Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Vaals

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vaals houdende regels omtrent subsidies Subsidieverordening Vaals 2014

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieVaals
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening van de gemeenteraad van de gemeente Vaals houdende regels omtrent subsidies Subsidieverordening Vaals 2014
CiteertitelSubsidieverordening Vaals 2014
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 149 Gemeentewet
  2. titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

22-12-2018bijlage 1

17-12-2018

gmb-2018-277129

18.0009397
02-07-201622-12-2018artikel 41

14-12-2015

Gemeenteblad, 2016, 83849

15.0006406
01-01-2014Regeling vervangt Subsidieverordening Vaals 2012

16-12-2013

Vaalser Weekblad 20-12-2013

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Vaals houdende regels omtrent subsidies Subsidieverordening Vaals 2014

 

 

DEEL A ALGEMENE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Accountantsverklaring: een verklaring van een accountant naar de juistheid, tijdigheid en volledigheid van de verstrekte informatie en de gedeclareerde subsidie. Deze verklaring strekt zich niet alleen uit tot de rechtmatigheid maar ook tot een doelmatige en doeltreffende besteding van het toegekende subsidie.

  • b.

    Activiteit: een door de te subsidiëren organisatie te leveren prestatie.

  • c.

    Awb: de Algemene wet bestuursrecht.

  • d.

    Beroepskracht: een persoon, die in enig organisatorisch verband, meewerkt aan het welzijn van personen en groepen in de samenleving waardoor hij geheel of gedeeltelijk in zijn of haar levensonderhoud kan voorzien.

  • e.

    College van B&W: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals.

  • f.

    Incidenteel (activiteiten)subsidie: subsidie voor activiteiten die een eenmalig karakter, een nieuwe opzet of een veranderde werkwijze hebben; incidenteel houdt in dat deze activiteit niet in het gebruikelijk activiteitenplan van de instelling is opgenomen.

  • g.

    Jaar: het kalenderjaar (1 januari tot en met 31 december) waarvoor het subsidie wordt verleend.

  • h.

    Jeugdlid: een actief lid van een vereniging tot 21 jaarwaarbij de peildatum is gelegen op 1 januari voorafgaande aan het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft;

  • i.

    Organisatie: vereniging, stichting of instelling actief op het welzijnsterrein; organisaties die zich in het maatschappelijk leven als één organisatie presenteren, worden in het kader van deze subsidieverordening gezien als één organisatie.

  • j.

    Raad: de gemeenteraad van de gemeente Vaals.

  • k.

    (Activiteiten)Subsidie: subsidie, ter stimulering van de deelname van bepaalde verenigingen aan bepaalde activiteiten; de hoogte van de subsidie heeft een relatie met de aard en omvang van de activiteiten; deze subsidie wordt verleend en verstrekt op basis van vaste, door het college van B&W vast te stellen (genormeerde) bedragen.

  • l.

    Subsidie: subsidie als bedoeld in artikel 4:21 Awb - de aanspraak op financiële middelen, door de raad of het college van B&W verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het college van B&W geleverde goederen of diensten.

  • m.

    Subsidiebeschikking: een schriftelijk besluit tot subsidieverlening waarbij een omschrijving wordt gegeven van de te leveren activiteiten, de maximale hoogte van het subsidie en eventuele subsidievoorwaarden.

  • n.

    Subsidieovereenkomst: een overeenkomst die door de instelling en het college van B&W kan worden gesloten ter uitwerking van de subsidiebeschikking. Daarin wordt in elk geval aangegeven de looptijd van het subsidie, de maximale hoogte van het subsidiebedrag, de te verrichten activiteiten, de doelgroep met betrekking tot de te leveren activiteiten en de wijze waarop deze verantwoord moeten worden.

  • o.

    Subsidieperiode: het in de subsidiebeschikking en/ of -overeenkomst overeengekomen tijdvak waarvoor het subsidie is verstrekt.

  • p.

    Subsidieplafond: als bedoeld in artikel 4:22 Awb - het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift, zoals een verordening of op basis van een incidenteel besluit.

  • q.

    Verordening: de Algemene subsidieverordening gemeente Vaals.

  • r.

    Volwassen lid: een actief lid van de vereniging van 21 jaar of ouder waarbij de peildatum is gelegen op 1 januari voorafgaande aan het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

  • s.

    Vrijwilliger: een persoon, die in enig organisatorisch verband, meewerkt aan het welzijn van personen en groepen in de samenleving zonder hiermee een wezenlijke bijdrage te verwerven in zijn of haar levensonderhoud.

  • t.

    Waarderingssubsidie: een subsidie die door het college van B&W aan een organisatie wordt verleend als waardering voor het organiseren van vaste vereniging(gerelateerde) activiteiten; deze subsidie wordt verstrekt op basis van vaste, door het college vast te stellen, (genormeerde) bedragen.

  • u.

    Welzijn: het welbevinden en de ontplooiing van de burger voor zover deze worden bevorderd door zorg, educatie, recreatie, sport en cultuur.

  • v.

    Werkplan: een omschrijving van de door een instelling voorgenomen activiteiten voor het betreffende jaar, onder vermelding van doelstellingen, de te hanteren methode en de benodigde personele, materiële en organisatorische middelen.

Artikel 2 Reikwijdte van de verordening

Deze verordening is van toepassing op alle subsidies voor activiteiten die tot het gemeentelijk takenpakket te rekenen zijn.

Artikel 3 Bevoegdheden

Het college van B&W is bevoegd:

  • 1.

    Nadere regels vast te stellen, waarin in ieder geval wordt aangegeven:

    • a.

      welke activiteiten worden gesubsidieerd;

    • b.

      wie voor subsidie in aanmerking kunnen komen;

    • c.

      de hoogte van de subsidie voor de diverse activiteiten dan wel de berekeningswijze

  • 2.

    Gelet op bijzondere omstandigheden, ontheffing te verlenen van bepalingen en voorschriften, zoals gesteld in deze verordening.

  • 3.

    Naast de bepalingen in deze verordening bijzondere voorschriften aan het verlenen van subsidies te verbinden

  • 4.

    Om nadere voorwaarden te stellen ten aanzien van het werken met vrijwilligers, de toegankelijkheid van gebouwen voor deelnemers aan gesubsidieerde activiteiten, het betrekken van vrijwilligers en deelnemers aan activiteiten die vanuit stichtingen worden gerealiseerd.

  • 5.

    Te allen tijde aanvullende (inhoudelijke en financiële) informatie op te vragen.

Artikel 4 Algemene eisen

  • 1.

    Subsidiëring van activiteiten vindt slechts plaats voorzover deze naar het oordeel van het college van B&W in voldoende mate in het algemeen gemeentelijk belang worden geacht c.q. passend in het gemeentelijk beleid.

  • 2.

    Subsidie wordt in beginsel verleend voor een periode van één jaar.

  • 3.

    De termijn van één jaar is niet van toepassing op incidentele subsidies.

Artikel 5 Bijzondere delen (A t/m E)

  • 1.

    In de bijzondere delen (hoofdstukken) wordt voor zover mogelijk de subsidiëring nader bepaalt. De bijzondere delen bevatten:

    • 1.

      de begripsbepaling van het desbetreffende hoofdstuk

    • 2.

      eventuele bijzondere bepalingen.

  • 2.

    Bijzondere delen worden in elk geval vastgesteld op het gebied van:

    • 1.

      B, Specifiek welzijn;

    • 2.

      C, Sociale cohesie en leefbaarheid;

    • 3.

      D, Evenementen.

Artikel 6 Evaluatie, beoordeling en indexering

EVALUATIE

De subsidieverordening c.q. bijzondere delen worden eenmaal in de vier jaar geëvalueerd/ bijgesteld.

BEOORDELING

De bepalingen in de verordening worden beoordeeld op de “smart”-criteria. De subsidiebepaling dient specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en in tijd geplaatst te zijn. De bedragen worden beoordeeld op de mate waaraan zij bijdragen aan het bereiken van het gewenste effect.

Concreet is getoetst aan de principes die aan de subsidieverordening ten grondslag liggen:

  • 1.

    subsidie wordt verstrekt ten behoeve van het uitvoeren van activiteiten; het activiteitensubsidie staat daarmee centraal.

  • 2.

    naast de waardering voor de activiteiten is subsidie een belangrijk middel om doelstellingen van gemeentelijk beleid gerealiseerd te krijgen zoals meer jeugdigen aan het sporten te krijgen; ook is subsidie een middel om het beoefenen van muziek, dans of toneel te stimuleren, activiteiten voor jongeren, gehandicapten en ouderen te organiseren en overleg tussen diverse verenigingen en gemeente te structureren.

INDEXERING

Een belangrijke bijstelling betreft de indexering van de bedragen.

Vanaf 2014 zijn de nadere regels uitgewerkt in een subsidietabel. De hierin opgenomen bedragen worden jaarlijks geïndexeerd op basis van de bij de gemeente gehanteerde wijze van indexering (prijsindexcijfer van het CBS).

HOOFDSTUK 2 SUBSIDIEPROCEDURE

Artikel 7 Eisen subsidieverlening

Subsidie kan worden verleend indien wordt aangetoond dat:

  • 1.

    De organisatie een zodanige werkwijze toepast en de activiteiten zodanig toegankelijk zijn dat redelijkerwijs de beoogde doelstelling(en) bereikt zal c.q. zullen worden.

  • 2.

    Met inbegrip van de te verlenen subsidie de benodigde financiële middelen ter beschikking staan om realisering van de doelstelling(en) te bereiken.

  • 3.

    De organisatie naast het subsidie ook heeft getracht om eigen middelen te genereren.

Artikel 8 De subsidieaanvraag

  • 1.

    Een aanvraag om een incidenteel (activiteiten)subsidie wordt gedaan 3 maanden voordat de activiteit plaatsvindt. De aanvraag dient vergezeld te zijn van een gespecificeerde begroting met toelichting en een beschrijving van de activiteit.

  • 2.

    Een verzoek om jaarlijkse (structurele) subsidieverlening moet uiterlijk 15 mei van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, door de gemeente ontvangen zijn;

  • 3.

    Het college van B&W stelt voor die aanvraag standaardformulieren beschikbaar. In de begeleidende brief, die samen het het aanvraagformulier verstuurd wordt, is aangegeven welke gegevens nodig zijn voor het in behandeling nemen van de aanvraag.

  • 4.

    Het college van B&W bevestigt onverwijld schriftelijk de ontvangst van de aanvraag.

  • 5.

    Mocht de aanvraag of de aan te leveren gegevens op 15 mei niet compleet zijn dan stelt het college van B&W de aanvrager in de gelegenheid om de aanvullende gegevens alsnog binnen een redelijke termijn (hersteltermijn) te verstrekken.

Artikel 9 Weigeringsgronden

De subsidieverlening kan naast de in de artikel 4:25 en 4:35 van de Awb genoemde gevallen geweigerd worden indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

  • 1.

    De activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen zijn op de gemeente Vaals of niet aanwijsbaar ten goede komen aan de inwoners van de gemeente Vaals.

  • 2.

    De gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen worden voor het doel waarvoor het subsidie beschikbaar wordt gesteld.

  • 3.

    De aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde.

  • 4.

    De aanvrager ook zonder subsidie over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken.

  • 5.

    De subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de gemeente.

Artikel 10 Het subsidieplafond

  • 1.

    De raad stelt jaarlijks het subsidieplafond vast voor de beleidsterreinen die in deze verordening zijn opgenomen.

  • 2.

    Voor zover bij wettelijk voorschrift niet is voorzien in de verdeling van de beschikbare gelden kan het college van B&W omtrent die verdeling beleidsregels vaststellen.

Artikel 11 De beschikking tot subsidieverlening

  • 1.

    a. De beschikking op de jaarlijkse (structurele) subsidie-aanvraag wordt uiterlijk op 31 december afgegeven.

  • b.

    Het college van B&W neemt binnen 6 weken een besluit over de ingediende incidentele (activiteiten)subsidieaanvraag en vervolgens ontvangt de aanvrager een beschikking.

  • 2.

    In de beschikking tot subsidieverlening staat;

    • 1.

      een omschrijving van het soort subsidie (waardering, stimulering, activiteiten, uniformen) dat wordt verleend.

    • 2.

      het maximum bedrag van het subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald of het bedrag waarop het subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld.

  • 3.

    Indien het subsidie wordt verleend in de vorm van een periodieke aanspraak op financiële middelen, wordt eveneens het tijdvak vermeld waarvoor het subsidie wordt verleend.

  • 4.

    Bij het niet nakomen van de gestelde termijn in artikel 8 lid 2 dan wel artikel 8 lid 5, heeft het college van B&W de bevoegdheid het subsidie alsnog te verlenen of vast te stellen op 75% van het definitieve vastgestelde subsidie van het daaraan voorafgaande jaar.

Artikel 12 Verplichtingen van de subsidie-ontvanger

  • 1.

    Naast de in artikel 4:37, eerste lid, van de Awb genoemde verplichtingen, kan het college van B&W de subsidie-ontvanger ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van het subsidie.

  • 2.

    Verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van het subsidie kunnen slechts betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

Artikel 13 Subsidievaststelling

  • 1.

    Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het college van B&W het subsidie vast (artikel 4:46 van de Awb) overeenkomstig de subsidieverlening.

  • 2.

    Het subsidie kan lager worden vastgesteld indien:

  • a.

    De activiteiten waarvoor subsidie is verleend, niet of niet geheel hebben plaatsgevonden.

  • b.

    De subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • c.

    De subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid of

  • d.

    De subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.

Artikel 14 Ambtshalve subsidievaststelling

Het college van B&W kan het subsidie geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen (artikel 4:47 van de Awb) indien:

  • 1.

    Bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening een termijn is bepaald binnen welke het subsidie ambtshalve wordt vastgesteld;

  • 2.

    Toepassing wordt gegeven aan artikel 4:44, vierde lid van de Awb of

  • 3.

    De beschikking tot subsidieverlening of -vaststelling wordt ingetrokken of ten nadele van de ontvanger wordt gewijzigd.

Artikel 15 Intrekking en wijziging zolang subsidie niet is vastgesteld

  • 1.

    Zolang het subsidie niet is vastgesteld kan het college van B&W de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen indien:

  • 2.

    De activiteit waarvoor het subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;

  • 3.

    De subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

  • 4.

    De subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidie-verlening zou hebben geleid.

  • 5.

    De subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten of

  • 6.

    Met toepassing van artikel 4:34, vijfde lid, van de Awb, een beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

  • 7.

    De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop het subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

Artikel 16 Intrekking en wijziging nadat het subsidie is vastgesteld

  • 1.

    Het college van B&W kan de subsidievaststelling intrekken (artikel 4:49 van de Awb) of ten nadele van de ontvanger wijzigen:

  • 2.

    Op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan het subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld.

  • 3.

    Indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten of

  • 4.

    Indien de subsidie-ontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 5.

    De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop het subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

  • 6.

    De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt, dan wel in het geval bedoeld in lid 4, sedert de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.

Artikel 17 Subsidiebetaling

  • 1.

    Uiterlijk 1 februarivan het jaar waarop het subsidie betrekking heeft, zullen de jaarlijkse subsidie bedragen (waarderingssubsidies en stimuleringssubsidies) betaalbaar gesteld worden, met uitzondering van de

    jaarlijks toe te kennen activiteitensubsidies.

  • 2.

    Activiteitensubsidies voor het betreffende subsidiejaar worden uiterlijk 1 maart volgend op het subsidiejaar

    betaalbaar gesteld; de subsidieaanvrager dient hiervoor uiterlijk 1 februari van het jaar volgend op het

    subsidiejaar een definitief overzicht met daadwerkelijk uitgevoerde activiteiten aan het college van B&W te

    overhandigen.

  • 3.

    Het college van B&W kan bepalen dat het subsidie in meerdere termijnen betaalbaar wordt gesteld.

  • 4.

    Het college van B&W kan voorschotten tot 100% van het subsidie betaalbaar stellen indien de liquiditeitspositie van de organisatie dit vereist.

  • 5.

    Teveel ontvangen voorschotten op subsidie kunnen door het college van B&W worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend met het subsidie van het jaar volgend op het jaar, waarin het subsidie is vastgesteld.

  • 6.

    Indien tussentijds blijkt, dat het aan een instelling verleende subsidie niet toereikend is, kan overschrijding hiervan slechts plaatsvinden, indien daarvoor voorafgaande toestemming van het college van B&W is verkregen. Het college van B&W geeft daarbij de hoogte van het aanvullende subsidie aan.

HOOFDSTUK 3 INCIDENTEEL EN WAARDERINGSSUBSIDIE

Artikel 18 Waarderingssubsidie

Het college van B&W kan een subsidie als waarderingssubsidie aanmerken, indien hij bepaalde activiteiten van belang acht. Deze waardering is structureel en hiervoor gelden genormeerde bedragen (jaarlijks vast subsidiebedrag).

Artikel 19 Incidenteel subsidie

  • 1.

    Het college van B&W kan ten behoeve van eenmalige activiteiten of activiteiten met een nieuwe opzet of een veranderde werkwijze een incidenteel subsidie verlenen (Fonds Stimulering Welzijn).

  • 2.

    Onder een incidentele subsidieaanvraag wordt verstaan een aanvraag die betrekking heeft op een activiteit die plaatsvindt binnen 3 maanden nadat de aanvraag is ingediend.

HOOFDSTUK 4 BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 20 Beëindiging activiteiten

  • 1.

    Indien een organisatie wordt opgeheven geeft het bestuur van de organisatie daarvan schriftelijk kennis aan het college van B&W, met bijvoeging van een liquidatie-overzicht.

  • 2.

    Indien een batig liquidatiesaldo resteert kan het college van B&W terugstorting van dit saldo verlangen, voor zover mag worden aangenomen dat het saldo door het verlenen van gemeentelijk subsidie is gevormd;

  • 3.

    Van dit batig saldo mag de organisatie, na instemming van het college van B&W, maximaal 10% bestemmen voor een activiteit die in het verlengde ligt van de door de betreffende organisatie uitgevoerde activiteiten dan wel gericht is op dezelfde doelgroep.

Artikel 21 Jaarrapportage en accountantsverklaring

  • 1.

    Uiterlijk op 1 april van het jaar volgend op het subsidiejaar brengt de organisatie verslag uit (jaarrapportage) van het door haar in het jaar waarvoor het subsidie is verleend uitgevoerde activiteiten conform de daartoe door het college van B&W vastgestelde richtlijnen; deze voorwaarde geldt niet voor subsidiebedragen tot € 10.000,--;

  • 2.

    Indien het jaarlijks in zijn totaliteit aan de organisatie toegekende subsidie meer dan (€ 50.000,--) bedraagt, dient de in lid 1 genoemde rapportage te zijn voorzien van een accountantsverklaring.

  • 3.

    Het college van B&W kan een organisatie ontheffing verlenen van de in leden 1 en 2 opgenomen verplichtingen.

  • 4.

    Verenigingen die meer dan € 10.000,-- subsidie ontvangen kunnen gevraagd worden om financiële verantwoording en een inhoudelijk jaarverslag aan te bieden aan het college van B&W. Organisaties die deze documenten moeten overleggen, zullen hierop in de beschikking tot subsidieverlening worden gewezen.

DEEL B SUBSIDIËRING SPECIFIEK WELZIJN

HOOFDSTUK 1 EMANCIPATIEWERK

Artikel 1 Begripsbepaling

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder emancipatiewerk, activiteiten verstaan die:

  • 1.

    de bewustwording van de individuele en/of groepen vrouwen bevorderen met betrekking tot hun rol en positie;

  • 2.

    kunnen leiden tot doorbreking van de rolbeperking tussen vrouwen en mannen;

  • 3.

    gericht zijn op het veranderen van situaties waarin sprake is van een onrechtvaardig verschil in behandeling tussen mannen en vrouwen;

  • 4.

    gericht zijn op het veranderen van maatschappelijke structuren en verhoudingen die belemmeringen en achterstanden voor vrouwen veroorzaken.

Artikel 2 Bijzondere bepalingen

  • 1.

    Vrouwenorganisaties uit de gemeente Vaals, zijnde een plaatselijke afdeling van de Limburgse Vrouwenbeweging (Zij Aktief), die actief op het emancipatieterrein dan wel hierop gericht zijn, dienen indien zij een beroep wensen te doen op de post emancipatiegelden hiertoe jaarlijks een aanvraag voor het verstrekken van een bijdrage in de kosten voor specifiek emancipatoir gerichte activiteiten in te dienen.

  • 2.

    Personen die deelnemen aan de in lid 1 genoemde activiteiten, zijnde minimaal 5 personen, dienen een eigen bijdrage van 25% in de kosten te leveren, tenzij door het college van B&W anders bepaald.

HOOFDSTUK 2 KUNSTZINNIGE VORMING

2.1 Algemeen Muzikaal Vormend Onderwijs (A.M.V.O.) - Vaals.

Artikel 3 Begripsbepaling

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder A.M.V.O.-Vaals verstaan: de organisatie die de leerlingen van de basisscholen in de gemeente Vaals in de gelegenheid stelt in het kader van het Algemeen Muzikaal Vormend Onderwijs blokfluitlessen te volgen, waardoor de kinderen zich op een gepaste wijze kunnen uiten in de taal van de muziek.

Artikel 4 Bijzondere bepaling

Alleen leerlingen van de basisscholen in de gemeente Vaals komen voor subsidie in aanmerking.

2.2 Kunstzinnige vorming basisonderwijs

Artikel 5 Begripsbepaling

De kunstzinnige vorming in het basisonderwijs houdt in het organiseren van activiteiten onder andere op het gebied van beeldende kunst, dansante en muzikale vorming en dramatische expressie.

Artikel 6 Bijzondere bepaling

Het subsidie wordt verleend aan één organisatie in de gemeente Vaals die aan alle kinderen van de basisscholen in de gemeente Vaals jaarlijks een programma aanbiedt.

1.De in lid 1 genoemde organisatie staat bekend onder de naam Stichting Kunstzinnige Vorming Vaals (SKV).

Artikel 7 Subsidiabele kosten

De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking:

  • 1.

    Vervoerskosten van leerlingen van de basisscholen naar de plaats van de activiteit;

  • 2.

    Kosten van kunstenaars, artiesten die een activiteit verzorgen;

  • 3.

    Secretariaatskosten (o.a. telefoon, kopieerwerk);

  • 4.

    Huur ten behoeve van een activiteit;

  • 5.

    Andere door het college van B&W goedgekeurde kosten.

HOOFDSTUK 3 AMATEURISTISCHE KUNSTBEOEFENING

 

Artikel 8 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder

  • 1.

    Muziekvereniging: een organisatie, die zich uitsluitend of in hoofdzaak ten doel stelt het bevorderen van instrumentale muziek in het kader van:

    Categorie I: harmonie- en fanfarekorpsen

    Categorie II: mandoline- en accordeonverenigingen

  • 2.

    Zanggezelschap: dameskoor, mannenkoor, jeugdkoor of gemengd koor, aangesloten bij een landelijke of gewestelijke organisatie, die de bevordering van de koorzang in de gemeente Vaals ten doel heeft.

  • 3.

    Toneelgezelschap: een gezelschap dat uitsluitend of overwegend volkstoneel uitoefent.

  • 4.

    Dansgezelschap: een gezelschap welk ten doel heeft het in groepsverband beoefenen van de dansvorm volksdans, ballet, jazz-dance, niet zijnde een sportvereniging, en dat aangesloten is bij een landelijke, provinciale of regionale organisatie welke de bevordering van de betreffende dansvorm(en) tot doel heeft.

Artikel 9 Concertreizen

  • 1.

    Het subsidie kan slechts eenmaal in de 4 jaren worden verleend.

  • 2.

    De verenigingen die een subsidie op grond van dit artikel wensen te ontvangen, dienen daartoe uiterlijk drie maanden voor de concertreis te overleggen:

    • a.

      een programma van de bedoelde reis met vermelding van tenminste reisduur, plaats van bestemming, het aantal uit te voeren concerten en het repertoire;

    • b.

      een verklaring houdende mededeling of reeds eerder een dergelijke financiële bijdrage is ontvangen en tot welk bedrag;

    • c.

      een begroting van de inkomsten en uitgaven met beknopte doch duidelijke toelichting;

    • d.

      een overzicht van de eigen financiële inbreng van leden waarbij deze inbreng dient minstens 85% van de totale kosten dient te bedragen, tenzij naar het oordeel van het college van B&W op een andere wijze de benodigde gelden voor de concertreis worden verkregen.

3.1 Muziekvereniging

Artikel 10 Bijzondere bepalingen

Voor het verkrijgen van subsidie dienen muziekverenigingen:

  • 1.

    Elk jaar tenminste deel te nemen aan één carnavalsoptocht te Vaals, Vijlen of Lemiers, met uitzondering van de in categorie II vermelde verenigingen en medewerking te verlenen aan twee activiteiten, op verzoek van en in goed overleg met het college van B&W.

  • 2.

    Het college van B&W is bevoegd ontheffing te verlenen van het gestelde in lid 1.

3.2 Zanggezelschappen

Artikel 11 Bijzondere bepalingen

Voor het verkrijgen van subsidie dienen zanggezelschappen:

  • 1.

    Medewerking te verlenen aan een tweetal openbare concerten of voorstellingen, op verzoek van en in goed overleg met het college van B&W;

  • 2.

    Het college van B&W is bevoegd om ontheffing te verlenen van het gestelde in lid 1;

  • 3.

    Het maximaal aantal te subsidiëren actief deelnemende leden bedraagt 100 personen per koor.

3.3 Toneelgezelschappen

Artikel 12 Bijzondere bepalingen

Voor het verkrijgen van subsidie dienen toneelgezelschappen minimaal 1 uitvoering per jaar te verzorgen in de gemeente Vaals.

3.4 Dansgezelschappen

Artikel 13 Bijzondere bepalingen

Voor het verkrijgen van subsidie dienen dansgezelschappen, op verzoek van en in goed overleg met het college van B&W, jaarlijks medewerking te verlenen aan een tweetal festiviteiten.

HOOFDSTUK 4 VOLKSCULTUUR

 

Artikel 14 Begripsbepaling

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder

  • 1.

    Volkscultuur: alle activiteiten die gericht zijn op de instandhouding van zeden en gebruiken in de gemeente Vaals.

  • 2.

    Schutterij: organisatie die tot doel heeft het in kameraadschappelijke geest beleven van de gebruiken en oefeningen, behorende bij de traditie van het schutterswezen.

  • 3.

    Oranje-comité: organisatie die zich specifiek bezig houdt met het organiseren van festiviteiten ter gelegenheid van Koningsdag in de kernen Vaals, Vijlen of Lemiers.

  • 4.

    Carnavalsvereniging: organisatie die als doelstelling heeft het bevorderen van de beleving van carnaval en het in stand houden van carnavaleske folklore;

4.1 Schutterijen

Artikel 15 Bijzondere bepalingen

Voor het verkrijgen van subsidie dienen schutterijen:

  • 1.

    Aangesloten te zijn bij een landelijke en/of provinciale bond;

  • 2.

    Medewerking te verlenen aan een tweetal openbare concerten, optochten of voorstellingen in de gemeente Vaals, op verzoek van en in goed overleg met het college van B&W;

  • 3.

    Het college van B&W is bevoegd om ontheffing te verlenen van het gestelde in lid 2;

4.2 Carnavalsverenigingen

Artikel 16 Bijzondere bepalingen

Het subsidie is een waardering voor de totale carnavalsactiviteiten (en gerelateerde activiteiten) die de carnavalsvereniging voor de gemeenschap organiseert.

HOOFDSTUK 5 JEUGD- EN JONGERENWERK

 

Artikel 17 Begripsbepaling

  • 1.

    Georganiseerd jeugd- en jongerenwerk: plaatselijk jeugd- en jongerenwerk, gevestigd in de gemeente Vaals, dat uitsluitend onder leiding van vrijwilligers in georganiseerd verband wordt uitgevoerd; voor de toepassing hiervan wordt onder jeugd- en jongerenwerk verstaan; - het leveren van een bijdrage aan een goede ontwikkeling en het vergroten van ontplooiingsmogelijkheden van jeugd en jongeren - .

  • 2.

    Kindervakantiewerk: het organiseren en uitvoeren van activiteiten ten behoeve van jeugdigen van 4 t/m 14 jaar gedurende de zomervakantie.

  • 3.

    Speeltuin: een door de gemeente aangewezen openbare speelplek.

  • 4.

    Speeltuinorganisatie: een lokale vereniging of stichting die als toezichthouder en/of beheerder optreedt voor één of meerdere speeltuinen.

5.1 Georganiseerd Jeugd- en Jongerenwerk

Artikel 18 Bijzondere bepalingen

  • 1.

    De organisatie dient aangesloten te zijn bij een landelijke, provinciale of regionale organisatie ten behoeve van het jeugd en jongerenwerk;

  • 2.

    De organisatie dient tenminste 10 jeugdleden, woonachtig in de gemeente Vaals, te hebben;

  • 3.

    Ten aanzien van het gestelde aantal in lid 2, kan van afgeweken worden, zulks ter beoordeling van het college van B&W;

  • 4.

    De organisatie dient minimaal 1 keer per jaar een jongerenactiviteit te organiseren waaraan de hele kern kan deelnemen.

5.2 Kindervakantiewerk

Artikel 19 Bijzondere bepalingen

  • 1.

    Een activiteit komt niet voor subsidie in aanmerking indien het aantal deelnemers minder bedraagt dan 10.

  • 2.

    Alleen deelnemers in de leeftijd van 4 t/m 14 jaar woonachtig in de gemeente Vaals, worden in de subsidieberekening betrokken (het subsidie wordt elk jaar na afloop van de activiteit vastgesteld op basis van het werkelijk aantal deelnemers; de organisatie overlegt hiertoe binnen vier weken na afloop van de activiteit een overzicht met namen, adressen, en geboortedata).

5.3 Speeltuinwerk

Artikel 20 Bijzondere bepalingen

De speeltuinorganisatie(vereniging) c.q. stichting dient aangesloten te zijn bij een landelijke, provinciale of regionale organisatie ten behoeve van het speeltuinwerk.

HOOFDSTUK 6 PEUTERSPEELZAALWERK

Artikel 21 Begripsbepaling

  • 1.

    Peuterspeelzaalwerk: Een laagdrempelige voorziening in een uitnodigende omgeving bestemd voor kinderen van 2-4 jaar. Binnen deze voorziening worden de kinderen ondersteund in hun emotionele, sociale en motorische ontwikkeling door o.a. gebruik te maken van spel, methodische aanpak onder professionele leiding. Dit alles in samenspraak met ouders en opvoeders.

  • 2.

    Peuterspeelzaal: een laagdrempelige voorziening in de buurt waar kinderen van 2-4 jaar buiten het gezin op geregelde tijden en gedurende bepaalde delen van de dag kunnen deelnemen aan peuterspeelzaalwerk.

Artikel 22 Bijzondere bepalingen

  • 1.

    De peuterspeelzaal dient minimaal twee dagen per week, 2,5 aaneengesloten uren geopend te zijn.

  • 2.

    Een peuter verblijft per dag niet meer dan één dagdeel van maximaal 3,5 aaneengesloten uren op de peuterspeelzaal.

  • 3.

    De leiding van de peuterspeelzaal berust bij gekwalificeerde beroepskrachten. Zij worden ondersteund door vrijwilligers.

  • 4.

    De accommodatie dient geschikt te zijn voor peuterspeelzaalwerk, ter beoordeling van het college van B&W en dient te voldoen aan de geldende eisen van de GGD.

  • 5.

    Plaatsing van peuters dient te geschieden op basis van leeftijd en inschrijvingsperiode, waarbij doelgroepkinderen en risicokinderen voorrang genieten bij plaatsing.

HOOFDSTUK 7 OUDERENWERK

Artikel 23 Begripsbepalingen

  • 1.

    Ouderenorganisatie: een organisatie die op lokaal niveau activiteiten organiseert, die gericht zijn op sociale, educatieve, creatieve en recreatieve ontplooiing van ouderen;

  • 2.

    Ouderen: personen in de leeftijd van 55 jaar en ouder;

  • 3.

    Vrijwillige Hulpdienst Vaals: het orgaan dat zich ten doel stelt middels samenwerking met óf huisartsen, wijkverpleegkundigen, maatschappelijk werkers of de werkers in het bejaardencentrum, een bijdrage te leveren aan het welzijn van de bewoners in de gemeente Vaals, en van de ouderen in het bijzonde;

  • 4.

    Zonnebloemorganisaties: organisaties die zich inzetten voor activiteiten voor en het onderhouden van contacten met langdurig zieken, gehandicapten, bejaarden en eenzame mensen in de gemeente Vaals;

  • 5.

    Huiskamer: een ontmoetingsruimte in de gemeente Vaals met een open karakter ten behoeve van ouderen die door omstandigheden niet meer deel (kunnen) nemen aan activiteiten in hun woonomgeving en daardoor in een sociaal isolement geraken en ouderen die leeftijdgenoten willen ontmoeten en daardoor sociale contacten in stand houden.

HOOFDSTUK 8 GEHANDICAPTENORGANISATIES

Artikel 24 Begripsbepaling

Een (vrijwilligers)organisatie, gevestigd in de gemeente Vaals, die zich inzet voor het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem, woonachtig in de gemeente Vaals.

Artikel 25 Bijzondere bepalingen

De organisatie dient minimaal 10 deelnemers te hebben.

HOOFDSTUK 9 HEEMKUNDE

Artikel 26 Begripsbepaling

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder de heemkundeorganisatie verstaan: de lokale organisatie die onderzoek verricht naar heemkundige vraagstellingen, het verzamelen en archiveren van geschiedkundige gegevens alsmede het zich inzetten voor het behoud van cultuur-historische objecten met betrekking tot de gemeente Vaals.

HOOFDSTUK 10 OVERIGE SUBSIDIABELE ORGANISATIES EN ACTIVITEITEN

Artikel 27 Begripsbepaling

Overige subsidiabele organisaties: organisaties niet vallende onder voorgaande hoofdstukken waaraan subsidie kan worden verleend ten behoeve van activiteiten die naar het oordeel van het college van B&W in het plaatselijk belang zijn.

HOOFDSTUK 11 SPORT EN RECREATIE

Artikel 28 Begripsbepaling

Sport en recreatie: sport- en recreatieve organisaties die tot doel hebben de bevordering van de sportbeoefening onder met name de jeugdigen en jongeren.

Artikel 29 Bijzondere bepalingen

Organisaties dienen aangesloten te zijn bij een landelijke, regionale of provinciale organisatie ten behoeve van de sport, tenzij anders bepaald door het college van B&W.

In het kader van het gemeentelijk beleid om jeugdigen meer te laten bewegen en sporten dient een organisatie c.q. sportvereniging minimaal 1 x per jaar actief jeugdleden te werven onder de niet-sporters en nauw samen te werken met de basisschool op het gebied van de verlengde schooldag en/of schoolsport.

HOOFDSTUK 12 JUBILEA EN KAMPIOENSCHAPPEN

Artikel 30 Begripsbepaling

  • 1.

    Onder jubilea wordt verstaan:

  • a.

    25-, 40-, 50-, 75- en 100-jarige en volgende bestaansvieringen met een veelvoud van 25 jaren;

  • b.

    11-jarige bestaansfeesten van carnavalsverenigingen of een veelvoud daarvan.

  • 3.

    Onder kampioenschappen wordt verstaan de door landelijke, provinciale of regionale overkoepelende organisaties algemeen erkende kampioenschappen ten behoeve van sociaal-cultureel werk en sport.

Artikel 31 Bijzondere bepalingen

Alleen lokale organisaties die zijn aangesloten bij een landelijke, regionale of provinciale organisatie komen in aanmerking, tenzij anders bepaald door het college van B&W.

HOOFDSTUK 13 ADVIESRADEN

Artikel 32 Begripsbepaling

  • 1.

    Adviesraad: een adviesorgaan dat het college van B&W gevraagd en ongevraagd advies geeft.

  • 2.

    Seniorenraad: de raad, samengesteld uit plaatselijke ouderenorganisaties al dan niet aangevuld met adviserende instanties, die ten doel heeft de activiteiten, die in het kader van het ouderenwerk uitgevoerd worden of gaan worden, te initiëren, te stimuleren en te coördineren;

  • 3.

    Gehandicaptenplatform; een adviesorgaan bestaande uit deelnemers van een gehandicapten-organisatie en/of uit mensen die zich op een andere wijze inzetten voor het gehandicaptenbeleid en het college van B&W gevraagd en ongevraagd van advies dient inzake het gehandicaptenbeleid;

  • 4.

    WMO-raad: een raad die ten doel heeft, in overleg met de gemeente, het beleid en de uitvoering op het gebied van maatschappelijke ondersteuning voor te bereiden; door deze raad wordt invulling gegeven aan de, op basis van de WMO, verplichte cliëntparticipatie.

Artikel 33 Bijzondere bepalingen

De bijdrage aan het gehandicaptenplatform behelst tevens de door het platform georganiseerde activiteiten,

HOOFDSTUK 14 MUZIEKONDERWIJS

Artikel 34 Begripsbepaling

Dit hoofdstuk is van toepassing op het door de plaatselijke verenigingen, genoemd in artikel 8 lid 1 en schutterijen, te volgen muziekonderwijs.

Artikel 35 Bijzondere bepalingen

  • 1.

    Het onderwijs wordt verdeeld in hafa-, mandoline- en muziekonderwijs voor schutterijen;

  • 2.

    De leeftijdsgrens van de leerlingen is vastgesteld op 6 t/m 20 jaar;

  • 3.

    Afhankelijk van het te bespelen instrument, is het maximaal aantal lesjaren vastgesteld op 8 jaar;

  • 4.

    De toekenning van subsidie aan verenigingen wordt jaarlijks door het college van B&W bepaald aan de hand van een opgave voor noodzakelijk geacht muziekonderwijs (op basis van het aantal leerlingen) die door de desbetreffende vereniging moet worden ingediend;

  • 5.

    Bij de subsidie-afrekening dienen de daadwerkelijk gemaakte kosten middels onderliggende stukken door de vereniging te worden aangetoond.

HOOFDSTUK 15 BIBLIOTHEEKWERK, DE KOPERMOLEN, FRAICHE EN JEUGDGEBOUW VIJLEN

Artikel 36 Begripsbepaling

  • 1.

    Bibliotheek: de in de Tamboerijn gevestigde bibliotheek Vaals welk onderdeel uitmaakt van de Bibliotheek Heuvelland;

  • 2.

    Stichting de Kopermolen: de stichting die tot doel heeft het gebouw “oude Lutherse kerk” in Vaals te exploiteren en er uitingen van kunst en cultuur te organiseren;

  • 3.

    Stichting Fraiche: de stichting die tot doel heeft het uitvoeren van activiteiten die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling en het vergroten van de ontplooiingsmogelijkheden van jongeren met name op maatschappelijk, recreatief en educatief vlak.

  • 4.

    Stichting Jeugdgebouw Vijlen: de stichting die tot doel heeft om het Jeugdgebouw in Vijlen te beheren, exploiteren en beschikbaar te stellen aan particulieren en organisaties, die het Jeugdgebouw kunnen gebruiken voor eigen activiteiten of voor activiteiten die aangeboden worden aan derden.

Artikel 37 Bijzondere bepalingen

  • 1.

    Voorwaarden voor activiteitensubsidie Stichting Fraiche:

  • -

    Aangetoond moet worden dat de stichting door deze activiteiten:

  • ñ

    Andere of nieuwe activiteiten organiseert voor de huidige doelgroep;

  • ñ

    Andere of nieuwe activiteiten organiseert met als doel een nieuwe doelgroep aan te trekken of de huidige doelgroep te verbreden.

  • -

    De stichting dient dit budget jaarlijks voor 1 december middels een schrijven aan te vragen. In dit schrijven dient duidelijk aangegeven te zijn dat de stichting aan de genoemde criteria voldoet / heeft voldaan. Het extra activiteitenbudget kan door de stichting achteraf worden aangevraagd. Het bedrag kan in zijn totaliteit voor een aantal georganiseerde activiteiten worden uitbetaald. Elke afzonderlijke activiteit dient beschreven en voorzien te zijn van een begroting. Er hoeven geen deelbedragen voor elke activiteit afzonderlijk te worden uitbetaald of aangevraagd.

HOOFDSTUK 16 FONDS STIMULERING WELZIJN

Artikel 38 Begripsbepaling

Fonds Stimulering Welzijn: een gemeentelijk fonds welk ten doel heeft aanvullende geldelijke steun te verlenen aan lokaal werkzame organisaties voor sociaal cultureel werk, sport en recreatie en jeugd- en jongerenwerk.

Artikel 39 Bijzondere bepalingen

  • 1.

    Geen subsidie wordt verleend aan activiteiten, die reeds worden gehonoreerd als een activiteitensubsidie als bedoeld in de hoofdstukken 1 t/m 11 van deze verordening.

  • 2.

    Subsidie wordt verleend aan het ontplooien van nieuwe activiteiten, welke in de gemeente Vaals worden georganiseerd door een reeds bestaande lokale organisatie dan weleen nieuw opgerichte lokale organisatie.

  • 3.

    Subsidie wordt verleend voor het uitvoeren van activiteiten die binnen de doelstellingen van organisaties vallen, actief op de terreinen zoals vermeld in artikel 38, mits deze de gebruikelijke/ bestaande activiteiten en budgetten overstijgen:

  • 1.

    de aard van de activiteit moet betrekking hebben op cultuur, sport of jeugd, die door de te subsidiëren vereniging wordt beoefend;

  • 2.

    het betreft een grootschalige activiteit waaraan minimaal 3 organisaties, zijnde niet afkomstig uit de gemeente Vaals, en 100 deelnemers deelnemen;

  • 3.

    de samenleving moet bij de activiteit worden betrokken en moet gericht zijn op het inbedden van de doelstellingen van de organiserende vereniging in onze samenleving c.q. gericht op deelname van het betreffende terrein en aantrekkingskracht hebben op (nieuwe) leden.

  • 4.

    Het subsidieplafond bedraagt € 7.500,--

HOOFDSTUK 17 FONDS UNIFORMEN

Artikel 40 Begripsbepaling

  • 1.

    Fonds Uniformen: Een gemeentelijk fonds van € 35.000,-- welk ten doel heeft om geüniformeerde verenigingen harmonieën en schutterijen aanvullende geldelijke steun te verlenen voor de aanschaf van nieuwe uniformen (de algehele vervanging van oude uniformen door nieuwe).

  • 2.

    Overige geüniformeerde verenigingen: Hieronder wordt verstaan de muziekverenigingen, niet zijnde de harmonieën, fanfaren en schutterijen, de zanggezelschappen, de dansgezelschappen, de carnavalsverenigingen, de binnen- en buitensportvereningen, welke in verband met optredens danwel wedstrijden gebruik maken van verenigingsuniformen of verenigingtenues.

Artikel 41 Bijzondere bepalingen

  • 1.

    Een harmonie, fanfare of schutterij kan middels maatwerk de vervanging van de uniformen laten plaatsvinden, waarbij de bijdrage van de gemeente gespreid over meerdere jaren binnen een tijdspanne van maximaal 12 jaar kan geschieden;.

  • 2.

    De overige geüniformeerde verenigingen komen jaarlijks voor een bijdrage per actief lid in aanmerking (gelijktijdig aanvragen met het reguliere subsidie).

DEEL C SUBSIDIËRING SOCIALE COHESIE EN LEEFBAARHEID

Artikel 1 Algemene bepalingen

De gemeente Vaals vindt het belangrijk dat op buurtniveau de sociale cohesie en de leefbaarheid in buurten en wijken wordt versterkt.

Een organisatie kan voor het bevorderen van de sociale cohesie en leefbaarheid in hun wijk of kern voor subsidie in aanmerking komen.

Artikel 2 Bijzondere bepalingen

  • 1.

    Verenigingen, stichtingen, instanties en dorps- en wijkplatforms uit de gemeente Vaals kunnen voor subsidie in aanmerking komen;

  • 2.

    Een (buurt)vereniging, stichting of instantie kan in het kader van het bevorderen van sociale cohesie voor maximaal twee activiteiten per jaar subsidie ontvangen;

  • 3.

    De in lid 2 genoemde activiteiten dienen te liggen op het gebied van sport, spel, sociaal-culturele activiteiten etc. en tevens moet de basis van de activiteit gelegen zijn in het versterken van de sociale cohesie waarbij het minimum aantal deelnemers 50 moet bedragen;

  • 4.

    De activiteiten voor het bevorderen van sociale cohesie dienen voor iedereen toegankelijk te zijn;

  • 5.

    Activiteitensubsidies worden uitbetaald nadat er een overzicht van daadwerkelijk uitgevoerde activiteiten (in het subsidiejaar) bij het college van B&W is ingediend.

  • 6.

    Het subsidieplafond bedraagt € 5000,-- per jaar.

DEEL D SUBSIDIËRING EVENEMENTEN

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALING EN REIKWIJDTE

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Evenement: een openbaar toegankelijke vertoning of gebeurtenis, van tijdelijke aard, die doelbewust is georganiseerd, gericht op een publiek van minimaal 500 bezoekers, die substantieel bijdraagt aan de kwaliteit en leefbaarheid van de gemeente Vaals, de verbetering van de identiteit van de gemeente Vaals en een regionale of (inter)nationale uitstraling hebben.

  • 2.

    Evenementen kunnen nieuwe en bestaande evenementen zijn.

  • 3.

    Topevenementen: evenementen gericht op meer dan 5.000 bezoekers.

Artikel 2 Topevenementen

  • 1.

    Op Topevenementen is hoofdstuk 2 van dit deel eveneens van toepassing.

  • 2.

    De toekenning van het subsidie zal in dit geval door de Raad gebeuren. Voor deze evenementen is geen subsidiebedrag begroot.

Artikel 3 Algemene Voorwaarden

In tegenstelling tot het vermelde in het algemene deel kan elke organisatie van een evenement in aanmerking komen voor een subsidie indien zij als rechtspersoon staat geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en als het evenement waarvoor het subsidie wordt aangevraagd geheel of gedeeltelijk plaatsvindt op het grondgebied van de gemeente Vaals.

Artikel 4 Reikwijdte

Een subsidie kan worden aangevraagd:

  • 1.

    als bijdrage in de kosten van een publieksactiviteit, anders dan bedoeld in lid 2. (financiële subsidie);

  • 2.

    als bijdrage in de onkosten van geleverde diensten en faciliteiten door de gemeente Vaals (facilitaire subsidie). Denk hierbij aan het leveren, plaatsen en ophalen van dranghekken, vlaggenmasten e.d., het beschikbaar stellen van de water- en stroomvoorzieningen en het betalen van de bijbehorende nutskosten.

  • 3.

    een combinatie van beide bijdragen is mogelijk. Hierbij geldt wel de regel dat de bijdrage (zijnde de werkelijke kosten), zoals bedoeld in lid 2 in mindering gebracht wordt op de bijdrage, zoals bedoeld in lid1.

HOOFDSTUK 2 GRONDEN VOOR SUBSIDIEVERLENING VOOR EVENEMENTEN

Artikel 5 Toetsingscriteria

Aanvragen voor subsidie voor “evenementen”, zoals gedefinieerd in artikel 1, worden beoordeeld op basis van de onderstaande doelstellingen en criteria:

1.Versterking identiteit, naamsbekendheid en imago:

Draagt het evenement substantieel en aantoonbaar bij aan de versterking van de identiteit, de naamsbekendheid en het imago van de gemeente Vaals (Vaals, verrassend, veelkleurig en veelzijdig) op basis van één of meer van de volgende thema’s:

  • -

    kunst&cultuur(historie)

  • -

    natuur en milieu

  • -

    drielanden/euregio

  • -

    multiculturaliteit

  • -

    breedtesport voor jong en oud

2. Leefbaarheid

In hoeverre draagt het evenement bij aan de eigen identiteit, eigenwaarde en trots van de Vaalser gemeenschap? Is er aantoonbaar draagvlak binnen de Vaalser gemeenschap voor het evenement? In hoeverre zijn (andere) Vaalser organisaties en verenigingen betrokken bij de voorbereiding en/of uitvoering van het evenement?

3. Kwaliteit:

Draagt het evenement bij aan de kwaliteit van voorzieningenniveau? In hoeverre voegt dit evenement iets toe aan de bestaande evenementen? Is een deugdelijke onderbouwing van de begroting aanwezig? Hoe hoog zijn de financiële risico’s

4. Tijd en locatie:

Is goed gekeken naar spreiding in tijd, locatie en aard van de activiteiten? Zorgt het evenement voor verlenging van een bezoek aan Vaals?

5. Betrokkenheid bedrijfsleven en fondsen:

In welke mate vindt financiële ondersteuning door sponsors en/of particuliere fondsen plaats.

HOOFDSTUK 3 RANDVOORWAARDEN, HOOGTE EN AARD VAN HET SUBSIDIE

Artikel 6 Randvoorwaarden

Een subsidie wordt, met uitzondering van de situatie zoals bedoeld in artikel 11.5., door het college van B&W verleend indien wordt voldaan aan alle onderstaande randvoorwaarden:

  • 1.

    Het evenement levert op aantoonbare wijze een substantiële, positieve bijdrage aan de toetsingscriteria als genoemd in artikel 5, zulks ter beoordeling van het college van B&W.

  • 2.

    De aanvrager toont aan dat, met inachtneming van het gevraagde subsidie, sprake is van een sluitende begroting.

  • 3.

    De aanvrager toont aan dat het subsidie financieel noodzakelijk is om het evenement te kunnen organiseren.

Artikel 7 Vereiste aanvullende informatie

In aanvulling op het bepaalde in deel A Algemene Bepalingen van deze subsidieverordening dient een subsidieaanvraag vergezeld te gaan van:

  • 1.

    een draaiboek, o.a. bevattend een programma overzicht, datum evenement, organisatie-opzet van het evenement

  • 2.

    een begroting van inkomsten en uitgaven (inclusief offertes);

  • 3.

    een promotieplan (incl. aantal te verwachten deelnemers/bezoekers);

Artikel 8 Hoogte subsidie

  • 1.

    De hoogte van het totale subsidie (financieel en/of facilitair) bedraagt maximaal 20% van de kosten zoals opgenomen in de ingediende begroting van het evenement.

  • 2.

    Ter stimulering van nieuwe evenementen kan maximaal 2 jaar een impulssubsidie van maximaal € 1.000,-- toegekend worden. Een impulssubsidie kan (deels) in de vorm van een garantiestelling zijn.

  • 3.

    Ter waardering van bestaande evenementen kan maximaal 2 jaar een exploitatiesubsidie toegekend worden van maximaal € 500,--. Een exploitatiesubsidie is altijd een garantiesubsidie.

  • 4.

    Naast de in artikel 8.1, 8.2. en 8.3 genoemde maxima, wordt het subsidiebedrag gelimiteerd door het bedrag dat door sponsoren geleverd wordt; bij het verzoek om vaststelling (afrekening en verantwoording) zal het definitieve sponsorbedrag medecriterium zijn voor de vaststelling van het subsidie.

  • 5.

    75% van het toegekende impulssubsidie wordt bij wijze van voorschot vooraf uitgekeerd; 25% wordt na beëindiging van het evenement uitgekeerd op basis van de controle en goedkeuring van de financiële afrekening.

  • 6.

    Een garantiesubsidie wordt altijd na afloop van het evenement uitgekeerd.

Artikel 9 Bepaling hoogte subsidie

  • 1.

    Met inachtneming van het bepaalde in artikel 7 bepaalt het college van B&W de hoogte van het subsidie op basis van de mate waarin, naar het oordeel van het college, door de aanvrager een bijdrage wordt geleverd aan de toetsingscriteria als genoemd in artikel 5.

  • 2.

    Het college van B&W, kan onder voorwaarden, het stapelen van subsidie mogelijk maken met inachtneming van minimaal de volgende bepalingen:

  • a.

    alleen voor regionale en bovenregionale/top evenementen;

  • b.

    alleen voor wat betreft subsidie in het kader van fonds Welzijn en evenementensubsidie

HOOFDSTUK 4 BIJZONDERE SUBSIDIEVOORWAARDEN

Artikel 10 Bijzondere voorwaarden

Naast de algemene voorwaarden op grond van het algemeen deel van deze verordening, kan het college van B&W aan het verlenen van een subsidie in het kader van deze verordening bijzondere voorwaarden verbinden. Deze bijzondere voorwaarden kunnen betrekking hebben op:

  • 1.

    Aanvullende activiteiten en verplichtingen in het kader van de toetsingscriteria als genoemd in artikel 5.

  • 2.

    De wijze waarop het toegekende subsidie wordt aangewend.

  • 3.

    Het heffen van entree- en/of deelnamegelden en de hoogte daarvan.

HOOFDSTUK 5 BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 11 Bijzondere bepalingen

Bij het aanvragen, toekennen en verantwoorden van een subsidie zijn de bepalingen in het algemene deel van toepassing, met inachtneming van de volgende, bijzondere bepalingen:

  • 1.

    Aanvragen voor een subsidie kunnen uitsluitend worden ingediend door middel van een speciaal daarvoor bestemd aanvraagformulier. Dit aanvraagformulier kan worden afgehaald of gedownload bij, of op aanvraag worden toegezonden door de gemeente Vaals.

  • 2.

    Subsidies in het kader van dit deel van deze verordening worden uitsluitend verstrekt indien de raad voor dit doel budget heeft opgenomen in de gemeentebegroting.

  • 3.

    Subsidieaanvragen voor evenementen kunnen worden ingediend tot uiterlijk 3 maanden voorafgaand aan het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt. Het college van B&W neemt binnen 6 weken een besluit over de ingediende subsidieaanvraag.

  • 4.

    De aanvragen worden in volgorde van binnenkomst afgehandeld. Hierbij geldt de regel “op is op”.

  • 5.

    Het college van B&W kan aanvragen voor een subsidie, na toepassing van het bepaalde in artikel 11.4, geheel of gedeeltelijk afwijzen indien het desbetreffende subsidiebudget niet meer toereikend is.

  • 6.

    Binnen 2 maanden na beëindiging van het evenement dient de subsidieaanvrager een verslag in van het evenement inclusief een financiële afrekening. Deze financiële afrekening dient onderbouwd te zijn met facturen. Steekproefsgewijs zal het college van B&W een kascontrole uitvoeren op de financiële afrekening. Het college van B&W stelt binnen 6 weken na ontvangst van de afrekening en het verslag het subsidie vast.

  • 7.

    Als, wegens omstandigheden, deze termijn niet gehaald wordt, deelt het college van B&W dit binnen 2 weken na ontvangst van de afrekening en het verslag aan de subsidieaanvrager mee en meldt hierbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking omtrent vaststelling wel tegemoet kan worden gezien.

  • 8.

    Indien het definitief vastgestelde subsidie minder bedraagt dan het bedrag dat als voorschot verstrekt is, is de subsidieaanvrager gehouden het verschil terug te storten in de gemeentelijke kas.

  • 9.

    het subsidie kan lager worden vastgesteld als er sprake is van:

    • l

      een lager dan begroot af te dekken risico;

    • l

      het niet nakomen van de in de beschikking en/of overeenkomst opgenomen afspraken;

    • l

      het niet doorgaan van (een deel van) het evenement;

    • l

      het bewust verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie, die tot een hogere subsidietoekenning geleid hebben.

Artikel 12 Beperkende voorwaarde

1.Evenementen die primair worden georganiseerd voor commerciële doeleinden, komen niet voor een subsidie in het kader van deze verordening in aanmerking.

DEEL E OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 1 Reeds verleende en vastgestelde subsidies

Deze verordening is niet van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend of vastgesteld.

Artikel 2 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2014;

  • 2.

    Met ingang van de dag inwerkingtreding van deze verordening wordt de Subsidieverordening Vaals 2012 zoals door de raad vastgesteld op 12 december 2011 ingetrokken.

Artikel 3 Titel

Deze verordening kan worden aangehaald als “Subsidieverordening Vaals 2014”.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de Raad der gemeente Vaals d.d. 16.12.2013.

mr. B.G.P. Hoevenagel Drs. R.L.T. Van Loo

Griffier Voorzitter

Bekendgemaakt door: M. Kerbusch

* Publicatie in Vaalser Weekblad d.d. 27.12.2013

* Publicatie op website van de gemeente Vaals d.d. 23.12.2013

* Inwerking getreden d.d.: 01.01.2014

TOELICHTING (DEEL A) ALGEMENE DEEL

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Het Algemene Deel bevat voor een groot deel procedurele bepalingen met betrekking tot de aanvraag en de beschikking. De bepalingen zijn in principe van toepassing op alle bijzondere delen tenzij in de delen

(A t/m E) expliciet wordt afgeweken van hetgeen in het algemene deel is vermeld of als in de algemene bepalingen anders is vermeld en verwezen wordt naar overige procedurele bepalingen.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

De begripsomschrijvingen zijn voor een groot deel afgeleid van de Awb.

Artikel 2 Reikwijdte van de verordening

Sinds 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van kracht.

De Wmo is een nieuwe wet, bestaande uit de voormalige Wet voorzieningen gehandicapten, voormalige Welzijnswet, delen van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten – te weten huishoudelijke zorg en een aantal subsidieregelingen – en de Wet Openbare Geestelijke Gezondheidszorg uit de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid.

Het Algemene Deel is van toepassing op alle taakgebieden waarvoor de gemeente zelf verantwoordelijk is. Hieronder vallen o.a. de prestatievelden die sinds 1 januari 2007 onder de Wmo vallen : jeugd, kinderopvang, maatschappelijke dienstverlening, maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid, sociaal-cultureel werk, emancipatie, sport, ouderen en gehandicapten.

Het welzijnsbeleid op zich is in de WMO (beoogt dat iedereen in de samenleving zo lang mogelijk kan meedoen in de maatschappij, dit betekent zo lang mogelijk in de eigen omgeving kunnen wonen en zo lang mogelijk kunnen deelnemen aan het sociaal-maatschappelijke verkeer) omschreven als “de gezamenlijke inspanning van de overheden op maatschappelijk en sociaal-cultureel terrein, die tot doel heeft, in samenwerking met het particulier initiatief en andere betrokkenen / het bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten (prestatieveld 1) – de zorg voor jong en oud, inzet van vrijwilligers, cultureel verenigingsleven (cultuur en sport) en sociale cohesie en activering:

  • 1.

    de ontplooiingsmogelijkheden van mensen te vergroten en hun zelfredzaamheid alsmede hun deelname aan de samenleving te stimuleren mede om te voorkomen dat mensen in een achterstandspositie geraken;

  • 2.

    de personen die in een achterstandspositie zijn geraakt mogelijkheden te bieden hun positie te verbeteren;

  • 3.

    het welbevinden van personen in de samenleving op andere wijze te bevorderen.

Artikel 3 Bevoegdheden

Naast de bepalingen in de verordening kan het wenselijk zijn nadere regels te stellen aan de subsidieverlening of organisaties ontheffing te verlenen van bepaalde verplichtingen.

Artikel 4 Algemene eisen

Het algemeen belang is te omschrijven als het belang van de inwoners van de gemeente Vaals in de breedste zin van het woord. Criteria kunnen zijn het aantal inwoners dat gebruik kan maken van een activiteit, het subsidiebedrag in relatie tot de activiteit en de relatie met het gemeentelijk beleid.

Artikel 5 Bijzondere delen verordening

Naast de algemene bepalingen worden per specifiek terrein bijzondere delen c.q. hoofdstukken vastgesteld, waarin de definitie van het desbetreffende hoofdstuk en eventuele bijzondere bepalingen m.b.t. de subsidiëring expliciet worden vermeld.

Bijzondere delen worden in elk geval vastgesteld op het gebied van:

  • -

    Specifiek welzijn, deel B , 'afsplitsingen' van bestaande, gemeentelijke subsidie ontvangende organisaties/verenigingen dienen aan te tonen dat ze in opzet en structuur autonoom zijn;

  • -

    Sociale cohesie en leefbaarheid in dorpen en wijken, Deel C

  • -

    Evenementen, Deel D.

Artikel 6 Evaluatie, beoordeling en indexering

De subsidieverordening c.q. bijzondere delen worden eenmaal in de vier jaar geëvalueerd/ bijgesteld.

Een belangrijke bijstelling betreft de indexering van de bedragen, welke in de subsidietabel wordt doorgevoerd.

HOOFDSTUK 2 SUBSIDIEPROCEDURE

Artikel 7 Eisen subsidieverlening

Een subsidie heeft een aanvullend karakter. Een organisatie moet kunnen aantonen dat zij naast het subsidie ook de mogelijkheid heeft om eigen middelen te genereren bijvoorbeeld in de vorm van contributies, sponsorgelden en/ of giften.

Artikel 8 De subsidieaanvraag

Een subsidieaanvraag voor jaarlijks (structurele) subsidie moet, in verband met de besluitvorming en de vaststelling van de gemeentebegroting, jaarlijks uiterlijk op 15 mei door de gemeente ontvangen zijn.

Het college van B&W stelt hiervoor formulieren vast en stuurt die formulieren aan de subsidie-aanvragers toe die het jaar daarvoor ook een subsidie-aanvraag hebben ingediend. Het college van B&W kan een organisatie verplichten bepaalde gegevens te overleggen die voor het in behandeling nemen van de aanvraag c.q. de subsidieverlening van belang zijn. Zo zal een organisatie die voor het eerst een subsidie aanvraagt o.a. de statuten (inschrijving Kamer van Koophandel) moeten overleggen.

Op basis van de Awb wordt na de ontvangst van een aanvraag de aanvrager in kennis gesteld van de ontvangst van het verzoek. In de ontvangstbevestiging zal indien mogelijk worden aangegeven binnen welke termijn het verzoek is afgehandeld.

De verenigingen die een (incidentele) subsidie op grond van dit artikel wensen te ontvangen, dienen daartoe uiterlijk 3 maanden voorafgaande aan de activiteit een subsidieverzoek, vergezeld van een opgave van aard en omvang van de activiteit en een begroting van de aan de activiteit verbonden kosten bij de gemeente in.

Het college van B&W beslist binnen zes weken na ontvangst van het verzoek en geeft een beschikking af aan de organisatie die het verzoek heeft ingediend.

Artikel 9 Weigeringsgronden

De in artikel 4:25 opgenomen weigeringsgrond betreft de overschrijding van het subsidieplafond. Artikel 4:35 geeft aan dat de subsidieverlening geweigerd kan worden indien de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen of de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.

Ook als de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid of de aanvrager failliet is verklaard of hem surseance van betaling is verleend, wordt het subsidie geweigerd.

Naast deze in de Awb opgenomen weigeringsgronden (zie ook artikel 13 in geval van de vaststelling) kan de gemeente eigen weigeringsgronden aangeven indien dit in het gemeentelijk belang wordt geacht.

Indien een organisatie bijvoorbeeld voldoende eigen middelen heeft, kan het college van B&W een subsidie weigeren.

Artikel 10 Het subsidieplafond

De raad stelt jaarlijks samen met het vaststellen van de begroting het subsidieplafond vast voor de beleidsterreinen die in deze verordening zijn opgenomen. Het subsidieplafond kan worden verlaagd indien de betreffende begrotingspost wordt verlaagd of geschrapt.

Het subsidieplafond is bedoeld voor de subsidies die worden verleend op basis van een verordening.

Daarnaast verplicht de Awb om criteria / verdeelregels op te stellen en om het subsidieplafond vast te stellen en bekend te maken voor de aanvang van het subsidietijdvak.

De bedragen zoals deze in de begroting worden vermeld zijn aan te merken als het subsidieplafond.

De verdeelregels vervolgens vloeien voort uit deze verordening die aangeeft op welk subsidiebedrag welke organisatie maximaal recht heeft.

Artikel 11 De beschikking tot subsidieverlening

Indien een organisatie niet voor 15 mei een aanvraag heeft ingediend kan het college van B&W het subsidie alsnog verlenen of vaststellen op 75% van het vastgestelde subsidie van het daaraan voorafgaande jaar. Op deze manier worden organisaties gedwongen de juiste gegevens tijdig in te dienen en het automatisme van elk jaar verlenen van hetzelfde subsidie wordt tegengegaan.

Artikel 12 Verplichtingen van de subsidie-ontvanger

Artikel 4:37, eerste lid, van de Awb ziet toe op de aard en omvang van de activiteiten, de administratie van inkomsten en uitgaven, het verstrekken van gegevens, te verzekeren risico’s, het stellen van zekerheid en het afleggen van verantwoording.

Artikel 13 Subsidievaststelling

Nadat het subsidie is verleend, wordt het subsidie in principe na afloop van de activiteit vastgesteld op het bedrag van de subsidieverlening, tenzij er reden zijn om het subsidie lager vast te stellen. De genoemde redenen vloeien voort uit artikel 4:35 van de Awb.

Artikel 14 Ambtshalve vaststelling

Zonder dat de subsidie-ontvanger een aanvraag tot vaststelling heeft ingediend, kan het subsidie toch door het college van B&W worden vastgesteld.

Artikel 15 Intrekking en wijziging zolang subsidie niet is vastgesteld

De in artikel 4:34 opgenomen begrotingsvoorwaarde is bedoeld voor de situatie dat een subsidie wordt toegekend op het moment dat een begroting nog niet is vastgesteld of goedgekeurd. De Awb gaat ervan uit dat het voorbehoud in de verleningsbeschikking wordt opgenomen. In de Awb is de bepaling opgenomen dat de subsidie slechts wordt verleend voorzover de raad voldoende middelen ter beschikking stelt.

Artikel 16 Intrekking en wijziging nadat het subsidie is vastgesteld

Ook nadat het subsidie is vastgesteld, kan het subsidie worden ingetrokken of worden gewijzigd. Indien het subsidie reeds betaald is, zal een deel van of het gehele subsidie worden teruggevorderd.

Artikel 17 Subsidiebetaling

De subsidiebetaling is een rechtshandeling naar burgerlijk recht. Het betalen van het subsidie staat los van de beschikkingen tot subsidieverlening en vaststelling. Op basis van de subsidieverlening kunnen voorschotten worden verleend. Bij grotere subsidiebedragen is dit veelal 25% per de eerste van het kwartaal.

Op activiteitensubsidies aan verenigingen worden in principe geen voorschotten verstrekt, maar worden betaald na vaststelling vanaf januari tot maart volgend op het subsidiejaar.

HOOFDSTUK 3 INCIDENTEEL EN WAARDERINGSSUBSIDIE

Artikel 18 Waarderingssubsidie

In principe kan elke organisatie in aanmerking komen voor een waarderingssubsidie.

Artikel 19 Incidenteel subsidie

Het college van B&W kan aan organisaties ten behoeve van eenmalige activiteiten of activiteiten met een nieuwe opzet of een veranderde werkwijze een incidenteel subsidie verlenen. Hierbij dient duidelijk te zijn dat het geen jaarlijks terugkerende activiteit is.

HOOFDSTUK 4 BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 20 Beëindiging activiteiten

Veelal blijkt het resterende saldo van een vereniging te zijn gerealiseerd met subsidiegelden. Het is dan ook niet meer dan redelijk dat bij opheffing van een organisatie, deze gelden terugvloeien naar de gemeenschap. Het saldo kan tot 100% worden teruggevorderd indien aan te tonen is dat dit bedrag geheel met subsidie tot stand is gekomen. Veelal zal het echter gaan om een deel van het saldo, omdat de meeste organisaties ook eigen middelen hebben ingezet voor hun activiteiten.

Indien de organisatie op enige wijze nog verder gaat of over gaat in een andere organisatie, is het mogelijk 10% van het positief saldo te besteden voor dezelfde activiteiten of dezelfde doelgroep.

Artikel 21 Jaarrapportage en accountantsverklaring

Een jaarrapportage en/of accountantsverklaring is bedoeld voor de grotere organisaties die subsidiebedragen ontvangen van meer dan € 50.000,--.

Verenigingen die meer dan € 10.000,-- subsidie ontvangen kunnen gevraagd worden om financiële verantwoording en een inhoudelijk jaarverslag aan te bieden aan het college van B&W.

Organisaties die deze documenten moeten overleggen, zullen hierop in de beschikking tot subsidieverlening worden gewezen.

TOELICHTING (DEEL B) SUBSIDIËRING SPECIFIEK WELZIJN

HOOFDSTUK 1 EMANCIPATIEWERK

Artikel 1 Begripsbepaling

Onder emancipatie wordt begrepen de emancipatie van de vrouwen. Emancipatie van minderheden wordt hieronder niet begrepen.

Artikel 2 Bijzondere bepalingen

Een organisatie zoals Zij Actief dient in principe te zijn aangesloten bij een overkoepelende organisatie.

HOOFDSTUK 2 KUNSTZINNIGE VORMING

  • 2.

    1 A.M.V.O. - Vaals.

  • 2.2.

    Kunstzinnige vorming basisonderwijs

Artikel 8 Bijzondere bepaling

Het subsidie wordt verleend aan één organisatie in de gemeente Vaals die aan alle kinderen van de basisscholen in Vaals jaarlijks een programma aanbiedt.

Op deze wijze wordt een samenwerking van diverse instanties bevorderd. Het subsidie wordt in de vorm van een budget verstrekt waardoor de organisatie de mogelijkheid heeft om de geplande activiteiten te organiseren.

Artikel 9 Subsidiabele kosten

De kosten die noodzakelijk zijn voor het organiseren van het programma komen voor subsidie in aanmerking.

HOOFDSTUK 3 AMATEURISTISCHE KUNSTBEOEFENING

3.1.Muziekverenigingen

De harmonieën, fanfare en mandoline-orkest krijgen een subsidie voor de activiteiten die zij organiseren. De kosten die zij hiervoor maken zoals aanschaf en afschrijving van instrumenten, dirigentkosten, opleidingskosten, dienen zij uit het subsidie en eigen middelen te bekostigen. Een harmonie of fanfare heeft veelal hogere kosten dan een mandoline-orkest. Vandaar dat het basisbedrag (waarderingssubsidie) per soort vereniging verschilt. Alleen actieve leden komen in aanmerking voor een subsidie. Ereleden of niet spelende geen bestuurslid zijnde leden, komen niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 13 Bijzondere bepalingen

Voor het verkrijgen van subsidie dienen muziekverenigingen op verzoek van het college van B&W kosteloos aan bepaalde activiteiten medewerking te verlenen.

3.2.Zanggezelschappen

Óók voor jeugdkoren geldt dat ze medewerking dienen te verlenen aan een tweetal openbare concerten of voorstellingen, op verzoek van en in goed overleg met het college van B&W.

HOOFDSTUK 4 VOLKSCULTUUR

4.3.Carnavalsverenigingen

Artikel 26 en 27 Bijzondere bepalingen

De bedragen per vereniging zijn gerelateerd aan de grootte van de kern. Het subsidie is een waardering voor de totale activiteiten die de carnavalsvereniging voor de gemeenschap organiseert.

HOOFDSTUK 5 JEUGD- EN JONGERENWERK

Artikel 28 Begripsbepaling

Onder dit hoofdstuk zijn ondergebracht verenigingen als Jong Nederland, Jeugdwerk en overige organisaties die met vrijwilligers werken.

5.1.Georganiseerd Jeugd- en Jongerenwerk

Artikel 29 Bijzondere bepalingen

Alleen georganiseerde jongerenorganisaties komen voor subsidie in aanmerking. Om enig bestaansrecht te hebben, is een minimum aantal jeugdleden van 10 vereist. Blijkt dat enig jaar het aantal jeugdleden lager is dan deze 10, dan zal niet zonder meer het subsidie gestopt worden, maar zal in overleg met de betreffende organisatie de oorzaak van de daling worden onderzocht.

5.2.Kindervakantiewerk

Artikel 31 Bijzondere bepalingen

Het kindervakantiewerk speelt een rol in het jeugdbeleid binnen de gemeente. In elke kern wordt tijdens de zomervakantie een groot aantal activiteiten georganiseerd door voornamelijk vrijwilligers. Gezien de organisatie van de activiteiten dienen minimaal 10 kinderen mee te doen.

5.3 Speeltuinwerk

Speeltuinverenigingen nemen een belangrijke plaats in het jeugdbeleid als intermediair tussen kinderen, buurt en gemeente. In het kader van het vrijwilligersbeleid ontvangen de speeltuinverenigingen en/of overkoepelende stichting een subsidie waarin opgesloten zit een bijdrage voor de vaste kosten ten behoeve van het toezicht en/of beheer van de speeltuinen.

HOOFDSTUK 6 PEUTERSPEELZAALWERK

Peuterspeelzalen bieden kinderen tussen 2-4 jaar de mogelijkheid om samen met leeftijdsgenootjes te spelen in een uitnodigende omgeving. Dit alles onder deskundige begeleiding van professionele, gekwalificeerde beroepskrachten en vrijwilligers. Er wordt middels een gestructureerd aanbod op speelse wijze gewerkt aan de sociale, emotionele en motorische ontwikkeling. Ouderparticipatie vormt een belangrijk onderdeel van het peuterspeelzaalwerk. Peuterspeelzalen hebben een signaalfunctie bij problemen van het jonge kind. Er wordt nauw samengewerkt met andere disciplines, zoals consultatiebureau en logopedie. Er is een doorgaande lijn naar de basisschool. Peuters die een peuterspeelzaal hebben bezocht hebben in het basisonderwijs een voorsprong op peuters die geen peuterspeelzaal hebben bezocht. Peuterspeelzaal en de hieraan gekoppelde basisscholen werken met dezelfde methodieken.

Peuterspeelzaalwerk wordt verzorgd door een professionele organisatie en dient te voldoen aan de op dat moment geldende wetten en regelgeving.

Het subsidie wordt jaarlijks vastgesteld op basis van een door de aanbieder opgestelde begroting c.q. verantwoording (jaarrekening / jaarverslag).

HOOFDSTUK 7 OUDERENWERK

Artikel 38 Begripsbepalingen

Een ouderenorganisatie hoeft niet aangesloten te zijn bij een overkoepelende organisatie (KBO), maar dient wel op enige manier georganiseerd te zijn in een vereniging of stichting.

HOOFDSTUK 8 GEHANDICAPTENORGANISATIES

-

HOOFDSTUK 9 HEEMKUNDE

-

HOOFDSTUK 10 OVERIGE SUBSIDIABELE ORGANISATIES EN ACTIVITEITEN

In dit hoofdstuk zijn de lokale organisaties ondergebracht die niet onder een andere noemer kunnen worden ondergebracht.

HOOFDSTUK 11 SPORT EN RECREATIE

Sport heeft verschillende functies: bevordering gezondheid, ontspanning, sociale samenhang enz. Het belang voor de gemeente is vooral gelegen in de bevordering van de sport onder de jeugdigen in de gemeente.

Binnensportverenigingen ontvangen vanaf 2008 een waarderingssubsidie mede gerelateerd aan hogere verenigingslasten (bijv. huur sporthal en gymzaal).

HOOFDSTUK 12 JUBILEA EN KAMPIOENSCHAPPEN

Alleen lokale organisaties komen in aanmerking voor een subsidie in het kader van een jubileum of een kampioenschap. De bedragen zijn bedoeld als waardering voor de geleverde prestatie.

De organisatie dient een bewijs te overleggen c.q. aan te tonen dat het gaat om een erkend kampioenschap van de desbetreffende sportbond (KNVB of vergelijkbaar).

Individuele prestaties komen niet voor subsidie in aanmerking.

HOOFDSTUK 13 ADVIESRADEN

Adviesraden zijn adviesorganen die het college van B&W gevraagd en ongevraagd advies geven.

Bij besluit van de raad in 2013 ontvangt het gehandicaptenplatform meer subsidie dan de andere adviesraden. Hiermee komt wel het recht op subsidie voor activiteiten georganiseerd door het gehandicaptenplatform te vervallen.

HOOFDSTUK 14 MUZIEKONDERWIJS

Alleen het muziekonderwijs aan de plaatselijke harmonieën, mandoline-orkesten en schutterijen komt voor het subsidie in aanmerking.

HOOFDSTUK 15 BIBLIOTHEEKWERK, DE KOPERMOLEN, FRAICHE EN JEUGDGEBOUW VIJLEN

Zowel het bibliotheekwerk (Stichting Heuvellandbibliotheken) als kunst en cultuur (Stichting De Kopermolen), het jongerencentrum (Fraiche) en het jeugdgebouw Vijlen zijn instellingen die een (exploitatie)subsidie ontvangen en nu ondergebracht zijn in dit hoofdstuk. De stichtingen dienen de exploitatiesubsidie jaarlijks te verantwoorden.

HOOFDSTUK 16 FONDS STIMULERING WELZIJN

Het Fonds Stimulering Welzijn is een overkoepelende benaming van alle incidentele subsidies aan verenigingen en instellingen op het gebied van sociaal-cultureel werk, sport en jeugd. De subsidies zijn bedoeld voor het versterken van nieuwe activiteiten die niet onder het regulier (activiteiten)subsidie worden ondergebracht. Het maximum van het Fonds is door de raad in 2008 bepaald op € 7.500,--

HOOFDSTUK 17 FONDS UNIFORMEN

Een gemeentelijk fonds welk ten doel heeft om harmonieën, fanfares en schutterijen aanvullende geldelijke steun te verlenen voor de aanschaf van nieuwe uniformen vanwege:

  • -

    de flinke investering die nieuwe uniformen voor deze verenigingen met zich meebrengt;

  • -

    de representatieve functie die harmonieën, fanfares en schutterijen het hele jaar door hebben in de lokale gemeenschap en in de regio;

  • -

    het garanderen en in ere houden van dit cultuurgoed c.q. kwalitatief voortbestaan van beide verenigingen waarin uniformen een belangrijke bijdrage kunnen leveren.

De bijdrage voor nieuwe uniformen wordt toegekend als het gaat om een algehele vervanging van de 'oude' c.q. bestaande uniformen van de leden van de vereniging (maximaal eens in de tien jaren). De aanschaf van uniformen voor nieuwe (jeugd)leden dient uit eigen middelen te worden bekostigd.

In 2013 heeft de raad besloten dat ook de overige geüniformeerde verenigingen recht hebben op een aanvullend subsidie per actief lid. Deze subsidie kan bij de reguliere subsidieaanvraag mee aangevraagd worden. Onder overige geüniformeerde verenigingen wordt verstaan de muziekverenigingen, niet zijnde de harmonieën, fanfaren en schutterijen, de zanggezelschappen, de dansgezelschappen, de carnavalsverenigingen, de binnen- en buitensportvereningen, welke in verband met optredens danwel wedstrijden gebruik maken van verenigingsuniformen of verenigingtenues

Alleen actieve leden komen in aanmerking voor een subsidie. Ereleden of niet spelende geen bestuurslid zijnde leden, komen niet voor subsidie in aanmerking.

TOELICHTING (DEEL C) SUBSIDIËRING SOCIALE COHESIE EN LEEFBAARHEID

Stimuleren vergroten sociale cohesie en leefbaarheid

Gemeentelijk beleid

De gemeente Vaals vindt het belangrijk dat op buurtniveau de sociale cohesie en de leefbaarheid wordt ersterkt. Dit doen we op verschillende manieren. Zo houden we een basisvoorzieningen niveau in stand (onderwijsgebouwen, gemeenschapshuizen) en bieden we een gunstig ondernemersklimaat. De ruimtelijke inrichting (o.a. woningbouw en groenvoorziening) wordt op een kwalitatief hoog niveau ingezet en vanuit de gemeentelijke veiligheidsplannen is nadrukkelijk aandacht voor fysieke en sociale veiligheid.

Als gemeente vinden we een sterk verenigingsleven belangrijk, hetgeen we stimuleren door subsidiëring van de sociaal-culturele en sportverenigingen.

We willen nadrukkelijk inzetten op de versterking van de sociale cohesie op buurt- en wijkniveau. Projecten en activiteiten die bijdragen aan deze doelstelling ondersteunen wij op diverse manieren:

  • ·

    via overleg met en een financiële bijdrage aan overlegplatforms op dorps- en wijkniveau;

  • ·

    via subsidie voor activiteiten die (buurt)verenigingen organiseren;

  • ·

    via het faciliteren van (buurt)verenigingen om activiteiten te organiseren;

Sociale cohesie

Sociale cohesie is een begrip uit de sociologie, het duidt op sociale samenhang in de maatschappij. Door sociologen wordt sociale cohesie ook wel omschreven als 'kleefkracht'. Uit onderzoek blijkt: hoe hechter de sociale cohesie, hoe groter de solidariteit in een gemeenschap.

Sociale cohesie bestaat op micro- en macroniveau. Op microniveau zien we (sociale) cohesie binnen het gezin, de familie, de vriendenkring. Op een iets hoger niveau bestaat sociale cohesie binnen verenigingen, kerkgenootschappen etc. Ook op het niveau van de maatschappij zien we sociale cohesie, vooral binnen uniculturele (één cultuur) samenlevingen. Binnen zo'n samenleving delen mensen dezelfde taal, geschiedenis, gewoonten etc., dat zorgt voor een zekere mate van sociale cohesie: men identificeert zich met elkaar en/of voelt zich verbonden.” (Wikipedia encyclopedie)

Leefbaarheid

Voor het begrip leefbaarheid geldt niet minder dan voor sociale cohesie, dat er veel uiteenlopende definities over bestaan. Het heeft in elk geval betrekking op de woonsituatie en woonomgeving van mensen en is daarmee een bij uitstek buurtgebonden verschijnsel.

Meer in het bijzonder gaat het bij leefbaarheid om het samenspel tussen de fysieke kwaliteit, de sociale kenmerken en de veiligheid van de woonomgeving. Er zijn verschillende theoretische stromingen die elk hun eigen accenten leggen. Zo wordt in de leefsituatiebenadering de nadruk gelegd op de materiële aspecten en voorzieningen voor de burgers, en stelt de communitybenadering het sociale klimaat centraal. Tegenwoordig worden beide benaderingen meestal gecombineerd. In dat verband spreekt de overheid over ‘schoon, heel en veilig’.

Het voorzieningenniveau kan worden beschouwd als een indicator van de leefbaarheid van een buurt. Bij de sociale kenmerken valt te denken aan onderlinge betrokkenheid, de kwaliteit van buurtcontacten en vormen van burenhulp. Bij veiligheid aan de mate waarin uiteenlopende vormen van criminaliteit worden voorkomen. Er wordt verondersteld dat de verschillende aspecten elkaar beïnvloeden. Vervuilde portieken, kapotte speeltoestellen, gebrekkige verlichting en een hoge criminaliteit nodigen niet uit tot contacten buitenshuis. Een geringe onderlinge betrokkenheid verlaagt de bereidheid om rekening te houden met de buren bij geluidsoverlast en stimuleert onveiligheidsgevoelens. De effecten zijn veelal cumulatief, wat tot een concentratie van problemen en neerwaartse spiraal kan leiden. Juist in wijken met een slechte leefbaarheid kan het bevorderen van de sociale cohesie van groot belang zijn.

TOELICHTING (DEEL D) SUBSIDIËRING EVENEMENTEN

De gemeente Vaals heeft de laatste jaren veel nadruk gelegd op het stimuleren van evenementen in de gemeente Vaals. Evenementen genereren economische spin-off: ze leveren economische activiteit en werkgelegenheid op. Daarnaast dragen evenementen bij aan de leefbaarheid van Vaals. En ze hebben invloed op de profilering van Vaals door onder andere de aandacht in de media.

Evenementen hebben echter ook een keerzijde. Ze kunnen overlast veroorzaken bij inwoners van de gemeente. Groei van het aantal en omvang van evenementen betekent automatisch een grotere druk op de gemeente ten aanzien van openbare orde, milieu, veiligheid en beheer van de openbare ruimte.

In deze verordening is de financiële ondersteuning gebaseerd op de toegevoegde waarde die het evenement heeft ten aanzien van de identiteit van de gemeente Vaals, de leefbaarheid en het lokale draagvlak van de eigen inwoner en de kwaliteit van het evenement. De toegevoegde waarde op economisch-prmotioneel vlak is hieraan ondergeschikt. Concreet betekent dit dat er niet ingezet wordt op het “binnenhalen” van 2 grote evenementen, maar op het subsidiëren van meerdere kleinere evenementen.

DEEL A ALGEMENE BEPALINGEN 5

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN 5

Artikel 1 Begripsomschrijvingen 5

Artikel 2 Reikwijdte van de verordening 5

Artikel 3 Bevoegdheden 6

Artikel 4 Algemene eisen. 6

Artikel 5 Bijzondere delen (A t/m E) 6

Artikel 6 Evaluatie, beoordeling en indexering 6

HOOFDSTUK 2 SUBSIDIEPROCEDURE 7

Artikel 7 Eisen subsidieverlening 7

Artikel 8 De subsidieaanvraag 7

Artikel 9 Weigeringsgronden 7

Artikel 10 Het subsidieplafond 7

Artikel 11 De beschikking tot subsidieverlening 7

Artikel 12 Verplichtingen van de subsidie-ontvanger 8

Artikel 13 Subsidievaststelling 8

Artikel 14 Ambtshalve subsidievaststelling 8

Artikel 15 Intrekking en wijziging zolang subsidie niet is vastgesteld 8

Artikel 16 Intrekking en wijziging nadat het subsidie is vastgesteld 8

Artikel 17 Subsidiebetaling 8

HOOFDSTUK 3 INCIDENTEEL EN WAARDERINGSSUBSIDIE 9

Artikel 18 Waarderingssubsidie 9

Artikel 19 Incidenteel subsidie 9

HOOFDSTUK 4 BIJZONDERE BEPALINGEN 9

Artikel 20 Beëindiging activiteiten 9

Artikel 21 Jaarrapportage en accountantsverklaring 9

 

DEEL B SUBSIDIËRING SPECIFIEK WELZIJN 10

HOOFDSTUK 1 EMANCIPATIEWERK 10

Artikel 1 Begripsbepaling 10

Artikel 2 Bijzondere bepalingen 10

HOOFDSTUK 2 KUNSTZINNIGE VORMING 10

2.1 A.M.V.O. - Vaals. 10

Artikel 3 Begripsbepaling 10

Artikel 4 Bijzondere bepaling 10

2.2 Kunstzinnige vorming basisonderwijs 10

Artikel 5 Begripsbepaling 10

Artikel 6 Bijzondere bepaling 10

Artikel 7 Subsidiabele kosten 10

HOOFDSTUK 3 AMATEURISTISCHE KUNSTBEOEFENING 11

Artikel 8 Begripsbepalingen 11

Artikel 9 Concertreizen 11

3.1 Muziekverenigingen 11

Artikel 10 Bijzondere bepalingen 11

3.2 Zanggezelschappen 11

Artikel 11 Bijzondere bepalingen 11

3.3 Toneelgezelschappen 11

Artikel 12 Bijzondere bepalingen 11

3.4 Dansgezelschappen 11

Artikel 13 Bijzondere bepalingen 11

HOOFDSTUK 4 VOLKSCULTUUR 12

Artikel 14 Begripsbepaling 12

4.1 Schutterijen 12

Artikel 15 Bijzondere bepalingen 12

4.2 Carnavalsverenigingen 12

Artikel 16 Bijzondere bepalingen 12

HOOFDSTUK 5 JEUGD- EN JONGERENWERK 12

Artikel 17 Begripsbepaling 12

5.1 Georganiseerd Jeugd- en Jongerenwerk 12

Artikel 18 Bijzondere bepalingen 12

5.2 Kindervakantiewerk 13

Artikel 19 Bijzondere bepalingen 13

5.3 Speeltuinwerk 13

Artikel 20 Bijzondere bepalingen 13

HOOFDSTUK 6 PEUTERSPEELZAALWERK 13

Artikel 21 Begripsbepaling 13

Artikel 22 Bijzondere bepalingen 13

HOOFDSTUK 7 OUDERENWERK 13

Artikel 23 Begripsbepalingen 13

HOOFDSTUK 8 GEHANDICAPTENORGANISATIES 14

Artikel 24 Begripsbepaling 14

Artikel 25 Bijzondere bepalingen 14

HOOFDSTUK 9 HEEMKUNDE 14

Artikel 26 Begripsbepaling 14

HOOFDSTUK 10 OVERIGE SUBSIDIABELE ORGANISATIES EN ACTIVITEITEN 14

Artikel 27 Begripsbepaling 14

HOOFDSTUK 11 SPORT EN RECREATIE 14

Artikel 28 Begripsbepaling 14

Artikel 29 Bijzondere bepalingen 14

HOOFDSTUK 12 JUBILEA EN KAMPIOENSCHAPPEN 14

Artikel 30 Begripsbepaling 14

Artikel 31 Bijzondere bepalingen 14

HOOFDSTUK 13 ADVIESRADEN 15

Artikel 32 Begripsbepaling 15

Artikel 33 Bijzondere bepalingen 15

HOOFDSTUK 14 MUZIEKONDERWIJS 15

Artikel 34 Begripsbepaling 15

Artikel 35 Bijzondere bepalingen 15

HOOFDSTUK 15 BIBLIOTHEEKWERK, DE KOPERMOLEN, FRAICHE EN JEUGDGEB. VIJLEN 15

Artikel 36 Begripsbepaling 15

Artikel 37 Bijzondere bepalingen 16

HOOFDSTUK 16 FONDS STIMULERING WELZIJN 16

Artikel 38 Begripsbepaling 16

Artikel 39 Bijzondere bepalingen 16

HOOFDSTUK 17 FONDS UNIFORMEN 16

Artikel 40 Begripsbepaling 16

Artikel 41 Bijzondere bepalingen 16

 

DEEL C SUBSIDIËRING SOCIALE COHESIE EN LEEFBAARHEID 17

Artikel 1 Algemene bepalingen 17

Artikel 2 Bijzondere bepalingen 17

 

DEEL D SUBSIDIËRING EVENEMENTEN 18

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALING EN REIKWIJDTE 18

Artikel 1 Begripsbepalingen 18

Artikel 2 Topevenementen 18

Artikel 3 Algemene Voorwaarden 18

Artikel 4 Reikwijdte 18

HOOFDSTUK 2 GRONDEN VOOR SUBSIDIEVERLENING VOOR EVENEMENTEN 18

Artikel 5 Toetsingscriteria 18

HOOFDSTUK 3 RANDVOORWAARDEN, HOOGTE EN AARD VAN HET SUBSIDIE 19

Artikel 6 Randvoorwaarden 19

Artikel 7 Vereiste aanvullende informatie 19

Artikel 8 Hoogte subsidie.. 19

Artikel 9 Bepaling hoogte subsidie 19

HOOFDSTUK 4 BIJZONDERE SUBSIDIEVOORWAARDEN 19

Artikel 10 Bijzondere voorwaarden 19

HOOFDSTUK 5 BIJZONDERE BEPALINGEN 20

Artikel 11 Bijzondere bepalingen 20

Artikel 12 Beperkende voorwaarde 20

 

DEEL E OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN 21

Artikel 1 Reeds verleende en vastgestelde subsidies 21

Artikel 2 Inwerkingtreding 21

Artikel 3 Titel 21

TOELICHTING (DEEL A) ALGEMENE DEEL 22

TOELICHTING (DEEL B) SUBSIDIËRING SPECIFIEK WELZIJN 25

TOELICHTING (DEEL C) SUBSIDIËRING SOCIALE COHESIE EN LEEFBAARHEID 28

TOELICHTING (DEEL D) TOELICHTING SUBSIDIËRING EVENEMENTEN 29

 

Bijlage 1 Onderdeel E subsidieverordening gemeente Vaals – professionele instellingen

Onderdeel E richt zich op de subsidieverstrekking aan professionele instellingen in het sociaal domein. Het onderdeel E beschrijft het proces van de subsidieverstrekking. De gemeente hanteert de methode van Beleidsgestuurde Contract Financiering (BCF); een vorm van resultaatgerichte subsidiëring. In het document ‘Beleidsregels Beleidsgestuurde Contract Financiering (BCF) gemeente Vaals’ is de methode beschreven en inhoudelijk uitgeschreven voor het taakveld Sociaal Domein.

 

1. Aanvraag van de subsidie

Bij aanvraag in te dienen gegevens

  • 1.

    De subsidie kan aangevraagd worden door, door het college van B&W aangewezen, professionele instellingen die een bijdrage leveren aan de verwezenlijking van beleidsdoelen die zonder subsidie niet of niet geheel gerealiseerd zouden kunnen worden. Onder professionele instellingen worden instellingen verstaan die gebruik maken van beroepskrachten voor de uitvoering van hun taak. Het aanwijzen van professionele instellingen door het college van B&W gaat door middel van een apart B&W-besluit.

  • 2.

    Voorafgaand vindt interactie plaats tussen de gemeente en de instellingen, waarbij de maatschappelijk opgave wordt gedefinieerd en verder aangescherpt door middel van doelstellingen, resultaten en indicatoren.

  • 3.

    Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college van B&W.

  • 4.

    Bij een eerste subsidieaanvraag legt de subsidieaanvrager, als bijlagen, over:

    • a)

      een afschrift van de oprichtingsakte en de statuten;

    • b)

      een beschrijving van de organisatievorm, voor zover dat niet in de statuten is opgenomen;

    • c)

      een uittreksel van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel.

    • d)

      Bij wijzigingen in de statuten of de inschrijving van de kamer van koophandel wordt de gemeente hierover geïnformeerd.

  • 5.

    Bij een aanvraag om subsidie (vallend onder onderdeel E van de subsidieverordening) moeten de volgende stukken worden ingediend:

    • a)

      een werkplan, met daarin een beschrijving van de eigen doelstellingen, resultaten en activiteiten en de onderlinge relatie tussen deze. In deze beschrijving is een koppeling opgenomen met de doelstellingen en subdoelstellingen van de gemeente en bijbehorende indicatoren. Met andere woorden, de subsidievrager laat zien hoe de uitvoering van de organisatie bijdraagt aan de gemeentelijke doelstellingen.

    • b)

      een begroting en dekkingsplan van de kosten van de activiteiten, waar de subsidie voor wordt aangevraagd. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan.

  • 6.

    Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van, de in het tweede en derde lid genoemde gegevens te verlangen, indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk, respectievelijk voldoende, zijn.

 

2. Aanvraagtermijn

 

  • 1.

    Een aanvraag om een subsidie wordt ingediend uiterlijk 1 juli voorafgaand aan de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2.

    Andere aanvragen om subsidie worden ingediend 16 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 3.

    Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

 

3. Beslistermijn op aanvraag 

  • 1.

    Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, binnen 16 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders kunnen gemotiveerd besluiten om  af te wijken van de termijnen genoemd in de leden 1 en 2 indien daar zwaarwegende redenen voor zijn.

     

4. Eindverantwoording 

  • 1.

    Aan een beschikking tot subsidieverlening kunnen verplichtingen worden verbonden met betrekking tot het beheer en gebruik van hetgeen met de subsidie tot stand is gebracht.

  • 2.

    Bij subsidies vallend onder onderdeel E, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, wordt een tussentijdse evaluatie (na 1 jaar) ten aanzien van de geboekte resultaten en indicatoren gevraagd. Samen met de subsidievrager is afgestemd op welke indicatoren deze tussentijdse evaluatie betrekking heeft. Bij de subsidieregeling kan van hetgeen vermeld staat in lid 2 worden afgeweken.

  • 3.

    Bij subsidies vallend onder onderdeel E dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in:

    • a)

      uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar;

    • b)

      in andere gevallen uiterlijk 16 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

  • 4.

    De aanvraag bevat:

    • a)

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de afgesproken resultaten zijn behaald en daarbij een aantoonbare bijdrage hebben geleverd aan de gemeentelijke doelstellingen. Afwijkingen ten aanzien van hetgeen is afgesproken worden onderbouwd uitgelegd.

    • b)

      een overzicht van de behaalde resultaten + activiteiten (inspanningsverplichting) en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening).

    • c)

      een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; en

    • d)

      een verklaring van getrouwheid van een registeraccountant dan wel van een accountant administratieconsulent met certificerende bevoegdheid die betrekking heeft op de organisatie, waaruit het oordeel blijkt dat subsidie rechtmatig is besteed en dat de afgesproken activiteiten dan wel prestaties zijn verricht/gerealiseerd. Tevens dient de jaarrekening vergezeld te gaan van het accountantsrapport waarop de verklaring is gebaseerd.

  • 5.

    Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden vastgesteld of andere gegevens worden verlangd.

 

5. Subsidievaststelling

  • 1.

    Burgemeester en wethouders stellen de subsidie vast binnen 8 weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald.

  • 2.

    Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 8 weken worden verdaagd.

  • 3.

    Bij subsidieregeling kunnen categorieën subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend.

  • 4.

    Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikel 4, lid3, aanhef en onder a en b, is ingediend, kunnen burgemeester en wethouders de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Wordt de aanvraag niet binnen deze termijn ingediend dan kunnen zij overgaan tot ambtshalve vaststelling.