Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gennep

Verordening maatschappelijke ondersteuning

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieGennep
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening maatschappelijke ondersteuning
CiteertitelVerordening maatschappelijke ondersteuning
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Verordening gemeente Gennep, vastgesteld op 29 mei 2017

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 147 van de Gemeentewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

20-06-201901-06-2019nieuwe regeling

27-05-2019

gmb-2019-159221

325530

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning

De gemeenteraad van Gennep,

 

  • gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Gennep d.d. 23 april 2019;

 

  • gehoord de voorbereidende raadsvergadering d.d. 13 mei 2019;

 

  • gelet op artikel 147 van de Gemeentewet;

 

besluit:

 

vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning.

 

 

HOOFDSTUK 1: Begrippen

 

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

 

  • a.

    algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, het aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken;

  • b.

    andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet;

  • c.

    besluit: Besluit nadere regels maatschappelijke ondersteuning;

  • d.

    bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;

  • e.

    hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo;

  • f.

    ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Gennep;

  • g.

    langdurig noodzakelijk: ondersteuning is langdurig noodzakelijk wanneer deze voor een periode van langer dan zes maanden nodig is;

  • h.

    leefzorgplan: de weergave van het gesprek met de cliënt naar aanleiding van zijn melding, alsmede de beoogde resultaten en de evaluatie daarvan;

  • i.

    melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet;

  • j.

    niet-professionele ondersteuning: ondersteuning door personen of organisaties anders dan in de uitoefening van bedrijf of beroep;

  • k.

    persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

  • l.

    pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1. van de wet;

  • m.

    professionele ondersteuning: ondersteuning die plaatsvindt door degene die voldoet aan de in de betreffende bedrijfstak behorende deskundigheidsvereisten waardoor sprake is van beroepsmatige, vakkundige ondersteuning;

  • n.

    uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

  • o.

    wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • p.

    woonvoorziening: enerzijds ingrepen van bouwkundige of woon-technische aard en anderzijds vergoedingen voor verhuis- en herinrichtingskosten en niet-bouwkundige woonvoorzieningen.

 

HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag

 

 

Artikel 2. Melding

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van de melding en informeert de cliënt over de te volgen procedure.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

 

Artikel 3. Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze cliëntondersteuning.

  • 2.

    Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning.

 

Artikel 4. Persoonlijk plan

  • 1.

    Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en stelt hem tijdens het keukentafelgesprek in de gelegenheid het plan te overhandigen.

  • 2.

    Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening.

 

Artikel 5. Informatie en identificatie

  • 1.

    De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 2.

    Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

 

Artikel 6. Onderzoek

  • 1.

    Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie.

  • 2.

    De factoren, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.

  • 4.

    Het college wijst de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger op de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 9 in te dienen.

  • 5.

    Als de hulpvraag genoegzaam bekend is dan wel als tijdens de melding naar een algemene of een algemeen gebruikelijke voorziening kan worden verwezen, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2. van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

 

Artikel 7. Het verslag

  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. Dit verslag wordt ook wel aangeduid als het leefzorgplan. Het verslag wordt ter ondertekening verstrekt aan de cliënt.

  • 2.

    De cliënt geeft aan of hij het eens of oneens is met het verslag en of hij nog aanvullingen heeft en stuurt vervolgens het getekend exemplaar naar het college.

  • 3.

    Als de cliënt aangeeft dat hij het oneens is met het verslag, kan hij aangeven wat hiervoor de reden is.

  • 4.

    Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag van het gesprek.

 

Artikel 8. Advisering

  • 1.

    Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:

  • a.

    Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem vragen te stellen naar aanleiding van de melding.

  • b.

    Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken.

  • 2.

    Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien het college dat noodzakelijk vindt.

 

Artikel 9. Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding of conform artikel 6 lid 5 cliënt en hulpvraag genoegzaam bekend zijn.

  • 2.

    Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens een cliënt schriftelijk bij het college ingediend.

  • 3.

    Het college merkt een ondertekend verslag, zoals bedoeld in artikel 7, aan als aanvraag indien de cliënt heeft aangegeven een aanvraag in te willen dienen.

 

 

HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening

Artikel 10. Criteria voor maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

  • a.

    ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen

  • i. op eigen kracht;

  • ii. met gebruikelijke hulp;

  • iii. met mantelzorg;

  • iv. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

  • v. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; of

  • vi. met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en/of

  • a.

    ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen

  • i. op eigen kracht;

  • ii. met gebruikelijke hulp;

  • iii. met mantelzorg;

  • iv. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; of

  • v. met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 2.

    Recht op een maatwerkvoorziening bestaat slechts voor zover deze als de goedkoopst compenserende voorziening kan worden aangemerkt.

 

 

Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden

  • 1.

    Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

  • a.

    Indien er sprake is van recht op een soortgelijke voorziening vanuit de Wlz.

  • b.

    voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan verminderen of wegnemen;

  • c.

    voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan verminderen of wegnemen;

  • d.

    indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

  • e.

    indien het een voorziening betreft die de cliënt vóór de datum van de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd.

  • f.

    voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;

  • g.

    voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarvan de afschrijvingstermijn al verstreken is, maar die nog voldoende de beperkingen compenseert;

  • h.

    voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

  • i.

    indien de cliënt tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond.

  • j.

    indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Gennep. Dit is slechts anders indien de cliënt een beroep doet op beschermd wonen of opvang.

  • k.

    als de gewenste voorziening of ondersteuning, met uitzondering van huishoudelijke hulp en individuele begeleiding, niet langdurig noodzakelijk is.

  • l.

    als de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was.

  • m.

    indien de voorziening, gelet op de medische situatie van de cliënt voorzienbaar was en van de cliënt redelijkerwijs verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig maakt.

  • 2.

    Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

  • a.

    Indien de noodzaak van de woonvoorziening een direct gevolg is van het gebruik van ondeugdelijke en/of niet voor die doeleinden geschikte materialen in de woning.

  • b.

    ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;

  • c.

    voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte

  • d.

    indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

  • e.

    indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.

  • f.

    indien sprake is van een algemeen gebruikelijke renovatie waarbij de algemeen gebruikelijke levensduur is bereikt.

  • 3.

    Het primaat voor een woningaanpassing waarbij de kosten hoger zijn dan € 7.500,- ligt bij verhuizen, tenzij verhuizen naar een geschikte woning niet de goedkoopst passende oplossing biedt voor de cliënt.

  • 4.

    Indien een woningaanpassing bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning, kan het college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien dit de goedkoopst compenserende oplossing is en daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan.

  • 5.

    Voor de kosten van een verhuizing kan slechts een maatwerkvoorziening worden verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget.

  • 6.

    Bij een woningaanpassing van meer dan € 10.000,- wordt een anti speculatiebeding toegepast. Bij verkoop van de woning binnen 10 jaar nadat de aanpassing is gerealiseerd, dient een evenredig deel van de verstrekte vergoeding voor de aanpassing te worden terugbetaald. Bij verkoop in het eerste jaar na gereed melding dient 100% van de vergoeding te worden terugbetaald. Het terug te betalen bedrag daalt vervolgens jaarlijks met 10%.

  • 7.

    Een cliënt kan voor een voorziening voor vervoer in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget in aanmerking komen wanneer beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken, dan wel een collectief systeem niet aanwezig is.

  • 8.

    Een cliënt is verplicht om zorgvuldig met de aan hem verstrekte voorziening om te gaan.

  • 9.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot voorwaarden en weigeringsgronden.

 

Artikel 12. Sportvoorzieningen

Wanneer het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport (niet zijnde topsport) te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport, kan een sportvoorziening worden verstrekt. De gemeente verstrekt uitsluitend de goedkoopst adequate voorziening, met een maximum van € 2.500,-. Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken.

De aanvrager moet aantonen dat er sprake is van actieve sportbeoefening. Als voorliggende voorzieningen gelden fondsen. Bijvoorbeeld Fonds gehandicaptensport.

 

Artikel 13. Ondersteuning bij vervoer

Wanneer een cliënt niet in staat is om gebruik te maken van het openbaar vervoer, kan een maatwerkvoorziening verstrekt worden in de vorm van een Regiotaxipas. Hiermee kan tegen een gereduceerd tarief gereisd worden. Er moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • Er is sprake van noodzakelijk vervoer ten behoeve van aanvaardbare maatschappelijke participatie in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag;

  • De persoon kan niet met een algemeen gebruikelijk vervoershulpmiddel de hulpvraag oplossen;

  • Er is geen persoon in het sociaal netwerk die de vraag om aangepast vervoer kan oplossen;

  • De cliënt kan niet met de Wensbus of de bus van de Vrienden van Norbertus vervoerd worden;

  • Er is geen voorliggende voorziening, bijv. zittend ziekenvervoer op basis van de Zvw.

De ondersteuning bij vervoer maakt lokale verplaatsingen mogelijk. Het aantal

zones dat een cliënt op jaarbasis kan reizen, bedraagt 476 op jaarbasis (omgerekend

ruim 2.000 kilometer per jaar). Op basis van een onderzoek naar de

vervoersbehoefte van de cliënt kan dit aantal naar boven worden bijgesteld.

 

Artikel 14. Beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:

  • a.

    welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;

  • b.

    de ingangsdatum en duur van de verstrekking;

  • c.

    of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval:

  • a.

    aan welk resultaat het persoonsgebonden budget kan worden besteed;

  • b.

    welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget;

  • c.

    wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen;

  • d.

    wat de duur is van de verstrekking waarop het persoonsgebonden budget ziet;

  • e.

    de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget, en

  • f.

    of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.

 

Artikel 15. Persoonsgebonden budget

  • 1.

    Bij de bepaling van de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt onderscheid gemaakt tussen professionele ondersteuning, niet-professionele ondersteuning en ondersteuning door het sociale netwerk.

  • - De hoogte van het persoonsgebonden budget voor professionele ondersteuning wordt het laagste gemiddelde tarief dat in het (raam-)contract overeengekomen is met aanbieders voor de betreffende, te verstrekken maatwerkvoorziening.

  • - De hoogte van het persoonsgebonden budget voor niet-professionele ondersteuning door middel van dezelfde te verstrekken maatwerkvoorziening wordt maximaal 75% van het tarief voor professionele ondersteuning.

  • - De hoogte van het persoonsgebonden budget voor de inzet van het sociale netwerk is 50% van het persoonsgebonden budget voor professionele ondersteuning aangevuld tot het wettelijk minimumloon en de minimumvakantiebijslag indien er sprake is van een overeenkomst van opdracht, met uitzondering van de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep.

  • - de onkostenvergoeding voor een hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 bedraagt € 170,- per kalendermaand en dient ter compensatie van de gemaakte kosten (levensmiddelen, reiskosten, kleding en/of schoonmaakmiddelen).

  • 2.

    De hoogte van het pgb is mede gebaseerd op een door de cliënt opgesteld bestedingsplan. Hieruit moet in ieder geval blijken dat de met het pgb te bieden ondersteuning veilig, doeltreffend en cliëntgericht is, het de goedkoopst compenserende voorziening is en dat de te bieden ondersteuning in redelijkheid geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 3.

    Voor zover dit geen onderdeel is van het persoonsgebonden budget voor een zaak, kan het bedrag worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. Reiskosten worden niet vergoed en vormen daarom geen onderdeel van het persoonsgebonden budget.

  • 4.

    De hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening kan opgebouwd zijn uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie en verzekeringen. Reiskosten worden niet vergoed en vormen daarom geen onderdeel van het persoonsgebonden budget.

  • 5.

    Er wordt geen pgb verstrekt om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, tenzij dit naar het oordeel van het college, gezien alle relevante omstandigheden, de voorkeur verdient. Daarbij is van belang dat het in ieder geval beperkt blijft tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.

  • 6.

    Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

  • 7.

    Er kan slechts een persoonsgebonden budget worden toegekend voor de reparatiekosten van een vervoersvoorziening indien

  • - de reparatie niet veroorzaakt is door verwijtbare gedragingen en

  • - de fabrieks- of wettelijke garantie niet van toepassing is.

  • 8.

    Het college kan nadere regels stellen over het persoonsgebonden budget.

 

Artikel 16. Controle

  • 1.

    Het college onderzoekt al dan niet steekproefsgewijs of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding.

 

Artikel 17. Intrekking en terugvordering

  • 1.

    Een cliënt die een aanvraag heeft ingediend of aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk en schriftelijk aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

  • a.

    niet of niet meer is of wordt voldaan aan de criteria of voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening;

  • b.

    beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;

  • c.

    de cliënt niet langer op de voorziening is aangewezen;

  • d.

    de voorziening niet meer toereikend is te achten;

  • e.

    de cliënt de voorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor hij is verstrekt;

  • f.

    de cliënt wangedrag heeft vertoond bij het ontvangen van diensten dan wel onzorgvuldige omgang met verstrekte voorzieningen;

  • g.

    de cliënt fraude heeft gepleegd.

  • 3.

    Een besluit tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat het budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 4.

    Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 5.

    Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 6.

    Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.

  • 7.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot intrekking en terugvordering.

 

HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten

 

 

Artikel 18. Bijdrage in de kosten

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:

  • a.

    voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning;

  • b.

    voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een persoonsgebonden budget;

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor inwoners met een inkomen dat gelijk is of lager dan 120% van het wettelijk minimumloon. De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste de door het rijk vastgestelde periodebijdrage voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

 

HOOFDSTUK 5: Kwaliteit en veiligheid

 

 

Artikel 19. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

  • a.

    het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

  • b.

    het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

  • c.

    erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

  • 2.

    Aanbieders beschikken over een kwaliteitssysteem waarin resultaten worden vastgelegd en waarbij deze resultaten worden ingezet om te komen tot verbeteringen in de werkwijze en op grond waarvan mogelijk innovatieve manieren van werken kunnen worden ontwikkeld.

  • 3.

    Aanbieders werken volgens geldende (en toekomstige herzieningen) standaarden, richtlijnen, best practice, veelbelovende of evidence based methodes en implementeert deze in zijn werkwijze. Indien noodzakelijk kan hier beredeneerd en transparant van worden afgeweken.

  • 4.

    Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 5.

    Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met aanbieders, een jaarlijks cliënt- ervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

 

Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

  • a.

    een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of

  • b.

    een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

  • i. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

  • ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 1.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

  • a.

    overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

  • b.

    rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 2.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

  • a.

    de kosten van de beroepskracht;

  • b.

    redelijke overheadkosten;

  • c.

    kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

  • d.

    reis en opleidingskosten;

  • e.

    indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

  • f.

    overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

 

Artikel 21. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1. van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

 

HOOFDSTUK 6: Waardering en ondersteuning mantelzorgers

 

 

Artikel 22. Jaarlijkse waardering en ondersteuning mantelzorgers

De gemeente kan een mantelzorger van een zorgvrager die in de gemeente Gennep woont, ontlasten bij de uitvoering van taken door bijvoorbeeld de toekenning van huishoudelijke hulp aan de mantelzorger en de inzet van dagbesteding en/of persoonlijke verzorging bij de hulpbehoevende.

 

Waardering van mantelzorgers

Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorger van cliënten in de gemeente bestaat.

 

Criteria voor mantelzorgondersteuning- en waardering

De gemeente kan een mantelzorger van een zorgvrager die in de gemeente Gennep woont, ondersteunen en waarderen indien:

  • Er sprake is van langdurige intensieve mantelzorg: langer dan drie maanden én meer dan acht uur per week;

  • Draagkracht en draaglast uit balans zijn;

  • Er veel extra kosten zijn.

 

HOOFDSTUK 7: Klachten, medezeggenschap en inspraak

 

 

Artikel 23. Klachtregeling

  • 1.

    Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de voorzieningen die het onderwerp zijn in de met hen door de gemeente gesloten contracten.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen.

 

Artikel 24. Medezeggenschap

  • 1.

    Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de maatwerkvoorzieningen die het onderwerp zijn in de met hen door de gemeente gesloten contracten.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen.

 

Artikel 25. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

 

HOOFDSTUK 8: Overgangsrecht en slotbepalingen

 

 

Artikel 26. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens twee jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

 

Artikel 27. Nadere regels en hardheidsclausule

  • 1.

    In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.

  • 3.

    Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

 

Artikel 28. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gennep, vastgesteld op 29 mei 2017 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gennep, vastgesteld op 29 mei 2017, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gennep, vastgesteld op 29 mei 2017, en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken indien dit evident voordeliger is voor de cliënt.

  • 5.

    Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gennep, vastgesteld op 29 mei 2017, geschiedt op grond van de voornoemde Verordening die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt.

  • 6.

    Van het in lid 5 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken indien dit evident voordeliger is voor de cliënt.

 

 

Artikel 29. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2019.

 

 

 

 

 

 

Aldus besloten in de openbare besluitvormende raadsvergadering d.d. 27 mei 2019.

De raad voornoemd,

De griffier, De heer J.W.M. van der Knaap

De voorzitter, De heer P.J.H.M. de Koning