Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Eijsden-Margraten

Beleidsvisie Externe Veiligheid Eijsden-Margraten

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieEijsden-Margraten
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsvisie Externe Veiligheid Eijsden-Margraten
CiteertitelBeleidsvisie Externe Veiligheid Eijsden-Margraten
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpopenbare orde en veiligheid
Eigen onderwerpbeleidsvisie

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Besluit externe veiligheid inrichtingen
  2. Besluit transportroutes externe veiligheid
  3. Besluit externe veiligheid buisleidingen
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

17-10-2013nieuwe regeling

24-09-2013

Gemeenteblad, 16-10-2013

13EB005228

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsvisie Externe Veiligheid Eijsden-Margraten

Burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten hebben op 24 september 2013 vastgesteld de beleidsvisie Externe Veiligheid Eijsden-Margraten 2013.

HOOFDSTUK 1 INLEIDING

1.1 Een beleidsvisie externe veiligheid

 

Voor u ligt de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Eijsden-Margraten. Externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken van risico's, die ontstaan door het vervoer, opslag en verwerking van gevaarlijke stoffen. De beperking van de risico´s ontstaat door ruimtelijke scheiding van risicobronnen en kwetsbare objecten, zoals bijvoorbeeld woningen.

 

Waarom een beleidsvisie externe veiligheid? Momenteel zijn er twee aparte beleidsvisies van de voormalige gemeente Margraten en de voormalige gemeente Eijsden, die beiden niet meer actueel zijn als gevolg van gewijzigde wet- en regelgeving. Daarnaast heeft het beleidsveld externe veiligheid een sterke ontwikkeling doorgemaakt met nieuwe technische en juridische inzichten in bestaande externe veiligheidrisico's, ontwikkeling en intensivering van nieuwe risicobronnen en voortschrijdende inzichten in hoe gemeentelijke organisaties hierop moeten anticiperen.

 

Externe veiligheid is een beleidsgebied dat binnen en buiten de gemeenten Eijsden-Margraten niet heel zichtbaar is. Deze beleidsvisie is daarom ook gericht op integratie van het aspect externe veiligheid in de werkprocessen binnen de gemeente en het verbeteren van de zichtbaarheid van het beleidsveld. Deze beleidsvisie moet duidelijkheid bieden over het kader in ruimtelijke plannen en het afgeven van omgevingsvergunningen.

 

Het beleid externe veiligheid heeft een directe relatie met de ruimtelijke inrichting van de gemeente Eijsden-Margraten. Hogere restrictieniveaus op het gebied van externe veiligheid kunnen leiden tot grotere ruimtelijke- en financiële consequenties. De gemeente Eijsden-Margraten stelt zich tot doel externe veiligheid op een juiste manier te vertalen naar een afgewogen ambitieniveau en uitvoerbare beleidregels, zonder dat de gemeente ruimtelijke ontwikkelingen onmogelijk maakt. Uiteraard staat hierbij de veiligheid van de inwoners voorop. De gemeente Eijsden-Margraten is zich er ook van bewust dat een risicoloze maatschappij niet te verwezenlijken is.

 

Veel externe veiligheidsbeleid is vastgelegd in landelijke wet- er regelgeving, maar gemeenten zijn grotendeels verantwoordelijk voor de invulling en uitvoering daarvan.

 

Daarnaast dient de gemeente invulling te geven aan het groepsrisicobeleid. Het groepsrisicobeleid is niet normatief, dit betekent dat de gemeente zelf keuzes kan en moet maken. In deze beleidsvisie staan de keuzes die de gemeente Eijsden-Margraten maakt ten aanzien van de locatie van de risicobronnen en ten aanzien van de invulling van de verantwoordingsplicht.

 

Deze beleidsvisie is tot stand gekomen in nauwe samenwerking tussen medewerkers van de gemeente Eijsden-Margraten en de brandweer Zuid-Limburg.

 

Externe veiligheid is een beleidsveld met eigen begrippen en definities. Voor een verklaring hiervan

wordt verwezen naar bijlage 2.

 

1.2 Externe veiligheids beleid

 

1.2.1 Landelijk beleid

De basis van externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico is "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object.

 

Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is dat een groep personen tegelijk het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting die ontstaat door een ongeval met gevaarlijke stoffen.

 

Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve, waarin het aantal slachtoffers op de x-as is afgezet tegen de kans per jaar op (tegelijk) overlijden op de y-as.

 

Het landelijk beleid is vastgelegd in verschillende besluiten en circulaires, hieronder is een overzicht opgenomen van het geldende beleid:

  • ·

    Risicovolle inrichtingen: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

  • ·

    Transportassen: Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (CRvgs), naar verwachting in 2013 vervangen door het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev).

  • ·

    Buisleidingen: Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

  • ·

    Vliegvelden (excl. Schiphol): Regeling Burgerluchthaven en Militaire Luchthavens (RBML).

 

De exacte invulling van het externe veiligheidsbeleid kan per besluit/circulaire verschillen, zoals hieronder is beschreven.

 

Risicovolle inrichtingen: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

  • ·

    Binnen PR 10-6 contour zijn geen kwetsbare objecten toegestaan.

  • ·

    Binnen PR 10-6 contour zijn beperkt kwetsbare objecten alleen toegestaan onder zwaarwegende belangen.

  • ·

    Binnen invloedsgebied groepsrisicoverantwoording verplicht bij ieder ruimtelijk besluit.

 

Transportassen: Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (CRvgs), naar verwachting in 2013 vervangen door het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev).

  • ·

    Binnen PR 10-6 contour/veiligheidszone zijn geen kwetsbare objecten toegestaan.

  • ·

    Binnen PR 10-6 contour/veiligheidszone zijn beperkt kwetsbare objecten alleen toegestaan onder zwaarwegende belangen.

  • ·

    Binnen invloedsgebied groepsrisicoverantwoording verplicht bij toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatie waarde.

  • ·

    Binnen het toekomstige plasbrandaandachtsgebied worden extra bouwkundige eisen gesteld.

 

Buisleidingen: Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

  • ·

    Binnen belemmeringen strook geen bebouwing toegestaan.

  • ·

    Binnen PR 10-6 contour geen kwetsbare objecten toegestaan.

  • ·

    Binnen PR 10-6 contour beperkt kwetsbare objecten alleen toegestaan onder zwaarwegende belangen.

  • ·

    Binnen invloedsgebied groepsrisicoverantwoording verplicht bij ieder ruimtelijk besluit.

    Wanneer het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of de toename minder is dan 10%, kan volstaan worden met een beperkte verantwoording.

 

Vliegvelden (excl. Schiphol): Regeling Burgerluchthaven en Militaire Luchthavens (RBML).

  • ·

    Binnen PR 10-6 contour geen bebouwing toegestaan, tenzij een verklaring van geen bezwaar wordt verkregen.

  • ·

    Er is geen actief groepsrisicobeleid.

 

1.2.2 Provinciaal beleid

Door een projectgroep van 10 gemeenten, de provincie, hulpverleningsdiensten en de VROM-inspectie is de “Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid Limburg (GBEV-L)” opgesteld. De beleidsvisie formuleert een gezamenlijke ambitie van Limburgse overheden en geeft aan hoe gemeenten en provincie bij besluiten over situaties met een extern veiligheidsrisico met hun beleidsvrijheid zouden kunnen omgaan. Ook worden specifieke onderwerpen, zogenaamde bouwstenen, aangereikt die als basis kunnen dienen voor de uitwerking van specifiek gemeentelijk beleid op dit onderwerp.

 

Het uiteindelijk doel van deze beleidsvisie is een goede afweging te bevorderen van externe veiligheidsrisico’s, mede in het licht van andere belangen, zodat Limburg veiliger wordt. De beleidsvisie geeft aan hoe instanties effectief kunnen samenwerken. Bij de formulering van deze doelstelling moet de kanttekening geplaatst worden dat een veiliger Limburg opgevat moet worden als een verantwoorde veiligheid op basis van het zo beperkt mogelijk houden van de toename van de risico’s (groepsrisico) die onvermijdelijk bij veel ontwikkelingen zullen ontstaan.

 

De uitgangspunten, zoals deze voor deze beleidsvisie zijn geformuleerd in de volgende paragraaf, zijn in lijn met de algemene ambities van de GBEV-L. Dit houdt in dat de uitwerking van het beleid en de daarmee samenhangende ambities zoveel mogelijk het GBEV-L volgen.

 

1.3 Gemeentelijk externe veiligheidsbeleid

 

1.3.1 Inleiding

Er zijn met betrekking tot het beleidsveld drie probleemstellingen te onderscheiden, welke doorwerken in deze beleidsvisie.

 

Complex onderwerp

Externe veiligheid is een complex, pluriform en dynamisch beleidsveld. Het beleidsveld heeft veel raakvlakken met andere beleidsvelden, maar is door haar complexiteit lastig te bevatten voor niet-insiders.

 

Keuzes

Een risicoloze maatschappij bestaat niet, dat betekent dat een bepaald (rest)risiconiveau geaccepteerd moet worden. Omgaan met externe veiligheid betekent het maken van keuzes.

 

Samenwerking

Extern veiligheidsbeleid werkt door op legio andere beleidsvelden en actoren zoals milieu, ruimtelijke ordening en openbare veiligheid, economische zaken enz. Naast de gemeente hebben ook de provincie en de Veiligheidsregio een rol. Daarnaast speelt er in de regio grensoverschrijdende externe veiligheidsproblematiek, welke aan de orde komt in overleg op provinciaal en rijksniveau.

 

1.3.2 Uitgangspunten

Er is een werkgroep geformeerd met vertegenwoordigers van diverse disciplines om tot formulering van uitgangspunten voor deze beleidsvisie te komen. De volgende uitgangspunten zijn geformuleerd, en vinden hun doorwerking in de beleidsvisie.

 

Ambitieniveau

In de beleidsvisie worden niet alleen de risicobronnen opgenomen welke vallen binnen het wettelijk kader van externe veiligheid. Er worden ook risicobronnen beschouwd die niet binnen het wettelijk kader vallen, maar bij calamiteiten risico’s voor de omgeving kunnen vormen.

 

Buiten gemeentegrenzen

Externe veiligheid houdt niet op bij de grens. Risicobronnen gelegen buiten de gemeente maar die gemeentegrensoverschrijdend werken (bij calamiteiten mogelijke effecten/gevolgen hebben voor Eijsden-Margraten) worden zoveel als mogelijk in beeld gebracht.

 

Nieuwe risicobronnen

Nieuwe inrichtingen met een plaatsgebonden risicocontour worden zoveel mogelijk geweerd. Indien zich echter bedrijven willen vestigen, dienen deze zich te vestigen waar reeds andere externe veiligheidsrisico’s aanwezig zijn.

 

Zonering groepsrisico

Binnen een invloedsgebied van een risicobron dient bij een nieuwe ontwikkeling het groepsrisico verantwoord te worden. De zwaarte van deze verantwoording wordt afhankelijk gesteld van de afstand tot de risicobron en de kwetsbaarheid van het geprojecteerde object. Door middel van zoneringen rondom verschillende soorten risicobronnen wordt hierin onderscheid aangebracht.

 

Oriënterende waarde

Met het opstellen van de beleidsvisie worden knelpunten en aandachtspunten in kaart gebracht. Een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico is geen harde norm.

 

Werkprocessen

Er zullen werkprocessen worden opgesteld waarbij een externe veiligheidsexpert/brandweer vroegtijdig is betrokken in het proces. Daarnaast zal ernaar gestreefd worden de beleidsvisie toegankelijk te maken voor een ieder, door middel van kaartmateriaal, zodat deze door verschillende disciplines geraadpleegd kan worden.

 

Zeer kwestbare objecten

Volgens wetgeving worden “kwetsbare objecten” en “beperkt kwetsbare objecten” gedefinieerd. In de beleidsvisie wordt ook een derde categorie gedefinieerd, de categorie van de “zeer kwetsbare objecten”. Een zeer kwetsbaar object is een object waar personen verblijven die in geval van een calamiteit niet in staat zijn zichzelf zonder hulp van buitenaf in veiligheid te brengen (voorbeelden zijn een ziekenhuis en een detentiecentrum). Een overzicht van de zeer kwetsbare objecten binnen de gemeente is opgenomen in bijlage 3. De lijst die is opgenomen in de bijlage is niet limitatief, mochten zich andere objecten aandienen welke onder de gegeven definitie vallen, dan zal dat betreffende object aan de lijst worden toegevoegd.

 

Knelpunten en aandachtspunten

Van de in kaart gebrachte knelpunten en aandachtspunten zal de voortgang bewaakt worden en zal jaarlijks een evaluatierapport opgesteld worden.

 

Controle en handhaving

Inrichtingen die vallen onder het regime van externe veiligheid zijn een groter risico voor de veiligheid en worden dus vaker gecontroleerd. Dit uitgangspunt zal ook meegenomen worden bij reorganisatie van taken en organisatorische veranderingen.

 

Kleine bouwprojecten

Met de zonering rondom risicobronnen wordt voor veel gevallen de verantwoording van het groepsrisico ook voor kleine bouwprojecten vereenvoudigd.

 

Regionale woonvisie

Deze beleidsvisie wordt opgesteld voor de duur van 5 jaar. Vooruitkijkend kan geconstateerd worden dat er sprake is van beperkte bouwmogelijkheden i.v.m. de restrictie vanuit de regionale woonvisie.

HOOFDSTUK 2 RISICOBRONNEN EXTERNE VEILIGHEID EIJSDEN-MARGRATEN

2.1 Inleiding

 

In dit hoofdstuk wordt de huidige externe veiligheidssituatie in de gemeente Eijsden-Margraten beschreven. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de risicobronnen buiten de gemeente die invloed kunnen hebben op de gemeente Eijsden-Margraten.

Binnen de gemeente Eijsden-Margraten zijn diverse risicobronnen aanwezig die bepalend zijn voor het externe veiligheidsbeleid van de gemeente. Het betreft:

  • ·

    Transport van gevaarlijke stoffen:

    • -

      over het spoor;

    • -

      over de weg (rijkswegen- provinciale en gemeentelijke wegen);

    • -

      door buisleidingen;

    • -

      over het water.

  • ·

    Stationaire activiteiten, zoals:

    • -

      LPG-tankstations;

    • -

      grote opslagen van gevaarlijke stoffen (> 10.000 kg);

    • -

      Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO) bedrijven;

    • -

      grote ammoniak koelinstallaties ( > 1.500 kg);

    • -

      grote compressorstations voor het gastransport (gastoevoerleiding > Ø 20 inch).

 

2.1.1 Vervoer over spoor

Van noord naar zuid door de kern Eijsden, Oost-Maarland en Gronsveld loopt het spoor van Maastricht naar Visé. Over deze spoorlijn vindt (beperkt) transport van gevaarlijke stoffen plaats. Volgens bijlage 4 van de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is er geen plaatsgebonden risicocontour aanwezig voor dit gedeelte van het spoor.

In het toekomstige Basisnet Spoor wordt per spoorlijn een ‘risicoplafond’ vastgelegd. De vervoerstromen en de bijbehorende aannamen over treinsamenstellingen, zijn de waarden die tezamen de risicoplafonds en dus ook de vervoersruimte in het Basisnet Spoor zullen bepalen.

In de tabel zijn de vervoerscijfers weergegeven conform het Basisnet Spoor en deze hebben betrekking op het geplande vervoer rond 2020. Volgens de tabel “afstanden en vervoerscijfers Basisnet Spoor” van de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is “Warme BLEVE vrij” transport van toepassing. In het convenant warme BLEVE-vrij transport d.d. 14 mei 2012 staan afspraken die ervoor zorgen dat goederentreinen met vloeibare gassen en vloeistoffen zo veilig mogelijk worden samengesteld, zodat een eventueel ongeluk niet tot en kettingreactie van explosies leidt. Hierdoor is de kans op het belangrijkste ongevalscenario uitgesloten en dus het risico kleiner t.o.v. de bestaande situatie.

 

Naam geving

Breedte categorie spoor (m)

PR10-6 contour (m)

Transportgegevens voor het berekenen van het GR

(in aantal ketelwagenequivalenten)

Brandbare gassen

A

Toxische gassen

B2

Zeer toxische gassen

B3

Zeer brandbare vloeistoffen

C3

Toxische vloeistoffen

D3

Zeer toxische vloeistoffen

D4

Warme/Koude Bleve verhouding

A / B2

Maastricht- Visé

0-24

0

3000

3500

0

400

0

0

0 / 0,4

 

Uit het document “Basisnet Spoor” (d.d. 20 september 2011) van de Werkgroep Basisnet Spoor blijkt dat geen Plasbrandaandachtsgebied (PAG) geldt voor de spoorlijn Maastricht- Visé.

 

Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsgrens. Dit is de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden in het geval van een ramp. Voor het spoor is het invloedsgebied bepaald door het vervoer van toxische gassen (stofcategorie GT3 (B2)), en is het invloedsgebied 1500 meter.

 

Uit onderzoek, o.a. in het kader van het Basisnet Spoor, blijkt het volgende voor de spoorlijn Maastricht - Visé:

  • ·

    Er is geen plaatsgebonden risicocontour.

  • ·

    Na inwerkingtreding van het Basisnet spoor zal het groepsrisico beneden 0,3 keer de oriënterende waarde zijn (Eindrapport werkgroep Basisnet Spoor, figuur 1).

  • ·

    Met de komst van het Basisnet krijgt de spoorlijn ter plaatse geen plasbrandaandachtsgebied.

  • ·

    Met de komst van het Basisnet krijgt de spoorlijn geen veiligheidszone (gestandaardiseerde PR 10-6 contour).

  • ·

    De spoorlijn een invloedsgebied heeft van ruim 1500 meter aan beide zijden van het spoor, waarbinnen de verantwoordingsplicht van toepassing is.

     

2.1.2 Vervoer over de weg

Rijksweg

Door de gemeente Eijsden-Margraten loopt de Rijksweg A2 van Maastricht naar België waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor de weg is in de nationale regelgeving geen veiligheidszone (gestandaardiseerde PR 10-6 contour) vastgelegd. Voor de A2 is een risicoplafond vastgesteld in de bijlage bij de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen van 1000 vervoerseenheden brandbaar gas/LPG (stofcategorie GF3) per jaar.

 

Wegvak

Veiligheidszone gemeten vanaf het midden van de weg

Vervoershoeveelheid GF3 voor het berekenen van het GR

A2 knooppunt Europaplein – afrit 58 (Eijsden)

0

1000

A2 afrit 58 (Eijsden) – Grens België

0

1000

 

Voor de weg is het vervoer toxische gassen maatgevend. Door de explosieve eigenschap is het de gevaarlijkste stof en bepaalt de omvang van het groepsrisico. Volgens de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is het bijbehorende invloedsgebied 1500 meter van het midden van de weg.

 

Uit onderzoek, o.a. in het kader van het Basisnet Weg, blijkt voor de gemeente Eijsden-Margraten dat:

  • ·

    Er geen plaatsgebonden risicocontour geldt.

  • ·

    De oriëntatiewaarde van het groepsrisico nergens wordt overschreden.

  • ·

    Voor de A2 een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter geldt.

  • ·

    De rijksweg een invloedsgebied heeft van ruim 1500 meter aan beide zijden van de weg, hierbinnen is de verantwoordingsplicht van toepassing.

 

Provinciale en gemeentelijke hoofdwegen

Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over provinciale en gemeentelijke wegen is geen risicoplafond vastgelegd in de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. In het toekomstige Basisnet Weg zal ook geen risicoplafond worden opgenomen.

 

Externe veiligheid bij provinciale wegen is berekend door de provincie Limburg, “Externe Veiligheid Provinciale Wegen”, referentie 074935205:B - D01011.000093, d.d. 21 september 2010. In het onderzoek is ook een doorkijk gemaakt naar het jaar 2020. Hierbij is rekening gehouden met

toenemend vervoer over de beschouwde wegen en bouwambities.

 

De provinciale en gemeentelijke wegen binnen het grondgebied van gemeente Eijsden-Margraten zijn niet genoemd in het onderzoek. Er mag dan ook van uitgegaan worden dat deze wegen geen PR contour hebben en geen sprake is van overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico.

 

Externe veiligheidaspecten van provinciale en gemeentelijke wegen worden gelet op het voorgaande in de beleidsvisie niet nader in ogenschouw genomen.

 

Op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) kan de gemeente een routering voor gevaarlijke stoffen vaststellen binnen de gemeente. Vaststelling van een routering houdt in dat één of meerdere wegen kunnen worden aangewezen waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen uitsluitend mag plaatsvinden. Vervoer van gevaarlijke stoffen via overige wegen is dan alleen via ontheffing toegestaan.

Als er geen routering is vastgesteld geldt onverminderd hetgeen is vastgelegd in artikel 11 Wvgs: “Voertuigen die gevaarlijke stoffen over de weg vervoeren, zijn verplicht bebouwde kommen van gemeenten te vermijden”.

In de gemeente Eijsden-Margraten is geen routering voor gevaarlijke stoffen vastgesteld.

 

2.1.3 Vervoer per buisleiding

Aardgas

Door de gemeente Eijsden-Margraten lopen meerdere hogedruk aardgastransportleidingen. De omvang van het invloedsgebied verschilt per leiding(deel). Dit is onder meer afhankelijk van de druk in de leiding, de diameter, de dikte van de buiswand en de diepteligging.

Leidingcode

Diameter (inch)

Druk (bar)

100% letaliteitsgrens

(meter)

1% letaliteitsgrens

(meter)

Aardgas (noord-zuid)

A-534-KR-019 t/m 030

36

66

180

430

Aardgas (noord-zuid)

A-520-KR-188 t/m 199

24

66

140

310

Aardgas (oost-west, Blankenberg)

A-520-03-KR-001 t/m 007

16

66

100

210

Aardgas (oost-west, Bemelen)

A-520-11-KR-001

12

66

80

170

Aardgas (oost-west, Bemelen)

Z-500-07-KR-001 t/m 005

12

40

70

140

Aardgas (oost-west, Bemelen)

Z-504-01-KR-001 t/m 009

12

40

70

140

Aardgas (noord-zuid, Eijsden)

Z-500-18-KR-003 t/m 008

4

40

30

50

Aardgas (noord-zuid, Eijsden)

Z-500-13-KR-001

4

40

30

50

Op enkele plaatsen hebben de hoge druk aardgastransportleidingen een PR 10-6 contour.

Na de inwerkingtreding van het Bevb op 1 januari 2011 heeft de Gasunie onderzoek gedaan naar knelpunten met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor deze hogedruk gasleidingen.

Er zijn geen bestaande of geprojecteerde knelpunten met betrekking tot het plaatsgebonden risico nabij gasleidingen binnen de gemeente Eijsden-Margraten.

 

Ook heeft de Gasunie in kaart gebracht of er mogelijke aandachtspunten m.b.t. het groepsrisico nabij de gasleidingen bestaan. Met behulp van bevolkingsinformatie is een onderzoek uitgevoerd. De conclusie is dat op basis van het populatiebestand, lijst van evenementen en ruimtelijke plannen in voorbereiding, er geen aandachtspunten m.b.t. het groepsrisico in de gemeente bestaan.

 

Voor alle hogedruk aardgastransportleidingen geldt een belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de leiding waar geen objecten zijn toegestaan. Deze strook moet conform het Bevb opgenomen worden in de bestemmingsplannen.

 

Vloeistoffen

Door de gemeente lopen twee leidingen van Defensie. Ook defensiepijpleidingen (DPO-leidingen) vallen onder het Bevb. Uit de informatie van Defensie blijkt dat het gaat om:

  • ·

    P22 leiding (komende uit gemeente Gulpen-Wittem), een 10”leiding waardoor K2 of K3 producten vervoerd worden. Hoofdzakelijk K2 producten (kerosine) en af en toe K3 producten.

  • ·

    P25 leiding (vanuit Noorbeek omhoog naar Margraten) eveneens een 10” leiding die geschikt is voor het vervoer van K2 en K3 producten. Deze leiding staat momenteel op een lichts stikstof druk (0,5 bar). Defensie wil deze leiding in de toekomst niet meer gebruiken.

 

De plaatsgebonden risicocontour voor beide leidingen is 0 meter (ligt op de leiding). Defensie heeft voor de leidingen geen groepsrisico geïdentificeerd.

De leidingen hebben een belemmeringenstrook van 5 meter, binnen deze strook mag niet gebouwd worden. In de huidige situatie is bebouwing aanwezig in de belemmeringenstrook. Dit betreft een bestaande situatie. Op moment van opstellen van deze beleidsvisie is er nog geen duidelijkheid welke eventuele consequenties dit zal hebben. Er zal hierover nog nader overleg plaatsvinden met Defensie.

 

2.1.4 Vervoer over het water

Door Eijsden loopt de Maas. Uit de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, blijkt dat de Maas vanaf Maastricht tot de toegang van de sluis van Ternaaien is gecategoriseerd als een belangrijke binnenvaarweg (zwart). De Maas ten zuiden van de toegang tot de sluis van Ternaaien is in het Basisnet Water opgenomen als een groene vaarweg. Voor een zogenaamde groene vaarweg gelden geen belemmeringen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Volgens informatie van Rijkswaterstaat zijn de gegevens in onderstaande tabel voor een groene vaarweg van toepassing.

 

Categorie route

Gebruiksruimte voor vervoer

Maatregelen voor RO nieuw

Maatregelen voor RO bestaand

Minder belangrijke vaarwegen

(groen, klasse II en hoger)

Geen plafond voor het plaatsgebonden risico, komt naar verwachting helemaal niet voor, ook niet op het water.

Geen plafond groepsricico.

Geen beperkingen voor bebouwing,

geen plasbrandaandachtsgebied,

geen groepsrisicoverantwoording.

Geen

Samenvattend kan gesteld worden dat er voor het vervoer over water in het kader van externe veiligheid geen beperkingen zijn voor bebouwing en er geen sprake is van verantwoording van het groepsrisico voor het gebied van de gemeente Eijsden-Margraten. De scheepvaart van en naar Maastricht gaat namelijk ter hoogte van Eijsden over het westelijker gelegen Albertkanaal.

 

2.1.5 Risicovolle inrichtingen

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn bedrijven aangewezen welke vanuit het oogpunt van externe veiligheid als risicovol worden beschouwd. In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van alle Bevi-inrichtingen binnen de gemeente. Het gaat dan om LPG-tankstations, chemische bedrijven, opslag van gevaarlijke stoffen enz.

Daarnaast wordt een overzicht gegeven van inrichtingen die niet onder het Bevi vallen, maar bij calamiteiten risico’s voor de omgeving kunnen vormen. 

 

LPG-tankstations

De gemeente Eijsden-Margraten telt de volgende vier LPG-tankstations.

LPG tankstation

Adres

Esso Knuvelkes

Oosterweg, Eijsden

TinQ Eijsden (Patiel)

Rijksweg 231-B, Eijsden

Benzine Supermarkt Rijckholt

Brandwegske 4-6, Rijckholt

LPG tankstation Schrijnemaekers

Stationsstraat 75, Gronsveld

Bedrijventerrein Gronsveld

Conform de landelijk externe veiligheidswet- en regelgeving zijn binnen de PR 10-6 contour geen kwetsbare objecten toegestaan. Indien dit wel het geval is, is er sprake van een saneringssituatie. Voor deze tankstations geldt dat er geen sprake is van saneringssituaties.

 

Met betrekking tot het LPG-tankstation bij de kern Rijckholt, op de Brandwegske, kan het volgende opgemerkt worden. De LPG-doorzet van dit tankstation is gelimiteerd op 499 m³ LPG-jaar.

De PR 10-6 contouren van een LPG-tankstation zijn afhankelijk van de doorzet aan LPG en worden weergegeven in de tabellen 1 en 2a in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).

In tabel 1 worden de 10-6 contouren weergegeven, die gelden zonder het toepassen van de veiligheidsmaatregelen uit het LPG-convenant. Bij een doorzet van minder dan 1000 m³/jaar bedraagt de 10-6 contour 45 meter.

Tabel 2a uit het Revi is gebaseerd op de risicoafname ten gevolge van het doorvoeren van de maatregelen uit het LPG-convenant. Bij een doorzet van minder dan 500 m³/jaar bedraagt de 10-6 contour 25 meter.

Sinds eind 2010 zijn alle maatregelen uit het LPG-convenant gerealiseerd en zijn technisch gezien de risicoafstanden van tabel 2a van toepassing.

 

De gemeente is bezig met het opstellen van een conserverend bestemmingsplan "Gronsveld en Rijckholt 2013". Een nieuw bestemmingsplan is volgens het Revi een nieuwe situatie, en moet beoordeeld worden op basis van tabel 1 van de Revi en niet aan tabel 2a. Dit betekent dat uitgegaan moet worden van een plaatsgebonden risicocontour van 45 meter. Binnen deze contour van het tankstation Rijckholt zijn kwetsbare objecten gelegen. Bij het nieuwe bestemmingsplan kan dus niet voldaan worden aan de normstelling uit het Bevi.

 

Er is voor gekozen het tankstation op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan als een 'witte vlek'. Dit betekent dat voor het tankstation het thans vigerende bestemmingsplan van toepassing blijft. Er is dus geen saneringssituatie omdat binnen een afstand van 25 meter rondom het vulpunt, de tank en bijbehorende bovengrondse leidingen zich geen kwetsbare objecten bevinden.

 

Risicovolle inrichtingen (Bevi)

Naast LPG tankstations bevinden zich nog drie andere risicovolle inrichtingen die vallen onder het Bevi in Eijsden-Margraten.

 

Inrichtingen Bevi

Opmerkingen

Coöperatieve Fruitveiling Zuid-Limburg

Aan de Fremme 33, Margraten

Bedrijventerrein Aan de Fremme, Margraten

Koelinstallatie met ammoniak

Gasexportstation ’s Gravenvoeren A-185

Libeek 3, Sint Geertruid

Gasexportstation

Huntjens BV

Veilingweg 23, Gronsveld

Bedrijventerrein Gronsveld

Groothandel in bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen

Bedrijventerrein Gronsveld

Umicore Nederland bv

Muggenweg 2, Eijsden

Bedrijventerrein Ir. Rocourstraat

BRZO inrichting op basis van aanwezigheid zinkoxide

 

Op het bedrijventerrein Aan de Fremme in Margraten is één Bevi inrichting gelegen. Het betreft de Fruitveiling met een ammoniakkoelinstallatie. Door Cauberg Huygen is een onderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat er geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour.

 

Op het bedrijventerrein “Ir .Rocourstraat” is een bedrijf gelegen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het betreft het bedrijf Umicore Nederland BV, dat valt onder het Besluit risico’s en zware ongevallen (BRZO). Bij het bedrijf Umicore is de provincie Limburg bevoegd gezag. Ten aanzien van het bedrijf Umicore Nederland BV geldt dat zowel de plaatsgebonden risicocontour als het invloedsgebied groepsrisico binnen de grenzen van de inrichting liggen.

 

Daarnaast is er een gasexportstation gelegen, vlak bij de grens met België (Libeek), welke valt onder de regelgeving van het Bevi. Voor het gasexportstation geldt een veiligheidsafstand van 25 meter voor kwetsbare objecten.

 

Op het bedrijventerrein Gronsveld, aan de Veilingweg 23 is het bedrijf Huntjens BV gevestigd. Dit bedrijf heeft opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, zoals bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen. Het bedrijf heeft een plaatsgebonden risicocontour van 20 meter.

 

Risicovolle inrichtingen (niet Bevi)

Daarnaast liggen binnen het grondgebied van de gemeente Eijsden-Margraten diverse risico relevante ofwel overige risicovolle bedrijven. Hieronder is een overzicht gegeven van inrichtingen die niet onder het Bevi vallen, maar bij calamiteiten risico’s voor de omgeving kunnen vormen. 

 

Er zijn inrichtingen aanwezig waar een grote hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen en/of kunstmeststoffen worden opgeslagen. Een risicorelevante inrichting is bijvoorbeeld de opslag van explosieven in Groeve ’t Rooth, gasstations en opslag van vuurwerk. De inrichtingen zijn hierna in een overzicht opgenomen.

 

risicovolle inrichtingen (geen Bevi)

Opmerkingen

Groeve ’t Rooth Nekami Mergel (Ankersmith Maalbedrijven)

Op de Kuyper 1, Bemelen

Opslag explosieven

Gasontvangstation Z250

Ingenieur Rocourstraat 28, Eijsden

Gasontvangstation

Gasontvangstation Z284

Bellefleur, Eijsden

Gasontvangstation

Gasdrukregel- en meetstation A-116

Reutjesweg 1, Bemelen

Meet- en regelstation

Thomassen gewasbescherming

Oude Akerstraat 33, Bemelen

Groothandel in bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen

Agerland BV

Aan de Fremme 28, Margraten

Groothandel in bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen

Bedrijventerrein Aan de Fremme

Prevoo Mengvoeders Graan en Kunstmest BV

Klein Welsden 18, Margraten

Opslag stikstofhoudende stoffen

Vuurwerk A2

Campeercentrum Gronsveld

Minder dan 10.000 kg.

PQ Silicas B.V.

Ir. Rocourstraat 28, Eijsden

Bedrijventerrein Ir. Rocourstraat

Opslag gevaarlijke stoffen

Tankstation (zonder LPG) Nelissen

Burgemeester Wolfsstraat 6 te Sint Geertruid

Licht ontvlambare stoffen zoals diesel en benzine, zonder LPG

Tankstation (zonder LPG) Avia

Aan de Fremme 34 te Margraten

Licht ontvlambare stoffen zoals diesel en benzine, zonder LPG

Tankstation (zonder LPG) Lukoil

Eijkerweg 129 te Margraten

Licht ontvlambare stoffen zoals diesel en benzine, zonder LPG

Met betrekking tot de Groeve ’t Rooth is de Provincie Limburg bevoegd gezag.

De Inspectie Leefomgeving en Transport heeft bericht dat inzake de opslag van explosieven in groeve 't Rooth is gebleken dat de gemeente verzuimd heeft om in het bestemmingsplan Buitengebied de risicozones op te nemen (de plicht hiertoe staat in een circulaire van 19 juli 2006). Gebleken is dat er geen directe risicosituaties zijn. De zones zullen bij de eerstvolgende algehele herziening van het bestemmingsplan Buitengebied worden meegenomen.

 

Binnen de gemeente Eijsden-Margraten is sprake van een groot aantal propaanopslagtanks. Dit betreft veelal kleinere hoeveelheden die niet onder het Bevi vallen. Op deze tanks is het Activiteitenbesluit van toepassing.

 

Een lijst van alle risicovolle inrichtingen is opgenomen in bijlage 3 van deze beleidsvisie.

 

2.2 Knelpunten en aandachtspunten

 

Saneringssituaties en latente saneringssituaties

Conform de landelijk externe veiligheidswet- en regelgeving zijn binnen de PR 10-6 contour geen kwetsbare objecten toegestaan. Indien dit wel het geval is, is er sprake van een saneringssituatie.

Naast deze acute saneringssituaties bestaan er ook latente saneringssituaties. Dit is het geval wanneer een bestemmingsplan binnen een PR 10-6 contour kwetsbare objecten toestaat, zonder dat deze er in de fysieke situatie zijn.

 

In de gemeente Eijsden-Margraten bevinden zich geen saneringssituaties of latente saneringssituaties.

 

Aandachtspunten

 

LPG-tankstation te Rijckholt

Een aandachtspunt is het LPG-tankstation te Rijckholt. Dit tankstation is buiten de herziening van het bestemmingsplan gehouden in afwachting van aanpassing van de betreffende regelgeving. Uit een brief van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu aan de Tweede kamer d.d. 14 februari 2013 blijkt dat het Ontwerpbesluit LPG-tankstations milieubeheer 2013, waarin kleinere afstanden voor nieuwe situaties waren opgenomen, geen doorgang kan vinden en wordt ingetrokken. In de brief van het Ministerie is aangegeven dat voor het beperkte aantal bestaande LPG-stations die niet aan de grotere afstanden kunnen voldoen, zoals het tankstation aan het Brandwegske, een oplossing wordt voorbereid via bestaande milieuregelgeving of anderszins, rekening houdend met het feit dat in de praktijk de Nederlandse LPG-tankwagens al zijn voorzien van hittewerende bekleding. Hiermee wordt onnodige sanering voorkomen.

 

Actualisatie bestemmingsplannen

Een aandachtspunt blijft het aspect externe veiligheid bij de actualisatie van de bestemmingsplannen. Regelgeving op het vlak van externe veiligheid bepaalt dat een besluit over een “conserverend” bestemmingsplan getoetst moet worden als ware het een nieuwe situatie en maatregelen ter verbetering van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid overwogen moeten worden.

 

De evaluatie van de Verantwoordingsplicht Groepsrisico (Royal Haskoning, 2010) en het Verbeterprogramma Groepsrisico (Min. I&M, 2011) hebben laten zien dat de wijze waarop externe veiligheid in ruimtelijke plannen wordt behandeld en vertaald naar planregels, verbeelding en plantoelichting voor verbetering vatbaar is. Tegen de achtergrond hiervan en de lopende actualisatieslag van ruimtelijke plannen is een leidraad opgesteld door de Provincie Limburg (Leidraad Veiligheid in consoliderende/conserverende bestemmingsplannen). De leidraad helpt bij het borgen van externe veiligheid in het bestemmingsplan.

Daarnaast geldt het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), met algemene regels voor bestemmingsplannen. Doel van dit besluit is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. Het Barro geeft regels voor bestemmingsplannen voor bijvoorbeeld opslag van explosieven, veiligheid rond rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet.

 

2.3 Grensoverschrijdende risicobronnen

 

De effecten van incidenten met gevaarlijke stoffen laten zich niet beperken door gemeentegrenzen en landsgrenzen.

 

Met betrekking tot de landsgrenzen zijn in Europees verband afspraken gemaakt ten aanzien van industriële ongevallen. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Verdrag van Helsinki. Eén van de afspraken is dat overheden elkaar informeren bij een vergunningaanvraag van een BRZO bedrijf dat binnen 15 km van de grens is gelegen.

 

Voor het transport van gevaarlijke stoffen (per buis, spoor, water of over de weg) bestaat geen verdrag met eenzelfde strekking als het verdrag van Helsinki.

 

Onderstaand zijn een aantal risicobronnen in beeld gebracht die zijn gelegen buiten de gemeente, maar die bij calamiteiten mogelijke effecten c.q. gevolgen hebben voor Eijsden-Margraten.

 

Kerncentrale Tihange.

Op een afstand van minder dan 40 km tot de gemeentegrens Eijsden-Margraten ligt de kerncentrale Tihange.

 

De kerncentrale bestaat uit drie reactoren. Ingevolge de Belgische Wet op de kernuitstap mogen de reactoren maximaal 40 jaar worden uitgebaat. Op basis hiervan zou Tihange op 1 oktober 2015 buiten gebruik worden genomen. In 2012 heeft de regering besloten om de exploitatieduur van Tihange te verlengen met 10 jaren.

 

Er zijn op Rijksniveau maatregelzones opgesteld. Het blijkt dat er geen verdere maatregelen behoeven te worden genomen bij incidenten bij de kerncentrale in Tihange. Vooruitlopend op mogelijke aanpassing van dit Rijksbeleid heeft de Veiliigheidsregio Zuid-Limburg maatregelen in gang gezet.

 

Vierde Sluis Van Ternaaien en het Albertkanaal

Ten tijde van het opstellen van deze beleidsvisie wordt de Vierde Sluis van Ternaaien gerealiseerd. Navraag bij Rijkswaterstaat geeft aan dat ze niet weten in hoeverre er onderzoek is gedaan naar de gevolgen voor het transport van gevaarlijke stoffen tijdens de projectstudie. Ze stellen dat de aanpassing van de sluis van Ternaaien voor grotere schepen geen invloed heeft op het totale volume van het transport van gevaarlijke stoffen. Eventuele effecten van de realisatie van de vierde sluis van Ternaaien zullen pas op langere termijn zichtbaar zijn.

 

Stegcentrale Navagne

Op een afstand van minder dan een kilometer tot het grondgebied van de gemeente Eijsden-Margraten is ten noorden van Visé een op aardgas gestookte energiecentrale gepland.

 

Luchthaven Bierset

Ten westen van Luik ligt luchthaven Bierset. Deze luchthaven is de laatste jaren uitgegroeid tot de grootste goederenluchthaven en derde personenluchthaven van België. Het aanvliegen van de vliegtuigen mag niet boven Nederlands grondgebied plaatsvinden, maar vindt wel plaats.

 

Spoorverbinding Antwerpen – Aken (west) via Montzen

Deze spoorverbinding is eigenlijk alleen maar in gebruik voor het goederenvervoer, waaronder gevaarlijke stoffen. De spoorlijn kent twee risicovolle punten m.b.t. Eijsden-Margraten. Ten eerste de rangeerbewegingen te Visé. Ten tweede het traject, inclusief ondertunneling, door Voeren.

 

Maastricht-Aachen Airport

In een naastgelegen gemeente ligt het vliegveld Maastricht-Aachen Airport. Het vliegveld heeft geen PR 10-6 contour die over het grondgebied van de gemeente Eijsden-Margraten valt. De luchthaven is dus geen relevante risicobron (groepsrisicobeleid is niet aan de orde).

 

Aardgastransportleidingen Fluxis

Er liggen ten zuiden van de kern Eijsden, ten noorden van Visé, twee aardgastransportleidingen van Fluxis, die vanuit het westen onder de Maas richting gasverdelingsstation Dalhem lopen. Het invloedsgebied van deze leidingen valt buiten het grondgebied van Eijsden-Margraten.

De gemeente Eijsden-Margraten heeft met betrekking tot de aanwezigheid van bovenstaande grensoverschrijdende risicobronnen geen invloed. Er zijn een aantal initiatieven, onder meer vanuit de veiligheidsregio's en de provincie Limburg om tot een betere grensoverschrijdende afstemming ten aanzien van informatievoorziening en repressie te komen. De gemeente Eijsden-Margraten ondersteunt deze initiatieven en zal waar noodzakelijk actief meewerken met de implementatie hiervan.

 

2.4 Toekomstige ontwikkelingen

 

Op 1 februari 2011 hebben Gedeputeerde Staten de ‘Provinciale Woonvisie 2010-2015’ vastgesteld. Uit deze visie blijkt dat de woningvoorraad binnen Zuid-Limburg niet mag toenemen vanwege de verwachte bevolkingskrimp in de komende decennia. De provinciale woonvisie bepaalt dat de Zuid-Limburgse gemeenten dit beleid dienen te vertalen in hun vast te stellen regionale woonvisies.

 

De gemeente Eijsden-Margraten heeft een regionale woonvisie vastgesteld. Deze woonvisie geeft een doorkijk in de bouwmogelijkheden voor de komende jaren. Dit betekent dat de grotere nieuwe plannen, met betrekking tot woningbouw, voor de komende jaren bekend zijn en reeds bekeken kunnen worden op het aspect externe veiligheid.

 

2.5 Bestrijdbaarheid risicobronnen

 

Bestrijdbaarheid is de mate waarin een calamiteit door de brandweer bestreden kan worden. Generieke uitspraken over bestrijdbaarheid in de gemeente Eijsden-Margraten zijn moeilijk te doen omdat de mate van bestrijdbaarheid verschilt per situatie en afhankelijk is van een complex scala van factoren zoals het soort (brand)scenario, de bereikbaarheid en de aanwezigheid van voldoende blusmiddelen.

 

Scenario's

Met betrekking tot gevaarlijke stoffen zijn verschillende scenario's te onderscheiden: hittebelasting brand, drukbelasting explosie, hitte- en drukbelasting BLEVE en toxische belasting. Voor een groot deel van deze scenario’s is het tijdsverloop van het scenario zo kort dat, wanneer de brandweer arriveert, het scenario niet meer voorkomen kan worden, zoals bijvoorbeeld bij het openscheuren van een tankwagen LPG bij een verkeersongeval. Dit houdt in dat op het moment dat de hulpverlening ter plaatse komt, direct begonnen wordt met het redden van slachtoffers en (afhankelijk van het soort scenario) het bestrijden van secundaire branden.

 

Bereikbaarheid

Voor de bereikbaarheid geldt dat een willekeurig adres via een tweede onafhankelijke route bereikbaar moet zijn. Hierdoor kan de brandweer een ongeval altijd bovenwinds benaderen en wordt voorkomen dat de brandweer door een rook- of gaswolk ter plaatse moet gaan. De uitvoering van de weg dient te voldoen aan de specifieke maten en kenmerken van een brandweervoertuig.

 

In zijn algemeenheid geldt dat adressen in Eijsden-Margraten goed bereikbaar zijn. Op basis van beoordeling van de objecten in dossiers en het project Samen op Weg kan gesteld worden dat er op dit moment geen problemen bekend zijn t.a.v. de bereikbaarheid van de objecten binnen gemeente Eijsden-Margraten.

 

Voor de bestrijding van ongevallen met gevaarlijke stoffen geldt echter dat niet alleen adressen, maar ook potentiële ongevallenlocaties van twee kanten bereikbaar moeten zijn. Dit geldt dus ook voor ongevallen op het water, het spoor en bij buisleidingen. Deze transportassen zijn moeilijker bereikbaar dan ongevallen op de weg.

 

Bluswatervoorziening

Om inzicht te krijgen in de huidige situatie is het project "Inventarisatie bluswatervoorziening Zuid- Limburg" gestart. De uitkomsten van dit project leveren een totaal beeld op van de gehele bluswatervoorziening in Zuid-Limburg. De doelstellingen van dit project zijn onder andere:

  • -

    een regionale inventarisatie van de verschillende bluswatervoorzieningen in Zuid-Limburg;

  • -

    een uniforme wijze van ontsluiten van digitale informatie met betrekking tot bluswater;

  • -

    ontsluiten van gegevens over bluswatervoorzieningen voor gemeenten via de provinciale risicokaart.

 

Een primaire bluswatervoorziening, zoals een brandkraan, kan een tankautospuit binnen drie minuten na aankomst van bluswater voorzien en blijft daarna onafgebroken voldoende water leveren. Voor de primaire bluswatervoorziening in de gemeente Eijsden-Margraten geldt dat eerst aandacht uit dient te gaan naar Scheulder en het buitengebied rond Noorbeek. Vervolgens de wijken/gebieden Sint Antoniusbank, Bemelen en Moerslag-Libeek waar zich veelal een combinatie voordoet van meerdere dekkingsgaten en onvoldoende bluswatercapaciteit (> 30 - < 60 m3/ uur). Daarna kunnen indien nodig eventueel andere wijken worden beschouwd.

 

Met een secundaire bluswatervoorziening kan de brandweer binnen vijftien minuten na aankomst water op de brandhaard hebben. Zo’n secundaire bluswatervoorziening is bijvoorbeeld een geboorde put, een opstelplaats bij een vijver, of een ander open water met voldoende diepte en voldoende water om ten minste vier uur te kunnen pompen. Voor de secundaire bluswatervoorziening geldt dat deze vaak daar nodig zijn waar zich bedrijventerreinen bevinden en daar waar zich incidenten (met externe veiligheid) kunnen voordoen. Deze voorzieningen zijn momenteel nauwelijks aanwezig. In overleg met de brandweer kan de gemeente vaststellen welke locaties in aanmerking komen voor een secundaire bluswatervoorziening. Hierbij kan gedacht worden aan locaties waar kwetsbare objecten in het effectgebied liggen bv. bij vervoersassen.

 

Brandweeradvies

Indien ontwikkelingen bij bedrijven of in de bouw te maken krijgen met een effectgebied van risicobronnen, zal in overleg met de brandweer bepaald worden welke maatregelen genomen kunnen worden. Deze maatregelen kunnen zich richten op de bron, het effect of de zelfredzaamheid.

 

De brandweer adviseert de gemeente indien deze een ontwikkeling wil doorvoeren in de nabijheid van een risicobron. De brandweer toetst de ruimtelijk ontwikkeling op basis van de volgende criteria:

  • ·

    Levert de afstand tussen de gevarenbron en de risico-ontvangers een dusdanige situatie op dat de laatste groep zich kan onttrekken aan de gevolgen van een eventuele calamiteit. Indien dit niet het geval is, dan adviseert de brandweer de ontwikkeling op een andere locatie te overwegen of indien de locatie vaststaat hoe de zelfredzaamheid kan worden bevorderd.

  • ·

    De brandweer adviseert in hoeverre er genoeg middelen voorhanden zijn om de calamiteit te kunnen bestrijden, hierbij worden niet alleen de middelen in de openbare ruimte (bluswater en bereikbaarheid) belicht, maar ook de middelen binnen de regio.

  • ·

    De brandweer toetst de ontwikkeling aan de door de brandweer opgestelde gebiedsprofielen, het scenarioboek Externe Veiligheid en Verantwoorde brandweer advisering externe veiligheid.

HOOFDSTUK 3 KEUZES MAKEN

3.1 Inleiding

 

Zoals gebleken uit het vorige hoofdstuk bestaan er geen urgente knelpunten met betrekking tot het plaatsgebonden risico. Gemeente Eijsden-Margraten voldoet dus aan de wettelijke basisveiligheid.

 

Naast de basisveiligheid dient de gemeente invulling te geven aan het groepsrisicobeleid. Het groepsrisicobeleid is niet normatief, dit betekent dat de gemeente zelf keuzes kan en moet maken. In dit hoofdstuk worden keuzes omschreven die de gemeente maakt ten aanzien van de locatiekeuze van risicobronnen en de planologische kaders voor invulling van de verantwoordingsplicht.

 

3.2. Locatiekeuze risicobronnen

 

Risicobronnen kunnen in bepaalde gebieden uitgesloten worden en elders juist geconcentreerd worden. Daarnaast kunnen, daar waar risicobronnen toegestaan zijn, bepaalde ruimtelijke voorwaarden geschapen worden om de omgeving tegen de risico's van dat bedrijf te beschermen.

 

Bij de locatiekeuze van risicobronnen moet onderscheid gemaakt worden tussen risicovolle bedrijven en transportassen (incl. buisleidingen). Ten aanzien van de zonering en capaciteit van risicovolle bedrijven kan de gemeente zelf sturend optreden via ruimtelijke planvorming en vergunningverlening. Voor transportassen ligt dit anders. De gemeente Eijsden-Margraten heeft nauwelijks invloed op de locatie en het gebruik van transportassen.

 

3.2.1 Risicovolle inrichtingen (excl. LPG tankstations

 

De gemeente kan via bestemmingsplannen risicovolle inrichtingen wel, niet of onder voorwaarden toestaan. In lijn met de uitgangspunten die verwoord zijn in hoofdstuk 1 worden nieuwe inrichtingen zoveel mogelijk geweerd. Indien zich echter bedrijven willen vestigen dienen deze zich bij voorkeur te vestigen waar reeds andere externe veiligheidsrisico’s aanwezig zijn. Dit betekent dat risicovolle inrichtingen op bepaalde bedrijventerreinen worden toegestaan. Bij het toestaan van nieuwe risicovolle inrichtingen in de buurt van bestaande risicovolle inrichtingen dient altijd rekening gehouden te worden met elkaars effecten en eventuele domino-effecten.

 

Voor het toestaan of uitsluiten van risicovolle inrichtingen op bedrijventerreinen kunnen de volgende restrictieniveaus worden gedefinieerd:

  • 1.

    PR 10-6 contour mag over andere percelen vallen;

  • 2.

    PR 10-6 contour mag over infra en openbaar groen vallen;

  • 3.

    PR 10-6 contour binnen perceelsgrens;

  • 4.

    Geen Bevi-bedrijven toegestaan.

 

1: PR 10-6 contour mag over andere percelen vallen

Als de risicocontour over andere percelen mag vallen, betekent dit dat kwetsbare objecten op aangrenzende percelen moeten worden uitgesloten.

Dit restrictieniveau kan worden toegepast wanneer ruimte geboden moet worden aan risicovolle inrichtingen. Consequentie is dat personendichtheden, en daarmee ook de werkgelegenheid, op aangrenzende percelen worden beperkt. Bovendien bestaat het risico dat, zonder gedegen planologische regeling, beperkt kwetsbare objecten in de loopt der jaren verkleuren tot kwetsbaar, met saneringssituaties tot gevolg.

 

2: PR 10-6 contour mag over infra en openbaar groen vallen

Bij dit restrictieniveau mag de contour wel over infrastructuur en groenvoorzieningen vallen, maar niet over andere percelen waar bebouwing is toegestaan. Dit beschermingsniveau kan worden toegepast wanneer ruimte geboden moet worden aan risicovolle inrichtingen, maar de planologische mogelijkheden van aangrenzende percelen ruim moeten blijven.

 

3: PR 10-6 contour binnen perceelsgrens

Risicovolle inrichtingen zijn toegestaan, mist hun PR 10-6 contour binnen de eigen perceelsgrens blijft. Dit beschermingsniveau kan worden toegepast wanneer ruimte geboden moet worden aan kwetsbare bedrijvigheid, zonder dat risicovolle inrichtingen worden uitgesloten. De risicoruimte van bedrijven wordt sterk beperkt en is weinig flexibel.

 

4: Geen Bevi-bedrijven toegestaan

Bedrijven die onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen vallen zijn niet toegestaan. Met deze maatregel is het externe veiligheidrisico sterk beperkt en wordt alle ruimte geboden aan andere soorten bedrijvigheid.

 

Binnen de gemeente Eijsden-Margraten bevinden zich vier bedrijventerreinen.

Binnen het bestemmingsplan Bedrijventerrein Eijsden vallen drie afzonderlijke bedrijventerreinen: Bedrijventerrein Gronsveld, Zoerbeemden en Ir. Rocourstraat.

Binnen het bedrijventerrein Gronsveld zijn twee Bevi-inrichtingen gelegen (LPG tankstation Schrijnemaekers en Huntjens BV). Het bestemmingsplan laat vestiging van nieuwe Bevi-inrichtingen op dit terrein niet toe. Op het bedrijventerrein Zoerbeemden zijn geen Bevi-inrichtingen gelegen en het bestemmingsplan laat ze ter plaatse ook niet toe.

Beide terreinen zijn door aard, omvang of voorziene toekomstige ontwikkelingen minder geschikt voor het toelaten van Bevi-bedrijven.

Op het bedrijventerrein Ir. Rocourstraat is één Bevi-inrichting (Umicore Nederland BV) gelegen. Het bestemmingsplan sluit vestiging van nieuwe Bevi-inrichtingen op dit terrein niet uit.

 

De restrictieniveaus voor deze bedrijventerreinen zijn weergegeven in onderstaande tabel.

Bedrijventerrein

Huidig restrictieniveau

Gewenst restrictieniveau

Vergunde situatie

Juridisch toegestaan

 

Bedrijventerrein Gronsveld

1

4

4

Bedrijventerrein Zoerbeemden

4

4

4

Bedrijventerrein Ir. Rocourstraat

3

1

2

Bedrijventerrein Aan de Fremme

3

4*

4*

*vestiging van nieuwe Bevi-inrichtingen niet rechtstreeks toegestaan, wel door middel van een afwijkingsbevoegdheid.

 

Het bestemmingsplan bedrijventerrein Aan de Fremme dateert van 2000 en wordt momenteel geactualiseerd. Er is op dit bedrijventerrein één Bevi-inrichting (Coöperatieve Fruitveiling Zuid-Limburg) gelegen. Het geldende en het nieuwe bestemmingsplan laten vestiging van nieuwe Bevi-inrichtingen niet rechtstreeks toe. In het nieuwe bestemmingsplan is een mogelijkheid opgenomen daarvan af te wijken. Deze afwijkingsmogelijkheid is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Met de afwijkingsbevoegdheid kunnen burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning een nieuwe Bevi-inrichting toestaan.

 

De gemeente Eijsden-Margraten wil ruimte bieden aan risicovolle inrichtingen op bepaalde bedrijventerreinen, maar de planologische mogelijkheden van de aangrenzende percelen ruim houden. Om die reden is als gewenst restrictieniveau 2 opgenomen voor het bedrijventerrein Ir. Rocourstraat. Indien een ruimtelijke procedure wordt doorlopen dan wel bij de herziening van een bestemmingsplan heeft de gemeente zich tot doel gesteld te beschouwen of het restrictieniveau verhoogd kan worden zodat de fysieke veiligheid van omliggende objecten wordt verbeterd. Dat wil zeggen dat bekeken wordt of alleen bedrijvigheid met een externe veiligheidscontour wordt toegestaan, mits de contour over infrastructuur en groenvoorzieningen valt (restrictieniveau 2).

 

Ruimtelijke ontwikkelingen die rechtstreeks zijn toegelaten op basis van het bestemmingsplan kunnen echter niet worden geweigerd ondanks dat deze dan mogelijk niet voldoen aan de uitgangspunten zoals hiervoor besproken. Daarnaast moet ook in beschouwing genomen worden dat bestaande rechten wellicht behouden zouden moeten blijven in het kader van mogelijke planschade.

 

3.2.2 LPG tankstations

Voor LPG tankstations wordt een ander beleid gevoerd omdat deze bedrijven door de aard van de inrichting een ander vestigingspatroon hebben. Nieuwe LPG tankstations worden zoveel mogelijk geweerd. Indien zich echter bedrijven willen vestigen dienen deze zich te vestigen waar reeds andere externe veiligheidsrisico’s aanwezig zijn. Voor LPG-tankstations betekent dit dat ze gesitueerd moeten worden buiten de woonwijken en langs hoofdinfrastructuur.

 

3.3 Planologische kaders voor invulling van de verantwoordingsplicht

 

3.3.1 Inleiding

Bij ruimtelijke besluiten binnen het invloedsgebied van een risicobron dient invulling te worden gegeven aan de verantwoordingsplicht. Bij de verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag de omvang van het groepsrisico, de zelfredzaamheid van aanwezigen, de bestrijdbaarheid en mogelijkheden voor de hulpverlening, en eventuele maatregelen om het groepsrisico te verlagen af te wegen tegen het maatschappelijke nut en de noodzaak van het besluit.

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Ook is het verplicht de veiligheidsregio in de gelegenheid te stellen om advies uit te brengen.

 

Overigens is ook wanneer groepsrisicoverantwoording formeel juridisch niet verplicht is, het wel een onderdeel van een goede ruimtelijke ordening. Hoe zwaar de verantwoording wordt ingevuld is afhankelijk van het risico.

 

In de wet is geregeld wanneer het groepsrisico verantwoord moet worden. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Voor transportassen (weg, spoor en water) geldt dat de verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer bij het nemen van een ruimtelijke besluit sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde. Voor inrichtingen en buisleidingen geldt dat verantwoording van het groepsrisico altijd verplicht is wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron een ruimtelijk besluit genomen wordt.

 

In de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico (Oranjewoud/Save in opdracht van de Ministeries van VROM en Binnenlandse Zaken, november 2007) zijn de onderdelen die aan bod moeten komen bij groepsrisicoverantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

 

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door een rechter leiden.

 

Omdat de zwaarte van de verantwoording afhankelijk is van de risicobron, de afstand tot de risicobron en de kwetsbaarheid van het geprojecteerde object, heeft de gemeente Eijsden-Margraten planologische kaders voor de groepsrisicoverantwoording opgesteld. Het principe van deze planologische kaders is: hoe dichter bij de risicobron en hoe kwetsbaarder het object, hoe zwaarder de verantwoordingspicht wordt ingevuld.

De planologische kaders bestaan uit een zone indeling per risicobron (drie zones), een kwetsbaarheidbepaling voor de geprojecteerde objecten (beperkt kwetsbaar, kwetsbaar en zeer kwetsbaar) en verantwoordingsniveaus (drie niveaus).

 

3.3.2 Zone indeling

Voor de risicobronnen zijn drie zones vastgesteld waarbinnen bepaalde verantwoordingsniveaus gelden. De zones zijn globaal gebaseerd op de reikwijdte van incidenten met gevaarlijke stoffen. Omdat verschillende risicobronnen verschillende rampscenario's hebben, verschilt ook de zone-indeling per risicobron.

De zone indeling is weergegeven in onderstaande tabel.

 

Risicobron

Zone 1

Zone 2

Zone 3

(spoor)wegen

30 meter (invloedsgebied plasbrand)

200 meter (invloedsgebied BLEVE)

1500 meter (invloedsgebied toxisch)

Transportleidingen

PR 10-6 contour

100% Letaliteitsgrens

1% letaliteitsgrens

LPG tankstations

PR 10-6 contour

150 meter (invloedsgebied)

400 meter (effectgebied)

Overige Bevi-inrichtingen

PR 10-6 contour

PR 10-8 contour

Invloedsgebied

3.3.3 Kwetsbaarheid van objecten

Naast afstand tot de risicobron is ook de kwetsbaarheid van geprojecteerde objecten bepalend voor het verantwoordingsniveau. Hierbij is onderscheid gemaakt in zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. De definities van kwetsbaar- en beperkt kwetsbaar object volgen uit het Bevi. De definitie van zeer kwetsbaar object is door de gemeente Eijsden-Margraten opgesteld.

 

Een zeer kwetsbaar object is een object waar personen verblijven die ingeval van een calamiteit niet in staat zijn zichzelf zonder hulp van buitenaf in veiligheid te brengen. Voorbeelden van zeer kwetsbare objecten zijn zorgcomplexen, ziekenhuizen, detentiecentra, begeleid wonen met 24-uurszorg.

 

3.3.4 Verantwoordingsniveaus

In de planologische kaders zijn verantwoordingsniveaus vastgesteld, afhankelijk van de afstand tot de risicobron en de kwetsbaarheid van het geprojecteerde object. Hiervoor zijn drie verantwoordingniveaus gedefinieerd. Deze verantwoordingsniveaus zijn een invulling van de verplichte elementen van groepsrisicoverantwoording zoals opgesteld in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico. Verantwoordingsniveau 3 is hierbij een standaard verantwoordingstekst.

Voor een nadere toelichting op de verantwoordingsniveaus wordt verwezen naar bijlage 4.

Verantwoordingsniveaus 1 en 2

Het onderscheid tussen verantwoordingsniveau 1 en 2 is dat verantwoordingselementen bij niveau 1 zwaarder beschouwd moeten worden dan bij niveau 2.

 

 

niv. 1

niv. 2

Algemene beschouwing

Beschouwen van personendichtheid binnen invloedsgebied

Altijd meenemen

In verantwoording

De hoogte van het huidige en toekomstige groepsrisico en de ligging daarvan ten opzichte van de oriëntatie waarde.

De mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst.

De aanwezigheid van beperkt zelfredzame groepen.

Noodzaak

Noodzaak van de ontwikkeling op deze risicovolle locatie moet worden aangetoond.

Zwaar

Licht

Voor- en nadelen van veiliger alternatieven worden inzichtelijk gemaakt.

Zwaar

Licht

Ruimtelijke veiligheidsmaatregelen

Mogelijkheid beperking ontwikkeling beschouwen

Zwaar

Licht

Mogelijkheden om afstand tot risicobron vergroten beschouwen

Zwaar

Zwaar

Beschouwen oriëntatie van de bebouwing ten opzichte van risicobron.

Zwaar

Zwaar

Beschouwen van effect beperkende maatregelen in het overdrachtsgebied.

Zwaar

Licht

Minimaal twee van de risicobron afgerichte externe vluchtwegen.

Zwaar

Licht

Bronmaatregelen

Beschouwen mogelijke veiligheidsmaatregelen aan de bron.

Zwaar

Licht

Objectgerelateerde veiligheidsmaatregelen

Beschouwen mogelijkheden bouwtechnische veiligheidsmaatregelen.

Zwaar

Licht

Beschouwen mogelijkheden intern ontruimingsplan afstemmen op externe veiligheid.

Zwaar

Licht

Beschouwen interne vluchtwegen en ten opzichte van de risicobron.

Zwaar

Licht

Beschouwen mogelijkheden ter verbetering van alarmering.

Zwaar

Licht

Beschouwen mogelijkheden tot het houden van rampoefeningen.

Zwaar

Licht

Beschouwen mogelijkheden tot centraal afsluitbaar ventilatiesysteem

Zwaar

Zwaar

Zelfredzaamheid

Advies van veiligheidsregio mbt zelfredzaamheid inwinnen en beoordelen

Zwaar

Zwaar

Bestrijdbaarheid

Advies van veiligheidsregio mbt bestrijdbaarheid inwinnen en beoordelen

Zwaar

Zwaar

Risicocommunicatie

Risicocommunicatie via de risicokaart en ter inzage legging ruimtelijk plan

Algemene beschouwing

Onder algemene beschouwing vallen de elementen die conform de landelijke wet- en regelgeving altijd beschouwd dienen te worden.

 

Noodzaak

De eerste vraag bij groepsrisicoverantwoording van een ruimtelijke ontwikkeling is waarom deze ontwikkeling juist op deze risicovolle plek is geprojecteerd. Bij beide verantwoordingsniveaus moeten veiligere alternatieven beschouwd worden. Vaak zal blijken dat alternatieven niet beschikbaar zijn, al is het maar om de voor de hand liggende reden dat een geschikt bouwperceel onroerend is.

 

Ruimtelijke veiligheidsmaatregelen

In de tweede plaats moet bekeken worden in hoeverre veiligheidsmaatregelen genomen kunnen worden. De eerste mogelijkheid is de ontwikkeling te beperken in de zin van personenaantallen. De tweede mogelijkheid is het vergroten van de afstand tussen personendichtheden en de risicobron. Als derde kan de oriëntatie van de bebouwing ten opzichte van de risicobron beschouwd worden. Tot slot dienen maatregelen in het overdrachtsgebied (zoals bijvoorbeeld een plasbrandkering) beschouwd te worden en dienen er minimaal twee van de risicobron afgerichte vluchtwegen te zijn.

 

Bronmaatregelen

Bronmaatregelen zijn veelal het meest effectief om veiligheid te verbeteren. Vaak gaan bronmaatregelen echter de ruimtelijke procedure te boven.

Objectgerelateerde veiligheidsmaatregelen

Objectgerelateerde veiligheidsmaatregelen kunnen effectief zijn, maar zijn moeilijk te borgen in een ruimtelijke procedure. Tevens is de juridische afdwingbaarheid discutabel. Dit zal veranderen met de komst van het Btev en het Bouwwerkbesluit, omdat bouwtechnische maatregelen aan nieuwe kwetsbare objecten binnen het plasbrand aandachtsgebied dan juridisch afgedwongen kunnen worden.

 

Zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid

De zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid worden beoordeeld aan de hand van het advies van de veiligheidsregio. Zowel bij verantwoordingsniveau 1 als 2 moet het advies zwaar beoordeeld worden. Dat houdt in dat adviezen van de veiligheidsregio in principe worden overgenomen, tenzij er aantoonbaar zwaarwegende belangen zijn dit niet te doen.

Ricisocommunicatie

Risicocommunicatie naar burgers toe vindt plaats via www.risicokaart.nl en via de ter inzage legging van het ruimtelijk plan. Hierbij bestaat geen onderscheid in de verschillende verantwoordingsniveaus.

 

Verantwoordingsniveau 3

Verantwoordingsniveau 3 is het lichtste verantwoordingsniveau en bestaat uit een standaard verantwoordingstekst. Dit niveau wordt toegepast op grotere afstand dan 200 meter van een risicobron waar alleen het toxische scenario nog relevant is (verantwoordingsniveau 3).

 

In het volgende kader is een standaard verantwoordingstekst opgenomen die als basis gebruikt kan worden bij de ruimtelijke onderbouwing van een plan.

 

Inleiding

Het plangebied en de geprojecteerde ontwikkeling bevindt zich op grote afstand van de risicobron. Op deze afstand is het toxisch scenario maatgevend. Effecten als gevolg van een plasbrand of BLEVE reiken niet tot het plangebied.

 

Ontwikkeling groepsrisico

Vanwege de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd.

 

Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico

De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Daarnaast is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch.

 

De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Ook het bestrijdbaarheid vraagstuk speelt op deze afstand van de risicobron niet. Bestrijding vindt plaats bij de bron.

 

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Blootstelling aan een toxisch gas is het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelinginstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn.

Daarnaast dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het grondgebied van Eijsden-Margraten valt grotendeels binnen de dekking van de sirenepalen. Het kleine deel dat niet gedekt is betreft gebieden met weinig bebouwing.

Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de beleidsvisie externe veiligheid Eijsden-Margraten en de

daarin gemaakte keuzes.

* Verantwoording groepsrisico bij niveau 3.

 

3.3.5 Planologische kaders

De gemeente Eijsden-Margraten stelt zich tot doel bij alle ruimtelijke besluiten binnen het invloedsgebied van een risicobron de verantwoordingsplicht in te vullen zoals omschreven in deze beleidsvisie. Hiermee wordt invulling gegeven aan het principe van een goede ruimtelijke ordening. Ook wordt hiermee discussie over wel of niet verantwoorden voorkomen.

 

Spoor- en rijkswegen

 

Zonering spoor- en rijkswegen

Zone 1

 

0-30 meter*

zeer kwetsbaar object

niet toegestaan

kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 1

beperkt kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 1

Zone 2

 

30-200 meter

zeer kwetsbaar object

niet toegestaan

kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 1

beperkt kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 2

Zone 3

 

200-1500 meter

zeer kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 3

kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 3

beperkt kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 3

* Bij spoorwegen gemeten vanaf het midden van de buitenste twee sporen, bij rijkswegen vanaf de rand van de meest rechtse rijbaan (gekeken vanuit de rijrichting).

 

Zone 1: 0-30 meter

Zone 1 hangt samen met het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen. Binnen deze zone zijn zeer kwetsbare objecten niet toegestaan. Voor (beperkt) kwetsbare objecten geldt verantwoordingsniveau 1. Binnen deze zone zullen tevens in het kader van het toekomstige Btev aanvullende bouwtechnische veiligheidseisen gesteld gaan worden.

 

Zone 2: 30-200 meter

Deze zone omvat het BLEVE aandachtsgebied (het gebied waar de effecten van een BLEVE het hevigst zijn). In deze zone zijn personen (ook personen in gebouwen) onvoldoende beschermd tegen een BLEVE. Vluchten is de enige optie om een calamiteit te overleven. Zeer kwetsbare objecten zijn in deze zone niet toegestaan. Voor kwetsbare objecten geldt verantwoordingsniveau 1, voor beperkt kwetsbare objecten niveau 2.

 

Zone 3: 200-1500 meter

Vanaf 200 meter zijn mensen binnenshuis in principe voldoende veilig voor een BLEVE.

Vanaf 200 meter wordt daarom alleen nog rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied kan bescherming worden geboden door ramen en deuren te sluiten. Voor alle objecten geldt verantwoordingsniveau 3.

 

Transportleidingen

 

Zonering transportleidingen

Zone 1

 

PR 10-6 contour

zeer kwetsbaar object

niet toegestaan

kwetsbaar object

niet toegestaan

beperkt kwetsbaar object

niet toegestaan

Zone 2

 

PR 10-6 - 100% letaliteitcontour

zeer kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 1

kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 1

beperkt kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 2

Zone 3

 

100% - 1% letaliteitcontour

zeer kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 2

kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 2

beperkt kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 2

Zone 1: PR 10-6 contour

De PR 10-6 contour van transportleidingen zal in de meeste gevallen binnen de belemmeringenstrook van maximaal 5 meter vallen. Binnen deze strook is geen bebouwing toegestaan. Daar waar de PR 10-6 contour wel buiten de belemmeringenstrook ligt, zijn conform het Bevb geen kwetsbare- en zeer kwetsbare objecten toegestaan. Gemeente Eijsden-Margraten staat binnen deze contour ook geen beperkte kwetsbare objecten toe.

 

Zone 2: PR 10-6 - 100% letaliteitcontour

De 100% letaliteitcontour is de contour waarbinnen in geval van een calamiteit (in het geval van een hoge druk aardgastransportleiding een fakkelbrand) iedereen zal overlijden. Binnen deze contour geldt voor kwetsbare- en zeer kwetsbare objecten verantwoordingsniveau 1. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt een verantwoordingsniveau 2.

 

Zone 3: 100% - 1% letaliteitcontour

De 1% letaliteitcontour is de contour waarbinnen in geval van een calamiteit (in het geval van een hoge druk aardgastransportleiding een fakkelbrand) nog 1% van de aanwezigen zal overlijden. Binnen deze contour geldt voor alle objecten verantwoordingsniveau 2.

 

LPG tankstation

 

Zonering LPG tankstation

Zone 1

 

PR 10-6 contour

zeer kwetsbaar object

niet toegestaan

kwetsbaar object

niet toegestaan

beperkt kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 1

Zone 2

 

PR 10-6 - 150 meter

zeer kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 1

kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 2

beperkt kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 2

Zone 3

 

150 meter - 400 meter

zeer kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 1

kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 3

beperkt kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 3

Zone 1: PR 10-6 contour

Binnen de PR 10-6 contour van LPG tankstations zijn geen kwetsbare en zeer kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt verantwoordingsniveau 1.

 

Zone 2: PR 10-6 - 150 meter

Het invloedsgebied van LPG tankstations is vastgesteld op 150 meter. Binnen deze contour geldt voor zeer kwetsbare objecten verantwoordingsniveau 1 en voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten verantwoordingsniveau 2.

 

Zone 3: 150 meter - 400 meter

Het wettelijk vastgestelde invloedsgebied van LPG tankstations is 150 meter. De effecten van een incident manifesteren zich echter over een ruimere afstand (tot 400 meter). De gemeente Eijsden-Margraten heeft er daarom voor gekozen tussen 150 en 400 meter voor zeer kwetsbare objecten verantwoordingsniveau 1 toe te passen. Voor (beperkt) kwetsbare objecten kan in deze zone worden volstaan met verantwoordingsniveau 3.

 

Overige risicovolle inrichtingen

 

Zonering overige risicovolle inrichtingen

Zone 1

 

PR 10-6 contour

zeer kwetsbaar object

niet toegestaan

kwetsbaar object

niet toegestaan

beperkt kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 1

Zone 2

 

PR 10-6 - PR 10-8 contour

zeer kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 1

kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 2

beperkt kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 2

Zone 3

 

PR 10-8 - 1% letaliteitcontour

zeer kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 3

kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 3

beperkt kwetsbaar object

verantwoordingsniveau 3

Zone 1: PR 10-6 contour

Binnen de PR 10-6 contour van risicovolle inrichtingen zijn geen kwetsbare en zeer kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt verantwoordingsniveau 1.

 

Zone 2: PR 10-6 - PR 10-8 contour

De PR 10-8 contour is de maximale contour waarbinnen personen invloed hebben op de hoogte van het groepsrisico. Afhankelijk van het maatgevend scenario kunnen personen binnen deze contour komen te overlijden als gevolg van een plasbrand, BLEVE of toxisch scenario. Binnen deze contour geldt voor zeer kwetsbare objecten verantwoordingsniveau 1 en voor kwetsbare- en beperkt kwetsbare objecten verantwoordingsniveau 2.

 

Zone 3: PR 10-8 - 1% letaliteitcontour

Buiten de PR 10-8 contour moet voornamelijk rekening gehouden worden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied kan bescherming wordt geboden door ramen en deuren te sluiten. Voor alle objecten geldt verantwoordingsniveau 3.

HOOFDSTUK 4 SAMENWERKING

4.1 Inleiding

 

De uitwerking van het landelijke externe veiligheidsbeleid en de gemeentelijke invulling hiervan vereist de betrokkenheid van vele actoren: afdelingen, personen en instanties.

 

Uitgangspunt voor de werkprocessen is dat de externe veiligheidsexpert/brandweer vroegtijdig is betrokken. Daarnaast is de toegankelijkheid van de informatie omtrent het aspect externe veiligheid belangrijk. Dit om het mogelijk te maken dat verschillende disciplines met het document kunnen werken.

 

4.2 Actoren en coördinatie

 

De implementatie van deze gemeentelijke Beleidsvisie externe veiligheid loopt via veel actoren. Actoren die soms geen directe rol hebben bij de implementatie van het beleid, maar er wel door beïnvloed worden.

 

Kernactoren bij de uitvoering en implementatie van het externe veiligheidsbeleid zijn ambtenaren uit het team vergunningen, ruimtelijke ontwikkeling en de Veiligheidsregio.

Naast deze "kernactoren" zijn er ook andere actoren binnen de gemeentelijke organisatie, zoals projecten, handhaving en maatschappij die invloed hebben of beïnvloed worden door extern veiligheidsbeleid.

 

De formele adviesvraag aan de Veiligheidsregio vindt plaats in het kader van de RO- of WABO procedure. Veelal zal echter al in een eerder stadium van het planproces (informeel) overleg met de veiligheidsregio plaatsvinden.

 

Bij een verzoek tot het verlenen van een omgevingsvergunning, het gebruik van een gemeentelijk gebouw of herziening van een bestemmingsplan dienen de medewerkers een snelle indicatie te kunnen maken van de eventuele aandachtspunten ten aanzien van externe veiligheid. Hiertoe is een signaleringskaart opgesteld waar de risicobronnen op staan met de betreffende zoneringen. Indien bij de eerste toetsing blijkt dat het object is gelegen binnen een zone van een risicobron dient intern advies te worden aangevraagd bij de medewerker die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het externe veiligheidsbeleid. Deze medewerker zal indien noodzakelijk de overige (wettelijke) adviseurs inschakelen om een integraal advies te verkrijgen over de ontwikkeling.

 

4.3 Samenwerking tussen gemeente en burgers/bedrijven

 

De samenwerking met burgers en bedrijven (zowel in de rol als risicobron als ontvanger) is onontbeerlijk voor de goede invulling van het veiligheidsbeleid.

 

Risicovolle bedrijven / activiteiten

De beheerders van risicovolle activiteiten hebben een primaire rol in het externe veiligheidsvraagstuk. Het beperken van de risico's aan de bron is vaak de meest logische en effectieve wijze om de externe veiligheidssituatie te verbeteren. Het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid biedt vanuit de planologische kaders een bescherming tegen het ongewenst oprukken van (zeer) kwetsbare objecten, waardoor het functioneren van een risicovolle activiteit wordt beperkt.

 

Risicocommunicatie

Het veiligheidsbeleid in Nederland voorziet erin dat een 'overheid' ten minste een basisbescherming

biedt. Een verantwoorde omgang met veiligheid is echter ieders verantwoordelijkheid. Dit betekent dat de 'gebruikers' van een risicovol gebied zich bewust moeten zijn van de risico's in dat gebied, en kennis moeten hebben van de juiste handelingsperspectief om zoveel mogelijk zelfredzaam te kunnen opereren.

 

Aan de risicocommunicatie wordt onder andere invulling gegeven via de gemeentelijke website. Hierop staat de verwijzing naar de Veiligheidsregio.

De Veiligheidsregio Zuid-Limburg is één van de 25 veiligheidsregio's in ons land. Het is een regionaal samenwerkingsverband tussen onder andere de achttien gemeenten, politie, brandweer en Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio.

 

Risicocommunicatie heeft als belangrijkste doel de zelfredzaamheid van mensen tijdens incidenten/rampen te vergroten en paniek te voorkomen. Daarnaast draagt het bij aan het vertrouwen van de burger in de transparantie van de overheid. Risicocommunicatie vindt plaats door:

  • ·

    informatie te geven over mogelijke risico’s (kennis vergroten: wat gebeurt er op deze plek en welke gevolgen kan dat hebben);

  • ·

    de beleving over risico’s te beïnvloeden (hoe groot is de kans en hoe gevaarlijk is dat);

  • ·

    op voorhand te bewegen tot gewenst gedrag tijdens een incident.

 

De Wet op de Veiligheidsregio bepaalt dat het bestuur van een veiligheidsregio verantwoordelijk is voor risicocommunicatie. Binnen de Veiligheidsregio Zuid-Limburg is eind 2011 een risicoprofiel vastgesteld. Hierop is het regionaal Beleidsplan Veiligheidsregio 2012-2015 gebaseerd. In het beleidsplan is besloten tot een werkgroep Risicocommunicatie. Deze is gestart in januari 2012 en heeft als opdracht de risicocommunicatie te coördineren en te professionaliseren.

 

Ook is de provinciale risicokaart sinds juni 2006 beschikbaar. De risicokaart is bedoeld om burgers te informeren en voor te lichten over de risico's in woon- en werk- of leefomgeving. De risicokaart toont o.a. risico's die betrekking hebben op ongevallen met gevaarlijke stoffen, tunnelongeval, overstroming, natuurbrand. In totaal worden 13 soorten risico's getoond.

 

 

Bijlage 1 - Afkortingslijst

AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur

Bevb: Besluit externe veiligheid buisleidingen

Bevi: Besluit externe veiligheid inrichtingen

BLEVE: Boiling liquid expanding vapour explosion

BRZO: Besluit risico’s zware ongevallen

Btev: Besluit transportroutes externe veiligheid

cRnvgs: circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen

DPO: Defensie Pijpleiding Organisatie

EV: Externe veiligheid

GBEV-L: Gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid Limburg

GR: Groepsgebonden Risico

LPG: Liquefied Petroleum Gas

OR: Oriëntatiewaarde

PAG Plasbrandaandachtsgebied

PR: Plaatsgebonden Risico

Revi: Regeling externe veiligheid inrichtingen

RO: Ruimtelijke ordening

RRGS: Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen

WABO: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

WAS: Waarschuwing Alarm Systeem

 

 

Bijlage 2 - Begrippenlijst

In deze bijlage worden de veel gebruikte begrippen en definities verklaard.

Bevoegd gezag

Het bevoegd gezag is de overheidsorganisatie die verantwoordelijk is voor de naleving van bepaalde wetgeving. In de regel is de gemeente of de provincie het bevoegd gezag, maar een waterschap, of een ministerie kunnen ook bevoegd gezag zijn.

Deze verantwoordelijkheid kan bestaan uit het afgeven van vergunningen, maar ook uit handhaving en het vaststellen van een bestemmingsplan. Dat is zorgen dat de regels worden nageleefd. Beheerders van (water)wegen, concessiehouders van buisleidingen en bedrijven zijn echter op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de veiligheid en het naleven van de regels.

Beheersbaarheid

De mate waarin hulpdiensten in staat zijn hun taken goed uit te voeren en hiermee verdere ontwikkeling van het schadebeeld te voorkomen. Van belang hierbij zijn de randvoorwaarden en omgevingscondities die noodzakelijk zijn voor de hulpdiensten. Beheersbaarheid kan worden beïnvloed door:

·bereikbaarheid van een locatie;

·opstel mogelijkheden voor hulpdiensten;

·inzetbaarheid van middelen (zowel repressief als preventief);

·hulpverleningscapaciteit;

·aanwezigheid bluswatervoorzieningen.

BLEVE

Boiling liquid expanding vapour explosion.

Een warme BLEVE kan ontstaan als een externe brand (ontstaan door het lek raken van een wagen met zeer brandbare vloeistof, gevolgd door ontsteking) een

in de directe nabijheid van die brand aanwezige tank gevuld met brandbaar gas

aanstraalt, waardoor de druk in die tank oploopt en tegelijkertijd het materiaal van de

tank verzwakt. De combinatie van die twee verschijnselen kan ervoor zorgen dat de

tank met brandbaar gas (na verloop van tijd) bezwijkt. De vrijkomende vloeistof kan

expanderen en kan verbranden.

BLEVE-vrij

Voor een Warme-BLEVE-vrij samengestelde trein geldt volgens het convenant dat de afstand tussen een geheel of gedeeltelijk gevulde tank met brandbare gassen en een geheel of gedeeltelijk gevulde tank met zeer brandbare vloeistoffen ten minste 18 meter moet bedragen dan wel de tank met brandbare gassen gescheiden moet zijn van de tank met zeer brandbare vloeistoffen door twee 2-assige wagens of een wagen met 4 of meer assen.

Beperkt kwetsbaar object.

Zie definitie Bevi. Algemeen: Objecten waar gedurende langere aangesloten tijd minder dan 50 personen aanwezig zijn, zoals bijvoorbeeld in kantoren met een bruto vloeroppervlak kleiner dan 1500 m².

Buisleiding

Transport van gevaarlijke stoffen kan ook plaatsvinden door buisleidingen (pijpleidingen). Voorbeelden zijn: hoge- en middendruk aardgastransportleidingen (regionale en (inter)nationale aardgastransportleidingen) en leidingen voor transport van chemische – soms ook giftige – vloeistoffen of gassen. Meestal gaat het om ondergrondse leidingen, maar bovengrondse komen ook voor.

Effect

De effecten ten gevolge van:

·explosie: het ontstaan van een drukgolf en/of warmtestraling.

·brand.

·toxisch: gevaar van vergiftiging door giftige gassen of dampen.

Effectgebied

Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt.

De kans dat een ongeluk gebeurt, is in het effectgebied niet verrekend. Dat is het belangrijkste verschil met risicocontouren.

Explosie

Een explosie of ontploffing geeft een korte maar krachtige drukgolf en een kortdurende, hevige warmtestraling. Dit zijn de belangrijkste veroorzakers van letsel bij mensen in de buurt van een explosie. Ook brokstukken bijvoorbeeld glasscherven, die door de drukgolf rondvliegen, kunnen levensgevaarlijke verwondingen veroorzaken.

Explosies kunnen optreden bij:

·brandbaar gas: bijvoorbeeld aardgas, propaan, butaan of LPG;

·sommige vluchtige vloeistoffen,

·patronen en andere munitie;

·professioneel en consumentenvuurwerk;

·sommige producten, zoals geconcentreerde kunstmest;

·stof van bijvoorbeeld voedingsmiddelen, graan of houtstof.

fN-curve

Het groepsrisico wordt weergegeven als een curve in een grafiek met twee logaritmisch geschaalde assen, de zogenaamde fN-curve. Op de y-as wordt de cumulatieve frequentie f (per jaar) uitgezet en op de x-as het aantal te verwachten slachtoffers N. De curve geeft het verband tussen de omvang van de getroffen groep (N) en de kans (f) dat in één keer een groep van ten minste die omvang komt te overlijden.

Geprojecteerd object

Nog niet aanwezig object dat op grond van het vigerende bestemmingsplan toelaatbaar is.

Gevaarlijke stoffen

Gevaarlijke stoffen zijn stoffen waarvan het gebruik, het transport of de opslag, risico’s met zich meebrengt. Het kan gaan om explosiegevaar, brand, giftigheid of radioactiviteit.

De gevaren zijn vaak de keerzijde van nuttige eigenschappen van die stoffen. Het zijn vaak brandstoffen, of grondstoffen voor nuttige producten zoals medicijnen, kunststoffen en kunstmest of hulpstoffen die voor allerlei doeleinden worden gebruikt, bijvoorbeeld voor koelen, reinigen of conserveren.

Grenswaarde

Grenswaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer. Van een grenswaarde mag niet worden afgeweken.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico geeft de kans aan dat een hele groep personen overlijdt door een ongeval met een risicovolle activiteit. In het groepsrisico wordt rekening gehouden met het aantal mensen dat in de buurt van een ongeval aanwezig kan zijn.

Inrichting

Het woord inrichting komt onder andere uit de Wet milieubeheer. Het betreft bedrijven waarvan die vallen onder een AMvB ex. 8.40 van de Wet milieubeheer of inrichtingen waarvoor een milieubeheervergunning noodzakelijk is.

Invloedsgebied

Gebied waarin volgens bij regeling van de minister vast te stellen regels personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Het grens van het invloedsgebied is gelijk aan de 1% letaliteitsgrens, bepaald bij Pasquillklasse F 1.5, tenzij in de bij het Besluit behorende uitvoeringsregeling voor een specifieke stof een ander invloedsgebied is gedefinieerd.

Interventiewaarde

Er bestaan verschillende definities voor interventiewaarden. Veel gebruikt zijn de volgende:

Voorlichtingsgrenswaarde (VRW)

De concentratie van een stof die grote waarschijnlijkheid door het merendeel van de blootgestelde bevolking hinderlijk wordt waargenomen of waarboven lichte, snel omkeerbare gezondheidseffecten mogelijk zijn bij blootstelling van één uur. Vaak is dit de concentratie waarbij blootgestelden beginnen te klagen over het waarnemen van de blootstelling.

Alarmeringsgrenswaarde (AGW)

De concentratie van een stof waarboven onomkeerbare of andere ernstige gezondheidsschade kan optreden door directe toxische effecten bij blootstelling van één uur.

Levensbedreigende waarde (LBW)

De concentratie van een stof waarboven mogelijk sterfte of een levensbedreigende aandoening door toxische effecten kan optreden binnen enkele dagen na een blootstelling van één uur.

Kans

De kans dat iemand overlijdt door een ongeval met die stoffen (als deze persoon tenminste een jaar lang permanent op die plaats zou verblijft).

Zie verder bij plaatsgebonden risico en bij risicocontour.

Kwetsbaar object

(conform definitie Bevi, zie ook bijlage 2).

·woningen (meer dan 2 per hectare)

·gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals:

1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;

2. scholen;

3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;

·gebouwen waarin grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig plegen te zijn, zoals:

1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2 per object;

2. complexen, waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m2 bedraagt, en winkels met een totaal vloeroppervlak van meer dan 2000 m2 per object, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd;

·kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen van het jaar;

Letaal

Dodelijk

1% letaliteitsgrens

De 1% letaliteitsgrens is de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden in het geval van een ramp.

Omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning is:

·informatiebron voor een ieder omtrent de milieuaspecten van een bedrijf,

·het middel om de mogelijke milieubelasting ten gevolge van een bedrijf af te stemmen op de omgeving, te beïnvloeden,

·de wettelijke vastlegging van toegestane activiteiten en de hiermee samenhangende uitstoot, risico, enz.,

·de basis voor handhaving van milieunormen,

·de basis van de rechtszekerheid voor bedrijven.

(Openbare) fysieke veiligheid

De fysieke veiligheid van de openbare ruimte. Het complement van de fysieke veiligheid van bouwwerken.

Oriëntatiewaarde

Eén van de criteria die betrokken moet worden bij het invulling geven aan de verantwoordingsplicht.

Personendichtheid

De dichtheid van het aantal personen in een gebied. De wijze van bepaling van deze dichtheid is vastgelegd bij ministeriële regeling. Bij brandbaar gas wordt doorgaans geïnventariseerd met een raster van 25 bij 25 meter. Bij toxische stoffen met een raster van 100 bij 100 m. Bij een juridisch correcte bepaling van de personendichtheid geldt het bestemmingsplan als uitgangspunt.

Plaatsgebonden Risico (PR 10-6 contour)

Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft.

In het plaatsgebonden risico zijn in twee verschillende kansen verwerkt:

·de kans dat een ramp, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof, plaatsvindt;

·de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg daarvan.

Plasbrandaandachtsgebied

Het plasbrandaandachtsgebied is het gebied waarin bij het realiseren van kwetsbare objecten rekening gehouden dient te worden met de effecten van een zogenaamde plasbrand. Deze plasbrand kan ontstaan door de ontsteking van uitgestroomde brandbare vloeistof uit een schip of tankwagen.

Het plasbrandaandachtsgebied wordt gemeten vanaf de rechterrijstrook in het geval van een weg of de oeverlijn in het geval van een rivier of kanaal. Regelgeving omtrent plasbrandaandachtsgebieden zal worden verankerd in het nog vast te stellen Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Hierin zal ondermeer worden geregeld dat gemeenten afwegingen zullen moeten maken ten aanzien van de wenselijkheid van ontwikkelingen binnen een PAG. Deze afwegingen zullen vervolgens moeten worden vastgelegd in de verantwoording van het groepsrisico.

Risico

Risico is de kans van optreden van een calamiteit maal de impact die de gebeurtenis heeft. Binnen het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is een norm afgesproken: de kans dat een onbeschermd persoon overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen mag niet groter zijn dan 1 op de 1 miljoen per jaar.

Risicokaart

Via Risicokaart.nl kan een ieder de risico’s in de eigen buurt traceren door postcode of woonplaats in te voeren. Bezien kan worden of er in de omgeving een verhoogd risico is op bijvoorbeeld een luchtvaartongeval, of een ongeval met gevaarlijke stoffen en advies over wat aangeraden wordt te doen. De overheid is verplicht om informatie over mogelijke risico’s te geven.

WAS dekking

Waarschuwing Alarm Systeem. Landelijk waarschuwingssysteem waarmee burgers in geval van calamiteit gewaarschuwd kunnen worden., voorheen luchtalarm genaamd.

Verantwoordingsplicht

Bij de verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag de omvang van het groepsrisico, de zelfredzaamheid van aanwezigen, de bestrijdbaarheid en mogelijkheden voor de hulpverlening, en eventuele maatregelen om het groepsrisico te verlagen af te wegen tegen de maatschappelijke nut en noodzaak van het besluit.

Zeer kwetsbaar object

Een zeer kwetsbaar object is een object waar personen verblijven die ingeval van een calamiteit niet in staat zijn zichzelf zonder hulp van buitenaf in veiligheid te brengen (voorbeelden zijn een ziekenhuis en een detentiecentra).

Zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is de mate waarin een persoon in staat is zichzelf in geval van een calamiteit op eigen kracht in veiligheid te brengen zonder hulp van hulpdiensten. Het beschouwen van zelfredzaamheid van personen binnen een invloedsgebied is onderdeel van groepsrisicoverantwoording. Voorbeelden van groepen beperkt zelfredzame personen zijn kinderen, zieken, ouderen en gedetineerden..

 

 

Bijlage 3 – Lijst van inrichtingen en zeer kwetsbare objecten

Inrichtingen Bevi

Opmerkingen

Coöperatieve Fruitveiling Zuid-Limburg

Aan de Fremme 33, Margraten

Bedrijventerrein Aan de Fremme, Margraten

Koelinstallatie met ammoniak

Gasexportstation ’s Gravenvoeren A-185

Libeek 3, Sint Geertruid

Gasexportstation

Veiligheidsafstand 25 meter voor kwetsbare objecten

Huntjens BV

Veilingweg 23, Gronsveld

Bedrijventerrein Gronsveld

Groothandel in bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen

Bedrijventerrein Gronsveld

Umicore Nederland bv

Muggenweg 2, Eijsden

Bedrijventerrein Ir. Rocourstraat

BRZO inrichting op basis van aanwezigheid zinkoxide

LPG tankstation

Adres

Esso Knuvelkes

Oosterweg, Eijsden

TinQ Eijsden (Patiel)

Rijksweg 231-B, Eijsden

Benzine Supermarkt Rijckholt

Brandwegske 4-6, Rijckholt

LPG tankstation Schrijnemaekers

Stationsstraat 75, Gronsveld

Risicovolle inrichtingen (geen Bevi)

Opmerkingen

Groeve ’t Rooth Nekami Mergel (Ankersmith Maalbedrijven)

Op de Kuyper 1, Bemelen

Opslag explosieven

Gasontvangstation Z250

Ingenieur Rocourstraat 28, Eijsden

Gasontvangstation

Gasontvangstation Z284

Bellefleur, Eijsden

Gasontvangstation

Gasdrukregel- en meetstation A-116

Reutjesweg 1, Bemelen

Meet- en regelstation

Thomassen gewasbescherming

Oude Akerstraat 33, Bemelen

Groothandel in bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen

Agerland BV

Aan de Fremme 28, Margraten

Groothandel in bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen

Bedrijventerrein Aan de Fremme

Prevoo Mengvoeders Graan en Kunstmest BV

Klein Welsden 18, Margraten

Opslag stikstofhoudende stoffen

Vuurwerk A2

Campeercentrum Gronsveld

Minder dan 10.000 kg.

PQ Silicas B.V.

Ir. Rocourstraat 28, Eijsden

Bedrijventerrein Ir. Rocourstraat

Opslag gevaarlijke stoffen

Tankstation (zonder LPG) Nelissen

Burgemeester Wolfsstraat 6 te Sint Geertruid

Licht ontvlambare stoffen zoals diesel en benzine, zonder LPG

Tankstation (zonder LPG) Avia

Aan de Fremme 34 te Margraten

Licht ontvlambare stoffen zoals diesel en benzine, zonder LPG

Tankstation (zonder LPG) Lukoil

Eijkerweg 129 te Margraten

Licht ontvlambare stoffen zoals diesel en benzine, zonder LPG

Zeer kwetsbaar object: Naam en adres

Opmerkingen

ZVO Klein Rijckholt, Sint Jozef

Voerenweg 19 te Rijckholt

Wooncomplex niet-zelfredzame bewoners

Woonzorgcentrum de Bron

Sint Martinusstraat 1 te Eijsden

Wooncomplex niet-zelfredzame bewoners

Stichting Vivre Zorgcentrum Appelgaard

Van Schaluynhofstraat 4 te Margraten

Wooncomplex niet-zelfredzame bewoners

Het Keerpunt, Stichting Jeugdzorg Sint Joseph

Pater Kustersweg 8 te Cadier en Keer

Justitiële jeugdzorg

 

 

Bijlage 4 – Nadere toelichting verantwoordingsniveau’s

Een plan kan gelegen zijn buiten enige contour rondom een risicobron. In dat geval kan de volgende standaardtekst gebruikt worden:

Voorliggend plan is gelegen buiten een effectgebied van een risicobron, externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor uitvoering van het plan.

Voor plannen waarvoor verantwoordingsniveau 3 geldt is een standaardtekst opgenomen in deze beleidsvisie. In een standaardverantwoording kan een vaststaande onderbouwing worden opgenomen in de toelichting van het ruimtelijk plan.

Verder kan gelden verantwoordingsniveau 1 of 2. Het verschil tussen deze 'zware' en 'lichte' verantwoording wordt gevormd door de intensiviteit van de onderbouwing van mogelijke maatregelen, nut en noodzaak, en omvang/inrichting van het plan. Bij een zware verantwoording worden alle mogelijke alternatieven en maatregelen beschouwd vanuit juridisch, technisch, praktisch en financieel oogpunt. In de onderbouwing wordt nader ingegaan waarom een maatregel of alternatief plan wel of niet acceptabel is. Bij een lichte verantwoording kan worden volstaan met een eenvoudige verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing voor wat betreft nut en noodzaak van een plan van deze omvang op deze locatie, en is een algemene beschouwing ten aanzien van maatregelen mogelijk. Een en ander is in de tabel hieronder nader gespecificeerd.

 

verantwoordingsaspect

standaard verantwoording

lichte verantwoording

zware verantwoording

Nut en noodzaak

standaardtekst

verwijzing naar ruimtelijke

onderbouwing

onderzoek naar nut en

noodzaak en alternatieve

locaties

Bronmaatregelen

standaardtekst

(geen maatregelen)

globale beoordeling van

mogelijke bronmaatregelen

alle mogelijke bronmaatregelen worden beoordeeld

kosten-batenanalyse

concreet plan voor implementatie (o.a. omgang met

juridische obstakels)

Ruimtelijke maatregelen

standaardtekst

(geen maatregelen)

projectspecifieke beoordeling vluchtwegen, bestrijd-

baarheid, functie

projectspecifieke beoordeling vluchtwegen, bestrijd-

baarheid, functie

analyse alle mogelijke optimaliseringopties (in en buiten plan)

analyse alle mogelijke optimaliseringopties (in en buiten plan)

kosten-batenanalyse

implementatieplan (bijv.

wijze van implementatie

maatregelen buiten plangebied)

Objectgerelateerde maatregelen

Standaardtekst

(geen maatregelen)

algemene beschouwing

(voor plan als geheel) van (on)mogelijkheid maatregelen

specifieke analyse (per

object/deelgebied) mogelijke maatregelen

kosten-batenanalyse

implementatieplan (o.a.

omgang met juridische

obstakels)

Zelfredzaamheid en

bestrijdbaarheid

standaardtekst

(geen maatregelen)

Advies veiligheidregio inwinnen en beoordelen

Advies veiligheidregio inwinnen en beoordelen

Risicocommunicatie

Middels ter inzage legging ruimtelijk plan en risicokaart

Middels ter inzage legging ruimtelijk plan en risicokaart

Nieuwe bewoners of gebruikers voorlichten

Om het verschil tussen een zware en lichte verantwoording nog inzichtelijker te maken is in deze bijlage een voorbeeld opgenomen van een zware verantwoording (verantwoordingsniveau 1) en een voorbeeld van een lichte verantwoording (verantwoordingsniveau 2).

Voorbeeld Verantwoordingsniveau 1

 

Inleiding

Het plangebied bevindt zich tussen 0 en 100 meter van het spoor en binnen de 100% letaliteitcontour van een hoge druk aardgas transportleiding van de Gasunie. Conform de beleidsvisie externe veiligheid gelden de volgende verantwoordingsniveaus:

 

Object

Kwetsbaarheid

Verantwoording t.a.v. buisleiding

Verantwoording t.a.v. spoorlijn

verpleegtehuis

zeer kwetsbaar

verantwoordingsniveau 1

niet toegestaan

60 woningen

kwetsbaar

verantwoordingsniveau 1

verantwoordingsniveau 1

sportcentrum

kwetsbaar

verantwoordingsniveau 1

verantwoordingsniveau 1

parkeervoorziening

niet kwetsbaar

niet van toepassing

niet van toepassing

In de tabel is te zien dat conform de beleidsvisie een verpleegtehuis als zeer kwetsbaar object niet toegestaan is binnen 200 meter van de spoorlijn. Van de ontwikkeling van het verpleegtehuis zal daarom worden afgezien. De woningen en het sportcentrum zijn kwetsbare objecten, en hebben daarom verantwoordingsniveau 1. De parkeervoorziening tot slot is niet kwetsbaar en hoeft niet verder beschouwd te worden in het kader van externe veiligheid (parkeerders vallen onder verkeersdeelnemers).

 

De verantwoordingsplicht

 

Algemene beschouwing

 

De externe veiligheidssituatie

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee verschillende risicobronnen: een hoge druk aardgastransportleiding en de spoorlijn. Voor beide risicobronnen geldt een ander maatgevend rampscenario.

 

Bij een hogedruk aardgastransportleiding kan een fakkelbrand ontstaan. Een fakkelbrand ontstaat wanneer door een externe beschadiging (bijvoorbeeld door graafwerkzaamheden) gas vrijkomt dat vervolgens ontsteekt. Wat volgt is een fakkelbrand die extreme hittestraling kan veroorzaken. Het invloedsgebied van de gasleiding wordt bepaald door druk en diameter van de leiding. In dit geval 200 meter.

 

In de prognose van ProRail uit 2007 is vastgelegd dat over het spoor drie soorten gevaarlijke stoffen worden vervoerd: brandbare vloeistof, brandbaar gas en (zeer) toxische stoffen. Alle drie de stoffen hebben een ander rampscenario:

brandbare vloeistoffen - plasbrand

brandbaar gas - BLEVE (explosie van een tank brandbaar gas)

(zeer) toxische stoffen - toxisch scenario

 

Personendichtheid binnen invloedsgebied

Het invloedsgebied van de spoorlijn en de hoge druk aardgastransportleiding bestaat voornamelijk uit woonwijken met een gemiddelde bevolkingsdichtheid (70 pers./ha.). Ten noorden van het plangebied bevindt zich een park, ten zuiden industriële bedrijvigheid met een lage gemiddelde personendichtheid (5 pers./ha.).

 

Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een braakliggend terrein waar zich doorgaans geen personen bevinden. In de toekomstige situatie zullen zich in het plangebied de volgende personenaantallen bevinden:

60 woningen : 144 personen (in de nachtperiode)

sportcentrum : 50 personen (overdag en 's avonds)

 

Voor een volledige personeninventarisatie verwijzen wij naar de QRA's van beide risicobronnen.

 

De hoogte van het huidige en toekomstige groepsrisico en de ligging daarvan ten opzichte van de oriëntatie waarde.

Het groepsrisico in de huidige situatie ligt onder de oriëntatiewaarde. Door de geprojecteerde ontwikkelingen zal het groepsrisico van beide risicobronnen toenemen. De ligging ten opzichte van de oriëntatiewaarde is weergegeven in de tabel.

 

Bron

hoogte groepsrisico

buisleiding

huidig

0,3 keer oriëntatiewaarde

toekomst

0,6 keer oriëntatiewaarde

spoor

huidig

0,4 keer oriëntatiewaarde

toekomst

0,7 keer oriëntatiewaarde

 

De aanwezigheid van beperkt zelfredzame groepen.

Binnen het invloedsgebied van de risicobronnen zijn geen groepen beperkt zelfredzame personen aanwezig. Ook in de planontwikkeling is afgezien van functies die bestemd zijn voor groepen beperkt zelfredzame personen. Dit wordt expliciet in de planregels opgenomen.

 

Noodzaak

 

Noodzaak van de ontwikkeling op deze risicovolle locatie

De ontwikkeling ligt binnen het invloedsgebied van twee risicobronnen. Dit betekent dat de ontwikkeling gepaard gaat met een externe veiligheidsrisico zoals omschreven in de vorige paragraaf. Op de planlocatie spelen echter dusdanig zware stedenbouwkundige en sociaaleconomische belangen dat de gemeente ontwikkeling op deze plek wenselijk acht. Hierbij staat voorop dat de gemeente conform de beleidsvisie externe veiligheid een hoog ambitieniveau ten aanzien van groepsrisicoverantwoording hanteert en toepast in deze situatie.

 

Stedenbouwkundige belangen

De planlocatie is decennialang in gebruik geweest ten behoeve van nutsvoorzieningen, maar is sinds enkele jaren braakliggend. Het plangebied ligt tussen twee wijken in en vormt nu een ongewenste barrière. Daarnaast zorgt het braakliggende perceel voor sociale onveiligheid.

 

Ontwikkeling van het perceel kan het gebied "openen" en een brugfunctie vervullen tussen de twee verschillende wijken. Door ontwikkeling van het plangebied wordt tevens draagvlak gecreëerd voor het ondertunnelen van een nabijgelegen spoorwegovergang. Hiermee worden bestaande verkeerskundige problemen opgelost en onveilige situaties rond het spoor voorkomen.

 

Sociaal- economische belangen

Het plangebied ligt tussen twee wijken die op sociaaleconomisch gebied achterliggen. Met de geprojecteerde ontwikkelingen wil de gemeente een sportvoorziening op wijkniveau creëren. Daarnaast valt de ontwikkeling van duurdere koopwoningen binnen de ambities van de gemeente om de sociaaleconomische verdeling in de wijken meer in evenwicht brengen.

De nieuwe woningen zijn tevens noodzakelijk om het draagvlak voor een nabijgelegen winkelcentra in stand te houden en de onderdoorgang onder het spoor te realiseren.

 

Voor- en nadelen van veiliger alternatieven.

Zoals uit de vorige paragraaf blijkt, zijn de gewenste ontwikkelingen specifiek aan deze locatie gebonden. Alternatieven zijn dus niet voorhanden. Hierbij wordt wel opgemerkt dat van het

oorspronkelijke plan om ook een verpleegtehuis te realiseren omwille van de externe veiligheid is afgezien. Voor het verpleegtehuis zal een veiliger locatie gezocht worden. Dit maakt echter geen onderdeel uit van deze ruimtelijke ontwikkeling en zal verder niet beschouwd worden.

 

Ruimtelijke veiligheidsmaatregelen

 

Mogelijkheid beperking ontwikkeling beschouwen

Door de grootte van de ontwikkeling te beperken kan de toename van het groepsrisico van de twee risicobronnen worden beperkt. De ontwikkeling is beperkt door af te zien van de komst van het verpleegtehuis. Verdere beperking van het plan laat de planexploitatie niet toe.

 

Mogelijkheden om afstand tot risicobron vergroten beschouwen

Om de afstand tussen risicobron en de kwetsbare objecten zo groot mogelijk te houden worden de parkeervoorzieningen aan de risicozijde van het plangebied geprojecteerd. Hierdoor is de afstand tussen de kwetsbare objecten en het spoor meer dan 30 meter en tot de gasleiding meer dan 50 meter.

 

Beschouwen oriëntatie van de bebouwing ten opzichte van risicobron.

De oriëntatie van de geprojecteerde bebouwing kan de effecten van een mogelijk ongeval beperken. Door bebouwing haaks op de risicobron te projecteren kunnen de gevolgen van een calamiteit beperkt worden. Deze maatregel zal in het plangebied zoveel mogelijk worden toegepast. Onduidelijk hierbij is echter wat het effect bij welke oriëntatie van de gebouwen precies zal zijn.

 

Beschouwen van effect beperkende maatregelen in het overdrachtsgebied.

Maatregelen in het overdrachtsgebied (tussen bron en kwetsbaar object) kunnen de gevolgen van een calamiteit beperken. Het overdrachtsgebied tussen het spoor en de geprojecteerde ontwikkeling is 30 meter, tussen de hoge druk aardgastransportleiding en de geprojecteerde ontwikkeling 50 meter.

 

Spoor

Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een plasbrand. Maatregelen om de effecten ervan te beperken zijn dus niet nodig.

Om de effecten van een BLEVE te beperken kan een aarden wal in het overdrachtsgebied opgeworpen worden (hoewel de exacte effecten hiervan onduidelijk zijn). Tussen het spoor en de kwetsbare objecten zijn echter parkeervoorzieningen gepland. Een aarden wal is hier dus niet mogelijk. Maatregelen in het overdrachtsgebied om de effecten van een toxisch scenario te beperken zijn niet mogelijk.

 

Buis

Net als bij een BLEVE is bij een fakkelbrand een aarden wal een maatregel in het overdrachtsgebied die effecten van de explosie en de hittestraling kan beperken. Tussen de hoge druk aardgastransportleiding en het plangebied ligt de verhoogde spoordijk die dit beperkende effect heeft.

 

Minimaal twee van de risicobron afgerichte externe vluchtwegen.

Het plangebied zal voorzien worden van de gewenste twee verharde vluchtwegen die van de risicobron aflopen.

 

Bronmaatregelen

Spoor

Veiligheidsmaatregelen aan het spoor zijn door de gemeente moeilijk te nemen en gaan deze ruimtelijke procedure te boven.

Uitzondering hierop is de geprojecteerde ondertunneling van het spoor. Hierdoor komt een overgang te vervallen, wat de kans op een ongeval met gevaarlijke stoffen verkleint. Andere veiligheidsmaatregelen, zoals het aanpassen van wissels, of het verlagen van de maximum snelheden van de trein gaan deze ruimtelijke procedure te boven en worden niet nader beschouwd.

 

Buis

De faalkans van een hoge druk aardgastransportleiding wordt bepaald door het risico dat derden met graafwerkzaamheden de leiding beschadigen. Het materiaalsoort van de leiding en de diepteligging zijn daarom bepalende factoren voor het risico van de hoge druk aardgastransportleiding.

In combinatie met de ondertunneling van het spoor wordt ook de parallel aan het spoor liggende buisleiding vervangen en verdiept. De faalkans van de leiding wordt daarom verkleind.

 

Objectgerelateerde veiligheidsmaatregelen

 

Beschouwen mogelijkheden bouwtechnische veiligheidsmaatregelen.

Bouwtechnische veiligheidsmaatregelen aan de bron kunnen de gevolgen in geval van een calamiteit beperken. Hierbij moet gekeken worden naar de effecten van een BLEVE of explosie aan de hoge druk aardgastransportleiding. Het plangebied ligt namelijk buiten het invloedsgebied van een plasbrand en de gevolgen van een toxisch scenario kunnen alleen beperkt worden door het aanbrengen van een centraal afsluitbaar ventilatiesysteem (zie volgende paragraaf).

 

In geval van een BLEVE/fakkelbrand zijn de ramen in de geprojecteerde bebouwing het kwetsbaarst. Eventuele bouwtechnische veiligheidsmaatregelen dienen dus aan de ramen genomen te worden.

Op het gebied van bouwtechnische maatregelen (zoals het aanbrengen van versterkte of scherfwerende beglazing) bestaat veel onduidelijkheid. Onduidelijk is hoe verstevigd glas (gelamineerd glas) zich gedraagt in geval van een drukgolf van een explosie, voorafgegaan door intense hittestraling.

Daarnaast kan, als verstevigd glaswerk de drukgolf weerstaat, het kozijn of de buitenspouwmuur van het gebouw het begeven. Het verstevigen van kozijnen of buitenspouwmuren op haar beurt werkt weer dusdanig door in de constructiekosten dat deze maatregelen niet realistisch zijn, zeker gezien het effect van de maatregelen onduidelijk is.

 

Wat wel effectief is, is het beperken van glasoppervlakten in het algemeen. Bij de ontwikkeling wordt hiermee rekening gehouden doordat aan de risicozijde van de ontwikkeling geen grote glasoppervlakten worden gebouwd. Hiervoor wordt een overeenkomst aangegaan met de exploitant/architect.

 

Beschouwen interne vluchtwegen en verbetering ter alarmering

De geprojecteerde woningen hebben geen specifieke vluchtroutes of intern ontruimingsplan. Op dit gebied kunnen dus geen aanvullende veiligheidsmaatregelen genomen worden.

 

Het sportcentrum heeft wel interne vluchtwegen. In samenspraak met de architect/exploitant zal worden besproken in hoeverre een intern ontruimingsplan kan worden afgestemd op een incident bij de risicobronnen. Uitgangspunt hierbij is dat interne vluchtwegen en ontruimingsplannen van de risicobron afgericht zijn.

In geval van een calamiteit met toxische stoffen verloopt waarschuwing via het WAS-systeem. Personen worden dan gewaarschuwd binnen te blijven en ramen en deuren te sluiten. De WAS-dekking in het plangebied is voldoende, hier zijn dus geen verdere maatregelen vereist.

 

Beschouwen mogelijkheden tot het houden van rampoefeningen.

Met de Veiligheidsregio is besproken in hoeverre rampoefeningen met de geprojecteerde bebouwing effectief/gewenst zijn. De veiligheidsregio heeft hierbij aangegeven dat rampoefeningen gezien de geringe grootte van de ontwikkeling niet noodzakelijk zijn.

 

Beschouwen mogelijkheden tot centraal afsluitbaar ventilatiesysteem

In geval van een calamiteit met gevaarlijke stoffen is het van belang dat gebouwen in het plangebied bescherming bieden. Mechanische ventilatie moet daarom afgesloten kunnen worden.

De woningen in het plangebied worden niet voorzien van mechanische ventilatie. Het sportcentrum waarschijnlijk wel. In samenspraak met de exploitant/ontwikkelaar zal gekeken worden of centraal afsluitbare ventilatie gerealiseerd kan worden.

 

Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid

Advies van de Veiligheidsregio omtrent zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid wordt in principe overgenomen in de planontwikkeling, tenzij er zwaarwegende belangen/motiveringen zijn dit niet te doen.

 

Conclusie

 

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd en een hoge druk aardgastransportleiding van de Gasunie. Het groepsrisico van beide bronnen ligt onder de oriëntatiewaarde, maar neemt door de geprojecteerde ontwikkelingen toe. Daarom is verantwoording van het groepsrisico verplicht.

Ondanks toename van het groepsrisico verantwoorden zwaarwegende stedenbouwkundige en sociaaleconomische belangen ontwikkeling van deze locatie. Uitgangspunt hierbij is dat de gemeente conform de beleidsvisie externe veiligheid een hoog ambitieniveau ten aanzien van groepsrisicoverantwoording hanteert en toepast in deze situatie. Hierbij zijn de volgende maatregelen genomen om de veiligheid in het plangebied te verbeteren:

  • ·

    er is afgezien van de komst van een verpleegtehuis;

  • ·

    parkeervoorzieningen komen aan de risicozijde van het plangebied, kwetsbare objecten komen daardoor minimaal op 30 meter afstand van de risicobron;

  • ·

    bebouwing wordt haaks op de risicobronnen geprojecteerd;

  • ·

    het plangebied zal voorzien worden van twee verharde vluchtwegen die van de risicobron aflopen;

  • ·

    een spoorwegovergang wordt ongelijkvloers gemaakt;

  • ·

    de hoge druk aardgastransportleiding wordt vernieuwd en verdiept aangelegd;

  • ·

    geen grote glasoppervlakten aan risicozijde;

  • ·

    in samenspraak met de architect/exploitant sportcentrum:

    • §

      een intern ontruimingsplan afstemmen op externe veiligheid;

    • §

      centraal afsluitbare ventilatie realiseren.

Voorbeeld Verantwoordingsniveau 2

Voorbeeld Verantwoordingsniveau 2

Inleiding

 

Het plangebied bevindt zich tussen 100 en 250 meter van het spoor en tussen de 100% en 1% letaliteitcontour van de hoge druk aardgastransportleiding van de Gasunie. Conform de beleidsvisie externe veiligheid gelden de volgende verantwoordingsniveaus:

 

Object

Kwetsbaarheid

Verantwoording t.a.v. buisleiding

Verantwoording t.a.v. spoorlijn

verpleegtehuis

zeer kwetsbaar

verantwoordingsniveau 2

niet toegestaan

60 woningen

kwetsbaar

verantwoordingsniveau 2

verantwoordingsniveau 3

(buiten 200 meter)

sportfaciliteiten

kwetsbaar

verantwoordingsniveau 2

verantwoordingsniveau 3

(buiten 200 meter)

parkeervoorziening

niet kwetsbaar

niet van toepassing

niet van toepassing

Door de grotere afstand tussen bron en object gelden in dit voorbeeld 2 andere (lichtere) verantwoordingsniveaus.

 

In de tabel is te zien dat conform de beleidsvisie een verpleegtehuis als zeer kwetsbaar object niet toegestaan is binnen 200 meter van de spoorlijn. Het verpleegtehuis wordt daarom buiten de 200 meter geprojecteerd.

 

Anders dan in voorbeeld 1 is het verpleegtehuis op deze locatie wel toegestaan mits het buiten 200 meter van het spoor wordt geprojecteerd.

Woningen zijn kwetsbare objecten, en hebben daarom verantwoordingsniveau 2. De parkeervoorziening ten slotte is niet kwetsbaar en hoeft niet verder beschouwd te worden in het kader van externe veiligheid (parkeerders vallen onder verkeersdeelnemers).

 

De verantwoordingsplicht

 

Algemene beschouwing

 

De externe veiligheidssituatie

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee verschillende risicobronnen: een hoge druk aardgastransportleiding en de spoorlijn. Voor beide risicobronnen geldt een ander maatgevend rampscenario.

 

Bij een hogedruk aardgastransportleiding kan een fakkelbrand ontstaan. Een fakkelbrand ontstaat wanneer door een externe beschadiging (bijvoorbeeld door graafwerkzaamheden) gas vrijkomt dat vervolgens ontsteekt. Wat volgt is een fakkelbrand die extreme hittestraling kan veroorzaken. Het invloedsgebied van de gasleiding wordt bepaald door druk en diameter van de leiding. In dit geval is het invloedsgebied 200 meter.

 

In de prognose van ProRail uit 2007 is vastgelegd dat over het spoor drie soorten gevaarlijke stoffen worden vervoerd: brandbare vloeistof, brandbaar gas en (zeer) toxische stoffen. Alle drie de stoffen hebben een ander rampscenario:

brandbare vloeistoffen - plasbrand

brandbaar gas - BLEVE (explosie van een tank brandbaar gas)

(zeer) toxische stoffen - toxisch scenario

 

Personendichtheid binnen invloedsgebied

Het invloedsgebied van de spoorlijn en de hoge druk aardgastransportleiding bestaat voornamelijk uit woonwijken met een gemiddelde bevolkingsdichtheid (70 pers./ha.). Ten noorden van het plangebied bevindt zich een park, ten zuiden industriële bedrijvigheid met een lage gemiddelde personendichtheid (5 pers./ha.).

Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een braakliggend terrein waar zich doorgaans geen personen bevinden. In de toekomstige situatie zullen in het plangebied de volgende personenaantallen bevinden:

60 woningen : 144 personen (in de nachtperiode)

sportfaciliteiten : 50 personen (overdag en 's avonds)

verpleegtehuis : 300 personen (overdag en 's avonds)

Voor een volledige personeninventarisatie verwijzen wij naar de QRA's van beide risicobronnen.

 

De hoogte van het huidige en toekomstige groepsrisico en de ligging daarvan ten opzichte van de oriëntatie waarde.

Het groepsrisico in de huidige situatie ligt onder de oriëntatiewaarde. Door de geprojecteerde ontwikkelingen zal het groepsrisico van beide risicobronnen toenemen. De ligging ten opzichte van de oriëntatiewaarde is weergegeven in de tabel.

 

Bron

hoogte groepsrisico

buisleiding

huidig

0,3 keer oriëntatiewaarde

toekomst

0,4 keer oriëntatiewaarde

spoor

huidig

0,4 keer oriëntatiewaarde

toekomst

0,5 keer oriëntatiewaarde

 

De aanwezigheid van beperkt zelfredzame groepen.

Binnen de geprojecteerde ontwikkelingen zijn beperkt zelfredzame groepen aanwezig: een verpleegtehuis. Deze beperkt zelfredzame groepen bevinden zich buiten 200 meter van de risicobronnen waar alleen het toxisch scenario van toepassing is.

 

Noodzaak

 

Noodzaak van de ontwikkeling op deze risicovolle locatie

De ontwikkeling ligt binnen het invloedsgebied van twee risicobronnen. Dit betekent dat de ontwikkeling gepaard gaat met een externe veiligheidsrisico zoals omschreven in de vorige paragraaf. De planlocatie biedt echter dusdanige financieel-economische en stedenbouwkundige kansen dat de gemeente ontwikkeling op deze plek wenselijk acht.

 

Anders dan bij de zware verantwoording zijn de stedenbouwkundige en financieeleconomische kansen niet nader uitgewerkt.

 

Hierbij staat voorop dat de gemeente conform de beleidsvisie externe veiligheid een hoog ambitieniveau ten aanzien van groepsrisicoverantwoording hanteert en toepast in deze situatie.

 

Voor- en nadelen van veiliger alternatieven.

Zoals uit de vorige paragraaf blijkt, betreft de ontwikkeling een specifiek braakliggend terrein in de stad. Alternatieven zijn dus niet voorhanden.

Ruimtelijke veiligheidsmaatregelen

Mogelijkheid beperking ontwikkeling beschouwen

Door de grootte van de ontwikkeling te beperken kan de toename van het groepsrisico van de twee risicobronnen worden beperkt. De toename van het groepsrisico is echter dusdanig klein dat deze maatregelen niet wenselijk worden geacht. Temeer omdat de planexploitatie dan in gevaar komt.

 

Anders dan bij de zware verantwoording wordt de ruimtelijke ontwikkeling niet beperkt

 

Mogelijkheden om afstand tot risicobron vergroten beschouwen

Hoe groter de afstand tussen risicobron en kwetsbaar object, hoe veiliger. Om de afstand tussen risicobron en de kwetsbare objecten zo groot mogelijk te houden worden de parkeervoorzieningen aan de risicozijde van het plangebied geprojecteerd. Hierdoor is de afstand tussen de kwetsbare objecten en het spoor meer dan 130 meter en tot de gasleiding meer dan 150 meter.

Zeer kwetsbare objecten zijn op meer dan 200 meter van de risicobronnen geprojecteerd.

 

Beschouwen oriëntatie van de bebouwing ten opzichte van risicobron.

De oriëntatie van de geprojecteerde bebouwing kan de effecten van een mogelijk ongeval verkleinen. Door bebouwing haaks op de risicobron te projecteren kunnen de gevolgen van een calamiteit beperkt worden. Onduidelijk is wat het effect bij welke oriëntatie van de gebouwen precies zal zijn, maar op deze afstand van de risicobron zal dit klein zijn. Deze maatregel wordt daarom niet doorgevoerd.

Anders dan bij de zware verantwoording worden gebouwen niet haaks op de risicobron georiënteerd.

 

Beschouwen van effect beperkende maatregelen in het overdrachtsgebied.

Maatregelen in het overdrachtsgebied (tussen bron en kwetsbaar object) kunnen de gevolgen van een calamiteit beperken. Onduidelijk is echter welke maatregelen welk effect precies hebben, temeer omdat de afstand tussen risicobron en kwetsbaar object groot is (min. 130 meter).

Gezien het bovenstaande en het gegeven dat maatregelen in het overdrachtsgebied kostenintensief zijn, wordt afgezien van verdere veiligheidsmaatregelen in het overdrachtsgebied.

 

Minimaal twee van de risicobron afgerichte externe vluchtwegen.

Het plangebied zal voorzien worden van de gewenste twee verharde vluchtwegen die van de risicobron aflopen.

 

Bronmaatregelen

Maatregelen aan de bron zijn vaak de meest effectieve veiligheidsmaatregelen. In geval van het spoor kan gedacht worden aan het ongelijkvloers aanleggen van de overgang, het aanpassen van wissels of het verlagen van de snelheid op het spoor. Bij de hoge druk aardgastransportleiding kan gedacht worden aan aanbrengen van waarschuwingslinten, staalkabels of betonplaten.

 

Deze maatregelen gaan deze ruimtelijke procedure echter te boven. Mede gezien het relatief lage groepsrisico wordt afgezien van het toepassen van bronmaatregelen.

 

Anders dan bij de zware verantwoording worden (beargumenteerd) geen bronmaatregelen genomen.

Objectgerelateerde veiligheidsmaatregelen

Beschouwen mogelijkheden bouwtechnische veiligheidsmaatregelen.

Bouwtechnische veiligheidsmaatregelen aan de bron kunnen de gevolgen in geval van een calamiteit beperken. Hierbij moet gekeken worden naar de effecten van een BLEVE of explosie aan de hoge druk aardgastransportleiding. Het plangebied ligt namelijk buiten het invloedsgebied van een plasbrand en de gevolgen van een toxisch scenario kunnen alleen beperkt worden door het aanbrengen van een centraal afsluitbaar ventilatiesysteem (zie volgende paragraaf).

 

In geval van een BLEVE/fakkelbrand zijn de ramen in de geprojecteerde bebouwing het kwetsbaarst. Eventuele bouwtechnische veiligheidsmaatregelen dienen dus aan de ramen genomen te worden.

Op het gebied van bouwtechnische maatregelen (zoals het aanbrengen van versterkte of scherfwerende beglazing) bestaat veel onduidelijkheid. Onduidelijk is hoe verstevigd glas (gelamineerd glas) zich gedraagt in geval van een drukgolf van een explosie, voorafgegaan door intense hittestraling. Daarnaast kan, als verstevigd glaswerk de drukgolf weerstaat, het kozijn of de buitenspouwmuur van het gebouw het begeven. Het verstevigen van kozijnen of buitenspouwmuren op haar beurt werkt weer dusdanig door in de constructiekosten dat deze maatregelen niet realistisch zijn, zeker gezien het effect van de maatregelen onduidelijk is.

 

Anders dan bij de zware verantwoording wordt het beperken van glasoppervlakken in het algemeen niet doorgevoerd.

 

Beschouwen interne vluchtwegen en verbetering ter alarmering

De geprojecteerde woningen hebben geen specifieke vluchtroutes of intern ontruimingsplan. Op dit gebied kunnen dus geen aanvullende veiligheidsmaatregelen genomen worden. De sportvoorziening en het verpleegtehuis hebben wel interne vluchtwegen, maar liggen alleen in het invloedsgebied van het toxisch scenario (waarin in geval van een calamiteit gescholen moet worden).

In geval van een calamiteit met toxische stoffen verloopt waarschuwing via het WAS-systeem. Personen worden dan gewaarschuwd binnen te blijven en ramen en deuren te sluiten. De WAS-dekking in het plangebied is voldoende, hier zijn dus geen verdere maatregelen vereist.

 

Anders dan bij de zware verantwoording worden geen afspraken met de exploitant gemaakt over vluchtwegen en alarmering.

 

Beschouwen mogelijkheden tot het houden van rampoefeningen.

Met de veiligheidsregio is besproken in hoeverre rampoefeningen met de geprojecteerde bebouwing effectief/gewenst zijn. De veiligheidsregio heeft hierbij aangegeven rampoefeningen gezien de geringe grootte van de ontwikkeling en het beperkte risico niet noodzakelijk zijn.

 

Beschouwen mogelijkheden tot centraal afsluitbaar ventilatiesysteem

In geval van een calamiteit met gevaarlijke stoffen is het van belang dat gebouwen in het plangebied bescherming bieden. Mechanische ventilatie moet daarom afgesloten kunnen worden.

De woningen in het plangebied worden niet voorzien van mechanische ventilatie. De sportvoorziening en het verpleegtehuis waarschijnlijk wel. In samenspraak met de exploitant/ontwikkelaar zal gekeken worden of centraal afsluitbare ventilatie gerealiseerd kan worden.

 

Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid

Advies van veiligheidsregio omtrent zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid wordt in principe overgenomen in de planontwikkeling, tenzij er zwaarwegende belangen/motivering is dit niet te doen.

 

Conclusie

 

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd en een hoge druk aardgastransportleiding van de Gasunie. Het groepsrisico van beide bronnen ligt onder de oriëntatiewaarde, maar neemt door de geprojecteerde ontwikkelingen toe. Daarom is verantwoording van het groepsrisico verplicht.

 

Ondanks toename van het groepsrisico verantwoorden financieel-economische en stedenbouwkundige belangen ontwikkeling van deze locatie. Uitgangspunt hierbij is dat de gemeente conform de beleidsvisie externe veiligheid een hoog ambitieniveau ten aanzien van groepsrisicoverantwoording hanteert en toepast in deze situatie. Hierbij zijn de volgende maatregelen genomen om de veiligheid in het plangebied te verbeteren:

  • ·

    parkeervoorzieningen worden aan de risicozijde van het plangebied geprojecteerd;

  • ·

    zeer kwetsbare object (verpleegtehuis) wordt op meer dan 200 meter van de risicobronnen geprojecteerd;

  • ·

    het plangebied zal voorzien worden van twee verharde vluchtwegen die van de risicobron aflopen;

  • ·

    in samenspraak met de architect/exploitant sportvoorziening en het verpleegtehuis wordt gekeken of centraal afsluitbare ventilatie gerealiseerd kan worden.

 

Bij de lichte verantwoording zijn dezelfde elementen doorlopen als bij de zware verantwoording. Het uiteindelijke aantal te nemen veiligheidsmaatregelen is aanzienlijk lager.