Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Houten

Referendumverordening Houten

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Houten
Officiële naam regelingReferendumverordening Houten
CiteertitelReferendumverordening Houten
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Art. 147 en 149 Gemeentewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

06-04-2006Onbekend

14-03-2006

Houtens Nieuws

2006-025

Tekst van de regeling

De raad van de gemeente Houten heeft het voorstel van burgemeester en wethouders van 24 januari 2006, nr. 2006-025 gelezen en besluit;

gelet op artikel 147 en artikel 149 Gemeentewet;

vast te stellen de:

Referendumverordening Houten

Inhoudsopgave:

Algemene bepalingen

Voorgenomen besluit

Inleidend verzoek van kiesgerechtigden

Definitief verzoek van kiesgerechtigden

De referendumcommissie

Vaststelling datum, vraagstelling en budget

Uitvoering

Uitslag en definitieve besluitvorming

Slotbepalingen

Artikelsgewijze toelichting

---------------------------------------------------

Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    referendum: een raadplegende volksstemming waarbij kiesgerechtigden zich uitspreken over een voorgenomen besluit van de raad;

  • b.

    kiesgerechtigden: diegenen die overeenkomstig artikel B3 Kieswet kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Houten;

  • c.

    raad: de raad van de gemeente Houten.

Artikel 2

Een referendum wordt gehouden onder de kiesgerechtigden van het gehele grondgebied van de gemeente.

Voorgenomen besluit

Artikel 3
  • 1. De raad kan op eigen initiatief dan wel op initiatief van kiesgerechtigden besluiten tot een referendum over een voorgenomen besluit.

  • 2. Een referendum kan niet worden gehouden over voorgenomen besluiten:

    • a.

      over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening;

    • b.

      over het voor kennisgeving aannemen van notities en rapporten;

    • c.

      in het kader van deze verordening;

    • d.

      over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen;

    • e.

      waarbij het belang van een referendum niet opweegt tegen de verantwoordelijkheid van de raad voor kwetsbare groepen en hun plaats in de samenleving;

    • f.

      die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen beslissing waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden;

    • g.

      ter uitvoering van besluiten van het rijk of de provincie waarbij de raad geen beleidsvrijheid heeft;

    • h.

      waarvan de inwerkingtreding of uitvoering niet kan worden uitgesteld vanwege de daarmee gemoeide spoedeisende gemeentelijke belangen;

    • i.

      waarvan de raad van mening is dat er andere dan bovengenoemde dringende redenen zijn om geen referendum te houden.

Inleidend verzoek van kiesgerechtigden

Artikel 4

Het college draagt zorg voor de tijdige bekendmaking van de eventueel aan een referendum te onderwerpen en aan de raad voor te leggen besluiten.

Artikel 5
  • 1. Kiesgerechtigden, in aantal minstens gelijk aan 0,7% van het aantal kiesgerechtigden van de laatstgehouden verkiezing van de leden van de raad met een maximum van 200, kunnen bij het college schriftelijk een inleidend verzoek indienen tot het houden van een referendum over een door de raad te nemen besluit.

  • 2. Het verzoek dient vergezeld te gaan van een handtekening van elke verzoeker, met een opgave van diens naam, adres, leeftijd en woonplaats, alsmede van een vermelding om welk te nemen raadsbesluit het gaat.

  • 3. De in lid 2 bedoelde gegevens dienen te zijn geplaatst op daartoe van gemeentewege verstrekte lijsten.

Artikel 6
  • 1. Het college onderzoekt na binnenkomst van een verzoek, als bedoeld in artikel 5, binnen twee weken of het verzoek door een voldoende aantal kiesgerechtigden is gedaan en of er sprake is van een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 3 lid 2.

  • 2. Indien het college van mening is dat een van de weigeringsgronden zich voordoet, dan verzoekt het college de commissie bedoeld in artikel 10 hierover advies uit te brengen.

  • 3. Ten minste twee werkdagen voor de desbetreffende raadsvergadering, om uiterlijk 12.00 uur, maakt het college aan de raad bekend of naar zijn mening, waarbij het eventueel ingewonnen advies van de commissie wordt betrokken, aan de vereisten voor het indienen van een inleidend verzoek is voldaan.

Artikel 7
  • 1. De raad besluit of aan de vereisten voor het indienen van een inleidend verzoek is voldaan en beslist of een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 3 lid 2, zich voordoet.

  • 2. Indien de raad besluit dat aan de vereisten voor het indienen van een inleidend verzoek is voldaan, houdt de raad zijn besluitvorming omtrent het betreffende onderwerp aan.

Definitief verzoek van kiesgerechtigden

Artikel 8
  • 1. Een definitief verzoek moet worden ondersteund door een aantal kiesgerechtigden dat tenminste gelijk is aan 7% van het aantal kiesgerechtigden van de laatstgehouden verkiezing van de leden van de raad met een maximum van 2.250.

  • 2. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, moet zijn gedaan binnen zes weken nadat de raad het besluit als bedoeld in artikel 7 lid 1 heeft genomen.

  • 3. Het verzoek dient vergezeld te gaan van een handtekening van elke verzoeker, met een opgave van diens naam, adres, leeftijd en woonplaats, alsmede van een vermelding om welk te nemen raadsbesluit het gaat.

  • 4. De in lid 3 bedoelde gegevens dienen te zijn geplaatst op daartoe van gemeentewege verstrekte lijsten.

  • 5. Het college maakt na binnenkomst van het verzoek binnen twee weken aan de raad bekend of het verzoek door een voldoende aantal kiesgerechtigden is gedaan.

Artikel 9
  • 1. Indien het verzoek voldoet aan de hiervoor gestelde eisten, neemt de raad zo mogelijk in de eerstvolgende vergadering na de dag van ontvangst van het definitieve verzoek een besluit over het houden van een referendum.

  • 2. Wanneer de raad heeft besloten tot het houden van een referendum, wordt het betreffende raadsvoorstel op de gangbare wijze behandeld en neemt de raad een voorgenomen besluit.

  • 3. De stemming over het voorgenomen besluit zoals dat luidt na verwerking van de aanvaarde amendementen, wordt aangehouden tot de eerstvolgende vergadering na de dag waarop het referendum wordt gehouden, tenzij eerder negatief over de ontvankelijkheid van het (inleidende of het definitieve) verzoek wordt beslist.

De referendumcommissie

Artikel 10
  • 1. Op voordracht van het college stelt de raad een permanente referendumcommissie in.

  • 2. De commissie heeft tot taak:

    • a.

      te adviseren met betrekking tot de in artikel 11 genoemde onderwerpen;

    • b.

      klachten te behandelen over de wijze waarop initiatiefnemers een campagne in het kader van het referendum voeren.

  • 3. De raad benoemt de leden van de commissie voor een periode van vier jaar, welke periode maximaal eenmaal verlengd kan worden.

  • 4. De commissie bestaat uit tenminste drie en maximaal vijf deskundigen.

  • 5. Tot lid van de commissie zijn niet benoembaar personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan van de gemeente Houten.

  • 6. De commissie benoemt uit haar midden een voorzitter en stelt nadere regels vast voor haar werkwijze. Zij stuurt deze aan de raad.

  • 7. De commissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris, die geen lid is van de commissie.

Artikel 11
  • 1. De raad vraagt de referendumcommissie advies over de formulering van de vraagstelling van het referendum.

  • 2. De raad of het college kan de commissie advies vragen over:

    • a.

      de wijze waarop van gemeentezijde voorlichting over het referendum wordt verstrekt;

    • b.

      organisatorische kwesties;

    • c.

      de hoogte van het budget dat beschikbaar wordt gesteld voor voorlichting over en de organisatie van het referendum.

  • 3. De commissie adviseert overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 lid 2.

  • 4. De commissie brengt haar advies uit binnen vier weken nadat zij daarom verzocht is.

Vaststelling datum, vraagstelling en budget

Artikel 12

Na advies ingewonnen te hebben van de referendumcommissie stelt de raad zo mogelijk in zijn eerstvolgende vergadering vast:

  • a.

    de datum van het referendum, met inachtneming van het bepaalde in artikel 13;

  • b.

    de vraagstelling van het referendum;

  • c.

    het budget dat beschikbaar wordt gesteld voor voorlichting over en de organisatie van het referendum.

Artikel 13
  • 1. Het referendum wordt gehouden binnen zes maanden nadat de raad overeenkomstig artikel 9 lid 2 heeft besloten tot het houden van een referendum.

  • 2. Wanneer in de periode van drie tot zes maanden nadat het in het lid 1 bedoelde besluit is genomen een algemene verkiezing plaatsvindt, wordt het referendum op de datum van die verkiezing gehouden.

Uitvoering

Artikel 14
  • 1. De stukken betrekking hebbende op het door de raad te nemen besluit waarover een referendum wordt gehouden, worden vanaf uiterlijk drie weken voor de datum van het referendum, voor een ieder op de gebruikelijke wijze ter inzage gelegd.

  • 2. De terinzagelegging wordt op de gebruikelijke wijze bekend gemaakt.

Artikel 15
  • 1. Het college is belast met de uitvoering van het raadsbesluit tot het houden van een referendum. Het college regelt de bestuurlijke en ambtelijke coördinatie.

  • 2. Bij de procedure rond de stemming is de Kieswet zoveel mogelijk van toepassing.

  • 3. Deelname aan het referendum vindt plaats door bij stemming de vastgestelde vraagstelling te beantwoorden.

Uitslag en definitieve besluitvorming

Artikel 16
  • 1. Het referendum is geldig indien tenminste 30% van het aantal kiesgerechtigden heeft deelgenomen aan het referendum.

  • 2. De uitslag wordt berekend op basis van meerderheid van het totaal uitgebrachte geldige stemmen.

Artikel 17

De raad neemt zo mogelijk in de eerstvolgende vergadering na de dag waarop het referendum werd gehouden, doch niet later dan twee maanden nadien, een definitief besluit.

Slotbepalingen

Artikel 18

Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die:

  • a.

    oproepingskaarten, stempassen of volmachtbewijzen namaakt of vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te laten gebruiken;

  • b.

    oproepingskaarten, stempassen of volmachtbewijzen, die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij ze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen laat gebruiken, dan wel deze, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te laten gebruiken, in voorraad heeft;

  • c.

    oproepingskaarten, stempassen of volmachtbewijzen voorhanden heeft met het oogmerk deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te laten gebruiken;

  • d.

    als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is overleden.

Artikel 19
  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Referendumverordening Houten.

Dit is besloten in de openbare vergadering van de raad op 14 maart 2006.

De raad van de gemeente Houten,

de griffier, de voorzitter,        
E.A. Scholten-Quispel C.H.J. Lamers

Bijlage behorend bij de Referendumverordening Houten

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Gekozen is voor een referendum over een voorgenomen besluit. Hierbij kondigt de raad het voornemen tot een besluit aan. Vervolgens wordt het referendum gehouden en de raad neemt pas een eindbesluit nadat het referendum is gehouden.

Artikel 2

Gelet op het kostenaspect is ervoor gekozen om slechts referenda mogelijk te maken onder de kiesgerechtigden van het gehele grondgebied van de gemeente. Besluitvorming omtrent onderwerpen die slechts één of een beperkt aantal wijken aangaan, kan afdoende op basis van de Inspraakverordening gemeente Houten plaatsvinden.

Artikel 3

De raad kan zelf het initiatief nemen tot het houden van een referendum. Uiteraard dient bij de beslissing rekening gehouden te worden met het bepaalde in lid 2 ten aanzien van de onderwerpskeuze. De raad besluit tot het houden van een referendum bij gewone meerderheid van stemmen (zie artikel 30 Gemeentewet).

Lid 2 betreft de uitzonderingen met betrekking tot het houden van een referendum. Alleen besluiten van de raad kunnen onderwerp van een referendum zijn. De besluiten genomen door het college of de burgemeester zijn niet referendabel. Een aantal onderwerpen waarover de raad een besluit neemt, leent zich echter minder goed voor een referendum. In deze verordening wordt de lijst met uitzonderingen zo beperkt mogelijk gehouden. Door het uitsluiten van veel onderwerpen bestaat immers het gevaar dat de referendumverordening een “leeg instrument” wordt, waarbij het in de praktijk onmogelijk blijkt een referendum te organiseren.

De lijst met uitzonderingen is echter niet limitatief. Het opnemen van een algemene uitzonderingsgrond voorkomt dat het voor de raad onmogelijk wordt een verzoek om een referendum af te wijzen als daarvoor dringende redenen zijn. Een zorgvuldige afweging is daarbij een voorwaarde.

De weigeringsgrond genoemd in lid 2 onder f geeft de raad beoordelingsvrijheid. Zo kan een voorgenomen besluit strikt genomen zijn grondslag vinden in een eerder door de raad genomen referendabel besluit, maar denkbaar is dat het onderwerp dusdanig op zichzelf staat dat de raad het besluit niettemin referendabel acht.

Artikel 4

De bekendmaking kan gepaard gaan met de publicatie van de agenda van de commissievergaderingen. Daarbij kan een standaardtekst betreffende mogelijk referendabele voorgenomen besluiten opgenomen worden.

Artikel 5

In de verordening is ook de mogelijkheid geopend dat de kiesgerechtigden een verzoek doen tot het houden van een referendum over een voor de raadsvergadering geagendeerde aangelegenheid waarover de raad bevoegd is een besluit te nemen. Voor het percentage benodigde verzoekers is aansluiting gezocht bij de systematiek van de (inmiddels vervallen) Tijdelijke referendumwet, waarbij kiesgerechtigden (bij een totaal aantal kiesgerechtigden van 20.000 tot 40.000) 0,7% nodig hebben van het aantal kiesgerechtigden van de laatstgehouden verkiezing van de raad, met een maximum van 200. Voor een definitief verzoek is 7% benodigd met een maximum van 2250 (zie artikel 8). Het aantal kiesgerechtigden bedraagt naar schatting bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 circa 32.000. Voor een inleidend en een definitief verzoek betekent dit dus concreet dat er 200 respectievelijk 2.240 handtekeningen nodig zijn.

Artikel 6

Volgens lid 2 kan het college indien zich een weigeringsgrond genoemd in artikel 3 lid 2 voordoet, een advies aan de referendumcommissie vragen. Hiervoor staat een korte termijn. Dit wordt ondervangen door de instelling van een permanente commissie. Daarnaast zal in de praktijk een referenduminitiatief vaak eerder aangekondigd worden. Dit is overigens wel het moment waarop beoordeeld moet worden of zich een van de weigeringsgronden voordoet. Indien dit niet het geval is, kan de steunverwervingsfase voor het definitieve verzoek beginnen, onder aanhouding van de besluitvorming.

Artikel 8

Zie voor de keuze van het percentage kiesgerechtigden dat voor een definitief verzoek nodig is hiervoor onder artikel 5.

Artikel 9

Indien een referendum wordt gehouden over een voorgenomen besluit is het ongewenst dat als er een inleidend of definitief verzoek tot het houden van een referendum wordt ingediend tevens het besluitvormingsproces stil ligt. Het verdient daarom aanbeveling de besluitvorming zoveel mogelijk af te ronden. Alle argumenten zijn dan uitgewisseld, zodat ook het onderwerp en de vraagstelling op een zinnige wijze kunnen worden gepresenteerd. De eindbeslissing wordt na het referendum genomen.

Artikel 10

Teneinde een onafhankelijk oordeel te verkrijgen over de wenselijkheid en mogelijkheid van het houden van een referendum, met name op initiatief van de kiesgerechtigden, is ervoor gekozen om een onafhankelijke (permanente) referendumcommissie in te stellen. De raad is immers altijd partij bij een referendum; of omdat de raad het initiatief neemt tot het houden van een referendum of omdat de burgers een initiatief indienen om over een bepaald raadsbesluit een referendum te houden.

Artikel 11

Indien (op initiatief van de raad) de meerderheid van de raad van mening is dat het wenselijk is om over een bepaald raadsbesluit een referendum te houden, wordt een advies gevraagd aan de referendumcommissie. Deze commissie geeft een oordeel of er sprake is van een referendabel besluit, de vraagstelling, de geraamde kosten en eventueel organisatorische kwesties. Binnen vier weken na het verzoek brengt de referendumcommissie een (gemotiveerd) advies uit. Dit advies wordt besproken in de raadsvergadering en de raad besluit tot dan tot het wel of niet houden van een referendum. Indien het initiatief komt van de kiesgerechtigden, kan het college al een advies aan de referendumcommissie hebben gevraagd. Een tweede advies van de commissie kan dan achterwege blijven.

Artikel 12

De raad beslist of, hoe en wanneer een referendum wordt gehouden. Een referendum kan te allen tijde worden gehouden. Een referendum kan samenvallen met de verkiezing van de leden van een algemeen vertegenwoordigend orgaan.

De raad stelt ook de vraagstelling inclusief de antwoordmogelijkheden vast. Daarbij kan hij zich laten adviseren door de referendumcommissie. De eindverantwoordelijkheid blijft echter bij de raad berusten.

De vraagstelling dient eenduidig, helder en objectief te zijn. Bij de antwoordmogelijkheden kan het bijvoorbeeld gaan om: ‘ja’ of ‘nee’; ‘voor’ of ‘tegen’; een keuze uit alternatieven of een combinatie van deze mogelijkheden.

Vanzelfsprekend brengt het organiseren van een referendum kosten met zich mee. Afhankelijk van het onderwerp en tijdstip (al dan niet samenvallend met algemene verkiezingen) zullen deze verschillen. Wanneer er besloten wordt tot het houden van een referendum dient de raad tevens een budget beschikbaar te stellen. De kosten voor voorlichting en de stemming vormen hiervan een component. De gemeente kan besluiten zowel de voor- als de tegenstanders een budget voor voorlichtende activiteiten (campagnes) ter beschikking te stellen.

De besteding van het budget kan worden overgelaten aan het college aan wie de uitvoering van het raadsbesluit tot het houden van een referendum is opgedragen (artikel 12). Ook kan de raad besluiten dat aan de groepen burgers die om het referendum heeft verzocht, een bedrag voor promotiedoeleinden wordt verstrekt.

Artikel 15

De eerste vergadering nadat de uitslag van het referendum bekend is, moet de raad een besluit nemen over het aangehouden onderwerp, om zo snel mogelijk duidelijkheid te kunnen bieden aan de burgers. Geldigheid van de uitslag van het referendum wil niet zeggen dat de uitslag ook bindend is voor de raad. Het geeft enkel aan dat aangenomen mag worden dat de uitslag voldoende draagvlak heeft onder de bevolking. De raad kan zich niet vooraf binden aan de uitslag van het referendum. Wel is het mogelijk dat individuele raadsleden, wanneer zij dat zelf wenselijk achten, vooraf te kennen geven welke consequenties zij aan een uitslag verbinden. Een dergelijke uitspraak is juridisch gezien niet bindend, maar kan wel politieke gevolgen hebben.

Artikel 18

Op grond van artikel 154 Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. De straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Evenals in veel andere gemeenten is gekozen voor hechtenis van ten hoogste twee maanden en geldboete van de tweede categorie, te weten maximaal € 2.250. (De eerste categorie behelst een boete van maximaal € 225.)