Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Heerlen

Gemeente Heerlen - Verordening van de gemeenteraad van Heerlen houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning. verordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen 2018”

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieHeerlen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingGemeente Heerlen - Verordening van de gemeenteraad van Heerlen houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning. verordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen 2018”
Citeertitel
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpalgemeen
Eigen onderwerpVerordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen 2018

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Actueel/Heerlen/CVDR340680.html

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

08-06-201801-01-2018nieuwe verordening

30-05-2018

gmb-2018-120763

Tekst van de regeling

Intitulé

Gemeente Heerlen - Verordening van de gemeenteraad van Heerlen houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning. verordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen 2018”

HOOFDSTUK 1 BEGRIPPEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

- algemeen gebruikelijke voorziening:

voorziening die regulier verkrijgbaar is en die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, niet aanzienlijk duurder is vergelijkbare producten met hetzelfde doel en past bij het naar geldende maatschappelijke normen gangbare gebruiks- of bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager;

- andere voorziening:

voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

- bijdrage:

bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;

- college: het college van Burgemeester en Wethouders van Heerlen;

- hulpvraag:

behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

- ingezetene:

cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Heerlen;

- pgb:

persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

- voorliggende voorziening:

algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;

- wet:

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

- woningaanpassing:

bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte;

 

 

HOOFDSTUK 2 MELDING, ONDERZOEK EN AANVRAAG

Artikel 2 Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning

Het college kan, met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet, bij nadere regeling bepalen op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.

 

Artikel 3 Onderzoek en advisering

1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door wie of namens wie een melding of aanvraag is ingediend en, bij gebruikelijke hulp, zijn relevante huisgenoten:

a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;

b. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of te laten onderzoeken.

2. Het college kan een door haar daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien:

a. het een melding of aanvraag betreft van een persoon, die niet eerder een voorziening heeft gehad, dan wel ten aanzien van wie niet eerder een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet heeft plaatsgevonden;

b. het een melding of aanvraag betreft van een persoon, die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden;

c. het college dat overigens gewenst vindt.

3. Het college onderzoekt de juistheid en volledigheid van de verkregen gegevens en stelt zo nodig een onderzoek in naar andere feiten, gegevens of omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de maatwerkvoorziening (waaronder het PGB). Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, besluiten burgemeester en wethouders tot afwijzing of intrekking van de voorziening.

HOOFDSTUK 3 MAATWERKVOORZIENINGEN

Artikel 4 Criteria voor maatwerkvoorzieningen

1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

a. in de vorm van ondersteuning indien hij in verband met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen naar het oordeel van het college niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie

I. op eigen kracht;

II. met gebruikelijke hulp;

III. met mantelzorg;

IV. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

V. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of

VI. met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven;

b. in de vorm van opvang indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en naar het oordeel van het college niet in staat is zich te handhaven in de samenleving

I. op eigen kracht;

II. met gebruikelijke hulp;

III. met mantelzorg; of

IV. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

V. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of

VI. met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

c. in de vorm van beschermd wonen indien hij in verband met psychische of psychosociale problemen naar het oordeel van het college niet in staat is zich te handhaven in de samenleving

I. op eigen kracht;

II. met gebruikelijke hulp;

III. met mantelzorg; of

IV. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

V. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of

VI. met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

2. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning:

a. voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en

b. voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

3. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,

a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

4. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

 

Artikel 5 Weigeringsgronden

1. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening:

a. voor zover met betrekking tot de problematiek, die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

b. voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;

c. voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;

d. indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

e. indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend;

f. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;

2. Het college verstrekt geen woonvoorziening:

a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-cluster-woningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;

c. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;

d. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen;

e. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.

3. Het college verstrekt geen voorziening voor vervoer in natura of in de vorm van een pgb, tenzij de beperkingen en/of de chronische psychische of psychosociale problemen van de cliënt het gebruik van

een collectief systeem onmogelijk maken.

 

Artikel 6 Inhoud beschikking

1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.

2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het eventuele beoogde resultaat daarvan is;

b. de ingangsdatum alsmede de eventuele einddatum;

c. hoe de voorziening wordt verstrekt.

3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;

b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld.

4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

 

Artikel 7 Regels voor pgb

1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt.

 

Artikel 8 Berekeningswijze pgb

1. Hulp bij het Huishouden:

a. Het uurtarief voor een pgb ten behoeve van Hulp bij het Huishouden, uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk, per uur dienstverlening, is gebaseerd op het minimum loon, met een opslag voor vakantiegeld en vakantiedagen, en bedraagt € 13,74. Hierin is een vaste toeslag van € 1,90 per uur vanwege kosten verband houdend met het werkgeverschap inbegrepen.

b. Het uurtarief voor een pgb ten behoeve van Hulp bij het Huishouden, uitgevoerd door anderen dan een persoon uit het sociaal netwerk, per uur dienstverlening, is gebaseerd op de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT), met een opslag voor vakantiegeld en vakantiedagen, en bedraagt € 16,76 in het geval van basishulp en € 20,94 in het geval van hulp waarvoor bijzondere deskundigheden zijn vereist. Hierin is een vaste toeslag van € 1,90 per uur vanwege kosten verband houdend met het werkgeverschap inbegrepen.

2. Persoonlijke begeleiding:

a. Het uurtarief voor een pgb ten behoeve van persoonlijke begeleiding, uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk, per uur dienstverlening, is gebaseerd op het minimum loon, met een opslag voor vakantiegeld en vakantiedagen, en bedraagt € 13,74. Hierin is een vaste toeslag van € 1,90 per uur vanwege kosten verband houdend met het werkgeverschap inbegrepen.

b. Het uurtarief voor een pgb ten behoeve van persoonlijke begeleiding, uitgevoerd door anderen dan een persoon uit het sociaal netwerk, per uur dienstverlening, is gebaseerd op de cao Gehandicaptenzorg (GHZ), met een opslag voor vakantiegeld en vakantiedagen, en bedraagt € 32,00 in het geval van basisondersteuning en € 40,00 in het geval van ondersteuning waarvoor bijzondere deskundigheden zijn vereist. Hierin is een vaste toeslag van € 1,90 per uur vanwege kosten verband houdend met het werkgeverschap inbegrepen.

3. Dagbesteding:

Het tarief voor een pgb ten behoeve van dagbesteding, per uur dienstverlening, is gebaseerd op de tarieven van zorg in natura en bedraagt voor dagbesteding met laag intensieve ondersteuning € 6,50 en voor gespecialiseerde dagbesteding met hoog intensieve ondersteuning € 11,00.

4. Vervoer in verband met dagbesteding:

Het tarief voor een pgb ten behoeve van vervoer van en naar de dagbesteding, per dag, is gebaseerd op de tarieven van zorg in natura en bedraagt per dag € 7,50 in geval van gewoon vervoer en € 15,00 in geval van rolstoelgebonden vervoer.

5. Logeeropvang/respijtzorg/kortdurend verblijf:

a. Het tarief voor een pgb ten behoeve van logeeropvang/respijtzorg/ kortdurend verblijf, uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk, bedraagt € 19,85 per etmaal.

b. De hoogte van het pgb ten behoeve van logeeropvang/respijtzorg/ kortdurend verblijf, uitgevoerd door anderen dan personen uit het sociaal netwerk, is gebaseerd op de tarieven van zorg in natura en bedraagt € 75,00 per etmaal.

6. Autoaanpassingen:

Het tarief voor een pgb ten behoeve van een autoaanpassing komt overeen met de kosten voor de in de betreffende situatie, met inachtneming van het programma van eisen, blijkens een offerte goedkoopste (adequate) voorziening.

 

7. Hulpmiddelen:

Het tarief voor een pgb ten behoeve van een hulpmiddel komt overeen met de kosten voor de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura, blijkens een door de gemeente afgesloten overeenkomst met de organisatie die deze voorziening biedt (inclusief eventuele kortingen die de gemeente ontvangt en BTW), dan wel blijkens een offerte, verhoogd met eventuele aanvullende kosten, zoals verzekering, onderhoud en reparatie, voor de duur van de economische afschrijvingstermijn.

 

8. Woningaanpassingen:

a. Het tarief voor een pgb ten behoeve van een woningaanpassing komt overeen met de kosten voor de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura, blijkens een door de gemeente opgestelde kostenberekening dan wel een offerte. Bij het opstellen van de kostenberekening en bij de beoordeling van de offerte wordt rekening gehouden met hetgeen bepaald is in Bijlage II, III en IV bij deze verordening.

b. Het tarief voor een pgb ten behoeve van een woningaanpassing die

noodzakelijk is in verband met longproblematiek en/of allergische aandoeningen, of in verband met rolstoelgebruik, komt overeen met de kosten voor de in de betreffende situatie blijkens een offerte goedkoopst adequate voorziening, met dien verstande dat de onderstaande maximum-bedragen worden gehanteerd:

- jaloezieën € 17,22 per m2 raamoppervlak;

- overgordijnen € 13,79 per m2 raamoppervlak;

- vitrage woon- en slaapkamer € 11,23 per m2 raamoppervlak;

- vloerbedekking vinyl € 11,30 per m2 vloeroppervlak;

- vloerbedekking laminaat € 22,97 per m2 vloeroppervlak.

c. Het tarief voor een pgb ten behoeve van een roerende woonvoorziening komt voor de aanschaf overeen met de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst te verstrekken voorziening in natura. De kosten in natura zijn de kosten zoals door de gemeente overeengekomen met dienstverlenende organisatie die deze voorziening biedt (inclusief eventuele kortingen die de gemeente ontvangt en BTW), dan wel is vastgesteld op basis van de goedkoopst adequate offerte.

d. Het tarief voor een pgb ten behoeve van een roerende woonvoorziening komt, indien van toepassing, voor aanvullende kosten voor de duur van de economische afschrijvingstermijn overeen met het bedrag dat met betrekking tot deze kosten door het college aan de dienstverlenende organisatie wordt betaald (inclusief eventuele kortingen die de gemeente ontvangt en BTW), dan wel blijkt uit de goedkoopst adequate offerte.

9.Beschermd wonen:

a. Het tarief voor een pgb ten behoeve van beschermd wonen is gebaseerd op de tarieven voor de onderdelen waaruit de zorg bestaat, die daarvoor gelden op grond van de voorgaande leden, voor zover van toepassing.

b. Het tarief voor een pgb ten behoeve van beschermd wonen in kleinschalige woonvorm bedraagt 90,- euro per etmaal.

Artikel 9 Controle

1. Het college kan steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

2. Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg steekproefsgewijs de besteding van de pgb’s en/of de daarmee versterkte ondersteuning onderzoeken.

3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle zoals bedoeld in lid 2.

 

HOOFDSTUK 4 BIJDRAGE IN DE KOSTEN

Artikel 10 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen

1. Voor een maatwerkvoorziening, al dan niet als pgb verstrekt, is een eigen bijdrage verschuldigd.

2. Deze eigen bijdrage wordt door het college bij nadere regeling bepaald.

3. Voor een maatwerkvoorziening is geen eigen bijdrage verschuldigd indien het inkomen van de cliënt niet hoger is dan het netto-bedrag dat voor zijn situatie geldt op grond van de Participatiewet.

4. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening, al dan niet als pgb verstrekt, ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

5. Het college bepaalt bij nadere regeling:

a. op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt bepaald;

b. hoe de hoogte van de bijdrage per soort maatwerkvoorziening wordt vastgesteld, met inachtneming van het Uitvoeringsbesluit WMO 2015, en

c. door welke instantie in geval van opvang, op grond van artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet de bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt vastgesteld en geïnd.

 

Artikel 11 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

1. De bijdrage in de kosten van het collectief vraagafhankelijk vervoer bedraagt € 0,65 per zone.

2. De bijdrage in de kosten van de was- en strijkservice bedraagt € 5,00 per uur.

 

HOOFDSTUK 5 KWALITEIT EN VEILIGHEID

Artikel 12 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

2. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke overige eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliënt-ervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

 

Artikel 13 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

1. Het college stelt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet, vast:

a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en voor het aangaan van een overeenkomst met de derde,

of

b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

- een inschrijving en voor het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

- de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet,

en

b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

3. De in lid en 2 bedoelde vaste prijs of de reële prijs voor een dienst is ten minste is gebaseerd op de volgende kostprijselementen:

a. de kosten van de beroepskracht;

b. redelijke overheadkosten;

c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

d. reis en opleidingskosten;

e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst,

en

f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

5. Het college beslist met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren.

6. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige (materiële)voorzieningen, in ieder geval rekening met:

a. de marktprijs van de voorziening,

en

b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:

- aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;

- instructie over het gebruik van de voorziening en

- onderhoud van de voorziening.

 

Artikel 14 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

1. Het college treft een regeling, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

3. De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

 

Artikel 15 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

1. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

2. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of

e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

4. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

5. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

6. Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

 

HOOFDSTUK 6 WAARDERING MANTELZORGERS EN TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN PERSONEN MET EEN BEPERKING OF CHRONISCHE PROBLEMEN

Artikel 16 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

1. Het college verstrekt op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, die gebruik maken van mantelzorg, een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers.

2. Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.

 

Artikel 17 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

1. Het college verstrekt op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

2. Het college bepaalt bij nadere regeling de voorwaarden waaronder een tegemoetkoming wordt verstrekt en de hoogte daarvan.

HOOFDSTUK 7 KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK

Artikel 18 Klachtregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle door hen verstrekte voorzieningen.

 

Artikel 19 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder, die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle door hen verstrekte voorzieningen, die voldoet aan de eisen van de Nationale Ombudsman.

 

Artikel 20 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

4. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

 

HOOFDSTUK 8 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 21 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien onverkort toepassen van de bepalingen tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden.

 

Artikel 22 Intrekking oude verordening

De “Verordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen 2017” wordt ingetrokken.

 

Artikel 23 Berekening van de bedragen

1. De bedragen genoemd in deze verordening zijn vast, tenzij anders wordt bepaald. Wijziging van CAO lonen en het minimumloon leidt niet tot automatische aanpassing van de bedragen genoemd in artikel 8, noch zijn deze aan indexering onderhevig anders dan door middel van wijziging van deze verordening.

2. De wijze van berekening volgt uit de bijlagen I t/m IV die deel uitmaken van deze verordening.

 

Artikel 24 Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en heeft terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2018.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen 2018”.

 

Aldus besloten tijdens de openbare vergadering van de gemeenteraad van de gemeente Heerlen van 30 mei 2018.

 

 

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent, die ook bindend zijn voor deze verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke definities hieronder weergegeven.

- aanbieder:

natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren;

- algemene voorziening:

aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning;

- begeleiding:

activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven;

- cliënt:

persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid;

- cliёntondersteuning:

onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

- gebruikelijke hulp:

hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

- maatschappelijke ondersteuning:

1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,

2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psycho-sociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,

3°. bieden van beschermd wonen en opvang;

- maatwerkvoorziening:

op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang;

- mantelzorg:

hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

- participatie:

deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;

- persoonsgebonden budget:

bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken;

- sociaal netwerk:

personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliёnt een sociale relatie onderhoudt;

- vertegenwoordiger:

persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;

- voorziening:

algemene voorziening of maatwerkvoorziening;

- zelfredzaamheid:

in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

 

Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid) en ‘beschikking’ (artikel 1:2).

 

Artikel 2. Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning

De procedure is vrij nauwkeurig al beschreven in de wet. Daar waar nog behoefte is aan een nadere uitwerking (bv. waar het gaat om de regionale aanpak van opvang en beschermd wonen) kan het college alsnog een en ander nader uitwerken.

 

Artikel 3. Onderzoek & Advisering

Lid 1 van dit artikel bepaalt dat het college bevoegd is de degene door of namens wie een melding is gedaan of door of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een voorziening.

Afdeling 3:3 van de Awb geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Awb geeft aan dat onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.

In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn.

De juistheid en volledigheid van de gegevens moeten gecontroleerd worden. Wanneer blijkt dat met opzet verkeerde gegevens verstrekt zijn kan terugvordering plaatsvinden van de voorziening of het pgb.

 

Artikel 4. Criteria voor een maatwerkvoorziening

In dit artikel is het algemene afwegingskader, dat in deze Wmo 2015 centraal staat, nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.

 

In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de Wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente en per persoon kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.

 

In lid 2 is geregeld dat een maatwerkvoorziening afgewezen kan worden op de grond dat deze voorzienbaar was. Jurisprudentie geeft aan dat deze voorzienbaarheid dan wel gebaseerd moet zijn op de beperkingen van aanvrager. Bij woningaanpassingen kan gedacht worden aan het betrekken van een ongeschikte woning.

 

In lid 4 van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst adequate voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken, zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopste voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.

 

Artikel 5. Weigeringsgronden

In principe wordt de maatschappelijke ondersteuning (de begeleiding,

die vanaf 2015 tot taak van de gemeente is gaan horen, met uitzondering van opvang en beschermd wonen) vanaf 2017 in Heerlen als algemene voorziening aangeboden. Alleen als het college van mening is dat er geen adequaat aanbod als algemene voorziening beschikbaar is kan een maatwerkvoorziening toegekend worden, in de vorm van Zorg in Natura of als pgb. Dit zal slechts bij uitzondering het geval zijn.

 

Het eerste lid geeft de weigeringsgronden voor maatwerkvoorzieningen.

Ad a:

De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de Wmo 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend.

Uit jurisprudentie ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening. Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening, indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt.

Ook als de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende voorziening. De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo.

Ad b:

Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst kunnen doen als weigeringsgrond.

Ad c:

Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te kunnen doen als weigeringsgrond.

Ad d:

Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken.

Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen:

- Is de voorziening gewoon te koop?

- Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?

- Past de voorziening bij het naar geldende maatschappelijke normen gangbare gebruiks- of bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager?

- Is de voorziening niet specifiek voor personen met een beperking ontworpen?

Ad e:

Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt.

Ad f:

In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking, die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan geen beroep op deze verordening worden gedaan.

 

In het derde lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op een maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zou worden aangeduid met de term 'woonvoorziening'.

 

Artikel 6. Inhoud beschikking

Uitgangspunt van de wet is dat de cliёnt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliёnt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget (pgb).

 

Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’.

 

Tweede lid, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven.

 

Het vierde lid dient uitsluitend een goede informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK.

 

Artikel 7. Regels voor pgb

Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliёnt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b, van de wet). Met de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).

 

In principe wordt de maatschappelijke ondersteuning (de begeleiding,

die vanaf 2015 tot taak van de gemeente is gaan horen, met uitzondering van opvang en beschermd wonen) vanaf 2017 in Heerlen als algemene voorziening aangeboden. Alleen als het college van mening is dat er geen adequaat aanbod als algemene voorziening beschikbaar is kan een maatwerkvoorziening toegekend worden, in de vorm van Zorg in Natura of als pgb. Dit zal slechts bij uitzondering het geval zijn.

 

Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren.

 

Artikel 8. Berekeningswijze pgb

Dit artikel berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.).

Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte, dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb.

 

Van belang is ook dat de beloning van het sociale netwerk beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit tot betere en effectievere ondersteuning leidt en doelmatiger is. Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).

 

Zie voor de concrete berekeningswijze van de diverse tarieven Bijlage I

 

Artikel 9. Controle

Dit artikel is opgenomen in verband met artikel 2.3.6, vierde lid van de Wet: in de verordening dienen regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget, alsmede over misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

In artikel 3 lid 3 van deze verordening is geregeld dat het college ook de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens controleert. Dat is in het kader van dit artikel ook van belang.

 

Artikel 10. Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen

Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid, van de wet.

 

De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft. Bij het bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee omgaan en bepaalde voorzieningen uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.

 

De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid, eerste zin, van de wet). In het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 worden regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet). De bijdrageregels op grond van de verordening moeten passen binnen de kaders die dit Uitvoeringsbesluit stelt.

 

De bijdragen worden vastgesteld en geïnd door het CAK, met uitzondering van die voor opvang (artikel 2.1.4 lid 7 van de wet).

Die int de gemeente deels zelf (cliënten met een uitkering op grond van de Participatiewet), deels doen de opvangorganisaties dat (cliënten met andere inkomensbronnen).

 

Artikel 11. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

Lid 1 betreft het tarief dat voor heel Limburg via de gemeenschappelijke regeling door Omnibuzz is vastgesteld.

Lid 2 gaat over de Hulp bij het Huishouden, waarbinnen wassen en strijken als algemene voorziening wordt aangeboden.

 

Artikel 12. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

 

De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen, die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

 

Artikel 13. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

Het college kan de uitvoering van de wet door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Bij verordening moeten regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet).

In het zgn. Uitvoeringsbesluit 2015 (AMvB op grond van de wet) is in 2017 een nadere regeling opgenomen over wat er in de verordening opgenomen moet worden. Dit artikel sluit daarbij aan.

 

Artikel 14. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, onverwijld melding doet van iedere calamiteit, die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden, en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.

In aanvulling op het bovenstaande regelt de wet dat er door het college een regeling wordt opgesteld voor deze meldingen, dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

 

Artikel 15. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening financiert. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).

 

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’

In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen.

 

Artikel 16. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.6 van de wet.

Dit artikel stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.

 

Artikel 17. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming kan worden verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

 

Artikel 18. Klachtregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen, die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Heerlen heeft hiervoor een algemene klachtenregeling.

In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. In dit artikel is geregeld dat de aanbieder verplicht is een klachtregeling op te stellen ten aanzien van alle voorzieningen.

In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).

Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat alsnog de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

 

Artikel 19. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder, die voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.

In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.

In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van alle voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet).

 

Artikel 20. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.

 

In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever.

 

In het derde en vierde lid zijn de specifieke vereisten voor medezeggenschap in het kader van de Wmo 2015 opgenomen.

Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Op dit moment bestaat hiervoor in Heerlen de MO Adviesraad.

 

Artikel 21.Hardheidsclausule  

Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen om uiteindelijk toch te beoordelen of in bijzondere gevallen sprake kan zijn van onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal niet vaak voorkomen. Als toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Bovendien kan de aanvrager zelf ook een beroep doen op deze clausule.

 

Bijlage I

Berekening van de pgb-uurtarieven artikel 8.

 

1. Ondersteuning geleverd door een zorgaanbieder of een bij de Kamer van Koophandel geregistreerde zelfstandig ondernemer.

Bij het bepalen van het PGB-uurtarief is rekening gehouden met het volgende:

Gemiddelde bruto-uurloon conform CAO VVT:

- Hulp bij het huishouden basis = FWG 10 (artikel 7 tweede lid onder b.)

- Hulp bij het huishouden plus = FWG15 (artikel 7 tweede lid onder c.)

Gemiddelde bruto-uurloon conform CAO GHZ:

- Persoonlijke begeleiding individueel = FWG 40 (artikel 8 tweede lid onder b.)

- Persoonlijke begeleiding individueel, module gedrag = FWG 45 (artikel 8, tweede lid onder c.)

-Toeslag voor indirecte uren, reistijd, mogelijke afdrachten belastingdienst en werkgeverslasten.

- Toeslag voor extra kosten m.b.t. tot het uitvoeren van de werkgeverstaken zoals extra telefoonkosten en portokosten.

 

In het geval dat de ondersteuning geleverd wordt door een Zelfstandige zonder Personeel (ZZP’er), dient deze ingeschreven te zijn bij de Kamer van Koophandel (KvK). De inschrijving bij de KvK dient verband te houden met de Wmo-ondersteuning die geleverd wordt.

 

Wijzigingen van de CAO VVT of van de CAO GHZ leiden niet automatisch tot aanpassing van de tarieven vastgesteld in artikel 8 van de verordening.

 

2. Ondersteuning geleverd door iemand uit het sociaal netwerk

 

PGB sociaal netwetk

Wettelijk minimum uurloon

8% Vakantie-geld & 8,33% vakantie-uren

Overige kosten

PGB per uur

PGB 2016

 

 

€ 9,95

€ 1,62

€ 1,90

€ 13,47

€ 13,74

 

 

 

 

 

In het pgb-tarief is rekening gehouden met het minimumloon 2017.

 

Wijziging van het minimumloon leidt niet automatisch tot aanpassing van de tarieven vastgesteld in artikel 8 van de verordening.

Uurtarieven persoonsgebonden budgetten 2018

 

Hulp bij het

huishouden

Sociaal netwerk

€ 13,74

 

Basis

€ 16,76

 

Plus

€ 20,94

Persoonlijke

begeleiding –

individueel

Sociaal netwerk

€ 13,74

 

Individueel

€ 32,00

 

Individueel – module gedrag

€ 40,00

 

Tabel 8: Uurtarieven PGB voor ‘hulp bij het huishouden’ en ‘persoonlijke begeleiding – individueel’. Deze tarieven worden niet geïndexeerd.

II Tarieven voor kortdurend verblijf/ logeeropvang/ respijtzorg

Het tarief per etmaal, voor ondersteuning die wordt geboden door het sociaal netwerk of mensen die niet als zelfstandig ondernemer bij de Kamer van Koophandel geregistreerd zijn, is gebaseerd op basis van de kosten voor bed-bad-brood en een dagactiviteit met belanghebbende. Voor het bepalen van deze kosten is in 2015 uitgegaan van de gegevens van het NIBUD. Deze worden niet geïndexeerd.

 

 

Activiteit

Kosten

Gebruik wasmachine en -droger

€ 2,50

Baden/ douchen

€ 1,00

Voeding

€ 6,35

Dagactiviteit

€ 10,00

Totaal

€ 19,85

 

 

 

Voor professionele organisaties (die wel als zelfstandig ondernemer bij de Kamer van Koophandel geregistreerd zijn) geldt een tarief van € 75,00 per etmaal. Dit komt overeen met het tarief dat bij de inkoop 2015-2016 voor Zorg in Natura gold. Ook dit tarief wordt niet geïndexeerd. Voor zorg in natura liggen deze tarieven inmiddels lager.

Vanaf 2017 is ingekocht via Stand-By! op basis van een lumpsum, waarin een korting op de bestaande tarieven is meegenomen.

 

III Tarieven dagbesteding

Dagbesteding kan alleen op professionele basis met een pgb ingekocht worden. De tarieven zijn hier de tarieven vanuit de inkoop Wmo 2015-2016, zonder indexatie.

Voor zorg in natura liggen deze tarieven inmiddels lager.

Vanaf 2017 is ingekocht via Stand-By! op basis van een lumpsum, waarin een korting op de bestaande tarieven is meegenomen.

IV Tarieven beschermd wonen in een kleinschalige woonvoorziening

In dit tarief zijn de huisvestingskosten en kosten voor voeding niet inbegrepen, in tegenstelling tot wat geldt voor de zorg in natura.

Het tarief is gebaseerd op een gemiddeld bedrag dat hiervoor door de betreffende organisaties berekend wordt.

Bijlage II.

Kostenberekening woonvoorzieningen

 

Ingevolge paragraaf 3.3 is het mogelijk om een maatwerkvoorziening te krijgen voor het verwerven van extra grond ten behoeve van een aanbouw of uitbreiding van een bepaald vertrek indien dit op grond van ergonomische beperkingen noodzakelijk zou zijn. Het aantal m2 wat voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt is per vertrek (zie tabel) gemaximeerd.

 

1.a Aantal m2 waarvoor ten hoogste een maatwerkvoorziening kan worden verleend, aangegeven per vertrek in een zelfstandige woning

 

 

Maatwerkvoorziening in geval van aanbouw van een vertrek

Maatwerkvoorziening in geval van uitbreiding van een reeds aanwezig vertrek

soort vertrek

 

 

woonkamer

30

6

keuken

10

4

eenpersoons slaapkamer

10

4

tweepersoons slaapkamer

18

4

toiletruimte

2

1

badkamer

2

1

doucheruimte

3

2

entree / gang / hal

5

2

 

1.b Kosten padverharding

Het aantal m2 verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een woonruimte, dan wel tussen een tweede ingang en een berging en/of tuinpoort dat bij het nieuw aanleggen van paden, dan wel bij het aanpassen van bestaande paden ten hoogste voor financiële tegemoetkoming in aanmerking komt bedraagt 20 m2.

 

Bijlage III.

Vergoeding voor kosten van onderhoud, keuring en reparatie

 

Alleen de werkelijk gemaakte kosten van keuring, onderhoud (met een maximum van de in de tabel genoemde bedragen) en reparatie (niet expliciet gebonden aan een maximum) aan de hieronder genoemde onderdelen komen in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming:

a. stoelliften;

b. rolstoel- of sta-plateauliften;

c. woonhuisliften;

d. hefplateauliften;

e. balansliften;

f. de mechanische inrichting voor het verstellen van een in hoogte verstelbaar keukenblok, bad of wastafel;

g. elektromechanische openings- en sluitingsmechanisme van deuren;

h. sanibroyeur en;

i. douche-föhninstallatie.

De maximale vergoeding van kosten voor onderhoud en/ of onderhoudscontract en keuring van diverse soorten liften in woningen en trappenhuizen bedraagt:

 

Keuringen

Onderhoud

Soorten liften

Frequentie

keuring

Kosten excl. BTW

Frequentie onderhoud

Kosten excl. BTW

Stoellift

1x per 4 jaar

€ 254,09

1x per jaar

€ 521,04

Rolstoel-plateaulift

1x per 4 jaar

€ 309,59

1x per jaar

€ 521,04

Woonhuisliften

1 x per 1,5 jaar

€ 309,59

2x per jaar

€ 1.042,06

Hefplateaulift

1x per 1,5 jaar

€ 314,03

2x per jaar

€ 1.042,06

Balanslift *

1x per 1,5 jaar

€ 89,91

1x per jaar

€ 531,16

 

* Balansliften worden niet meer nieuw gemaakt. Bestaande balansliften kunnen nog wel gewoon gekeurd en onderhouden worden. Het lifteninstituut berekent de kosten voor periodieke keuring van balansliften op grond van een uurtarief.

 

Maximale toeslagen op bovengenoemde tarieven:

- 50% voor installaties geplaatst buiten de woning;

- 50% voor installaties die meer dan 1 verdieping overbruggen;

- 50% voor installaties, uitgevoerd met elektrisch aangedreven plateaus en/of afrijdbeveiliging resp. elektrisch wegklapbare raildelen.

 

Bijlage IV

Tarieven woonvoorzieningen

 

Ingevolge paragraaf 3.3 is het mogelijk om een maatwerkvoorziening te krijgen voor woonvoorzieningen. De opgestelde kostenberekening dan wel de ingediende offerte worden beoordeeld aan de hand van de lijst Tarieven woningaanpassingen opgesteld door SCIO Consult. De hoogte van een maatwerkvoorziening voor standaardvoorzieningen zoals opgenomen in de lijst Tarieven woningaanpassingen zijn gemaximeerd.

 

Prijsbepaling lijst Tarieven woningaanpassingen

 

De limitatieve lijst is opgesteld aan de hand van landelijk gemiddelde prijzen zoals genoemd in op de bouw gerichte maandelijkse en/of halfjaarlijkse periodieken. Tevens vindt de toetsing plaats aan gemiddelde elementprijzen voor woningaanpassingen zoals door erkende aannemers en installateurs wekelijks bij SCIO Consult worden ingediend.

 

Voor sanitaire elementen worden de bruto catalogusprijzen van de Technische Unie gehanteerd, aangevuld met het bijbehorende hulpmateriaal en de gebruikelijke standaard montagetijd per element. Linido producten worden vergeleken met de jaarlijkse prijzenlijst van de firma Linido.

De eventuele korting die installateurs en aannemers bedingen op producten is niet verrekend in de limitatieve lijst. De kortingen variëren en zijn afhankelijk van het inkoopbeleid van de aannemer c.q. installateur.

• De benoemde artikelen worden geleverd en geplaatst volgens de standaard werkomschrijving, de standaard materialenlijst en voor de afgesproken standaardprijs.

• Indien de installateur/aannemer het technisch noodzakelijk acht af te wijken van de omschrijving van de gemeente, de standaard werkomschrijving of de standaard materialenlijst dient dit altijd in overleg met de betreffende Wmo‐consulent van de gemeente Heerlen te gebeuren.

• Subgroep 1.1 (verhoogde) toiletbrillen worden geleverd en gemonteerd door de leverancier van hulpmiddelen.

• De gereedmelding verloopt per cliënt middels een door de gemeente Heerlen ontwikkeld ‘gereedmeldingsformulier’ binnen een termijn van zes weken, na verzending van de beschikking en het programma van eisen.

• De benodigde bevestigingsmiddelen en reparaties van stuc‐ en tegelwerk ten gevolge van het aanbrengen van de gewenste artikelen zijn inclusief, tenzij anders is vermeld.

• De genoemde prijzen zijn exclusief 21% BTW.

 

de griffier,

drs. T.W. Zwemmer

de wnd. burgemeester,

E.G.M. Roemer

Toelichting “verordening maatschappelijke ondersteuning heerlen 2017”

 

Algemeen

 

Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015).

 

De Wmo 2015 legt veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten en andere ambtenaren. Waar in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb.

 

De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:

- op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;

- op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

- welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten;

- ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is;

- ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is;

- op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;

- op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend;

en

- op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

 

Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen:

- voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet;

- ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

 

Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015:

- bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen, een bijdrage verschuldigd zullen zijn;

- de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot;

- bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd;

- bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt, die niet zelf de eigenaar is van de woning, bij een woningaanpassing een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;

- bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht;

- bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

 

Artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015 biedt verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier gebruik van. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 heeft vastgesteld.

 

In principe wordt de maatschappelijke ondersteuning (de begeleiding, die vanaf 2015 tot taak van de gemeente is gaan horen, met uitzondering van opvang en beschermd wonen) vanaf 2017 in Heerlen als algemene voorziening aangeboden. Alleen als het college van mening is dat er geen adequaat aanbod als algemene voorziening beschikbaar is kan een maatwerkvoorziening toegekend worden, in de vorm van Zorg in Natura of als pgb. Dit zal slechts bij uitzondering het geval zijn.

 

Artikelsgewijs