegingskader

Het gaat om alle activiteiten teneinde het huis, exclusief de tuin, maar inclusief balkon en berging, schoon en leefbaar te houden.

Allereerst beoordeelt het College of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn.

Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld het gebruik van de glazenwasser voor het reinigen van de ramen aan de buitenkant

Ten tweede beoordeeld het College of er mogelijkheden zijn tot het inzetten van aanwezige en beschikbare collectieve voorzieningen, ter compensatie van de belemmeringen van de belanghebbende.

Een voorbeeld hiervan is een ramenwasservice.

Vervolgens beoordeelt het College of er andere eigen mogelijkheden zijn.

Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin men al jaren op eigen kosten iemand voor deze werkzaamheden inhuurt. Als tegelijk met het optreden van de beperking geen inkomenswijziging heeft plaatsgevonden en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de handicap, is het oordeel in zijn algemeenheid dat er geen compensatie nodig is, omdat het probleem al opgelost is. Dit is uiteraard anders als aangetoond kan worden dat er zodanige wijzigingen zijn dat het niet meer mogelijk is deze hulp zelf te betalen. Is sprake van een latrelatie, dan zal de gemeente nagaan of en in hoeverre de partner bij kan dragen aan het huishouden.

Daarna beoordeelt het College of er sprake is van gebruikelijke zorg.

Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of sprake van inwonendheid wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur e.d. door elkaar lopen. Bij gebruikelijke zorg wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enz. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijk gebruikelijke zorg wel voor geïndiceerd worden.

Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, zal het College compenseren met een individuele voorziening. Bij dit compenseren wordt de ‘Richtlijn indicatiestelling voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten’’ gehanteerd. Deze normering is in overleg met thuiszorgorganisaties tot stand gekomen. Gezamenlijk is bepaald dat de gehanteerde normering voldoende compensatie biedt en het resultaat ‘een schoon een leefbaar huis’ daarmee voor de belanghebbende bereikt wordt. De systematiek bestaat uit normen uitgedrukt in uren en delen van uren.

De hulp kan door het College worden toegekend in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget of in de vorm van een pgb-alfa. Het persoongebonden budget als bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan in enig kalenderjaar niet meer bedragen dan de door de zorgbemiddelingsorganisatie aan de gemeente opgegeven som van de gerealiseerde en geautoriseerde productie-uren over het desbetreffende kalenderjaar. De bruto tarieven waarmee gerekend wordt zijn vastgelegd in het besluit maatschappelijke ondersteuning. Het hierboven bepaalde geldt in gelijke mate voor een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden in de vorm van dienstverlening ingevolge een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5 lid 1 van de Wet op de loonbelasting 1964.`

Bij huishoudelijke hulp in natura kent het College hulp toe in uren of delen daarvan.

Ook hier zou een andere vorm van toekennen mogelijk zijn. Daarbij moet altijd vast staan dat het te bereiken resultaat bereikt zal worden, zodat er sprake is van compensatie.

Ook bij mantelzorgers kan sprake zijn van problemen met een schoon huis. Dit is een afgeleid recht van de verzorgde, zodat geen zelfstandig recht ontstaat.

Resultaat 2: wonen in een geschikt huis

Inleiding

In de Wmo is in artikel 4 lid 1 geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen resultaten die bereikt moeten worden op het huishoudelijke vlak en resultaten voor wat betreft een voor de persoon en zijn kenmerken geschikte woning. De term ‘voeren van een huishouden’ geeft daar geen duidelijkheid over. Daarbij is er één belangrijke voorwaarde voordat er gecompenseerd kan worden: er moet een woning zijn. Als er geen woning is, is het niet de taak van de gemeente om voor een woning te zorgen. Iedere Nederlandse burger dient zelf voor een woning te zorgen. Bij de keus van een woning wordt uiteraard rekening gehouden met de eigen situatie. Dat betekent ook dat er met bestaande of bekende komende beperkingen rekening wordt gehouden. Als de woning dan nog niet geschikt is kan het College compenseren.

Afwegingskader

Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een woning. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst.

Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van een eigen woning.

Het College beoordeelt allereerst of het resultaat: wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing.

Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een woning beschikbaar komt (in verband met de medische verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de betrokkene en argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Ook het verhuizen naar een andere kern dan waar de belanghebbende op dat moment woont is hier een mogelijkheid.

Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het College ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor hebben van een woning.

Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de verzorgde(n) had(den) voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de benodigde vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening.

Als voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt besluit het College vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als vantevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiest het College bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit en heeft aandacht voor de RO-vergunning.

Als het gaat om een aanbouw bij een eigen woning zal het College allereerst beoordelen wat iemands mogelijkheden zijn om uit een oogpunt van kosten zelf in de compenserende voorziening te voorzien.

Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenverdieping, zal het College allereerst die situatie beoordelen, voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt.

Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het College altijd eerst met een aanpassingsplan, opgesteld door een adviesorgaan. In het geval van een particuliere woning worden aan de hand van dit aanpassingsplan twee offertes opgevraagd. Bij huurwoningen (sociale woningbouw) wordt gewerkt met, door een aanbesteding gecontracteerde, vaste aannemers waarbij eveneens twee offertes worden opgevraagd.

Het aanpassen van doelgroepengebouwen zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het College gemaakt zijn of worden met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen.

Een bouwkundige aanpassing aan een woning wordt ingevolge artikel 7 lid 2 Wmo door het College uitbetaald aan de eigenaar van de woning, als financiële tegemoetkoming. De beschikking wordt verstuurd aan de aanvrager/belanghebbende met een afschrift aan de eigenaar.

Een niet-bouwkundige aanpassing aan de woning kan door het College in natura en als persoonsgebonden budget worden verstrekt aan de aanvrager/belanghebbende.

Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen houdt het College rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden.

Bij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding houdt het College rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of voorspelbare verhuizing wordt in principe geen verhuiskostenvergoeding toegekend.

Resultaat 3: goederen voor primaire levensbehoeften

Inleiding

In elk huishouden zijn boodschappen voor de dagelijkse activiteiten nodig. De compensatieplicht is beperkt tot de levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Niet hieronder vallen de grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen, zoals apparaten.

Het is heel normaal dat mensen deze boodschappen geclusterd doen door één maal per week de grote voorraad in huis te halen. Daar kan de Wmo bij aansluiten door uit te gaan van één maal per week boodschappen. Indien mogelijk wordt daarbij gebruik gemaakt van boodschappendiensten. Soms hebben supermarkten een dergelijke service. Het is ook mogelijk dat vanuit de gemeente een boodschappendienst wordt opgezet. Een boodschappendienst wordt volgens de jurisprudentie aanvaardbaar geacht als er niet al te hoge kosten aan verbonden zijn.

Ook het bereiden van maaltijden valt onder dit resultaat. In sommige situaties kan van een maaltijdservice gebruik worden gemaakt. Ook zijn er kant- en klaar maaltijden te koop in de supermarkt die soms (tijdelijk) een oplossing kunnen bieden.

Afwegingskader

Onder dit resultaat worden gerekend de boodschappen inzake levens- en schoonmaakmiddelen die dagelijks nodig zijn en zo nodig de bereiding van maaltijden.

Allereerst beoordeelt het College of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende, algemeen gebruikelijke, collectieve en algemene voorzieningen meegenomen zijn.

Hierbij valt te denken aan het gebruik van een boodschappenservice, zowel die beschikbaar gesteld zijn door supermarkten, als die zijn opgezet door de gemeente of door vrijwilligersorganisaties. Als het gaat om het bereiden van maaltijden kan bekeken worden of een vorm van maaltijdvoorziening in de gemeente bruikbaar en beschikbaar is of dat de belanghebbende gebruik kan maken van kant en klare maaltijden.

Vervolgens zal het College beoordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn.

Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat in de omgeving wonende bekenden en/of kinderen gewend of bereid zijn deze boodschappen te doen.

Daarna beoordeelt het College of er sprake is van gebruikelijke zorg.

Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of sprake van inwonendheid zal naar de concrete feiten beoordeeld moeten worden. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur e.d. door elkaar lopen. Daarbij wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enz. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Het doen van boodschappen is uitstelbare hulp, het bereiden van maaltijden is niet-uitstelbare hulp. Hier kan wel voor geïndiceerd kunnen worden.

Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het College compenseren met een individuele voorziening.

Bij boodschappen is het uitgangspunt: één maal in de week boodschappen doen. Een uitzondering wordt door het College alleen gemaakt als volstrekt helder is dat dit niet in één maal per week mogelijk is.

De normtijden hiervoor zijn de normen zoals afgestemd met zorgaanbieders en vastgelegd in de ‘Richtlijn indicatiestelling voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten’, tenzij de feitelijke situatie tot een andere norm leidt.

Deze normen worden uitgedrukt in uren en delen van uren.

Het resultaat: beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften, als individuele voorziening, kan door het College in natura als ook via een persoonsgebonden budget of een pgb-alfa constructie bereikt worden.

Het College houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigende overbelasting een individuele voorziening aan de verzorgde worden toegekend. Deze voorziening kan dan niet – als het een pgb betreft - door de mantelzorger worden ingevuld: het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting Ook hier gaat het om een afgeleid recht. Het College kan ook op voorhand rekening houden met periodes van afwezigheid van de mantelzorger voor vakantie of anderszins. Het gaat dan bijvoorbeeld om de inzet van kortdurende hulp bij het huishouden bij de verzorgde als de mantelzorger afwezig is en deze taken niet over kan nemen. Daarnaast kan ondersteuning aan de mantelzorger zelf worden vertrekt. Dit is geregeld in het beleid mantelzorgondersteuning van de gemeente.

Resultaat 4: beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding

Inleiding

De dagelijkse kleding moet met enige regelmaat schoongemaakt worden. Dit betekent het wassen, drogen en in specifieke situaties strijken van kleding. We spreken hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. Daarbij is het uitgangspunt dat kleding niet gestreken hoeft te worden. Met het kopen van kleding kan hier rekening mee worden gehouden. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger.

Afwegingskader

Allereerst beoordeelt het College of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn.

Hierbij valt te denken aan het gebruik van een commerciële wasserij als deze in de gemeente bruikbaar en beschikbaar is.

Ten tweede beoordeeld het College of er mogelijkheden zijn tot het inzetten van aanwezige en beschikbare algemene voorzieningen, ter compensatie van de belemmeringen van de belanghebbende.

Een voorbeeld hiervan is een aanwezige en beschikbare wasservice, georganiseerd door bijvoorbeeld de gemeente of een vrijwilligersorganisatie. Deze algemene voorziening is voor iedereen toegankelijk en hiervoor wordt – in tegenstelling tot bij een collectieve voorziening – geen individuele indicatie gesteld. In het geval van een collectieve voorziening kunnen hier ook burgers zonder indicatie gebruik van maken, maar dan tegen een volledig tarief. Denk daarbij aan het cvv.

Vervolgens zal het College beoordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn die benut kunnen worden.

Hierbij kan gedacht worden aan de aanschaf door betrokkene van een wasmachine en/of droger. Indien de belanghebbende de financiële middelen niet heeft voor de aanschaf van noodzakelijk witgoed worden hiervoor eveneens de mogelijkheden van de gemeentelijke sociale zekerheid en particuliere initiatieven bekeken.

Daarna beoordeelt het College of er sprake is van gebruikelijke zorg.

Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of er sprake is van inwonendheid zal naar de concrete feiten beoordeeld moeten worden. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur e.d. door elkaar lopen. Daarbij wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enz. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding zal het over het algemeen gaan om uitstelbare taken. Alleen als de was niet kan blijven liggen zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijke gebruikelijke zorg wel voor geïndiceerd kunnen worden.

Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het College compenseren met een individuele voorziening.

De inhoud van het resultaat schone en doelmatige kleding bestaat uit het wassen en drogen daarvan en eventueel licht verstelwerk, zoals het vastzetten van een naadje of het aanzetten van een knoop.

Wat betreft het strijken van kleding worden er geen platgoed (o.a. lakens, theedoeken, zakdoeken etc. ), ondergoed, nachtkleding etc. gestreken. Het gaat dan ook enkel om bovenkleding voor zover deze gestreken mag worden (denk dan bijvoorbeeld aan kleding die naar de stomerij moet). Wat betreft de bovenkleding wordt daarnaast uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe zoveel als mogelijk strijkvrij of in ieder geval gemakkelijk strijkbaar is. In de ‘Richtlijn indicatiestelling voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten’ wordt aangegeven in welke specifieke gevallen strijken wel als individuele al dan niet algemene voorziening wordt verstrekt.

Er zal met de mantelzorger rekening worden gehouden met het oog op dreigende overbelasting. Als er een indicatie wordt gesteld, gebeurt dat als afgeleide van de verzorgde op zijn of haar naam en via het mantelzorgbeleid van de gemeente.

Resultaat 5: het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren

Inleiding

De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen (oppasoma, kinderopvang), maar het is een eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken.

De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een al dan niet tijdelijke oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing.

Afwegingskader

Allereerst beoordeelt het College of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn.

Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld voorschoolse, tussenschoolse en naschoolse opvang, kinderopvang, opvang door familie enz.

Ook beoordeelt het College de mogelijkheden van ouderschapsverlof.

Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het College compenseren met een individuele voorziening.

Bij tijdelijke opvang gaat het om die tijden dat de partner vanwege werkzaamheden niet thuis is.

Dat kan dus gaan om maximaal 40 uur, bij een 40-urige werkweek, plus de noodzakelijke reistijden.

Bij de toekenning stelt het College bij beschikking vast om welke tijdelijke periode het gaat en op welke wijze gezocht dient te worden naar een definitieve oplossing.

Ten aanzien van mantelzorgers zal door het College rekening worden gehouden met hun belangen als het gaat om het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren.

Resultaat 6: verplaatsen in en om de woning

Inleiding

Verplaatsing in en om de woning werd onder de Wvg aangeduid als: de rolstoel. Onder de Wvg werd met de rolstoel aanvankelijk bedoeld: de rolstoel die iemand nodig heeft voor dagelijks zittend gebruik. Zo was het ook in de gemeentelijke verordeningen geformuleerd. Daarnaast werd een sportrolstoel als - bovenwettelijke - voorziening verstrekt, over het algemeen in de vorm van een bedrag ineens. De rolstoel voor incidenteel gebruik, uiteindelijk onder de Wvg de meest verstrekte rolstoel, had eigenlijk geen plaats.

Onder de Wmo is er een andere omschrijving. Het gaat dan om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat sluit op zich de rolstoel voor incidenteel gebruik bijna altijd uit, omdat die nu juist daar niet voor bedoeld is, maar voor verplaatsingen over langere afstanden elders, tijdens uitstapjes. Deze rolstoel past daarmee meer onder resultaat 8 en kan ook als algemene voorziening verstrekt worden.

Afwegingskader

Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om belanghebbenden die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel.

Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidentele’ gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes, te gebruiken, vallen niet onder dit te bereiken resultaat en zullen dan ook ter beschikking kunnen komen via een algemene voorziening in de vorm van een rolstoelpool.

De sportrolstoel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning.

Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal een medische indicatie worden gesteld.

Een rolstoel kan door het College verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

Bij verstrekking in natura vallen alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking.

Bij een indicatie voor een rolstoelvoorziening met verstrekking in natura selecteert de door de gemeente gecontracteerde aanbieding de juiste voorziening.

Denk hierbij aan het aanmeten van de voorziening en het aanpassen (indien nodig) aan de klant. Aanbieders kunnen een referentiemiddel inzetten waarbij goedkoopst-compenserend leidraad is.

Bij een verstrekking als persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die belanghebbende zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen.

Bij het bepalen van het type rolstoel wordt de goedkoopst-compenserende oplossing als uitgangspunt genomen.

Indien de klant bij een verstrekking als persoonsgebonden budget kiest voor een door de gemeente gecontracteerde aanbieder zal deze selectie van de rolstoel, metingen en eventuele aanpassingen verrichten.

Aanbieders kunnen een referentiemiddel inzetten waarbij goedkoopst-compenserend leidraad is.

Ten aanzien van mantelzorgers zal door het College rekening worden gehouden met hun belangen.

In het mantelzorgbeleid van de gemeente Eijsden-Margraten wordt geregeld hoe de gemeente met diverse vormen van mantelzorgondersteuning omgaat.

Resultaat 7: lokaal verplaatsen per vervoermiddel

Inleiding

Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Er wordt gesproken over lokaal verplaatsen, waarbij gedacht moet worden aan verplaatsingen in een straal van 15 tot 20 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het boven-regionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht.

Voor deze verplaatsingen kunnen - naast algemene voorzieningen en inzet van het sociaal netwerk – door de gemeente diverse individuele vervoersvoorzieningen worden ingezet. We maken daarbij een onderscheid tussen het collectief vervoer (cvv) en overige vervoersvoorzieningen. Beiden worden op basis van een individuele indicatie verstrekt, maar het collectief vervoer wordt (de naam zegt het al) collectief uitgevoerd. Onder de overige vervoersvoorzieningen vallen onder andere de scootmobiel, aanpassingen aan uw auto of een tegemoetkoming in de vervoerskosten.

Er wordt geen onbeperkte kostenloze vervoermogelijkheid aangeboden. Net als voor personen zonder beperkingen geldt, dient men voor het vervoer een bijdrage te betalen al dan niet in de vorm van een tarief.

Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor (men heeft al 40 jaar een auto en is gewend daar alles mee te doen) zal er geen noodzaak zijn te compenseren omdat er geen probleem is of omdat men het zelf kan oplossen. Dat kan anders zijn indien door het optreden van de beperkingen ook het inkomen daalt.

Specifiek voor het cvv geldt dat als een collectief vervoerssysteem het ervaren probleem van een belanghebbende kan oplossen, het prioriteit is om deze voorziening in zorg in natura te verstrekken. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. De Centrale Raad van Beroep heeft inmiddels bepaald dat collectief vervoer een individuele voorziening is (als de gebruiker een indicatie nodig heeft), waarvoor in principe het verplichte alternatief van een persoonsgebonden budget bestaat. Daar mag in individuele gevallen vanaf worden geweken als duidelijk is dat het collectief vervoer ook in de situatie van betrokkene leidt tot een adequate compensatie. Ook aantoonbare efficiencyoverwegingen mogen een rol spelen. De afweging of daar sprake van is zal altijd gemaakt moeten worden.

De CRvB heeft in diverse uitspraken een ondergrens voor de aflegbare afstand voor vervoersvoorzieningen die moeten resulteren in het zich lokaal verplaatsen en deelnemen aan het leven van alledag, bepaald op 1500-2000 km per jaar (LJN:AU7812). Bij het inzetten van een systeem van collectief vervoer moet dan ook aan deze ondergrens gehouden worden.

Afwegingskader

Om voor een individuele voorziening in aanmerking te komen zal het College eerst nagaan of in het gesprek alle mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld.

Dat kunnen ook fietsen in bijzondere uitvoering zijn, zoals fietsen met trapondersteuning en dergelijke.

Als het College dient te compenseren zal allereerst gekeken worden waar de vervoersbehoefte van de aanvrager/betrokkene uit bestaat.

Als het gaat om het inzetten van een collectieve vervoersvoorziening worden hier specifieke handvatten voor gegeven in de ‘Aangepaste indicatiestelling vervoer’, opgesteld door Omnibuzz. Een verkorte versie hiervan is eveneens opgenomen in de ‘Richtlijn indicatie voorzieningen maatschappelijke ondersteuning’.

Aan de hand van deze vervoersbehoefte zal het College beoordelen of deze behoefte bij een persoon met een maximale loopafstand van 800 meter ingevuld kan worden met een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer. Hierbij houdt het College rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager/betrokkene.

De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geoperationaliseerd middels het loopafstandscriterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het openbaar vervoer te komen, dan ook komt men voor vervoersvoorzieningen in aanmerking. Er ligt overigens geen letterlijke relatie met het openbaar vervoer. Het opheffen van een buslijn, waardoor een halte op grote(re) afstand komt te liggen, is geen aanleiding een vervoersvoorziening te verstrekken. Indien nog gefietst kan worden over grotere afstanden kan hier ook rekening mee worden gehouden.

Met een systeem voor collectief vervoer of met een andere individuele voorziening dient tenminste een afstand van 1500 - 2000 km per jaar te kunnen worden afgelegd. Indien daar aanleiding voor is kan het College dit aantal ophogen.

Uitspraken van de CRvB geven deze ondergrens van 1500-2000 km aan bij het inzetten van collectief vraagafhankelijk vervoer of een andere individuele voorziening om eenzelfde resultaat te bereiken (o.a. LJN:AU7812). Bij dit aantal kilometers kan het gebruik van een andere, verstrekte, voorziening zoals een scootmobiel, meegenomen worden hetgeen invloed kan hebben op het aantal kilometers.

Bij personen met een loopafstand van minder dan 100 meter zal het College beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand.

Ingevolge jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is het criteria voor een vervoersvoorziening voor een korte afstand geoperationaliseerd met het loopafstandscriterium “maximale loopafstand 100 meter’’. Kan men geen 100 meter al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan wordt men verondersteld ook een voorziening op de korte afstand, in de woonomgeving, nodig te hebben.

Ook bij personen met een loopafstand van meer dan 100 meter, maar minder dan 800 meter, zal het College beoordelen of een voorziening voor de zeer korte afstand noodzakelijk is.

Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geeft aan dat voor mensen met een loopafstand tot 100 meter een vervoersvoorziening voor de korte afstand dwingend is. Bij een loopafstand tussen de 100 en 800 meter is dit een mogelijkheid indien noodzakelijk voor het oplossen van de ervaren belemmeringen van de betrokkene.

Indien collectief vervoer niet mogelijk of niet beschikbaar is, kan het College een individuele voorziening in de vorm van een voorziening in natura (taxipas, rolstoeltaxipas), een persoonsgebonden budget of een financiële vergoeding (taxivergoeding) te besteden aan vervoer verstrekken.

Bij het verstrekken van voorzieningen die af te leiden zijn van de auto, beoordeelt het College of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan komt men in aanmerking voor een individuele voorziening.

Voorzieningen kunnen door het College verstrekt worden in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming

Bij een persoonsgebonden budget is de voorziening die de aanvrager/betrokkene als voorziening in natura zou ontvangen voor het College uitgangspunt voor de hoogte van het bedrag.

De hoogte van het PGB wordt gemaximeerd door de van toepassing zijnde voorziening in natura. Het gaat dan specifiek om de kosten die de gemeente kwijt is voor de goedkoopst adequate voorziening bij de daarvoor gecontracteerde leverancier. Ingeval het betreffende hulpmiddel in depot van de gemeente aanwezig is, wordt het PGB bepaald door de prijs van de voorziening in depot.

Met de positie van mantelzorgers kan rekening worden gehouden bij het bepalen van de vervoersvoorziening.

Zo kan het noodzakelijk zijn dat de mantelzorger mee wordt vervoerd (vanwege de noodzaak tijdens het vervoer in te grijpen). In het mantelzorgbeleid van de gemeente Eijsden-Margraten wordt geregeld hoe de gemeente met deze en meer vormen van mantelzorgondersteuning omgaat.

Specifiek voor overige vervoersvoorzieningen voor lokale verplaatsing (niet cvv)

Bij een indicatie voor een individuele vervoersvoorziening met verstrekking in natura selecteert de door de gemeente gecontracteerde aanbieding de juiste voorziening.

Denk hierbij aan het aanmeten van de voorziening en het aanpassen (indien nodig) aan de klant. Aanbieders kunnen een referentiemiddel inzetten waarbij goedkoopst-compenserend leidraad is.

Indien de klant bij een verstrekking als persoonsgebonden budget kiest voor een door de gemeente gecontracteerde aanbieder zal deze selectie van de individuele vervoersvoorziening, metingen en eventuele aanpassingen verrichten.

Ook hier kunnen aanbieders een referentiemiddel inzetten waarbij goedkoopst-compenserend leidraad is.

Resultaat 8: hebben van contacten en deelname recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten

Inleiding

Het laatste op grond van artikel 4 lid 1 Wmo genoemde resultaat is een heel algemene. Het gaat daarbij om de mogelijkheid deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten, dat wil zeggen deel te kunnen nemen aan het leven van alledag.

Een belangrijke voorwaarde hiervoor zit in een ander te bereiken resultaat: het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Daarnaast heeft de gemeente Eijsden-Margraten ervoor gekozen om binnen de hulp bij het huishouden een extra activiteit te indiceren, namelijk ‘koffie drinken’. Deze activiteit scharen we onder resultaat 8 omdat het eveneens tot doel heeft mensen te stimuleren contacten aan te gaan en deel te nemen aan de samenleving. Er is gekozen voor de term ‘koffie drinken’ omdat het hier niet gaat om een vervanging van de gesprekken van maatschappelijk werk, maar juist om een relatief luchtige manier om beginnende problemen rondom dreigend sociaal isolement op te lossen. In de praktijk zal dit dan ook niet enkel koffie drinken betekenen, maar het bemerken van de sociale problematiek van de belanghebbende en deze persoon proberen te activeren tot participatie in de samenleving. Indien nodig kan de hulp bij zwaardere problematiek de gemeente of eigen zorgaanbieder inschakelen voor verder doorgeleiding naar hulp.

Afwegingskader

Het College beoordeelt altijd eerst of andere, algemeen gebruikelijke, voorliggende, algemene, collectieve en andere gemakkelijk zelf te realiseren voorzieningen mogelijk zijn.

Als het gaat om een vervoerprobleem zal het College eerst beoordelen of dit via het zevende resultaat opgelost kan worden.

Het College verstrekt een sportrolstoel ter compensatie voor belemmeringen binnen de deelname aan recreatieve activiteiten.

De sportrolstoel is een bovenwettelijke voorziening, in de voormalige Wvg opgenomen naar aanleiding van een verzoek van de Tweede Kamer. Daarom wordt de verstrekkingwijze zoals bij de voormalige Wvg gewoon voortgezet, hetgeen betekent dat een sportrolstoel alleen verstrekt wordt als een forfaitaire vergoeding. Deze vergoeding is niet kostendekkend en dient beschouwd te worden als tegemoetkoming in de kosten van aanschaf en onderhoud voor een periode van drie jaar. Na drie jaar kan opnieuw een forfaitair bedrag worden toegekend.

Voor een indicatie van de activiteit ‘koffie drinken’ binnen de hulp bij het huishouden beoordeeld het College of bij de belanghebbende sprake is van dreigende eenzaamheid, sociaal isolement of een verslechterende situatie t.a.v. de beperking door het gebrek aan sociaal contact.

In de ‘Richtlijn indicatiestelling voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten’ is opgenomen in welke gevallen deze indicatie wordt gesteld en welke normering hierbij hoort.

Hoofdstuk 2. Verstrekking in natura, als persoonsgebonden budget en als financiële tegemoetkoming. Eigen bijdrage en eigen aandeel.

Inleiding

Artikel 6 van de Wmo bepaalt in lid 1 het volgende:

“Het College van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.”

Door deze bepaling zijn er in de Wmo drie vormen van verstrekking mogelijk om het resultaat dat bereikt moet worden: het compenseren van problemen die een aanvrager ondervindt, te bereiken.

De eerste mogelijkheid is de voorziening in natura. Daarmee wordt bedoeld dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt, die hij of zij kant en klaar krijgt. En met de voorziening die betrokkene in natura krijgt moet het probleem voldoende gecompenseerd zijn.

De tweede mogelijkheid is de in artikel 6 Wmo verplicht gestelde mogelijkheid een alternatief te ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Na een wetswijziging die sinds 1 januari 2010 van kracht is, zijn er voor het persoonsgebonden budget als het gaat om hulp bij het huishouden twee mogelijkheden om dit in te vullen: een pgb-regulier en een pgb-alfa. Het pgb-regulier is een persoonsgebonden budget dat bedoeld is voor de inkoop van hulp bij het huishouden bij een particulier of een (thuiszorg)organisatie die niet voldoet aan de kwaliteitseisen zoals gesteld aan de gecontracteerde aanbieders hulp bij het huishouden. Het pgb-alfa is bedoeld om hulp bij het huishouden in te kopen bij een thuiszorgorganisatie die voldoet aan de kwaliteitseisen zoals gesteld aan de gecontracteerde aanbieders Hulp bij het huishouden.

De derde mogelijkheid van verstrekking is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt uit artikel 7, lid 2 Wmo:

‘Een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing’.

Als het gaat om bouwkundige woonvoorzieningen is de gemeente verplicht om een financiële tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de woning. Een dergelijke financiële tegemoetkoming kan alleen al om die reden in sommige situaties geen persoonsgebonden budget zijn. Dat gaat immers rechtstreeks naar de aanvrager.

Ook is soms sprake van een financiële tegemoetkoming bij een taxi- of rolstoeltaxikostenvergoeding op declaratiebasis.

Het onderscheid tussen de begrippen financiële tegemoetkoming en persoonsgebonden budget is niet altijd even duidelijk. Dat wordt nog ingewikkelder gemaakt, doordat soms een financiële tegemoetkoming als forfaitaire financiële tegemoetkoming verstrekt wordt. De verschillen tussen een financiële tegemoetkoming, een forfaitaire financiële tegemoetkoming en een persoonsgebonden budget zijn het beste als volgt aan te geven.

Een financiële tegemoetkoming is een bedrag bedoeld om een individuele voorziening mee te realiseren. Het begrip financiële tegemoetkoming wordt in de wet gebruikt in artikel 7 lid 2 waar gesproken wordt over een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte. Een financiële tegemoetkoming kan afhankelijk worden gesteld van het inkomen van de aanvrager. De aanvrager betaalt dan mee en dat wordt een eigen aandeel genoemd. Samen met dit eigen aandeel zal een financiële tegemoetkoming kostendekkend zijn, tenzij er nog een algemeen gebruikelijk deel in het bedrag zit. Dat kan, als dit in deze beleidsregels is geregeld, in mindering worden gebracht, ook naast een eigen aandeel.

Een forfaitaire financiële tegemoetkoming is een bedrag dat los van de werkelijke kosten en meestal los van het inkomen wordt vastgesteld. Het is dus geen kostendekkend bedrag en zal meestal niet op het inkomen van de aanvrager worden afgestemd. Te denken valt aan een verhuiskostenvergoeding of een auto- of taxikostenvergoeding. Ook hier kan eventueel wel rekening worden gehouden met een algemeen gebruikelijk deel, zoals bijvoorbeeld het tarief van het collectief vervoer.

Afwegingskader

  • 1.

    De voorziening in natura en de eigen bijdrage

    Bij een voorziening in natura verstrekt het College deze.

    Wordt een voorziening niet als persoonsgebonden budget verstrekt, maar in natura, dan zal toekenning ook bij beschikking plaatsvinden. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt. Bij een voorziening in natura mag een eigen bijdrage worden gevraagd, net als bij een persoonsgebonden budget. Ook nu geldt dat een eventueel te betalen eigen bijdrage door de gemeente meestal slechts aangekondigd kan worden aangezien berekening en inning plaats zal vinden door het CAK.

    De verordening regelt wanneer bij een voorziening in natura een eigen bijdrage verschuldigd is.

    Deze eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. In 2013 doet men aangifte over 2012, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2011 in 2013 gebruikt wordt. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel zal daardoor vaak niet mogelijk zijn. Al deze activiteiten zullen door het CAK worden uitgevoerd.

    Wordt een voorziening in natura in bruikleen verstrekt aan de aanvrager, dan wordt er een eigen bijdrage gevraagd zolang de gemeente ook de huurprijs van de voorziening betaald en in totaal niet hoger dan de kostprijs van de voorziening. De maximale 4-wekelijkse eigen bijdrage is 100% van de huurprijs van die periode.

    Bij een voorziening in eigendom wordt een eigen bijdrage van maximaal 39 perioden van 4 weken gevraagd en in totaal niet hoger dan de kostprijs van de voorziening

  • 2.

    Een persoonsgebonden budget en de eigen bijdrage

    Een persoonsgebonden budget is een geldbedrag bedoeld om zelf hulp bij het huishouden of een voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Het College bepaalt of een persoonsgebonden budget wordt toegekend.

    Op dit persoonsgebonden budget kan een eigen bijdrage in mindering worden gebracht, tenzij het om een rolstoel gaat. Het verschil tussen een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming is klein. Helder is wel dat bij een bouwkundige woningaanpassing niet gesproken kan worden van een persoonsgebonden budget, omdat die aan de eigenaar moet worden uitbetaald.

    In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn op deze keuzevrijheid, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. Het College heeft de volgende uitzonderingen vastgesteld:

    • a.

      op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden, het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het correct inzetten van een persoonsgebonden budget;

    • b.

      op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden, het ernstig vermoeden bestaat dat de aanvrager niet kan voldoen aan lopende financiële verplichtingen;

    • c.

      op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstig vermoeden bestaat dat de verstrekking van het persoonsgebonden budget niet bijdraagt aan het leveren van een adequate voorziening.

      De Centrale Raad van Beroep heeft inmiddels bepaald dat collectief vervoer een individuele voorziening is (als de gebruiker een indicatie nodig heeft), waarvoor in principe het verplichte alternatief van een persoonsgebonden budget bestaat. Daar mag in individuele gevallen vanaf worden geweken als duidelijk is dat het collectief vervoer ook in de situatie van betrokkene leidt tot een adequate compensatie. Ook aantoonbare efficiencyoverwegingen mogen een rol spelen. De afweging of daar sprake van is zal altijd gemaakt moeten worden.

      Naast deze uitzonderingen komt het voor dat bij een aanvrager met een zeer progressief ziektebeeld al op voorhand vast staat dat binnen korte tijd vervanging van de voorziening nodig is, wellicht daarna weer. Het is dan ook de vraag of deze situatie zich wel leent voor een persoonsgebonden budget. Het College heeft hierover het volgende besloten: Mocht sprake zijn van dit probleem, dan zal allereerst goed overleg met de aanvrager duidelijk moeten maken welke reden de aanvrager heeft voor de wens een persoonsgebonden budget te ontvangen. Wellicht is dat doel ook op een andere manier te bereiken. Levert dit gesprek onvoldoende resultaat op, dan zal afgewogen moeten worden of een gemeente voldoende aan zijn resultaatverplichting kan voldoen met een voorziening in natura en of er voldoende doorslaggevende argumenten zijn om te kunnen spreken van een zwaarwegende reden geen persoonsgebonden budget te verstrekken.

      Of er andere redenen zijn waarom het toekennen van een persoonsgebonden budget geweigerd kan worden is nog niet helder. De Centrale Raad van Beroep heeft zich hierover nog niet uitgelaten.

      Het College verstrekt een persoonsgebonden budget alleen ten aanzien van individuele voorzieningen.

      Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit in diverse uitspraken. Voor deze voorzieningen geldt ook de eigen bijdragen systematiek niet. Daarbij is er een alternatieve mogelijkheid: indien de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening zijn problemen niet voldoende compenseert en daarom een persoonsgebonden budget verstrekt moet worden, dan kan hij een aanvraag indienen, die volgens de reguliere regels van de Algemene wet bestuursrecht wordt afgehandeld.

      Het College bepaalt de omvang van het persoonsgebonden budget.

      Hierbij dienen twee mogelijkheden te worden onderscheiden: enerzijds het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden, anderzijds het persoonsgebonden budget voor voorzieningen, zoals hulpmiddelen, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. Bij diensten gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. De uitbetaling zal dan ook plaats vinden per uur of een gedeelte daarvan. Het uurbedrag wordt door het College van burgemeester en wethouders vastgesteld en kan elk jaar aangepast worden aan de economische ontwikkelingen.

Het bedrag wordt vastgelegd in het besluit maatschappelijke ondersteuning. Bepaald is in artikel 6 lid 1 Wmo dat het uurbedrag vergelijkbaar met zorg in natura moet zijn en bovendien toereikend. Dat betekent dat het bedrag tenminste het minimumloonbedrag zal moeten zijn. Er zijn twee mogelijkheden: het gaat om een arbeidsovereenkomst of om een overeenkomst opdrachtgever-opdrachtnemer. In het eerste geval ontstaan er weer twee situaties: betrokkene werkt op minder dan 3 dagen of betrokkene werkt op meer dan 3 dagen bij dezelfde persoon. Als het minder dan 3 dagen zijn mag bruto uitbetaald worden en zorgt iemand zelf voor eventuele betaling van belastingen en verzekeringen. Werkt iemand meer dan 3 dagen in de week dan is de werkgever verantwoordelijk voor de afdracht van belastingen en verplichte premies voor diverse verzekeringen. In deze beide situaties moet het minimum (jeugd)loon in ieder geval betaald worden. Is sprake van een overeenkomst opdrachtgever-opdrachtnemer dan zal het veelal gaan om een zzp-er, een zelfstandige zonder personeel en is men niet gebonden aan het minimum (jeugd)loon en hoeft geen afdracht plaats te vinden door de opdrachtgever.

Daarnaast wordt in de gemeente Eijsden-Margraten in het geval van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden een onderscheid gemaakt tussen drie typen hulp: hulp bij het huishouden basis, hulp bij het huishouden plus en de alfa-hulp. Deze drie typen hulp hebben ieder een eigen uurbedrag voor het pgb, zoals vastgelegd in het besluit maatschappelijke ondersteuning.

Wat betreft de voorzieningen maakt het College per toekenning een berekening. Daarbij moet het bedrag voldoende zijn om de voorziening aan te schaffen en dus de bestaande problemen voldoende te compenseren.

De kosten van de voorziening als de voorziening in natura zou worden verstrekt zijn daarbij uitgangspunt. Dat kan afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte. Daarbij kunnen bedragen geteld worden voor het onderhoud en de reparaties van de voorziening, voor zover daar sprake van kan zijn. Deze bedragen zijn ofwel bij verstrekking in eigen beheer bekend vanuit het verleden, ofwel kunnen bij verstrekking via een leverancier bij de leverancier worden opgevraagd. Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Het is immers niet de bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft. Is dat niet het geval dan zal beoordeeld moeten worden of niet het volledige bedrag zonder korting vergoed zal moeten worden omdat anders het te bereiken resultaat onbereikbaar wordt. Verder zal worden uitgegaan van de situatie die er zou zijn als de voorziening in natura zou worden verstrekt. Zou dat een nieuwe voorziening zijn of een voorziening die verstrekt zou worden uit depot. In de eerste situatie wordt het bedrag bepaald op een nieuwe voorziening, met korting. In het tweede geval wordt het bedrag bepaald op het bedrag dat het zou kosten om de voorziening uit depot aan te schaffen.

Uitbetaling persoonsgebonden budget. Bij beschikking maakt het College zijn besluit aan de aanvrager bekend. In deze beschikking vermeldt het College wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget bedoeld is. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft wordt aan de beschikking een lijst met aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, bijgevoegd.

Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat wil zeggen een voorziening waarmee het beoogde resultaat niet bereikt kan worden. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, waardoor het te bereiken resultaat, het compenseren van problemen, niet bereikt wordt, wat op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is uitsluitend te voorkomen door een omschrijving van de vereisten deel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat programma van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking.

Het College neemt in de beschikking ook op dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is.

Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK, wordt daarvan uitsluitend een aankondiging opgenomen in de beschikking.

Zodra de beschikking door het College is verzonden, wordt het persoonsgebonden budget beschikbaar gesteld.

Dat kan in één keer, indien daar aanleiding voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten worden), maar zou ook in termijnen kunnen, bijvoorbeeld bij een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden. Om de betaling overzichtelijk te houden wordt dit persoonsgebonden budget per kwartaal beschikbaar gesteld. Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat bij betaling over een lange perioden uitsluitend betaling achteraf problemen kan opleveren. Betaling per voorschot, of aan het begin van de periode, ligt dan voor de hand.

Als de betaling via een serviceorganisatie gaat (de thuiszorg of een andere organisatie) zal het College alleen op basis van daadwerkelijke uitgaven het persoonsgebonden budget overmaken. Dit is het geval bij de pgb-alfa constructie voor hulp bij het huishouden.

Het College stort dan op uitdrukkelijk verzoek van de cliënt het geld op rekening van de serviceorganisatie, die tot betaling van de hulp overgaat na ontvangst van een werkbriefje van de cliënt. Het College betaalt dan niet te veel en de cliënt hoeft niets terug te betalen. Namens de cliënt verzorgt de serviceorganisatie ook de verantwoording.

Indien de ondersteuningsbehoevende aanspraak wil maken op verstrekking van een persoonsgebonden budget in de vorm van een financiële vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, en deze ondersteuningsbehoevende tevens ondersteuning bij de werkgeverstaken wenst, dient hiertoe door deze ondersteuningsbehoevende een machtiging/akte van cessie te worden ondertekend, waarna het budget door de gemeente wordt overgemaakt aan de door de gemeente gecontracteerde serviceorganisatie.

De serviceorganisatie ondersteunt de rechthebbende vervolgens bij het uitvoeren van de werkgeverstaken, waaronder tenminste:

  • a.

    bemiddeling tussen rechtshebbende en alfahulp;

  • b.

    loondoorbetaling aan alfahulp;

  • c.

    loonadministratie;

  • d.

    vervanging bij ziekte en/of vakantie alfahulp;

  • e.

    loondoorbetaling tijdens ziekte alfahulp;

  • f.

    aansprakelijkheidsverzekering.

    De controle van het persoonsgebonden budget vindt als volgt plaats. Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen. Via een beperkte steekproef zal het College bepalen bij welke budgethouders deze stukken zullen worden opgevraagd om te controleren of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is.

    Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan kan het College overwegen het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van onwetendheid. In die laatste situatie kan overlegd worden dat deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan. In artikel 3 van het besluit maatschappelijke ondersteuning wordt verder ingegaan op de verantwoording en controle van het persoonsgebonden budget.

    De verordening regelt wanneer bij een persoonsgebonden budget een eigen bijdrage verschuldigd is.

    Deze eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. In 2013 doet men aangifte over 2012, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2010 in 2013 gebruikt wordt. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel zal daardoor vaak niet mogelijk zijn. Al deze activiteiten zullen door het CAK worden uitgevoerd.

Een eigen bijdrage voor een persoonsgebonden budget word elke 4 weken gevraagd, maar zal nooit de grens die in het besluit is vastgelegd, te boven gaan. Ook zal een eigen bijdrage de aanschafprijs van de voorziening niet te boven gaan.

3.De financiële tegemoetkoming en het eigen aandeel

3. Naast het persoonsgebonden budget kan ook een financiële tegemoetkoming worden toegekend.

3. Het aantal mogelijkheden voor een financiële tegemoetkoming is beperkt: het zal gaan om een bouwkundige woonvoorziening, uit te betalen aan de eigenaar van de woning, een verhuiskostenvergoeding, of een financiële tegemoetkoming voor gebruik van een taxi of een rolstoeltaxi. De financiële tegemoetkoming zal zo groot zijn dat de aan te schaffen voorziening hiermee aangeschaft kan worden. Dit kan onder aftrek van een zogenaamd eigen aandeel, te vergelijken met de eigen bijdrage. Ook bij een financiële tegemoetkoming zal de beschikking waarin dit bedrag wordt toegekend voorwaarden kunnen bevatten over de besteding van de financiële tegemoetkoming. En ook bij een financiële tegemoetkoming moet verantwoording afgelegd worden over de besteding van de tegemoetkoming, tenzij het om een forfaitair bedrag gaat: een forfaitair bedrag voor een verhuizing kan vrij worden besteed, mits er daadwerkelijk verhuisd wordt.

Een eigen aandeel voor een financiële tegemoetkoming word elke 4 weken gevraagd, maar zal nooit de grens die in het besluit is vastgelegd, te boven gaan. Ook zal een eigen bijdrage de aanschafprijs van de voorziening niet te boven gaan. In het geval van een verhuiskostenvergoeding wordt door het College geen eigen aandeel gevraagd.

Hoofdstuk 3. Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies, besluitvorming, intrekking en terugvordering

Inleiding

Bij toekenning van voorzieningen op grond van de Wvg of bij indicatiestelling ten behoeve van de functie Huishoudelijke Verzorging AWBZ was het begrip ‘medische noodzaak’ doorslaggevend. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen blijkt dat die medische noodzaak in de ogen van de Raad aanwezig moet zijn om voorzieningen te verstrekken. Dit heeft – als dit uitgangspunt ook onder de Wmo geldt - tot gevolg dat een medisch advies van een onafhankelijk sociaal medisch adviseur, van cruciaal belang is.

Onder de Wmo, waar het ook kan gaan om psychische of psychosociale problemen, kan een advies van een andere deskundige dan een medicus noodzakelijk zijn. Dit gold onder de Wvg al bij de “uitraasruimte” waar soms het advies van een psycholoog of (ortho)pedagoog werd gevraagd. Onder de Wmo zal dit vaker nodig kunnen zijn. Maar of het nu een medicus of een andere deskundige is, het deskundigenadvies is in bepaalde situaties van groot belang.

Daarom is hierover een apart onderdeel opgenomen.

Criteria:

Lid 1 van artikel 25 van de verordening biedt de basis voor een zorgvuldig onderzoek om te bepalen of er al dan niet sprake is van medische noodzaak.

Uit de jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen medewerking verleent de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit onderzoek de medische noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus altijd beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de medische noodzaak vastgesteld kan worden.

In lid 2 van dit artikel wordt een aantal situaties genoemd waarin het College de door haar aangewezen adviesinstantie om advies kan vragen, met andere woorden wanneer vraagt de gemeente medisch advies.

De eerste situatie betreft een aanvrager die nog niet eerder een aanvraag heeft ingediend, dus niet bekend is bij het College, én die een voorziening aanvraagt die een bepaald bedrag te boven gaat. Het belang van deze regel is dat er voor het College een uitgangssituatie geschapen wordt, waarin medisch geobjectiveerd is vastgesteld wat er met de aanvrager (medisch) aan de hand is, welke problemen ervaren worden en wat de prognose is. Daarnaast kan het College medisch advies vragen als het handelt om een aanvraag van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een ‘keukentafelgesprek’ heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden. Tot slot kan het College altijd aanleiding zien om medisch advies te vragen. Dat zal bijvoorbeeld plaatsvinden bij een progressief ziektebeeld, maar zeker ook bij medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen. Per situatie zal dit beoordeeld worden.

Op grond van lid 3 van dit artikel moet belanghebbende die gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag aan het College verschaffen.

Hierbij kan gedacht worden aan medische, maar ook aan financiële gegevens of aan medische indicatiegegevens op grond van de AWBZ. Bij medische gegevens komt het frequent voor dat informatie van de behandelende sector noodzakelijk is. Dit kan – zeker als dit schriftelijk moet - geruime tijd in beslag nemen. Dat werkt vertragend op de doorlooptermijn van de aanvraag. Ook in dit soort situaties kan met inschakeling van de aanvrager vaak sneller over de benodigde gegevens beschikt worden, met name indien de aanvrager aangeeft welk (grote) belang hij heeft bij het verstrekken van de gevraagde informatie aan de medische adviseur. Overigens mag het opvragen van medische gegevens bij de behandelende sector uitsluitend plaatsvinden met toestemming van de aanvrager. Dit in verband met de privacy van de belanghebbende. Daarbij dient in de verklaring opgenomen te worden welke adviserende arts de gegevens opvraagt, bij welke behandelaren de gegevens opgevraagd worden, om welke gegevens het gaat en met welk doel.

Lid 4 bepaalt dat bij de medische advisering de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie, gebruikt moet worden.

De ICF is een classificatie van het menselijk functioneren. De classificatie is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en met de gezondheid verband houdende domeinen. Op elk niveau zijn de domeinen verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken, en in een zinvolle ordening geplaatst. Van de zeer uitgebreide ICF zijn met name de lijsten met ‘functies’ en ‘activiteiten en participatie’ van belang. De adviseur dient van de ICF gebruik te maken op de volgende wijze. Door de adviseur wordt allereerst aangegeven om welke stoornissen het bij de aanvrager gaat (de ICF is gericht op functiestoornissen). Het gaat daarbij met name om de zogenaamde classificatie op het tweede niveau, en dan met name in de vorm van de op het tweede niveau aangegeven functies. Hierbij dienen alleen die functies genoemd te worden die relevant zijn voor de aanvraag, omdat een volledig overzicht geen meerwaarde heeft. Indien dat wel het geval is moeten ook niet direct relevante functies worden aangegeven. Problemen met functies leiden tot stoornissen bij activiteiten en participatie. Het is op dit niveau dat de compensatie op basis van de Wmo plaats zal moeten vinden. Ook bij de vermelding van deze stoornissen in ‘activiteiten en participatie’ zal gebruik gemaakt worden van het begrippenkader van de ICF. Samengevat betekent dit dat de medisch adviseur in het licht van de aanvraag de stoornis en de daaruit volgende beperkingen evenals de mate van die beperkingen dient te vermelden, gerelateerd aan de mogelijke compensatie of de te verstrekken voorzieningen, waarbij het vocabulaire van de ICF wordt gebruikt.

Het College beoordeelt het medisch advies en besluit tot (gedeeltelijke) toekenning of afwijzing van de aangevraagde compensatie/voorziening.

Bij iedere toekenning wordt er een datum vastgesteld waarop een nieuw gesprek plaats gaat vinden teneinde te bevestigen of er in voldoende mate is gecompenseerd en hetgeen is afgesproken en vastgelegd in een gespreksverslag is nagekomen. Dit betreft een nazorggesprek en kan ook telefonisch plaatsvinden.

Privacy

In de uitvoering van de Wmo heeft de gemeente te maken met privacygevoelige informatie van cliënten. Denk hierbij o.a. aan persoons- en medische gegevens. Bij het waarborgen van de privacy dient de gemeente zich te houden aan hetgeen hierover in de Wet op de bescherming van persoonsgegevens (Wbp) is vastgelegd. Voor de uitvoering hiervan is een gemeentelijk privacyreglement opgesteld dat ter inzage is.

Procedure secondopinion

Naast een bezwaar- en beroepsprocedure en klachtenprocedure heeft het College voor de Wmo een procedure second opinion opgesteld. Deze procedure is voorliggend op de hierna genoemde alternatieven voor bezwaar.

Uitgangspunten bij de procedure second opinion zijn:

De procedure second opinion kan zowel gebruikt worden voor een ondersteuningsaanbod waar een individuele voorziening geen onderdeel van is, als een aanbod waaraan wel een beschikking voor een individuele verstrekking aan ten grondslag ligt. Ook kan de procedure ingezet worden voor algemene bezwaren en/of klachten over het gespreksvoeringsproces.

De procedure start met het aanbieden van een tweede gesprek met dezelfde gespreksvoerder als waar de belanghebbende de ‘keukentafelgesprekken’ mee heeft gevoerd en het ondersteuningsaanbod mee is samengesteld. Indien dit niet tot een oplossing van de ervaren bezwaren leidt, kan een gesprek met een collega-gespreksvoerder worden aangevraagd. Als ook na dit gesprek – dat eventueel leidt tot herstel van fouten of aanpassing van het ondersteuningsaanbod – geen voor de belanghebbende bevredigende situatie is ontstaan kan ook de teamleider ingeschakeld worden voor bemiddeling.

Alternatieven voor bezwaar

Indien tijdens de procedure second opinion geen voor de belanghebbende bevredigende oplossing is gevonden, kan deze gebruik maken van de bezwaar- en beroepsprocedure of algemene klachtenprocedure afhankelijk van het type klacht.

Uitgangspunten daarbij zijn:

Iedere aanvrager heeft het recht als hij het met een beschikking niet eens is, in bezwaar te gaan. Hiervoor is de algemene bezwaar- en beroepsprocedure van toepassing

Iedere aanvrager heeft het recht als hij het niet eens is met de wijze van handelen tijdens de gespreksvoering en contacten met de Wmo-gespreksvoering een klacht in te dienen. Hiervoor is de algemene klachtenprocedure van toepassing.

Het College streeft ernaar, voordat een negatief of afwijkend besluit valt, betrokkene in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Eventueel gemaakte fouten, al dan niet ontstaan door miscommunicatie, kunnen op deze manier snel hersteld worden. Bij een negatieve of afwijkende beschikking biedt het College door uitleg te geven een extra contactmoment. Bij het in bezwaar gaan bestaat de mogelijkheid samen nog eens naar het probleem te kijken. Tot slot bestaat nog enigerlei vorm van mediation, indien het College of de klant dat opportuun acht.