Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Uitgeest

Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieUitgeest
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingGemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
CiteertitelGemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet gemeenschappelijke regelingen
  2. Gemeentewet
  3. Archiefwet 1995

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2017nieuwe regeling

06-06-2016

www.officielebekendmakingen.nl 08-08-2016

B2016.0629

Tekst van de regeling

Intitulé

Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH

Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH

 

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo, ieder voor zover voor de eigen gemeente bevoegd,

 

Overwegende dat samenwerking middels een volledige ambtelijke krachtenbundeling de beste bijdrage kan leveren aan de complexe uitdagingen waar de BUCH-gemeenten voor staan, omdat de ambtelijke fusieorganisatie gezien haar omvang krachtig is, efficiënt kan werken en aantrekkelijk is door innovatieve dienstverlening en als werkgever;

 

Gelet op de toestemming van de gemeenteraden van Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

 

hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, Algemene wet bestuursrecht en de Archiefwet 1995;

 

Besluiten de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen:

 

Gemeenschappelijke regeling Werkorganisatie BUCH

 

Inhoudsopgave Gemeenschappelijke Regeling

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 2 Bedrijfsvoeringsorganisatie

 

Hoofdstuk 2 Belang, taken en bevoegdheden

Artikel 3 Belang

Artikel 4 Taken

Artikel 5 Bevoegdheidstoedeling

 

Hoofdstuk 3 Het bestuur en de voorzitter

Artikel 6 Bestuur

Artikel 7 Bevoegdheden bestuur

Artikel 8 Reglement van orde

Artikel 9 Voorzitter

 

Hoofdstuk 4 De directieraad, de secretaris en het personeel

Artikel 10 Directieraad en algemeen directeur

Artikel 11 Secretaris

Artikel 12 Personeel

Artikel 13 Heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar, belastingdeurwaarder en leerplichtambtenaar

 

Hoofdstuk 5 Verantwoording en kwaliteitsborging

Artikel 14 Informatie- en verantwoordingsplichten

Artikel 15 Kwaliteitsborging

 

Hoofdstuk 6 Financiën

Artikel 16 Gemeentewet

Artikel 17 Financiële verantwoordelijkheid

Artikel 18 Kadernota

Artikel 19 Zienswijzenprocedure en vaststelling begroting

Artikel 20 Jaarrekening

Artikel 21 Reserves en voorzieningen

Hoofdstuk 7 Duur, wijziging, toetreding, uittreding en opheffing

Artikel 22 Duur

Artikel 23 Wijziging

Artikel 24 Toetreding

Artikel 25 Uittreding

Artikel 26 Opheffing

 

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen

Artikel 27 Archief

Artikel 28 Bestaande samenwerkingen en deelnemingen

Artikel 29 Klachtenregeling

Artikel 30 Geschillenregeling

 

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 31 Inzenden regeling en bekendmaking

Artikel 32 Inwerkingtreding

Artikel 33 Citeerwijze

 

 

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen directeur: de algemeen directeur, gekozen uit de directieraad, bedoeld in artikel 10 van de regeling;

  • b.

    bestuur: het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 14a van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • c.

    colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten;

  • d.

    gedeputeerde staten: de gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland;

  • e.

    gemeenten: de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo;

  • f.

    raden: de gemeenteraden van de gemeenten;

  • g.

    regeling: deze Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH;

  • h.

    werkorganisatie: de bedrijfsvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 2 van de regeling;

  • i.

    voorzitter: de voorzitter van het bestuur, bedoeld in artikel 9 van de regeling.

     

     

Artikel 2 Bedrijfsvoeringsorganisatie

  • 1.

    Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, genaamd Werkorganisatie BUCH, hierna in de regeling ‘de werkorganisatie’ genoemd.

  • 2.

    De werkorganisatie fungeert als gezamenlijke ambtelijke fusieorganisatie van de gemeenten.

  • 3.

    De werkorganisatie is juridisch gevestigd te Uitgeest.

     

Hoofdstuk 2 Belang, taken en bevoegdheden

Artikel 3 Belang

De regeling wordt getroffen ten behoeve van het bewerkstelligen van een krachtige en professionele uitvoering door de werkorganisatie van de door de gemeenten opgedragen taken. Daarmee biedt de werkorganisatie een kwalitatief hoogwaardige, efficiënte en innovatieve dienstverlening aan de ‘klanten’ van de gemeenten: inwoners, bedrijven en instellingen.

 

 

Artikel 4 Taken

  • 1.

    De werkorganisatie is belast met het uitvoeren van alle gemeentelijke taken voor de colleges, voor zover deze niet - al dan niet met toepassing van de wet – aan derden zijn of worden opgedragen. De uitvoering ziet in ieder geval op:

  • a.

    beleidsontwikkeling en beleidsvoorbereiding;

  • b.

    uitvoering van vastgesteld beleid en wettelijke regelingen;

  • c.

    toezicht op aan derden uitbesteed werk;

  • d.

    handhaving van de hiervoor genoemde uitvoering;

  • e.

    het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, voor zover de werkorganisatie hiertoe is bevoegd dan wel hiervoor is gemachtigd;

  • f.

    het verrichten van feitelijke handelingen;

  • g.

    het verrichten van bedrijfsvoeringstaken op het gebied van personeel, informatie, juridische zaken, organisatie, financiën, administratie, communicatie en huisvesting.

     

     

Artikel 5 Algemene bevoegdheidstoedeling

  • 1.

    Voor zover van delegatie sprake is, is dat in deze regeling vervat.

  • 2.

    De colleges kunnen andere bevoegdheden die hun bij of krachtens de wet zijn toegekend mandateren aan het bestuur, voor zover dit nodig is voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 4. Het bestuur stelt daartoe model mandaatbesluiten vast.

  • 3.

    De colleges dragen tevens zorg voor benodigde volmachten en machtigingen die de werkorganisatie nodig heeft voor het kunnen functioneren als ambtelijke fusieorganisatie en het uitvoeren van hiermee samenhangende taken.

  • 4.

    Ondermandaat is toegestaan, tenzij dat uitdrukkelijk is voorbehouden.

  • 5.

    Er wordt een register bijgehouden van de overeenkomstig het tweede en vierde lid gemandateerde bevoegdheden.

     

Hoofdstuk 3 Het bestuur en de voorzitter

Artikel 6 Bestuur

  • 1.

    Het bestuur bestaat uit acht leden. De colleges wijzen elk uit hun midden twee leden van het bestuur aan. Het ene lid is de burgemeester van de gemeente en het andere lid een wethouder.

  • 2.

    Bij de stemming van het bestuur heeft de vertegenwoordiging van een college één stem.

  • 3.

    Het bestuur beslist bij gewone meerderheid van stemmen.

  • 4.

    Van het bepaalde in het derde lid zijn uitgezonderd besluiten omtrent:

    • a.

      het opnemen van een taakstelling ten aanzien van de begroting van de werkorganisatie;

    • b.

      toetreding van een of meerdere gemeenten, zoals bedoeld in artikel 24 van deze regeling;

    • c.

      een voorstel als bedoeld in artikel 23 van deze regeling.

  • 5.

    Voor deze uitgezonderde onderwerpen geldt unanimiteit van stemmen.

  • 6.

    De colleges wijzen voor elk van de door hen aangewezen leden tevens een plaatsvervangend lid uit hun midden aan, dat het lid bij afwezigheid in het bestuur kan vervangen.

     

     

Artikel 7 Bevoegdheden bestuur

  • 1.

    Alle bevoegdheden bij of krachtens enige wet van toepassing op de werkorganisatie komen toe aan het bestuur.

  • 2.

    Naast de uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van het elders in deze regeling bepaalde is het bestuur in elk geval belast met en bevoegd tot::

  • a.

    het vaststellen en wijzigen van de begroting;

  • b.

    het vaststellen van de jaarrekening;

  • c.

    het vaststellen van de jaarlijkse kadernota;

  • d.

    het vaststellen van de benodigde verordeningen, regelingen en nota’s ten behoeve van de werkorganisatie;

  • e.

    de aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de

  • f.

    Gemeentewet;

  • g.

    het beheer van de inkomsten en uitgaven van de werkorganisatie;

  • h.

    het vaststellen van rechtspositionele regelingen;

  • i.

    benoeming, schorsing en ontslag van het personeel van de werkorganisatie;

  • j.

    het aanwijzen van een of meerdere heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, belastingdeurwaarders en leerplichtambtenaren;

  • k.

    het doen van voorstellen tot toetreding alsmede het regelen van de gevolg van uittreding;

  • l.

    het opleggen van voorwaarden voor uittreding;

  • m.

    het voeren van rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratieve beroepsprocedures, het instellen van bezwaar en beroep alsmede het vragen om een voorlopige voorziening;

  • n.

    het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen ten behoeve van de bedrijfsvoering van de werkorganisatie;

  • o.

    het behartigen van de belangen van de werkorganisatie bij andere overheden, instellingen of personen.

     

  • 3.

    Een bevoegdheid kan niet worden overgedragen als de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet.

  • 4.

    Het bestuur neemt alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit van de werkorganisatie.

  • 5.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 31a, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen kan het bestuur besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen als dat bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang en niet voordat de raden in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen.

     

     

Artikel 8 Reglement van orde

  • 1.

    Het bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en werkzaamheden vast.

  • 2.

    Het bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo vaak als het daartoe heeft besloten.

  • 3.

    Artikel 22, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen is van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Het bestuur kan geheimhouding opleggen als bedoeld in artikel 23 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

     

     

Artikel 9 Voorzitter

  • 1.

    Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter aan, die een goede behartiging van de zaken van de werkorganisatie bevordert. De voorzitter wordt gekozen voor een periode van twee jaar. Het voorzitterschap rouleert tweejaarlijks op 1 januari tussen de gemeenten, tenzij het bestuur anders besluit.

  • 2.

    De voorzitter ondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan.

  • 3.

    De voorzitter is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de vergaderingen van het bestuur en tevens voor de vergaderorde binnen het bestuur, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 8.

  • 4.

    Het bestuur kan de voorzitter machtigen om namens het bestuur te handelen.

  • 5.

    Het bestuur regelt de vervanging van de voorzitter.

  • 6.

    De voorzitter vertegenwoordigt de werkorganisatie in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.

     

     

Hoofdstuk 4 De directieraad, de secretaris en het personeel

Artikel 10 Directieraad en algemeen directeur

  • 1.

    De werkorganisatie kent een onbezoldigde directieraad, bestaande uit in ieder geval de vier gemeentesecretarissen van de gemeenten.

  • 2.

    De algemeen directeur is voor het bestuur ambtelijk opdrachtnemer en is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de taken van de werkorganisatie. Ter uitvoering hiervan draagt de algemeen directeur in samenspraak met de overige leden van de directieraad zorg voor de kwaliteit van personeel en organisatie, beheer en bedrijfsvoering.

  • 3.

    De directieraad is als adviseur bij de vergaderingen van het bestuur aanwezig en staat het bestuur bij in de uitvoering van zijn taken.

  • 4.

    De directieraad kent in principe een tweejaarlijks roulerend algemeen directeur, die in die periode als secretaris van het bestuur en tevens als eindverantwoordelijke van de werkorganisatie optreedt. De roulatie vindt niet plaats in hetzelfde jaar als de roulatie van de voorzitter van het bestuur, tenzij het bestuur anders besluit.

  • 5.

    De algemeen directeur van de directieraad is bestuurder in de zin van de Wet op de Ondernemingsraden.

     

     

Artikel 11 Secretaris

  • 1.

    De algemeen directeur is tevens secretaris van het bestuur, maar is geen lid van het bestuur.

  • 2.

    De secretaris medeondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan.

  • 3.

    De directieraad regelt de vervanging van de secretaris.

     

     

Artikel 12 Personeel

  • 1.

    Het personeel van de gemeenten treedt in dienst van de werkorganisatie met uitzondering van de gemeentesecretarissen, de griffiers en de griffiemedewerkers.

  • 2.

    Het bestuur regelt de rechtspositie van het personeel en neemt daartoe de benodigde besluiten.

  • 3.

    Bij de regeling van de rechtspositie van het personeel wordt de CAR UWO gehanteerd.

  • 4.

    Bij de overgang van personeel van de gemeenten naar de werkorganisatie zal het bestuur zorgdragen voor de verdere toepassing en uitvoering van de afspraken tussen werkgevers- en werknemersvertegenwoordigingen van de gemeenten.

  • 5.

    Vanaf het moment van overgang van personeel is het bestuur, binnen de kaders van de vastgestelde formatie, belast met het aanstellen, schorsen en ontslaan van het personeel.

  • 6.

    Het bestuur kan de in het tweede en vijfde lid bedoelde bevoegdheden mandateren aan de directieraad.

     

     

Artikel 13 Heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar, belastingdeurwaarder en leerplichtambtenaar

  • 1.

    De werkorganisatie heeft een heffingsambtenaar, een invorderingsambtenaar, een belastingdeurwaarder en een leerplichtambtenaar.

  • 2.

    Het bestuur wijst een of meerdere ambtenaren van de werkorganisatie aan als heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar, belastingdeurwaarder en leerplichtambtenaar.

  • 3.

    De in het vorige lid genoemde ambtenaren oefenen de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de wet aan hen toegekend zijn.

     

     

Hoofdstuk 5 Verantwoording en kwaliteitsborging

Artikel 14 Informatie- en verantwoordingsplichten

  • 1.

    Het bestuur verstrekt de raden de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden schriftelijk verstrekt.

  • 2.

    Een lid van het bestuur legt aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen.

  • 3.

    Een lid van het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt.

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de raden, onverminderd het bepaalde in artikel 169 van de Gemeentewet.

  • 5.

    Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen, indien dit lid niet langer het vertrouwen van dat college bezit.

     

     

Artikel 15 Kwaliteitsborging

  • 1.

    De werkorganisatie draagt zorg voor een kwalitatief goede en doelmatige uitvoering van de taken, zoals vermeld in artikel 4 van deze regeling.

  • 2.

    De werkorganisatie hanteert een of meer kwaliteitssystemen. De directieraad stelt kwaliteitssystemen vast en legt hierover verantwoording af in het bestuur van de werkorganisatie.

  • 3.

    Indien sprake is van onvoldoende kwalitatief of onzorgvuldig c.q. onrechtmatig handelen van de werkorganisatie ten aanzien van een of meer gemeenten als gevolg waarvan schade is ontstaan of dreigt te ontstaan, wordt dit zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na het constateren van de geleden of dreigende schade, bij het betreffende college of de betreffende colleges gemeld.

  • 4.

    Het bestuur draagt zorg voor beperking en zo nodig tot herstel van geleden schade.

  • 5.

    In het verlengde van hetgeen bepaald is in lid 3, draagt de werkorganisatie zorg voor een adequate verzekering van de risico’s die samenhangen met de uitvoering van zijn taken en die niet vallen onder de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering van de gemeenten.

  • 6.

    Over de wijze van afhandeling van aan (vertegenwoordigers van) de werkorganisatie toe te rekenen schade die in het kader van de uitvoering van de taken van de werkorganisatie is ontstaan, maar niet voor vergoeding door een verzekeraar in aanmerking komt, wordt besloten door het bestuur.

     

     

     

Hoofdstuk 6 Financiën

Artikel 16 Gemeentewet

  • 1.

    De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen niet is afgeweken.

  • 2.

    Het bestuur stelt in dat kader de vereiste verordeningen vast.

     

     

Artikel 17 Financiële verantwoordelijkheid

  • 1.

    De gemeenten dragen er zorg voor dat de werkorganisatie te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. De door het bestuur vastgestelde begroting is daarbij leidend.

  • 2.

    Indien een gemeente weigert deze uitgaven op de gemeentelijke begroting te zetten, dan doet het bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.

  • 3.

    Het bestuur stelt een bijdrageverordening vast, waarin in elk geval wordt geregeld op welke wijze en in welke mate de gemeenten financieel bijdragen aan de middelen van de werkorganisatie.

     

     

Artikel 18 Kadernota

Het bestuur zendt uiterlijk 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden.

 

 

Artikel 19 Zienswijzenprocedure en vaststelling begroting

  • 1.

    Het begrotingsjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

  • 2.

    Het bestuur zendt de ontwerp-begroting ten minste acht weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden.

  • 3.

    De ontwerp-begroting wordt door de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en algemeen (digitaal) verkrijgbaar gesteld.

  • 4.

    De raden kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerp-begroting naar voren brengen.

  • 5.

    Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient.

  • 6.

    Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 7.

    Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.

  • 8.

    Het bepaalde in het tweede, derde, vierde en zesde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen van de begroting waarbij geen wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten. Het bepaalde in het vierde en zesde lid is van toepassing, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en in dat geval inzending aan gedeputeerde staten niet voor 1 augustus hoeft plaats te vinden.

     

     

     

Artikel 20 Jaarrekening

  • 1.

    Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 2.

    Het bestuur zendt voor 15 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening aan de raden. De raden kunnen bij het bestuur van de werkorganisatie hun zienswijze over de voorlopige jaarrekening naar voren brengen.

  • 3.

    Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

     

     

Artikel 21 Reserves en voorzieningen

  • 1.

    Reserves en voorzieningen worden overeenkomstig de door het bestuur daartoe uitgevaardigde richtlijnen gevormd. Deze richtlijnen zijn opgenomen in de door het bestuur vast te stellen Nota reserves en voorzieningen.

  • 2.

    Deze nota wordt goedgekeurd door de raden.

     

     

     

Hoofdstuk 7 Duur, wijziging, toetreding, uittreding en opheffing

Artikel 22 Duur

  • 1.

    De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.

     

     

Artikel 23 Wijziging

  • 1.

    Een voorstel aan de deelnemers tot wijziging van deze regeling kan worden gedaan door het bestuur of door een of meer van de colleges.

  • 2.

    De wijziging van de regeling treedt niet eerder in werking dan nadat deze door de deelnemers bekend is gemaakt op de voor iedere deelnemer gebruikelijke wijze.

     

     

Artikel 24 Toetreding

  • 1.

    Toetreding tot deze regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende besluiten van alle deelnemers alsmede de potentiële deelnemer, indien van toepassing na verkregen toestemming van de raden.

  • 2.

    Het bestuur doet een voorstel tot toetreding en regelt daarbij de voorwaarden die aan de toetreding zijn verbonden.

  • 3.

    Het bestuur stelt een toetredingssom vast voor de toetreding.

  • 4.

    De toetreding treedt in werking op een in overleg tussen het bestuur en de toetredende deelnemer te bepalen tijdstip, dat niet ligt vóór het tijdstip waarop de in het eerste lid genoemde besluiten zijn genomen en bekendgemaakt

  • 5.

    Van elk bericht van toetreding van een deelnemer wordt door het bestuur kennis gegeven aan gedeputeerde staten.

     

     

Artikel 25 Uitttreding

  • 1.

    Iedere deelnemer kan besluiten tot uittreden. Een besluit tot uittreding kan niet eerder worden genomen dan vier jaar na inwerkingtreding van deze regeling.

  • 2.

    Een uittredingsbesluit wordt van kracht twee kalenderjaren na het verstrijken van het jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen. Dit geldt niet wanneer de deelnemers hierover andere afspraken maken.

  • 3.

    Alvorens een deelnemer tot een besluit tot uittreding komt, wordt over het voornemen daartoe eerst overleg met de andere deelnemers gevoerd.

  • 4.

    In het voornemen als bedoeld in het derde lid worden de motieven gegeven op grond waarvan de deelnemer wenst uit te treden.

  • 5.

    Het besluit als bedoeld in het eerste lid wordt terstond ter kennis gebracht aan het bestuur.

  • 6.

    De uittredende deelnemer betaalt de kosten die de uittreding met zich meebrengt. De uittredingssom wordt middels een bindend advies vastgesteld door een commissie van een drietal onafhankelijke deskundigen die wordt aangewezen door het bestuur. Het bestuur regelt de overige gevolgen van de uittreding.

  • 7.

    Een uittredende deelnemer kan geen recht doen gelden op de overdracht van enig eigendom van de werkorganisatie.

  • 8.

    Van elk definitief besluit tot uittreding wordt terstond kennis gegeven aan de overige deelnemers en gedeputeerde staten.

     

     

Artikel 26 Opheffing

  • 1.

    De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle deelnemers.

  • 2.

    Het bestuur stelt, gehoord de raden van de deelnemers, binnen zes maanden na besluitvorming een liquidatieplan vast en regelt de vereffening van het vermogen.

  • 3.

    De werkorganisatie blijft, zo nodig, na het tijdstip van de opheffing in functie totdat de liquidatie is afgerond.

     

     

     

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen

Artikel 27 Archief

  • 1.

    Het bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de werkorganisatie en het bestuur, met inachtneming van het bepaalde in de Archiefwet 1995.

  • 2.

    Ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde, stelt het bestuur een regeling vast, die aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld.

  • 3.

    De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde zorg, komen ten laste van de werkorganisatie.

  • 4.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het bestuur een archiefbewaarplaats aan.

  • 5.

    De secretaris van het bestuur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de werkorganisatie en het bestuur, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

  • 6.

    Ten aanzien van de in het vorige lid genoemde archiefbescheiden, is, onder de bevelen van het bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris. Met betrekking tot dit toezicht bevat de regeling bedoeld in het tweede lid de nodige bepalingen.

  • 7.

    De archivaris wordt door het bestuur benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 8.

    In afwijking van het vorige lid kan het bestuur ook de archivaris van een van de gemeenten aanwijzen als archivaris van de werkorganisatie.

  • 9.

    Voor de door de deelnemers gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij deze gemeenten.

     

     

Artikel 28 Bestaande samenwerkingen en deelnemingen

  • 1.

    De op het moment van inwerkingtreding van deze regeling bestaande privaatrechtelijke of publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden van de gemeenten afzonderlijk of gezamenlijk met derden blijven bestaan, dit tot het moment waarop ieder van de colleges van de gemeenten, na een gezamenlijke inventarisatie daarvan met het bestuur, besloten heeft welke van de per gemeente geïnventariseerde samenwerkingsverbanden door de betreffende gemeente gehandhaafd of opgezegd moet worden. In geval van opzegging kan een college besluiten de betreffende taken te laten uitoefenen door de werkorganisatie.

  • 2.

    De in het vorige lid vermelde inventarisatie is uiterlijk binnen twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze regeling voltooid.

     

     

Artikel 29 Klachtenregeling

  • 1.

    Overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder bij het bestuur een klacht indienen over gedragingen van een bestuursorgaan van de werkorganisatie.

  • 2.

    Het bestuur stelt een interne klachtenregeling vast.

     

     

Artikel 30 Geschillenregeling

  • 1.

    In geval van geschillen als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, geldt eerst de in dit artikel beschreven procedure, alvorens het geschil wordt voorgelegd aan gedeputeerde staten.

  • 2.

    Indien een geschil ontstaat treden het bestuur en het college en/of de burgemeester van de betreffende gemeente(n) terstond met elkaar in overleg om het geschil verder te verkennen en op te lossen.

  • 3.

    Als onderling het geschil niet opgelost kan worden, wijst iedere partij een deskundige aan. Deze deskundigen brengen, als zijnde een geschillencommissie, gezamenlijk een advies uit aan het bestuur over de mogelijkheden om partijen tot overeenstemming te brengen. Voorafgaand aan het uitbrengen van het advies hoort de commissie de bij het geschil betrokken bestuursorganen.

  • 4.

    Na ontvangst van het advies treden de in het tweede lid bedoelde partijen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, voor te leggen aan gedeputeerde staten.

  • 5.

    De kosten voor de geschillencommissie worden door de werkorganisatie en de betreffende deelnemer(s) ieder in gelijke delen gedragen.

     

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 31 Inzenden regeling en bekendmaking

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de werkorganisatie juridisch is gevestigd zendt deze regeling, alsmede de wijzigingen daarvan, aan gedeputeerde staten.

  • 2.

    Het college van de gemeente waar de werkorganisatie juridisch gevestigd is, draagt zorg voor bekendmaking zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 3.

    De colleges nemen de regeling op in het door hen bij te houden register, als bedoeld in artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

     

     

Artikel 32 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2017.

 

 

Artikel 33 Citeerwijze

De regeling wordt aangehaald als: “Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH”.

 

Uitgeest, 6 juni 2016.

Toelichting op

Gemeenschappelijke

Regeling Werkorganisatie BUCH

De juridische basis van Werkorganisatie BUCH is vastgelegd in de ‘Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH’. De regeling regelt dat wat in juridische zin geregeld moet worden rondom de samenwerking. Tegelijk laat zij ruimte, waar dat mogelijk en wenselijk is, zodat de organisatie flexibel blijft en afspraken in afzonderlijke verordeningen kunnen worden vastgelegd.

 

In de gemeenschappelijke regeling Werkorganisatie BUCH zijn, op een enkele uitzondering na om misverstanden te voorkomen, alleen bepalingen opgenomen, waarvan de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr.) bepaalt dat dat deze onderwerpen moeten worden geregeld in de regeling of waarvan niets is bepaald in de Wgr. Dit impliceert niet dat voor de gemeenschappelijke regeling geen andere regels gelden; de Wgr stelt nog meer regels voor de regeling en de werking van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Deze zijn niet opgenomen in de regeling. Enerzijds wordt daarmee beoogd de regeling niet te omvangrijk te maken. Anderzijds behoeft bij eventuele wetswijzigingen in de Wgr de gemeenschappelijke regeling op die punten niet te worden gewijzigd.

 

 

Artikelsgewijze toelichting

In onderstaande toelichting op de artikelen uit de Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH wordt meerdere malen verwezen naar bepalingen uit de Wgr.

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit artikel zijn een aantal begrippen met bijbehorende definities opgenomen die in de gehele gemeenschappelijke regeling regelmatig voorkomen. De begrippen moeten steeds met deze definities in het achterhoofd gelezen worden. De voorzitter wordt apart gedefinieerd omdat, anders dan bij een openbaar lichaam (art. 12 Wgr), de bedrijfsvoeringsorganisatie geen voorzitter kent als apart orgaan. Wel kan een voorzitter aan worden gewezen voor de vergaderingen van het bestuur. Om niet steeds ‘voorzitter van het bestuur’ te hoeven uitschrijven is deze begripsbepaling opgenomen.

 

Artikel 2 Bedrijfsvoeringsorganisatie

Dit artikel betreft de daadwerkelijke instelling van de rechtspersoon, de bedrijfsvoeringsorganisatie (art. 8 lid 3 Wgr). De bedrijfsvoeringsorganisatie is genaamd Werkorganisatie BUCH en wordt ook in deze toelichting werkorganisatie genoemd.

 

Het artikel benoemt ook de vestigingsplaats, te weten Uitgeest. Daarmee is duidelijk welke rechter bevoegd is van geschillen kennis te nemen. De vestigingsplaats bepaalt niet automatisch de huisvesting van de werkorganisatie; dit is een vrije keuze van de deelnemende gemeenten.

 

Artikel 3 Belang

Een gemeenschappelijke regeling wordt getroffen ter behartiging van een of meer belangen van de betrokken gemeenten (art. 1 lid 1 Wgr). De belangen waarvoor de gemeenschappelijke regeling wordt getroffen moeten in de gemeenschappelijke regeling zelf zijn opgenomen (art. 10 lid 1 Wgr). Met het in art. 3 beschreven belang wordt aangesloten bij de visie van de gemeenten op de Werkorganisatie BUCH.

 

Artikel 4 Taken

De werkorganisatie fungeert als gezamenlijke ambtelijke fusieorganisatie van de gemeenten. Bij een bedrijfsvoeringsorganisatie mag het slechts gaan om ondersteunende en uitvoerende taken (art. 8 lid 3 Wgr). In dit artikel worden het takenpakket van de werkorganisatie benoemd, die dan ook ondersteunende en uitvoerende taken betreffen. Het takenpakket is zo eenvoudig mogelijk in de regeling verankerd, in die zin dat de werkorganisatie alle gemeentelijke taken uitvoert voor zover deze niet aan anderen zijn of worden toebedeeld. Hiermee wordt voorkomen dat iedere taak afzonderlijk moet worden benoemd en dat iedere gemeente een dienstverleningsovereenkomst met de werkorganisatie moet sluiten.

 

Artikel 5 Algemene bevoegdheidstoedeling

Art. 10 lid 2 Wgr vereist dat de gemeenschappelijke regeling moet bepalen welke bevoegdheden bij het treffen van de gemeenschappelijke regeling door de deelnemende colleges worden overgedragen aan de bedrijfsvoeringsorganisatie. In lid 1 van art. 5 van deze regeling is bepaald dat gedelegeerde bevoegdheden in de regeling worden benoemd. Dit is onder meer uitgewerkt in art. 7 van de regeling.

 

Artikel 6 Bestuur

Dit artikel gaat over de samenstelling van het bestuur en de wijze van stemmen. Dit moet in de gemeenschappelijke regeling geregeld worden (art. 10 lid 3 Wgr). Daarbij is rekening gehouden met de wettelijke bepaling dat de leden van het bestuur door en uit de deelnemende colleges van burgemeester en wethouders moeten worden aangewezen (art. 14a Wgr). Er is voor gekozen om ieder college twee leden aan te laten wijzen (lid 1). Tevens is ervoor gekozen om ieder college één stem te geven (lid 2). Daarbij is er sprake van gelijke stemverdeling. Dit hangt samen met het uitgangspunt de Werkorganisatie BUCH te vormen die ‘van, voor en door’ de vier gemeenten is. Door de gehanteerde stemverhouding, die uitgaat van ‘één college, één stem’ en gelijke stemverdeling, wordt de samenwerkingsgedachte achter de regeling benadrukt en wordt aangesloten bij principes als ‘gelijkwaardigheid’ en ‘vertrouwen’.

 

Er is tevens voor gekozen om besluiten te nemen op basis van gewone meerderheid van stemmen (lid 3). Voor de situatie dat geen sprake is van een dergelijke meerderheid van stemmen, bepaalt het Reglement van orde - zie het hierna volgende artikel - hoe met deze situatie wordt omgegaan.

 

Ten aanzien van een drietal soorten (lid 4) besluiten geldt unanimiteit van stemmen. Ongeacht het soort besluit geldt dat staken van stemmen als verwerping van het voorstel wordt gezien. Mocht het voorkomen dat een lid van het bestuur verhinderd is, dan kan de door het betreffende college aangewezen plaatsvervanger het lid vervangen.

 

Artikel 7 Bevoegdheden bestuur

In lid 1 is bepaald dat alle bevoegdheden bij of krachtens enige wet van toepassing op de werkorganisatie toekomen aan het bestuur. Op grond van art. 9 lid 4 van de regeling kan het bestuur de voorzitter machtigen om namens het bestuur te handelen.

 

In lid 2 zijn de bevoegdheden die het bestuur in ieder geval heeft op een rij gezet. Voor het merendeel betreffen dat bevoegdheden die ook elders in de regeling zijn opgenomen. Voor een aantal bevoegdheden geldt dat deze bevoegdheden door het bepaalde in lid 2 door de colleges aan het bestuur zijn gedelegeerd, te weten lid 2 onder f, h, l, m en n.

 

Artikel 8 Reglement van orde

Het bestuur dient een reglement van orde vast te stellen.

 

Daarbij moet men de regels uit de Wgr zelf (art. 22 lid 2 Wgr) over het minimale aantal vergaderingen volgen, namelijk een minimum van twee vergaderingen per jaar.

 

Voorts is besloten aan te sluiten bij de vergaderorde zoals die ook voor gemeenteraden geldt (lid 3). Deze vergaderorde is in de Wgr verplicht gesteld voor het algemeen bestuur van een gemeenschappelijk openbaar lichaam in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen (art. 22 lid 1 Wgr).

 

De vergaderorde uit de Gemeentewet ziet op de volgende punten:

  • a.

    vaststelling reglement van orde (art. 16 Gemeentewet);

  • b.

    aantal vergaderingen (art. 17 Gemeentewet);

  • c.

    wijze van oproep tot vergadering (art. 19 Gemeentewet);

  • d.

    afwezigheid van meer dan de helft van de leden van het bestuur (art. 20 Gemeentewet);

  • e.

    vervolging in rechte of aangesproken worden voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen (art. 22 Gemeentewet);

  • f.

    handhaving van de orde in de vergadering (art. 26 Gemeentewet);

  • g.

    afzien van stemming door een lid (art. 28 Gemeentewet);

  • h.

    geldigheid stemming (art. 29 Gemeentewet);

  • i.

    totstandkoming beslissing bij stemming (art. 30 Gemeentewet);

  • j.

    geheime stemming (art. 31 Gemeentewet);

  • k.

    overige stemmingen en hoofdelijke oproeping (art. 32 Gemeentewet);

  • l.

    ondertekening stukken (art. 32a Gemeentewet);

  • m.

    ambtelijke bijstand en ondersteuning (art. 33 Gemeentewet).

     

    Daar waar in de tekst van de Gemeentewet over de raad, de burgemeester en de griffier wordt gesproken, kan met betrekking tot deze regeling worden gelezen: het bestuur, de voorzitter en de secretaris.

     

    Artikel 9 Voorzitter

    Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter aan, die de leiding heeft over de vergaderingen van het bestuur. De voorzitter is geen apart orgaan, en heeft zodoende geen eigen bevoegdheden. Het bestuur kan hem natuurlijk wel machtigen bepaalde bevoegdheden namens het bestuur uit te oefenen (lid 4). Het bestuur bepaalt ook hoe de voorzitter bij afwezigheid vervangen wordt (lid 5). Met lid 6 wordt aangesloten bij de bevoegdheid tot vertegenwoordiging die een voorzitter van een openbaar lichaam ook heeft (art.

    33d lid 2 Wgr).

     

    Artikel 10 Directieraad en algemeen directeur

    Er is gekozen voor een directieraad bestaande uit in ieder geval de vier gemeentesecretarissen. Doordat de secretarissen als zijnde gemeentesecretaris wekelijks aanschuiven bij hun college en daarnaast als lid van de directieraad verantwoordelijkheid dragen voor de ambtelijke organisatie, is de nabijheid met enerzijds de individuele gemeenten en anderzijds de ambtelijke organisatie in beginsel sterker belegd dan in de varianten waar de functies van secretaris en directeur losgekoppeld zijn. De gemeentesecretarissen blijven voor hun eigen college (en raad) de verbindende schakel tussen beleidsbepaling en ambtelijke uitvoering. Zodoende blijven de gemeentesecretarissen ook voor het eigen college aanspreekbaar op de prestaties van de (gezamenlijke) ambtelijke organisatie.

     

    In principe (ter beoordeling van het bestuur) wordt elke twee jaar door het bestuur uit het midden van de directieraad een algemeen directeur gekozen. Op basis van geschiktheid in relatie tot de profielschets. De algemeen directeur is het eerste aanspreekpunt/secretaris voor het bestuur van de werkorganisatie en is tevens eindverantwoordelijk voor de ambtelijke organisatie. Daarmee is nadrukkelijk niet gekozen voor een ‘primus inter pares’, oftewel een ‘eerste onder zijns gelijken’.

     

    De algemeen directeur treedt tevens op als WOR-bestuurder in de zin van art. 1 onder e Wet op de ondernemingsraden (Wor). Wanneer de algemeen directeur verhinderd is, draagt de directieraad zorg voor vervanging.

    Door de roulatie van de algemeen directeur niet in hetzelfde jaar als de roulatie van de voorzitter van het bestuur plaats te laten hebben, wordt een bepaalde mate van continuïteit geborgd.

     

    Artikel 11 Secretaris

    Er is ook een secretaris van het bestuur. De secretaris is degene die op dat moment de algemeen directeur is. Het is aan het bestuur om verdere invulling te geven aan de functie van secretaris.

     

    Artikel 12 Personeel

    Het personeel van de gemeenten treedt met behoud van zijn ambtelijke status in dienst van Werkorganisatie BUCH. Uitgezonderd hiervan zijn de gemeentesecretarissen, de griffiers en de griffiemedewerkers. Voor het personeel in dienst van de werkorganisatie zijn de rechtspositieregelingen van de sector gemeenten (CAR-UWO) van toepassing (lid 3). Formeel gezien is het bestuur belast met de aanstelling, schorsing en het ontslag van ambtenaren (lid 5). Dit geldt ook voor de rechtspositie van de ambtenaren (lid 2). In lid 6 is een mandaatmogelijkheid geschapen waarmee het bestuur bepaalde bevoegdheden kan opdragen aan de directieraad.

     

    Artikel 13 Heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar, belastingdeurwaarder en leerplichtambtenaar

    De heffings- en invorderingsambtenaar, belastingdeurwaarder en leerplichtambtenaar zijn enkelvoudige bestuursorganen. De gemeenschappelijke regeling krijgt zijn eigen bijzondere ambtenaren en dit artikel bevestigt dat de bevoegdheden van deze ambtenaren bij of krachtens de wet rechtsreeks aan hen toekomen. Het betreft hier de volgende wetten: de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de

    Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Wet waardering onroerende zaken, de Gemeentewet, de Wet milieubeheer en de Leerplichtwet. In lid 2 is bepaald dat het bestuur deze ambtenaren aanwijst.

     

    Artikel 14 Informatie- en verantwoordingsplichten

    Dit artikel werkt de informatie- en verantwoordingsplichten van art. 16 t/m 19 Wgr uit. Dat betekent dat het bestuur als orgaan alleen inlichtingen hoeft te verschaffen en dat ieder individueel lid verantwoording moet afleggen aan het college dat hem heeft aangewezen en aan de eigen raad. In dat kader moet het lid ook alle inlichtingen verschaffen die hem gevraagd worden.

     

    Met het bepaalde in lid 5 wordt uitdrukking gegeven aan het uitgangspunt dat de colleges ieder één stem verkondigen.

     

    Artikel 15 Kwaliteitsborging

    Dit artikel regelt kwaliteitsborging en spreekt voor zich.

     

    Artikel 16 Gemeentewet

    Op de financiën van de bedrijfsvoeringsorganisatie zijn de genoemde artikelen uit de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing (art. 35 lid 6 Wgr). Dat is in dit artikel herhaald. Met de toepassing van de Gemeentewet is ook het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten van toepassing.

     

    Ingevolge de artt. 212 en 213 van de Gemeentewet dient het bestuur een (of meerdere) verordening(en) vast te stellen waarin de uitgangspunten van het financiële beleid zijn opgenomen alsmede regels voor het financiële beheer en de inrichting van de financiële organisatie van de werkorganisatie, inclusief regels over de wijze van de controle daarop.

     

    Artikel 17 Financiële verantwoordelijkheid

    De werkorganisatie moet over voldoende middelen beschikken om aan zijn verplichtingen jegens derden te voldoen (art. 35 lid 6 Wgr jo. art. 194 Gemeentewet). Om die reden moeten gemeenten verplicht meewerken aan de uitvoering van de begroting (art. 10a Wgr jo. art. 194 en 195 Gemeentewet).

     

    Bij de verplichtingen aan derden gaat bijvoorbeeld om kosten als salaris- en huisvestingslasten en inkoopcontracten.

    De kostenverdeelsleutel en de financiële systematiek worden verder uitgewerkt in een bijdrageverordening

    (lid 3).

     

    Artikel 18 Kadernota

    Dit artikel is gebaseerd op art. 34b Wgr.

     

    Artikel 19 Zienswijzenprocedure en vaststelling begroting

    Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar, overeenkomstig art. 189 lid 4 Gemeentewet.

     

    De overige leden van dit artikel zijn gebaseerd op art. 34 en 35 Wgr. Eventuele begrotingswijzigingen hoeven niet voor 1 augustus van het jaar voorafgaande waarvoor de begroting dient te worden ingezonden aan gedeputeerde staten (lid 8). Dan zou begrotingswijziging na 1 augustus van dat jaar immers niet meer mogelijk zijn, terwijl het gedurende het gehele begrotingsjaar nog mogelijk is de begroting te wijzigen. De eis dat de begrotingswijziging binnen twee weken na vaststelling aan gedeputeerde staten moet worden gezonden (lid 8 jo. lid 7) geldt wel onverkort.

     

    Artikel 20 Jaarrekening

    Dit artikel is gebaseerd op art. 34 en 34b Wgr.

     

    Artikel 21 Reserves en voorzieningen

    De Nota reserves en voorzieningen bevat bepalingen over de wijze van totstandkoming en het omgaan met reserves en voorzieningen.

     

    Artikel 22 Duur

    Dit artikel bepaalt de duur van de regeling.

     

    Artikel 23 Wijziging

    Het bestuur dan wel een van de deelnemers kan voorstellen voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling doen. De colleges besluiten unaniem hieromtrent (art. 1 lid 3 jo. lid 1 Wgr en art. 6 lid 4 van de regeling), na toestemming van hun raden (art. 1 lid 3 jo. lid 2 Wgr). De wijziging regelt zelf wanneer deze in werking treedt.

     

    Artikel 24 Toetreding

    Dit artikel regelt de procedure voor toetreding van nieuwe partijen, voor zover die partijen daartoe op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen bevoegd zijn. Toetreding kan geschieden bij unaniem besluit van de deelnemers én de potentiële deelnemer (art. 1 lid 3 jo. lid 1 Wgr en art. 6 lid 4 van de regeling). De deelnemers moeten daarvoor toestemming van hun raden hebben (art. 1 lid 3 jo. lid 2 Wgr), zoals ook de potentiële toetreder dat mogelijk nodig heeft. In het toetredingsbesluit wordt bepaald wanneer de toetreding ingaat.

     

    Artikel 25 Uittreding

    Dit artikel regelt de procedure rondom uittreding van een of meerdere deelnemers. Daarbij moet, net als bij wijziging van of toetreding tot de regeling, het bepaalde over de toestemming van raden (art. 1 Wgr) in acht worden genomen.

     

    Voor de in lid 1 opgenomen termijn van vier jaar is gekozen met het oog op de incidentele kosten tot oprichting van de werkorganisatie en vanuit het oogpunt van continuïteit en bestendigheid van de werkorganisatie in de opstartfase. Indien een van de deelnemers besluit uit te treden kan dit, gezien de in lid 2 genoemde termijn van twee jaar, zodoende niet eerder plaatsvinden dan zes jaar na inwerkingtreding van deze regeling. Dit geldt niet wanneer de deelnemers hier andere afspraken over maken.

     

     

    Een uittredende deelnemer is verantwoordelijk voor de kosten die met de uittreding gepaard gaan. Daarbij valt te denken aan frictie-, desintegratie- en projectkosten. Om de uittredingssom onafhankelijk te laten vaststellen is gekozen voor een onafhankelijke commissie van een drietal deskundigen, die een bindend advies uitbrengt over de hoogte van de uittreedsom.

     

    Artikel 26 Opheffing

    Dit artikel regelt de opheffing van de werkorganisatie. Daartoe is een unaniem besluit van de deelnemers vereist (lid 1). Het bestuur stelt vervolgens een liquidatieplan op (lid 2). Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel. Indien de werkorganisatie alle op haar rustende verplichtingen is nagekomen en een batig saldo resteert, dan wordt dit batig saldo aan de hand van de gehanteerde verdeelsleutel aan gemeenten uitgekeerd. Resteert een negatief saldo, dan zijn gemeenten naar rato van de gehanteerde verdeelsleutel gehouden deze verplichtingen op zich te nemen. De werkorganisatie blijft bestaan, zolang dat voor liquidatie noodzakelijk is (lid 3; art. 9 lid 3 Wgr).

     

    Artikel 27 Archief

    Dit artikel is gebaseerd op art. 40 Archiefwet 1995 (hierna: Archiefwet). Art. 3 van de Archiefwet verplicht overheidsorganen de onder hen berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden.

     

    De kosten die met de in lid 1 bedoelde taak gepaard gaan, worden doorberekend aan de deelnemers op basis van de gehanteerde verdeelsleutel.

     

    Op grond van lid 5 is de secretaris van het bestuur – tevens de algemeen directeur – belast met het beheer van de archiefbescheiden van de werkorganisatie en het bestuur, voor zover deze niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. De archivaris is belast met het toezicht hierop.

     

    De zorg voor de archiefbescheiden omtrent de door de deelnemers gemandateerde taken, blijft berusten bij die betreffende gemeenten. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13, eerste lid van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de gemandateerde taken, is aangewezen de archiefbewaarplaats van de deelnemers.

     

    Artikel 28 Bestaande samenwerkingen en deelnemingen

    De oprichting van Werkorganisatie BUCH verandert niets aan de bestaande samenwerkingsverbanden en deelnemingen van de gemeenten. Het betreft hier immers slechts een ambtelijke fusie waarbij de structuur en de rechtspersoonlijkheid van de gemeenten ongewijzigd blijft. Derhalve is opgenomen dat de bestaande privaatrechtelijke of publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden van de gemeenten ook na oprichting van de werkorganisatie blijven bestaan (lid 1).

     

    Toch kan het uit vanuit een oogpunt van efficiency wenselijk zijn na oprichting van de werkorganisatie kritisch te kijken naar de bestaande samenwerkingsverbanden. Daarom schrijft de regeling op dit punt een inventarisatie van bestaande samenwerkingen en deelnemingen door het bestuur voor. Deze dient een jaar na oprichting van de werkorganisatie, dus voor 1 januari 2018, gereed te zijn (lid 2). Na de inventarisatie is aan het aan de colleges om te bezien welke samenwerkingsverbanden moeten worden gehandhaafd of juist kunnen worden opgezegd. Bij opzegging kunnen de colleges ervoor kiezen de betreffende taken bij de werkorganisatie onder te brengen.

     

    Artikel 29 Klachtenregeling

    Dit artikel regelt het klachtrecht ten aanzien van Werkorganisatie BUCH overeenkomstig hoofdstuk 9 Awb. Voor het externe klachtrecht is de Nationale ombudsman bevoegd (art. 1a lid 1 onder b Wet Nationale ombudsman).

     

    Artikel 30 Geschillenregeling

    Geschillen omtrent de gemeenschappelijke regeling moeten aan gedeputeerde staten worden voorgelegd (art. 28 Wgr). Dit artikel voorziet in een voorprocedure om geschillen snel te kunnen oplossen, voordat geformaliseerd wordt.

     

    Artikel 31 Inzenden regeling en bekendmaking

    De gemeente Uitgeest is belast met verzending van de regeling aan gedeputeerde staten en bekendmaking ervan (leden 1 en 2). Deze bepaling is gebaseerd op art. 26 Wgr.

     

    Het derde lid herinnert aan de inschrijvingsplicht van de colleges overeenkomstig art. 27 Wgr.

     

    Artikel 32 Inwerkingtreding

    Dit artikel is gebaseerd op art. 26 lid 3 Wgr.

     

    Artikel 33 Citeerwijze

    Dit artikel regelt de citeerwijze (de officiële naam) van de gemeenschappelijke regeling.