Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Veenendaal

Nota bodembeheer

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieVeenendaal
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingNota bodembeheer
CiteertitelNota bodembeheer
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerpmilieu

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Besluit bodemkwaliteit

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-12-2011Nieuwe regeling

17-11-2011

Veenendaalse krant

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Nota bodembeheer

 

 

Samenvatting

In 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden. In dit besluit zijn regels opgenomen voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen op of in de landbodem. In deze Nota Bodembeheer zijn de regionale regels opgenomen voor het nuttig hergebruik van grond binnen de regio.

 

Deze Nota is een regionaal samenwerkingsproject tussen de gemeenten Bunnik, De Bilt, Rhenen, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vianen, Wijk bij Duurstede en Zeist. Voor het recreatiegebied Het Noorderpark is samengewerkt met Utrecht.

 

Deze Nota draagt bij aan:

  • ·

    meer hergebruiksmogelijkheden voor grondverzet in de regio, zonder hoge onderzoekskosten;

  • ·

    meer uniformiteit in regels bij grondverzet, duidelijkheid voor aannemers;

  • ·

    verbetering in de kwaliteit bij opdrachtverlening, toezicht en handhaving en uitvoering.

 

De basis van deze Nota is een regionale bodemkwaliteitskaart en de volgende uitgangspunten:

  • ·

    heldere, eenduidige en praktische regels in de regio;vermindering lasten voor bewoners en ondernemers (administratief, bodemonderzoek, afzet van grond);

  • ·

    goede balans tussen beschermen van de bodem en zijn gebruikers en het nuttig hergebruiken van grond en baggerspecie.

 

De regionale bodemkwaliteitskaart bestaat uit twaalf bodemkwaliteitszones. Iedere zone heeft een bepaalde bodemkwaliteitsklasse. De bodemkwaliteitsklasse geeft aan wat de kwaliteit is van bodem. De huidige/beoogde functie van de bodem is in de bodemfunctieklassenkaart aangegeven. Een combinatie van de bodemkwaliteitsklasse en de bodemfunctieklassenkaart vormt de basis voor de ontgravingskaart, die informatie geeft over de gemiddelde kwaliteit van de vrijkomende grond, en de toepassingskaart en die aangeeft aan welke kwaliteit toe te passen grond minimaal moet voldoen. Diegene die grond wil verzetten zullen deze twee kaarten (ontgravingskaart en toepassingskaart) in de praktijk gaan gebruiken.

 

Regionaal gebiedsspecifiek grondstromenbeleid

De hoofdregel van de Nota bodembeheer is dat hergebruik van grond binnen de regio is toegestaan zonder voorafgaand onderzoek mits:

  • ·

    de locatie waar grond vrijkomt onverdacht is;

  • ·

    de kwaliteit van grond die vrijkomt (zie ontgravingskaart) voldoet aan de toepassingseis (zie toepassingskaart);

  • ·

    de toepassing is gemeld bij www.meldpuntbodemkwaliteit.nl.

 

Behalve deze hoofdregel zijn er ook een aantal gebiedsspecifieke beleidsregels opgesteld. Deze betreffen:

  • §

    gebiedsspecifieke normen voor de stofgroep PolyChloorBifenylen (afgekort als PCB’s);

  • §

    gebiedsspecifieke normen voor grond afkomstig uit (voormalig) boomgaarden vanwege diffuse verontreiniging met organochloor-bestrijdingsmiddelen (afgekort als OCB’s);

  • §

    gebiedsspecifieke normen voor hergebruik van grond binnen de bodemkwaliteitszone ‘ophooglaag Noorderpark’;

  • §

    bodemonderzoek voor grond afkomstig uit de kernen van Vianen, Wijk bij Duurstede en Veenendaal, vanwege het voorkomen van historische verontreinigingen;

  • §

    de mogelijkheid om af te wijken van de regels bij toepassing van grond op industrieterreinen en bedrijfstereinen;

  • §

    een verscherping van het toegestane percentage bijmenging van bodemvreemd materiaal voor toepassingen in het landelijk gebied;

  • §

    hergebruik van grond afkomstig van wegbermen;

  • §

    omgaan met grond bij kabels, leidingen en riolering;

  • §

    het gebruik van de bodemkwaliteitskaart voor een omgevingsvergunning bouwen;

  • §

    het mogelijk maken van grond- en baggerstromen tussen de gemeenten die in de regio Zuidoost-Utrecht zijn gelegen, inclusief een deel van het recreatiegebied ‘Het Noorderpark’ dat op het grondgebied van de gemeente Utrecht is gelegen.

 

Delegatie

Het gebiedsspecifiek beleid moet door de Raad worden vastgesteld, dit is een eis vanuit het Besluit bodemkwaliteit. Ook eventuele toekomstige wijzigingen op dit gebiedsspecifieke beleid moeten worden vastgesteld door de Raad. Om praktische redenen wordt besloten om wijzigingsbesluiten van praktische aard zonder ingrijpende gevolgen, te delegeren naar het college van burgemeester en wethouders. Voorbeelden van dit soort besluiten zijn wijzigingen van de bodemfunctieklassenkaart, actualisatie van de bodemkwaliteitskaart, acceptatie van de bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten of regio’s en het uitbreiden van het bodembeheergebied.

 

Organisatie

Met het vaststellen van deze Nota zullen de regionale doelstellingen niet zijn bereikt. Dit beleid heeft invloed op de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot grond. Ook zal het beleid in praktijk moeten worden gebracht en gehandhaafd. Na het vaststellen van deze Nota wordt daarom samen met gemeenten en de Milieudienst een handboek Grondverzet in de regio Zuidoost-Utrecht opgesteld. Ook wordt onderzocht op welke wijze grond tussen de gemeente actief kan worden uitgewisseld.

 

Procedure

De vaststelling van deze Nota is een besluit van iedere afzonderlijke gemeenteraad . Het besluit tot vaststelling is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dit betekent dat het vast te stellen grondstromenbeleid open staat voor inspraak en beroep.

In het Bbk is vastgelegd dat deze Nota en de bodemfunctieklassenkaart maximaal tien jaar geldig zijn. De bodemkwaliteitskaart dient elke vijf jaar geëvalueerd te worden.

 

Communicatie

Na het vaststellen van deze Nota komt het aan op de uitvoering. Goede communicatie is daarbij belangrijk. De communicatie richt zich op de interne organisatie en de externe organisaties (zoals Rijkswaterstaat, waterschappen, Dienst Landelijk Gebied maar natuurlijk ook projectontwikkelaars, aannemers, grondbanken en agrariërs) en particulieren. Via bijeenkomsten, informatievoorziening via kranten en website(s) worden de verschillende doelgroepen geïnformeerd.

Inleiding

Aanleiding

Het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk) is per 1 januari 2008 in werking getreden en is de opvolger van het Bouwstoffenbesluit en de Vrijstellingsregeling Grondverzet en de Regeling klasse-indeling baggerspecie. Het Bbk is hoofdzakelijk gebaseerd op de Wet bodembescherming (hierna: de Wbb).

In het Bbk zijn regels opgenomen overhet toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen op of in de landbodem. Op grond van het Bbk moeten gemeenten tenminste een bodemfunctieklassenkaart opstellen. Willen gemeenten het hergebruik van grond en bagger doelmatig en weloverwogen regelen, dan zijn daarnaast een bodemkwaliteitskaart en daarop gebaseerde Nota Bodembeheer (hierna: deze Nota) onmisbaar.

In 2008 heeft het Rijk subsidie ter beschikking gesteld (impuls lokaal bodembeheer) om het Bbk binnen gemeenten te implementeren. Gemeenten die binnen een regio samenwerkten werden extra gestimuleerd. De gemeenten in de regio Zuidoost-Utrecht hebben de subsidie als een kans gezien om het Bbk gezamenlijk in de regio te implementeren en hebben de Milieudienst Zuidoost-Utrecht opdracht gegeven dit proces te begeleiden. De regio Zuidoost-Utrecht bestaat uit de gemeenten Bunnik, De Bilt, Rhenen, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vianen, Wijk bij Duurstede en Zeist.

 

Wat is de Nota Bodembeheer en het beheergebied ?

Deze Nota beschrijft het gebiedsspecifieke beleid voor het toepassen van grond en baggerspecie. Het Bbk biedt de ruimte om gebiedspecifiek beleid te formuleren voor een groter grondgebied, mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. In deze Nota bestaat het beheersgebied uit het grondgebied van de acht gemeenten in de regio Zuidoost-Utrecht en een deel van het recreatiegebied ‘Het Noorderpark’, dat op het grondgebied van de gemeente Utrecht is gelegen.

 

Overige producten

De basis voor deze Nota bestaat uit:

  • ·

    de Bodemfunctieklassenkaart van de gemeenten;

  • ·

    de regionale Bodemkwaliteitskaart Zuidoost-Utrecht (inclusief verantwoordingsrapport, ontgravingskaart en toepassingskaart).

Deze Nota dient door de individuele gemeenteraden van de deelnemende gemeenten te worden vastgesteld. De praktische vertaling van het gebiedsspecifiek beleid wordt opgenomen in het handboek Grondverzet in de regio Zuidoost-Utrecht (realisatie 2012). Het handboek is van belang voor iedereen die met grond- en baggerverzet te maken heeft.

 

Reikwijdte

In deze Nota zijn het beleid en de regels voor het nuttig toepassen van milieuhygiënisch geschikte grond en baggerspecie op de landbodem die gelden binnen het beheergebied van de regio Zuidoost-Utrecht opgenomen.

Deze Nota gaat niet over toepassingen van grond en baggerspecie in oppervlaktewater. Voor toepassingen in oppervlaktewater zijn de oppervlaktewaterbeheerders (Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden, Waterschap Vallei en Eem, Waternet en Waterschap Rivierenland) het bevoegd gezag.

Wat wordt verstaan onder ‘milieuhygiënisch geschikt’ is in deze Nota beschreven. Sterk verontreinigde grond en baggerspecie en grond met gehalten die de Interventiewaarden uit de Wbb overschrijden, vallen hier in ieder geval niet onder. Ook het saneren van grond en grondwater valt buiten de reikwijdte van deze Nota. Wel vallen toepassingen van grond op saneringslocaties (als het aanbrengen van grond op een) en terugsaneerwaarden van saneringen binnen de invloedsfeer van deze Nota. Grond afkomstig van een geval van ernstige bodemverontreiniging valt niet onder het grondstromenbeleid.

Hoewel er een raakvlak bestaat met civiel technische kwaliteiten van ophoogmaterialen, valt dit aspect buiten de reikwijdte van deze Nota. Gemeenten kunnen in bestekken afspraken maken over de gewenste civiel technische kwaliteit.

 

In het Bbk worden veel onderwerpen geregeld die landelijk gelden en waar gemeenten geen vrijheid

hebben voor het stellen van nadere regels. Het betreft:

  • ·

    kwaliteitscriteria voor bodemwerkzaamheden;

  • ·

    toepassen van bouwstoffen;

  • ·

    toepassen van grond en baggerspecie in grootschalige bodemtoepassingen;

  • ·

    verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen;

  • ·

    bepalen of een toepassing als nuttig kan worden beschouwd;

  • ·

    tijdelijk opslaan van grond en baggerspecie;

  • ·

    het melden van toepassingen.

Omdat de wetgeving voor deze onderwerpen landelijk uniform zijn, wordt hiervoor verwezen naar het Bbk en de Handreiking Besluit bodemkwaliteit (Bodem+). Deze Nota is dus nadrukkelijk geen samenvatting van het Bbk.

 

Leeswijzer

De doelstellingen en uitgangspunten van het regionale grondstromenbeleid staan beschreven in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3 bevat het kader en de beleidsmogelijkheden voor grondverzet. In hoofdstuk 4 is het gebiedsspecifieke regionale grondstromenbeleid beschreven. Per onderdeel is aangegeven waarom de regio gebruik maakt van de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid vast te stellen en wordt uitgelegd wat dit beleid precies inhoudt. Hoofdstuk 5 gaat in op de besluitvormingsprocedure en geeft uitleg over bevoegdheden van het de gemeenteraad en het college. Hoofdstuk 6 staat stil bij de organisatie en handhaving van het grondstromenbeleid. De bodemfunctieklassenkaart in kaartbijlage 1, en de bodemkwaliteitskaarten met de voor het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid afgeleide ontgravingskaarten en toepassingskaarten zijn bijgevoegd in de kaartbijlagen 2a t/m 2g . Ze vormen een integraal onderdeel van deze nota.

De overige bijlagen geven achtergrondinformatie. Begripsdefinities en gebruikte afkortingen zijn helemaal achterin het rapport opgenomen (bijlagen 4 en 5), zodat ze gemakkelijk kunnen worden gevonden.

Regionale doelstelling en uitgangspunten

Regionale samenwerking

Deze Nota is een regionaal samenwerkingsproject tussen de gemeenten Bunnik, De Bilt, Rhenen, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vianen, Wijk bij Duurstede en Zeist. Voor het recreatiegebied Het Noorderpark is samengewerkt met Utrecht. Deze Nota draagt bij aan:

  • ·

    meer hergebruiksmogelijkheden voor grondverzet in de regio, zonder hoge onderzoekskosten;

  • ·

    meer uniformiteit in regels bij grondverzet, duidelijkheid voor aannemers;

  • ·

    verbetering in de kwaliteit bij opdracht verlening, toezicht en handhaving en uitvoering.

Uitgangspunten

In de regio hebben de gemeenten gezamenlijk voor het grondverzet binnen de regio Zuidoost-Utrecht de volgende uitgangspunten benoemd:

  • ·

    heldere, eenduidige en praktische regels in de regio:

    • -

      De regels binnen de regio zijn tevens afgestemd met de regels die gelden in de omliggende gemeenten/regio’s.

  • ·

    vermindering lasten voor bewoners en ondernemers (administratief, bodemonderzoek, afzet van grond):

    • -

      De bodemkwaliteitskaart is onder bepaalde voorwaarden bruikbaar voor gemeente, bewoners en ondernemers als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond en de bodem van de toepassingslocatie.

    • -

      Door gebiedsgericht beleid wordt hergebruik van grond geoptimaliseerd, waardoor bespaard kan worden op het afvoeren van hergebruiksgrond naar erkende verwerkers en het aankopen van grond van verschillende leveranciers, waaronder zandwinputten.

  • ·

    goede balans tussen het beschermen van de bodem en zijn gebruikers en het nuttig hergebruiken van grond en baggerspecie:

    • -

      Binnen de regio worden de landelijke normen gehanteerd met betrekking tot de chemische samenstelling van grond. Alleen daar waar de landelijke normen leiden tot mogelijke stagnatie van hergebruik worden Lokale Maximale Waarden (Hierna: LMW) opgesteld. Deze LMW zijn getoetst ter voorkoming van onacceptabele humane en/of ecologische risico’s (zie ook bijlage 2).

Kader Nota bodembeheer

In het Bbk zijn regels opgenomen waaraan gemeenten zich moeten houden bij het opstellen van gebiedsspecifiek beleid. De belangrijkste voorwaarde betreft het standstill principe op gebiedsniveau: binnen de regio kan grond worden uitgewisseld. De regels en de beleidsruimte worden hierna kort beschreven. Vervolgens komen de kwaliteit van de bodem in het beheersgebied en de maatschappelijke opgave aan de orde.

Eisen aan de Nota bodembeheer

In het Bbk zijn de minimale eisen opgenomen waaraan deze Nota moet voldoen.

Als basis voor deze Nota gelden:

  • ·

    kaart met begrenzing bodembeheergebied en bodemfuncties (kaart 1);

  • ·

    statistisch onderbouwde bodemkwaliteitskaart van het beheersgebied (bijlage 3).

In deze Nota moet worden beschreven:

  • ·

    Onderbouwing van afwijkende normen, inclusief belangen afweging (bijlage 2).

  • ·

    Maatschappelijke opgave (paragraaf 3.4).

  • ·

    Wijze van evalueren van het gebiedsspecifieke beleid (paragraaf 5.2).

Deze Nota kent als bijlagen:

  • ·

    de bodemkwaliteitskaart (bijlage 3);

  • ·

    verwijzing naar een kaart of website met verdachte locaties die bij ontgraving niet onder de reikwijdte van deze Nota vallen (www.milieudienstzou.nl -> Geoloket; voor de gemeente Wijk bij Duurstede dient contact gezocht te worden met de gemeente).

Beleidsruimte voor gebiedsspecifiek beleid

Het Bbk biedt gemeenten de mogelijkheid te kiezen voor een generiek beleid of

een gebiedsspecifiek beleid. Redenen om te kiezen voor gebiedsspecifiek beleid zijn:

  • ·

    uitwisselen van grond binnen de regio vergemakkelijken;

  • ·

    knelpunten oplossen, door vaststellen van eigen lokale normen voor hergebruik van grond. Deze normen worden de Lokale Maximale Waarden genoemd (LMW) (figuur 3.1);

  • ·

    verwezenlijken van gemeentelijke ambities.

 

Figuur 3.1 Schematische weergave normen

De weegschaal in figuur 3.2 symboliseert de balans die gezocht wordt tussen:

  • ·

    vergroten afzet van grond en baggerspecie;

  • ·

    beschermen van de bodem.

De balans komt tot stand op basis van ruimtelijke ontwikkelingen, kwaliteitsambities en het te verwachten grond- en baggerverzet. De ‘gereedschappen’ voor het vinden van de balans komen uit de Risicotoolbox, de bodemfunctieklassenkaart en de regionale bodemkwaliteitskaart. De uitgangspunten uit hoofdstuk 2 spelen een rol in de afweging.

Bodemkwaliteit en bodemkwaliteitskaart

Het beheergebied van de regio Zuidoost-Utrecht kan worden onderverdeeld in zandgronden (ijstijden: Utrechtse Heuvelrug, Gelderse Vallei) en rivierkleigronden (recentere afzettingen door de Rijn). In het meest westelijke en meest oostelijke gebied komen venige bodems of zandbodems met venige lagen voor.

In het buitengebied hebben het gebied ten westen van De Bilt en de (voormalige) boomgaarden een aparte status. In het gebied aan de westzijde van De Bilt is in het verleden veel kleigrond gebruikt voor de verrijking van de grond. Samen met materiaal uit de potstal werd de klei op het land gebracht. Het land werd hierdoor rijker aan mineralen en steviger (zie verder paragraaf 4.3).

De boomgaarden uit de periode 1945-1973 zijn in het verleden besproeid met bestrijdingsmiddelen. In deze boomgaarden kunnen lichte tot sterke verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen (DDT/DDE) voorkomen. De ligging van de (voormalige) boomgaarden in de gemeenten Wijk bij Duurstede, Bunnik en Vianen is weergegeven op kaartbijlage 2g (zie verder paragraaf 4.2).

Binnen het beheergebied liggen verschillende woongebieden. Deze kernen zijn (licht) verontreinigd. Globaal kan worden gesteld dat hoe ouder de bebouwing is, hoe meer verontreinigingen zich heeft opgehoopt. Het buitengebied (landelijk gebied) is overwegend schoon.

In 2011 is op basis van gegevens uit de gemeentelijke Bodem Informatie Systemen en aanvullend extra verzamelde bodemgegevens een nieuwe bodemkwaliteitskaart voor de regio Zuidoost-Utrecht opgesteld conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. De oorspronkelijk 79 afzonderlijke zones van de vorige gemeentelijke bodemkwaliteitskaarten verdeeld over alle gemeenten zijn samengevoegd tot twaalfregionale bodemkwaliteitszones. Iedere zone heeft een bepaalde bodemkwaliteitsklasse, die consequenties heeft voor het toegestane grondverzet en hergebruik van grond en bagger. In bijlage 3 is de rapportage Bodemkwaliteitskaart regio Zuidoost-Utrecht opgenomen. In dat rapport wordt beschreven op welke wijze de nieuwe bodemkwaliteitskaart tot stand is gekomen en wat het resultaat is voor de gebiedsindeling in bodemkwlaiteitszones en daarvan afgeleide kaarten.

Onderstaand overzicht geeft per bodemkwaliteitszone een korte beschrijving van wat de bodemkwaliteitszone is, en of gebiedsspecifieke regels zijn geformuleerd (voor de nadere uitwerking zie hoofdstuk 4).

De bodemkwaliteitszones zijn:

  • 1.

    Wonen I (bovengrond): de oude kernen Vianen en Wijk bij Duurstede en centrum Veenendaal. De gemiddelde bodemkwaliteitsklasse is wonen, echter lokaal kan de kwaliteit slechter zijn en daarom gelden specifieke regels.

  • 2.

    Wonen II (bovengrond): oude bebouwing: de kernen Bunnik, De Bilt, Zeist, kleine kernen Vianen en lintbebouwing, kern Driebergen-Rijsenburg, overige bebouwing Veenendaal, overige bebouwing Wijk bij Duurstede. De gemiddelde bodemkwaliteitsklasse is wonen.

  • 3.

    Wonen III (bovengrond): Overige bebouwing Vianen, kleine kernen Utrechtse Heuvelrug, bebouwing gemeente Rhenen. De gemiddelde bodemkwaliteitsklasse is wonen.

  • 4.

    Industrie/bedrijven (bovengrond): Bedrijventerrein Vianen, Veenendaal en Rhenen. De gemiddelde kwaliteit is landbouw/natuur. In Veenendaal gelden specifieke regels.

  • 5.

    Buitengebied zandgrond (bovengrond): buitengebied op zandgrond (oostelijk deel gemeente de Bilt, gemeente Zeist, gemeente Utrechtse Heuvelrug, gemeente Rhenen en gemeente Veenendaal). De gemiddelde bodemkwaliteitsklasse is landbouw/natuur.

  • 6.

    Buitengebied kleigrond I (bovengrond): buitengebied op kleigrond aan zuidkant van gemeente De Bilt en gemeente Zeist. De gemiddelde bodemkwaliteitsklasse is wonen. Grond die vrijkomt in deze zone mag niet in deze zone worden hergebruikt.

  • 7.

    Buitengebied klei grond II (bovengrond): Buitengebied op kleigrond in de gemeente Vianen, Bunnik, Wijk bij Duurstede, zuidelijk deel van gemeente Zeist en gemeente Utrechtse Heuvelrug. Inclusief de voormalige boomgaarden. De gemiddelde bodemkwaliteitsklasse is landbouw/natuur. In de voormalige boomgaarden wijkt de kwaliteit af en gelden specifieke regels.

  • 8.

    Ophooglaag Noorderpark (bovengrond): Recreatiegebied Het Noorderpark, inclusief het deel dat op het grondgebied van de gemeente Utrecht ligt. De gemiddelde bodemkwaliteitsklasse is wonen. Voor deze zone gelden specifieke regels.

  • 9.

    Wonen I (ondergrond): oude kern Vianen. De gemiddelde bodemkwaliteitsklasse is industrie. Grond die hier vrijkomt kan niet worden hergebruikt in deze bodemkwaliteitszone.

  • 10.

    Wonen II (ondergrond): oude kern van Wijk bij Duurstede en Cothen en huidige bebouwing Veenendaal. De gemiddelde bodemkwaliteitsklasse is landbouw/natuur.

  • 11.

    Buitengebied zandgrond (ondergrond): Buitengebied op zandgrond en bebouwde gebieden in gemeenten De Bilt, Zeist, Utrechtse Heuvelrug en Rhenen en overige grondgebied van Veenendaal. De gemiddelde bodemkwaliteitsklasse is landbouw/natuur.

  • 12.

    Buitengebied kleigrond (ondergrond): Buitengebied op kleigrond en overige bebouwde gebieden in gemeenten Vianen, Bunnik, Wijk bij Duurstede en Urechtse Heuvelrug. De gemiddelde bodemkwaliteitsklasse is landbouw/natuur.

 

De bodemkwaliteitskaart van de regio Zuidoost-Utrecht bestaat in feite uit een verzameling kaarten, waarvan de ontgravingskaarteen uitspraak doet over de gemiddelde kwaliteit van vrijkomende grond. De ontgravingskaart voor de bovengrond (0 – 0,5 meter beneden maaiveld(m-mv)) is toegevoegd als kaartbijlage 2c. Er is ook een ontgravingskaart voor de ondergrond (0,5 tot 2 m-mv), kaartbijlage 2d.

De kwaliteit van op te brengen grond moet voldoen aan de toepassingseis en is gebaseerd op de functie van een gebied (wonen, landbouw/natuur, industrie) én de gemiddelde kwaliteit van de ontvangende bodem. De toepassingseis is opgenomen in toepassingskaarten. De toepassingskaarten voor de boven- en ondergrond zijn toegevoegd als respectievelijke kaartbijlage 2e en 2f. De functie van een gebied is opgenomen in de bodemfunctieklassenkaart (kaartbijlage 1).

Maatschappelijke opgave

De gemeenten binnen de regio Zuidoost-Utrecht verwachten de komende vijf tot tien jaar een constante stroom grondverzet (-tijdelijk- ontgraven, toepassen en hergebruik van grond) bij locatieontwikkelingsprojecten, herinrichtingsprojecten en regulier onderhoud aan wegbermen, rioleringen en groenvoorzieningen (lit. 8). Bij het grondverzet willen de gemeenten verantwoord omgaan met de grond. Bijvoorbeeld door vrijkomende grond bij het ene project weer nuttig toe te passen in een ander project binnen de regio; werk met werk maken.

Uit de regionale bodemkwaliteitskaart blijkt dat volgens de generieke normen en regels van het Bbk er in de regio gebieden zijn waar gebiedseigen grond niet kan worden hergebruikt of waar de toepassingseisen strenger zijn dan is toegestaan bij de huidige bodemfunctie. Hierdoor is hergebruik van veel ontgraven grond onmogelijk en is afvoer naar een bevoegd verwerker (extra transport- en verwerkingskosten) noodzakelijk. Dit leidt tot aanvoer en aankoop van grond van elders, die wel voldoet aan de toepassingseisen.

Door goed gemotiveerd gebiedspecifiek beleid op te stellen voor het grondverzet in deze gebieden kunnen de gemeenten grond vanuit de ene zone weer nuttig hergebruiken in de andere zone. Op deze wijze hoeven de gemeenten geen extra grond aan te kopen en is hergebruik van grond vanuit het regionale beheergebied mogelijk.

In hoofdstuk 4 is het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid voor toepassingen van grond geformuleerd, waarmee meer nuttig en milieuhygiënisch verantwoord hergebruik van grond mogelijk is binnen de regio. Dit beleid brengt bij het huidige/beoogde bodemgebruik geen risico’s met zich mee. Ook de gebiedsspecifieke regels en eisen die hierbij gelden staan in hoofdstuk 4.

Regionaal gebiedsspecifiek grondstromenbeleid

De hoofdregel is: hergebruik van grond is binnen de regio toegestaan. De spelregels zijn:

  • ·

    De locatie waar grond vrijkomt is onverdacht.

  • ·

    De kwaliteit van grond die vrijkomt (zie ontgravingskaart, bijlage2c en 2d) voldoet aan de toepassingseis (zie toepassingskaart, zie bijlage 2e en 2f).

  • ·

    De toepassing is gemeld bij het centrale meldpunt bodemkwaliteit: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl.

De ontgravingskaart en toepassingskaart zijn gebaseerd op de landelijke (generieke) normen. De uitzonderingen worden hierna beschreven.

In dit hoofdstuk staat het gebiedsspecifieke beleid voor de regio centraal. Per paragraaf wordt de aanleiding om gebiedsspecifiek beleid te maken beschreven, de beleidsregel en indien nodig een toelichting op de beleidsregel. De uitgangspunten staan in paragraaf 2.2.

Alle bodemkwaliteitszones - PCB

Aanleiding om gebiedsspecifiek beleid te maken:

In 2008 is landelijk besloten dat de stofgroep PolyChloorBifenylen (hierna: PCB) deel uitmaakt van de op te stellen bodemkwaliteitskaarten. Ook zijn normen voor PCB vastgesteld. Na het vaststellen van de nieuwe normering is gebleken dat:

  • ·

    de detectiegrenzen die door sommige laboratoria worden gebruikt hoger zijn dan de vastgestelde achtergrondwaarde (norm voor ‘schone’ grond);

  • ·

    de klasse wonen voor de stof PCB niet bestaat. Dit betekent dat wanneer de achtergrondwaarde wordt overschreden, bodem ingedeeld wordt in klasse industrie.

Deze generieke normering van PCB stagneert grondverzet binnen de regio. Dit is met name het probleem bij grond die vrijkomt in de woonkernen (maar kan in de praktijk in de hele regio voorkomen). Veel grond die vrijkomt zou volgens de generieke regelgeving niet mogen worden hergebruikt in de regio. In onderstaand kader worden de verschillende termen toegelicht.

 

Gebiedsspecifiek beleid:

Onderzochte grond middels partijkeuringen, bodemonderzoeken en grond met de bodemkwaliteitkaart (ontgravingskaart) als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit worden voor wat betreft PCB als schoon beoordeeld als het gemeten gehalte onder de detectielimiet ligt of het (gemiddelde) gehalte lager dan twee maal de achtergrondwaarde is.

 

Toelichting:

De achtergrondwaarde voor de stof PCB is 0,020 mg/kg d.s. (standaard bodem). De interventiewaarde is 50 X hoger dan de achtergrondwaarde, namelijk 1 mg/kg d.s. (standaard bodem). Voorgesteld wordt de norm te verhogen naar 0,040 mg/kg d.s.. In de risicotoolbox is het niet mogelijk om te bepalen of de gekozen norm bijdraagt aan een duurzaam bodembeheer, omdat voor de parameter PCB geen toetsingsnormen zijn opgenomen.

De normering van PCB is erkend als een landelijk probleem. Zodra landelijk een definitieve oplossing voor het probleem met de PCB-toetsing is geformuleerd, zal tijdens de evaluatie van deze Nota worden besloten of de landelijke oplossing de regionale oplossing zal vervangen.

De beleidsregel is ook vastgesteld in diverse andere gemeenten, waaronder Nieuwegein, IJsselstein, Houten, Lopik en Utrecht.

Bodemkwaliteitszone Buitengebied Klei II (bovengrond) - (Voormalige) boomgaarden

Aanleiding om gebiedsspecifiek beleid te maken:

In met name de gemeenten Bunnik, Vianen en Wijk Bij Duurstede zijn (voormalige) boomgaardpercelen aanwezig waar de bodem is verontreinigd door het gebruik van organochloor-bestrijdingsmiddelen (afgekort als OCB's) (zie bijlage 2). In het begin van de jaren '40 van de vorige eeuw werd het zeer persistente DDT ontwikkeld. DDT is, net als andere OCB's, een moeilijk afbreekbaar en in het milieu accumulerend bestrijdingsmiddel dat tot het begin van de jaren '70 op grote schaal werd toegepast in de landbouw en tuinbouw. In Nederland is het gebruik van DDT sinds 1973 verboden. Ook de meeste andere OCB's zijn inmiddels verboden. De bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,3 meter diepte is veelal verontreinigd met OCB’s. De mate van verontreiniging varieert van licht tot sterk (gemiddeld ontgravingskwaliteitsklasse industrie).

De verdachte boomgaardpercelen van de gemeenten Bunnik, Vianen en Wijk bij Duurstede zijn opgenomen in bijlage 2g. Op deze percelen wordt de bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,3 meter diepte als verdacht beschouwd door bodemverontreiniging met OCB’s. Wanneer de landelijke regels worden gevolgd, mogen deze gronden niet worden hergebruikt binnen dezelfde zones. Dit kan leiden tot stagnatie bij grondverzet op deze percelen en hoge kosten voor het afvoer van deze gronden.

 

Gebiedsspecifiek beleid:

Grond die afkomstig is van een (voormalig) boomgaardperceel (zie kaartbijlage 2g) moet onderzocht worden op OCB’s (zie Onderzoeksvereisten). Indien de kwaliteit van de grond overeenkomt met de Lokale Maximale Waarden (zie toelichting) is hergebruik van deze grond mogelijk binnen de (voormalige) boomgaardpercelen. Een uitzondering wordt gemaakt voor voormalige boomgaarden binnen natuurgebieden: In natuurgebieden moet de grond waarin de bestrijdingsmiddelen de achtergrondwaarde overschrijden en die niet voldoet aan de eisen voor schone grond worden afgevoerd naar een erkend verwerker.

 

Toelichting

Voor (voormalige) boomgaardpercelen zijn Lokale Maximale Waarden (LMW) opgesteld. De LMW zijn gelijkgesteld aan de interventiewaarden voor de individuele OCB’s DDT, DDD, DDE, chloordaan, som-drins, beta-HCH, gamma-HCH, heptachloor en heptaepoxide. Ter onderbouwing van deze LMW is met behulp van de risicotoolbox berekend of de gekozen LMW bijdraagt aan duurzaam bodembeheer. Uit deze berekening blijkt dat de gekozen LMW ruim onder de humaan toxicologische waarde ligt en een matig ecologisch beschermingsniveau wordt bereikt. Een hoger ecologisch beschermingsniveau is in deze zone niet realistisch, omdat de aanwezige diffuse verontreiniging een erfenis uit het verleden is, het gaat immers om gebiedseigen kwaliteit. De berekening is opgenomen in bijlage 2.

Binnen de (voormalige) boomgaardpercelen vindt doorgaans weinig of zeer kleinschalig grondverzet plaats, gerelateerd aan het onderhoud van de boomgaard. In deze gebieden wordt gestreefd naar een stand-still principe.

Ook elders in de regio kunnen voormalige boomgaarden voorkomen, overigens is het aantal gebieden beperkt en er zijn geen ontwikkelingen in de gebieden voorzien. Uiteraard geldt altijd dat voorafgaand aan grondverzet moet worden onderzocht of een locatie verdacht is.

 

Onderzoeksvereisten

De bodemkwaliteit op boomgaardpercelen verschilt onderling sterk. Om te voorkomen dat grond wordt verzet die ernstig verontreinigd is, dient altijd een bodemonderzoek uitgevoerd te worden volgens de laatste versie van de NEN5740 (strategie “diffuse verontreiniging met heterogeen verdeelde verontreinigde stof op schaal van monsterneming” ). In het handboek Grondverzet in de Regio Zuidoost-Utrecht wordt de onderzoeksstrategie verder uitgeschreven. In natuurgebieden mag geen grond worden toegepast waar de achtergrondwaarde voor OCB’s wordt overschreden. Een samenvatting is opgenomen in tabel 4.1.

 

Tabel 4.1 Samenvatting toepassingsmogelijkheden grond uit (voormalige) boomgaarden

Gemeten waarde

Toepassingsmogelijkheden

Kwaliteit OCB’s > interventiewaarde (= LMW)

Grond is ernstig verontreinigd en dient op basis van een goedgekeurd saneringsplan ontgraven en afgevoerd te worden.

Kwaliteit OCB’s < LMW

Grond mag worden toegepast in voormalige boomgaardpercelen, woon- en industriegebieden en openbaar groen gelegen op voormalige boomgaarden en bestaande boomgaarden in het buitengebied van dezelfde bodemkwaliteitszone. De grond mag echter niet worden toegepast in natuurgebieden (de ecologische hoofdstructuur).

Kwaliteit OCB’s < AW2000

Grond mag overal worden toegepast.

Bodemkwaliteitszone Ophooglaag Noorderpark (bovengrond) – diverse stoffen

Aanleiding om gebiedsspecifiek beleid te maken:

Aan de westzijde van de gemeente De Bilt ligt het recreatiegebied Het Noorderpark. Het Noorderpark valt deels in de gemeente Utrecht. In dit gebied is in het verleden veel kleigrond gebruikt voor de verrijking van de grond. Samen met materiaal uit de potstal werd de klei op het land gebracht. Het land werd hierdoor rijker aan mineralen en steviger.

De bodem in de bodemkwaliteitszone Ophooglaag Noorderpark is door de grondverrijking meer diffuus verontreinigd dan de oorspronkelijke bodem. Hierdoor wordt de kwaliteit ingedeeld in de ontgravingskwaliteitsklasse wonen. Het gebied heeft echter de functie landbouw/natuur en momenteel vinden veel natuurontwikkelingsprojecten en onderhoudswerkzaamheden plaats . Grond die vrijkomt mag volgens de landelijke generiek regels niet worden toegepast binnen dezelfde zone.

 

Gebiedsspecifiek beleid:

Grond die vrijkomt uit de zone Ophooglaag Noorderpark mag binnen dezelfde zone worden hergebruikt. Indien grond de zone verlaat, geldt de bodemkwaliteitskaart alleen als bewijsmiddel (kwaliteit wonen) in combinatie met bodemonderzoek (zie 4.4).

Grond die wordt aangevoerd van buiten de zone Ophooglaag Noorderpark dient de bodemkwaliteit landbouw/natuur te hebben.

 

Toelichting:

Voor de bodemkwaliteitszone Ophooglaag Noorderpark zijn de lokale maximale waarden (LMW) gelijk gesteld aan de P95 van de gemeten bodemkwaliteit. Ter onderbouwing van deze LMW is met behulp van de risicotoolbox berekend of de gekozen LMW bijdraagt aan duurzaam bodembeheer. Uit deze berekening blijkt dat de voorgestelde LMW niet leidt tot het optreden van humane risico's. Er is sprake van een gemiddeld ecologisch beschermingsniveau. Een hoog beschermingsniveau is in deze zone niet realistisch, omdat de aanwezige diffuse verontreiniging een erfenis uit het verleden is, het gaat immers om gebiedseigen kwaliteit . De berekening is opgenomen in bijlage 2.

Deze beleidsregel is afgestemd met de gemeente Utrecht.

Bodemkwaliteitszone Wonen I en Wonen II – deelgebieden met heterogene bodem

Aanleiding om gebiedsspecifiek beleid te maken:

De zones van de bodemkwaliteitskaart zijn bepaald op basis van een verzameling aan metingen. Van iedere zone is het gemiddelde bepaald. In sommige zones variëren de meetwaarden dusdanig, dat het mogelijk is dat vrijkomende grond te veel afwijkt van de gemiddelde vastgestelde kwaliteit uit de zone (zie ook bijlage 3). Voorkomen moet worden dat de kwaliteit van hergebruiksgrond te veel in negatieve zin afwijkt van de gemiddelde kwaliteitsklasse volgens de ontgravingskaart. In een aantal situaties geeft de heterogeniteit daarom aanleiding altijd een NEN 5740 onderzoek te eisen voorafgaand aan ontgraving van de bodem.

In de regio Zuidoost-Utrecht speelt dit heterogeniteitsprobleem in de bodemkwaliteitszones:

Wonen I (bovengrond en ondergrond), Boomgaarden (bovengrond) en Ophooglaag Noorderpark (bovengrond). Binnen de gemeente Veenendaal heeft men de ervaring dat grond uit het centrum ook een afwijkende kwaliteit kan hebben, daarom gelden de regels ook voor het centrum van Veenendaal (centrum Veenendaal, Wonen II bovengrond en ondergrond).

Aanvullende regels voor hergebruik van grond binnen de (voormalige) boomgaardpercelen en binnen het Noorderpark staan beschreven in de paragrafen 4.2 en 4.3 van deze Nota.

Hieronder wordt beschreven hoe om te gaan met het overige hergebruik van grond uit bodemkwalitetiszones met een heterogene samenstelling

 

Gebiedsspecifiek beleid:

Grond uit gebieden met een heterogene bodemkwaliteit moet altijd door middel van tenminste een verkennend bodemonderzoek worden onderzocht, zo nodig gevolgd door nader onderzoek. Indien de resultaten overeenkomen met de gemiddelde waarden van de bodemkwaliteitszone kan de bodemkwaliteitskaart in combinatie met het onderzoeksrapport worden gebruikt als milieuhygiënisch bewijsmiddel.

 

Deze regel is van toepassing op:

  • ·

    Grond van het Noorderpark (bovengrond), die buiten het Noorderpark wordt hergebruikt

  • ·

    Grond van (voormalige) boomgaarden (bovengrond), die buiten het boomgaardgebied wordt toegepast,

  • ·

    Grond van de kern van Vianen (boven- en ondergrond), toe te passen binnen of buiten de kern van Vianen,

  • ·

    Grond van de kern van Wijk bij Duurstede (bovengrond), toe te passen binnen of buiten de kern van Wijk bij Duurstede,

  • ·

    Grond van het centrum van Veenendaal (boven- en ondergrond), toe te passen binnen of buiten het centrum van Veenendaal

 

Toelichting – onderzoeksvereisten en toetsing resultaten:

Het bodemonderzoek moet voldoen aan de laatste versie van de NEN5740 (strategie “diffuse verontreiniging met heterogeen verdeelde verontreinigde stof op schaal van monsterneming”).

De resultaten worden vergeleken met de P95 waarden van de bodemkwaliteitszone (zie bijlage 3). Wanneer de resultaten de P95 waarden niet overschrijdt komen de resultaten overeen met de bodemkwaliteitszone. Het handboek Grondverzet in de regio Zuidoost-Utrecht zal een verdere toelichting over de wijze waarop de resultaten van het bodemonderzoek worden vergeleken met data van de bodemkwaliteitskaart bevatten.

Nota Bene: Als de resultaten wijzen op een slechtere kwaliteitsklasse is een partijkeuring nodig om te bepalen of en waarvoor de grond mag worden hergebruikt. De bodemkwaliteitskaart geldt dan niet als bewijsmiddel en deze Nota is dan dus niet van toepassing . Als door het bodemonderzoek het vermoeden ontstaat dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, is uiteraard deze Nota ook niet van toepassing.

Bodemkwaliteitszone Industrieterreinen en bedrijfsterreinen

Aanleiding om gebiedsspecifiek beleid te maken:

Binnen de regio zijn er, buiten de grootschalige bodemtoepassingen om, geen afzetmogelijkheden voor grond met ontgravingskwaliteitsklasse industrie.

 

Gebiedsspecifiek beleid:

Het college van burgemeester en wethouders kan per project besluiten of zij toestaat dat grond uit het regionale beheersgebied tot aan de kwaliteit industrie mag worden toegepast, als de ontvangende bodemkwlaiteitszone schoner is. Binnen de gemeente Veenendaal zijn reeds gebieden aangewezen (huidige bedrijventerreinen en doorgaande wegen) waarvoor dit mogelijk is. De eigenaar kan/mag desgewenst op deze terreinen industriegrond toepassen. Echter geldt in deze gebieden een onderzoeksplicht bij het afvoeren van grond.

 

Toelichting:

De wetgever heeft deze mogelijkheid geboden zodat wordt voorkomen dat gemeenten/ontwikkelaars onnodig hoge kosten moeten maken voor de afvoer van grond met de kwaliteitsklasse Industrie zonder dat er sprake is van risico's bij het (toekomstig) bodemgebruik.

Het bodemonderzoek dat in deze bodemkwlaiteitszone moet worden uitgevoerd om te bepalen wat de actuele hergebruikskwaliteit is, moet voldoen aan

  • ·

    de NEN 5725 (vooronderzoek) om te bepalen of sprake is van een onverdachte locatie en

  • ·

    de laatste versie van de NEN5740 (strategie is gebaseerd op vooronderzoek).

Alle bodemkwaliteitszones: bodemvreemd materiaal

Aanleiding om gebiedsspecifiek beleid te maken:

Het landelijke beleid stelt eisen ten aanzien van de toegestane bijmenging aan bodemvreemd materiaal in de toe te passen grond. De maximaal toegestane bijmenging aan bodemvreemd materiaal is 20 gewichtsprocent. De gemeenten in de regio vinden dit maximale percentage in een aantal situaties te hoog.

 

Gebiedsspecifiek beleid:

Grond die wordt toegepast in de bodemfunctieklasse landbouw/natuur mag niet meer dan 5 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal aan bijmenging bevatten. Ook grond die wordt toegepast in de bodemfunctieklasse wonen, met de gevoelige functies (moes)tuin en kinderspeelveld mag niet meer dan 5 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal aan bijmenging bevatten en bovendien visueel geen glas en asbest bevatten.

 

Toelichting:

Bodemvreemd materiaal is alles wat van nature niet in de bodem voorkomt, hieronder valt onder andere: steenachtig materiaal (puin, kooltjes, klinkers e.d.), asbest, glas, plastic, hout, metaal.

In de bodem in het buitengebied is het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal beperkt. Het is niet wenselijk dat hier meer bodemvreemd materiaal wordt toegepast.

In het handboek Grondverzet in de regio Zuidoost-Utrecht worden richtlijnen opgenomen voor:

  • ·

    wijze van meten;

  • ·

    verschillende soorten bodemvreemd materiaal;

  • ·

    zeefbaarheid (fracties kleiner dan 1 cm, zijn moeilijk te zeven);

  • ·

    keuringsplicht.

De regel geldt niet voor het stedelijk gebied, buiten de eerdergenoemde (moes)tuinen en kinderspeelvelden. Binnen het stedelijk gebied komt regelmatig grond vrij met 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal aan bijmenging. In het stedelijk gebied is daarom 20 gewichtsprocent toegestaan, zodat reguliere onderhoudswerkzaamheden niet worden gefrustreerd. Opgemerkt wordt dat het uitzeven van bodemvreemd materiaal is toegestaan en makkelijk is uit te voeren.

In bestekken en bij opdrachtverlening kunnen desgewenst scherpere eisen gesteld worden aan bijmenging met bodemvreemd materiaal.

Gemeentelijke wegbermen en wegen

Aanleiding om gebiedsspecifiek beleid te maken:

De kwaliteit van bermen zowel van wegen als wegbermen varieert van schoon tot sterk verontreinigd. Gemeenten willen deze gronden nuttig hergebruiken binnen de eigen gemeente.

 

Gebiedsspecifiek beleid:

Grond die binnen wegen en wegbermen vrijkomt mag, indien de weg(berm) onverdacht is, worden hergebruikt binnen wegen en wegbermen binnen de gemeente. Grond die over is wordt in een tijdelijk depot geplaatst. De kwaliteit van dit depot wordt door middel van een partijkeuring bepaald.

 

Toelichting:

(Weg)bermen zijn (mogelijk) verontreinigd. Deze verontreiniging is veroorzaakt door:

  • ·

    depositie uitlaatgassen (PAK, lood);

  • ·

    afstromend regenwater (minerale olie, PAK en zware metalen);

  • ·

    funderingsmateriaal (zware metalen en PAK);

  • ·

    toepassing van teerhoudend asfalt (PAK);

  • ·

    uitloging vangrails (zink).

De mate van verontreiniging hangt af van het type weg: een drukke weg zal meer depositie hebben dan een rustige weg. Binnen de regio wordt onderscheid gemaakt verdachte en onverdachte wegen en wegbermen. Verdachte wegen zijn bijvoorbeeld oude wegen waar in het asfalt teer is verwerkt; verdachte wegbermen zijn wegbermen waar veel verkeer langs komt. In het handboek Grondverzet in de regio Zuidoost-Utrecht wordt dit nader uitgewerkt. Verdachte wegbermen en wegen moeten worden onderzocht conform de NEN 5740.

Voor de begrenzing van de bermen wordt aangesloten bij figuur 4.7. Deze is afkomstig uit een brief

van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Lokaal kunnen andere definities worden gehanteerd.

 

Figuur 4.7: begrenzing wegbermen.

Opmerking:

Rijkswaterstaat, SBNS en Prorail hebben de gemeenten verzocht de bodemfunctie industrie aan wegconstructies en spoorzones toe te kennen. Aan deze vraag wordt voldaan. De bodemfunctieklassenkaart is hierop aangepast.

Kabels, leidingen en riolering

Aanleiding om gebiedsspecifiek beleid te maken:

In het Bbk is beschreven dat het tijdelijk verplaatsen of uit een toepassing wegnemen van grond is toegestaan indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. Formeel betekent dit dat de vrijgekomen grond in dezelfde laag moet worden teruggebracht. Het gescheiden ontgraven en houden van boven- en ondergrond is in de praktijk echter moeilijk realiseerbaar. Vooral bij werkzaamheden aan kabels, leidingen en riolering. De grond die bij dit soort werkzaamheden wordt ontgraven, wordt namelijk vaak in één depot geplaatst. In het verleden werd bij het graven van sleuven geen onderscheid gemaakt tussen de boven- en ondergrond, waardoor op veel plekken de grond reeds is geroerd. Bovendien zijn dit kleinschalige grondwerken, waarbij weinig ruimte is om grond op te slaan.

 

Gebiedsspecifiek beleid:

Het is toegestaan om, bij tijdelijke uitname van grond vanwege reparatie- of vervangwerkzaamheden aan kabels, leidingen en riolering, niet gescheiden te ontgraven en terug te plaatsen. Dit betekent dat in het traject 0,0 – 6,0 m-mv de boven- en ondergrond geroerd mag worden teruggeplaatst, mits de ontgravingsdiepte functioneel is. Bij hergebruik van grond uit kabels-, leidingen en rioolcunetten op andere locaties wordt de kwaliteitsklasse van de hergebruiksgrond gelijkgesteld aan de ontgravingsklasse van de bovengrond van de desbetreffende zone.

 

Toelichting:

Consequentie van deze werkwijze is dat de bodem ter plaatse van leidingtracés geroerd raakt met als mogelijk gevolg het opmengen van verschillende kwaliteitsklassen. De vermenging wordt echter geaccepteerd omdat:

  • ·

    de kwaliteit van de bovengrond zal verbeteren;

  • ·

    er geen bodemhygiënische risico’s zullen optreden;

  • ·

    na de werkzaamheden de bovengrond veelal weer zal worden afgedekt met bestrating;

  • ·

    de grond ter plaatse van riolering- en leidingtracés in het verleden al vermengd is geraakt bij de aanleg van de kabels en leidingen en riolering) dan wel dat de kabelgoten destijds mogelijk zijn aangevuld met schone grond.

  • ·

    bij het aantreffen van bodemverontreiniging de zorgplicht geldt: verontreinigde grond mag niet worden vermengd met onverdachte grond.

Gebruik bodemkwaliteitskaart voor omgevingsvergunning bouwen

Aanleiding om gebiedsspecifiek beleid te maken:

Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen dient een bodemonderzoek aangeleverd te worden. Een dergelijk onderzoek is duur.

 

Gebiedsspecifiek beleid:

Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen kan de bodemkwaliteitskaart als milieuhygiënische bewijsmiddel dienen. Als voorwaarde geldt dat door middel van een historisch onderzoek (conform de laatste versie van de NEN5725) is vastgesteld dat op de locatie geen verdachte activiteiten hebben plaatsgevonden.

 

Toelichting:

De aanvrager geeft opdracht tot het uitvoeren van het historisch onderzoek. De gemeente (of de Milieudienst Zuidoost-Utrecht) beoordeelt het onderzoek. Indien geconcludeerd wordt dat de locatie verdacht is, moet tenminste een verkennend onderzoek (conform de laatste versie van de NEN5740) worden aangeleverd.

Verdachte locaties zijn onder andere:

  • ·

    boomgaarden uit de periode tussen 1945 – 1975;

  • ·

    voormalige bedrijven;

  • ·

    gedempte sloten;

  • ·

    ondergrondse tanks;

  • ·

    huidige bedrijven;

  • ·

    percelen en gebieden met (historische) ophooglagen van onbekende kwaliteit.

Het handboek Grondverzet in de regio Zuidoost-Utrecht zal een beschrijving van de verdachte locaties bevatten.

Het vaststellen van het bodembeheersgebied

Aanleiding om gebiedsspecifiek beleid te maken:

De gemeenten Bunnik, De Bilt, Rhenen, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vianen, Wijk bij Duurstede en Zeist hebben een samenwerkingsovereenkomst met de Milieudienst Zuidoost-Utecht. Binnen dit samenwerkingsverband is besloten om gezamenlijk een regionale bodemkwaliteitskaart te maken en deze Nota bodembeheer te schrijven.

 

Gebiedsspecifiek beleid:

Het beheergebied voor het grondstromenbeleid is vooralsnog het grondgebied van de gemeenten Bunnik, De Bilt, Rhenen, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vianen, Wijk bij Duurstede en Zeist en het Noorderpark gelegen in gemeente Utrecht. Door het gemeentegrensoverschrijdende karakter van het beheergebied is sprake van gebiedsspecifiek beleid.

 

Toelichting:

Volgens de generieke regels van het Bbk maakt een gemeente alleen voor haar eigen grondgebied gronstromenbeleid. Het Bbk biedt echter nadrukkelijk de mogelijkheid het beheergebied uit te breiden, maar dan is wel sprake van gebiedsspecifiek beleid.

Het beheergebied kan in de toekomst nog verder worden uitgebreid met grondgebieden van nog andere gemeenten. Daarmee wordt het mogelijkom nog elkaars bodemkwaliteitskaarten te accepteren als milieuhygiënisch bewijsmiddel. Paragraaf 5.3 gaat hier nader op in.

Procedures

Vaststellingsprocedure

Bij vaststelling van deze Nota komen de huidige door de gemeenten vastgestelde bodemfunctieklassenkaarten, bodemkwaliteitskaarten en bijbehorende bodembeheerplannen te vervallen. De vaststelling van deze Nota is, omdat is gekozen voor het gebiedsspecifieke kader van het Bbk, een besluit van iedere gemeenteraad (bij het volledig volgen van het generieke beleidskader zouden dat de colleges van Burgemeester en wethouders zijn). Het besluit tot vaststelling van het gebiedsspecifiek beleid (inclusief acceptatie van de bodemkwaliteitskaart(en), de Lokale Maximale Waarden en de bodemfunctieklassenkaart) is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dit betekent dat het besluit open staat voor inspraak en beroep.

Evaluatie van het grondstromenbeleid

In het Bbk is vastgelegd dat deze Nota en de bodemfunctieklassenkaart maximaal 10 jaar geldig is. Iedere vijf jaar volgt een evaluatie van de bodemkwaliteitskaart. Zo nodig moeten de nota en de kaarten worden geactualiseerd.

 

Jaarlijks zal echter worden getoetst of de regels werkbaar zijn en of voldaan wordt aan de verwachtingen:

  • ·

    meer hergebruik van grond tussen de gemeenten;

  • ·

    meer uniformiteit in regels, duidelijkheid voor aannemers;

  • ·

    verbetering in de kwaliteit bij opdracht geven, toezicht en handhaving van uitvoering.

De bodemkwaliteitskaart wordt in 2017 geëvalueerd. In de periode tot 2017 worden voor verschillende doelen bodemonderzoeken uitgevoerd in de regio. De resultaten van de bodemonderzoeken op onverdachte percelen worden vergeleken met de regionale bodemkwaliteitskaart.

Delegatie naar college van burgemeester en wethouders

Deze Nota, de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassenkaart moeten op grond van het Bbk door de gemeenteraad worden vastgesteld. Ook het accepteren van de bodemkwaliteitskaart van omliggende gemeenten en andere regio’s moet door de gemeenteraad worden vastgesteld. Door het vaststellen van bodemkwaliteitskaarten uit andere regio’s/gemeenten wordt het beheersgebied verruimd. Grond uit deze regio’s kan, indien afkomstig van een onverdacht locatie, zonder partijkeuring worden toegepast in de gemeente. Omgekeerd kan grond uit deze regio alleen zonder partijkeuring worden toegepast in andere gemeenten, wanneer deze gemeente onze bodemkwaliteitskaart heeft geaccepteerd.

De gemeenteraad delegeert de volgende onderdelen, na eerste vaststelling van deze Nota, naar het college van burgemeester en wethouders:

  • 1.

    wijziging in de bodemfunctieklassenkaart,

  • 2.

    actualiseren van de bodemkwaliteitskaart,

  • 3.

    uitbreiding van het beheergebied

 

Toelichting

Wijziging in de bodemfunctieklassenkaart

Onderdeel van de vaststelling van gebiedsspecifiek beleid zoals vastgelegd in het Bbk is ook de vaststelling van een bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1). De bodemfunctieklassenkaart legt de bodemfunctieklasse vast van een perceel en heeft met name effect bij de beoordeling van bodemsaneringen en het toepassen van grond. De bodemfunctieklasse sluit aan bij de functie van het gebied en deze functie wordt door de Raad vastgesteld in het bestemmingsplan. Indien het college deze functie volgt is het wijzigen van de bodemfunctieklassenkaart feitelijk niet meer dan een uitvoeringshandeling.

 

Actualiseren van de bodemkwaliteitskaart

Ten minste elke vijf jaar worden nieuwe bodemgegevens vergeleken met de bodemkwaliteitsklassen van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart. De verwachting is dat dit niet tot schokkende nieuwe inzichten leidt. Daardoor is hernieuwde vaststelling door het college gerechtvaardigd. Mochten er wel verschillen worden geconstateerd die nopen tot een andere gebiedsindeling, dan is vaststelling door in de raad van de gemeente die hiermee direct te maken heeft wel aan de orde, en moet daarover worden gecommuniceerd met de andere gemeenten in het beheergebied. Het besluit staat open voor inspraak en beroep.

 

Uitbreiding beheergebied (acceptatie van de bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten)

Uitbreiding van het bodembeheergebied wordt gerealiseerd door eenzijdige of wederzijdse erkenning van de nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaarten van andere gemeente(n), als bewijsmiddel voor de kwaliteit van toe te passen grond. Hiermee nemen de mogelijkheden van hergebruik van grond toe.

Het beheergebied van de regio kan worden uitgebreid onder de volgende voorwaarden:

  • -

    door het bevoegd gezag (de raad van een andere gemeente, het algemeen bestuur van een waterschap of de Minister van I&M) van het uitbreidingsgebied is een bodembeheernota en bodemkwaliteitskaart vastgesteld;

  • -

    de opgenomen Lokale Maximale Waarden en gewichtspercentage bodemvreemd materiaal voor de vastgestelde kwaliteitszones zijn niet hoger dan de LMW en het vastgestelde percentage zoals opgenomen in de bodembeheernota van de eigen gemeente (“de door ons vastgestelde waarden”);

  • -

    voor acceptatie van de bodemkwaliteitskaart als wettig bewijsmiddel geldt ook dat:

    • o

      De bodemkwaliteitskaart is opgesteld conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten van september 2007.

    • o

      De milieuhygiënische kwaliteit is uitgedrukt op klassenniveau.

    • o

      De kwaliteitsklasse is gebaseerd op de gemiddeld gemeten gehalten.

    • o

      De bodemkwaliteitskaart niet ouder is dan vijf jaar.

Implementatie en communicatie

Na het vaststellen van deze Nota komt het aan op de uitvoering. Goede communicatie is daarbij belangrijk. Het communicatietraject richt zich niet alleen op de eigen organisatie, maar ook op partijen daarbuiten. Bij de totstandkoming van deze Nota zijn naast de gemeenten, ook vertegenwoordigers van andere overheden, adviesbureaus en marktpartijen betrokken. Voor de implementatie van het beleid is het noodzakelijk de communicatie breed op te zetten en te laten aansluiten bij de uitvoeringspraktijk. Hiervoor benaderen de gemeenten/Milieudienst de doelgroepen actief en zetten de gemeenten ook middelen in die door de doelgroepen zelf geraadpleegd kunnen worden.

Doelgroepen

Intern (gemeentelijke organisatie en Milieudienst)

Binnen de gemeenten zijn verschillende afdelingen betrokken bij het ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie. Beleidsmedewerkers, handhavers en uitvoerders hebben elk hun eigen invalshoek. Het succes van implementatie hangt af van samenwerking, waarbij de verschillende uitgangspunten elkaar aanvullen. De Milieudienst Zuidoost-Utrecht organiseert bijeenkomsten waarin de disciplines beleid, handhaving en uitvoering gezamenlijk geïnformeerd worden over het (nieuwe) grondstromenbeleid. De bijeenkomsten zijn op de praktijk gericht. Op deze manier wordt niet alleen duidelijk wie welke rol heeft en wat iedereen te doen staat, maar ook de samenwerking wordt bevorderd. Jaarlijks of tweejaarlijks worden de bijeenkomsten herhaald om enerzijds de kennis over het grondstromenbeleid op te frissen en anderzijds mogelijke knelpunten op te oplossen.

 

Extern (organisaties en particulieren)

Voor andere organisaties en de inwoners van de gemeenten is via internet informatie beschikbaar (te downloaden) waarin helder en begrijpelijk wordt uitgelegd welke regels binnen de gemeenten in de regio Zuidoost-Utrecht gelden voor grond- en baggerverzet (ontgraven en toepassen).

Buiten de gemeentelijke organisatie houden verschillende andere partijen zich bezig met grond- en baggerstromen. Daaronder zijn overheidsorganisaties als Rijkswaterstaat, de Waterschappen en de Dienst Landelijk Gebied, maar natuurlijk ook projectontwikkelaars, aannemers, grondbanken en agrariërs. Voor deze partijen organiseert de Milieudienst Zuidoost-Utrecht een informatiebijeenkomst waarin het regionale grondstromenbeleid centraal staat.

Inwoners van een gemeente zijn over het algemeen slechts incidenteel betrokken bij grondverzet. Op die momenten is het handig om de grote lijnen van het gemeentelijk beleid te kennen en te weten wat de gemeente van de inwoner verwacht. Om gemakkelijk meer informatie te kunnen vinden, staan op de gemeentelijke websites, telefoonnummers en internetadressen van gemeentelijke en landelijke informatiepunten vermeld.

Actief informeren en vindbaar zijn

Actief informeren

Naast de bijeenkomsten die worden georganiseerd voor interne en externe partijen, besteden de gemeenten en Milieudienst Zuidoost-Utrecht ook aandacht aan informatievoorziening in de lokale en regionale bladen. In een artikel over het nieuwe grondstromenbeleid worden vooral de mogelijkheden voor het toepassen van grond uitgelegd. In het artikel is een verwijzing naar de internetsites en informatiepunten opgenomen.

 

Vindbaar zijn

Van de huidige communicatiemiddelen is internet één van de belangrijkste. Op de website van de gemeenten en de Milieudienst Zuidoost-Utrecht is een pagina met informatie over het grondstromenbeleid. Op deze pagina staan een heldere beschrijving van de hoofdlijnen van het beleid, praktische aanwijzingen over het binnen de regels toepassen van grond en bagger en links naar andere websites. Onder andere staan er links naar het Kennisplein Bbk van AgentschapNL/Bodem+ en het centrale meldpunt bodemkwaliteit. Via de websites van de gemeenten en de Milieudienst zijn deze Nota, de bodemkwaliteitskaarten de bodemfunctieklassenkaart en de ontgravings- en toepassingskaarten te downloaden. Vanzelfsprekend staan ook de telefoonnummers vermeld en is er een mogelijkheid om de brochure te downloaden.

Organisatie

In dit hoofdstuk worden de consequenties van het beleid beschreven voor de gemeenten en de Milieudienst.

Met het vaststellen van deze Nota zullen de regionale doelstellingen niet zijn bereikt. Dit beleid heeft invloed op de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot grond. Ook zal het beleid in praktijk moeten worden gebracht en gehandhaafd.

In het Bbk zijn regels opgenomen over de kwaliteit van activiteiten die worden uitgevoerd bij bodembeheer, zoals bijvoorbeeld het uitvoeren van bodemonderzoek of partijkeuring, het plaatsen van grond in depots etc.

Verbeteren handhaving

Adequaat niveau

De VROM-Inspectie heeft een adequaat niveau opgesteld voor het Bbk. Dit adequaat niveau beschrijft de verwachting van de VROM-Inspectie ten aanzien van handhaving Bbk door de gemeenten.

De handhaving van het Bbk bestaat uit:

  • ·

    beoordelen van meldingen;

  • ·

    toetsing op Kwalibo aspecten;

  • ·

    toezicht houden in het veld op gemelde en niet-gemelde toepassingen;

  • ·

    toezicht houden op werken waarin IBC-bouwstoffen zijn verwerkt.

Door de VROM-Inspectie is vastgesteld dat het toezicht op en actieve opsporing van niet gemelde werken verbeterd moet worden.

Na het vaststellen van deze Nota wordt samen met gemeenten en de Milieudienst een handboek Grondverzet in de regio Zuidoost-Utrecht opgesteld. Dit handboek bevat een toelichting op de volgende onderwerpen:

  • ·

    interpretatie van het ‘op-en-nabij principe’, richtlijnen uit BRL 9335 en onderzoeksprotocollen;

  • ·

    wijze waarop administratieve controle van meldingen plaatsvindt;

  • ·

    wijze van handhaving in het veld.

Hergebruik van grond en bagger binnen de regio

Binnen de gemeenten bestaat behoefte om actief grond uit te wisselen in de regio. Onderzocht wordt welke mogelijkheden hiervoor zijn in de regio. Voorbeelden zijn een internetapplicatie, een regionale grondstromencoördinatie of een gemeentelijke grondstromencoördinatie.

Kaarten

  • 1.

  • 2.

    Afgeleide kaarten van bodemkwaliteitskaart:

    • a.

    • b.

      Deelgebiedenkaart ondergrond

    • c.

      Ontgravingskaart bovengrond

    • d.

      Ontgravingskaart ondergrond

    • e.

      Toepassingskaart bovengrond

    • f.

      Toepassingskaart ondergrond

    • g.

      (voormalige) Boomgaardpercelen

 

Bijlagen:

  • 1.

    Bijlage 1 Literatuurlijst ten grondslag aan deze Nota

  • 2.

    Besluit bodemkwaliteit, publicatie Staatscourant 3 december 2007.

  • 3.

    Regeling bodemkwaliteit, publicatie 20 december 2007.

  • 4.

    Handreiking Bodemkwaliteit, SenterNovem – Bodem+, Den Haag, december 2007.

  • 5.

    Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten, NEN, 2007

  • 6.

    Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009).

  • 7.

    NOBO: Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling – Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007. VROM, december 2008.

  • 8.

    Ken uw bodemkwaliteit, Grontmij i.o.v. SenterNovem/Bodem+, 1 september 2007, 3BODM0704

  • 9.

    Quickscan Besluit bodemkwaliteit, regio Zuidoost-Utrecht, 14 januari 2010.

 

Bijlage 2 Onderbouwing normen

 

MEMO

Opgesteld door: CSO Adviesbureau

Datum: 7 september 2011

Betreft: Onderbouwing Lokale Maximale Waarden voor bestrijdingsmiddelen in de regio Zuidoost-Utrecht

________________________________________________________________________________

Inleiding

In de regio Zuidoost-Utrecht worden op diverse plaatsen grondverontreinigingen met organochloor-bestrijdingsmiddelen vastgesteld. De verontreiniging bevindt zich op percelen, waar zich in de jaren '50 en '60 van de vorige eeuw boomgaarden bevonden. Deze gebieden beslaan een groot deel van het landelijk gebied van de gemeenten Bunnik, Wijk bij Duurstede en Vianen. In de (voormalige) boomgaardpercelen wordt een heterogene verontreiniging met DDT en afbraakproducten hiervan aangetroffen, waarbij DDE de meest kritische stof is. Uit de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart voor de regio Zuidoost-Utrecht [5] blijkt dat de grond op deze percelen licht tot plaatselijk sterk met organochloor-bestrijdingsmiddelen verontreinigd is. Als gevolg van de gemiddelde kwaliteit van deze bestrijdingsmiddelen in de bovengrond op de (voormalige) boomgaardpercelen valt in de ontgravingskwaliteitsklasse industrie. In 5% van alle beschikbare waarnemingen van DDE wordt de interventiewaarde van de wet bodembescherming overschreden. Gezien de schaal waarop de met organochloorbestrijdingsmiddelen verontreinigde boomgaarden voorkomen is er sprake van een grootschalige diffuse heterogeen verspreide verontreiniging.

De regio heeft als één van haar uitgangspunten voor regionaal grondstromenbeleid opgenomen dat zij een goede balans zoekt tussen beschermen van de bodem en zijn gebruikers en het nuttig hergebruiken van grond en baggerspecie. Indien de landelijk normen voor bestrijdingsmiddelen worden gehanteerd leidt dit tot stagnatie in het hergebruik van grond. Een ander uitgangspunt is de vermindering van (administratieve en vooral onderzoeks-)lasten voor bewoners en ondernemers en heldere en eenduidige regels in de regio.

Om de hoge onderzoeks- en saneringskosten te beperken en meer hergebruik van grond mogelijk te maken wil de regio Zuidoost-Utrecht zogenaamde Lokale Maximale Waarden (LMW) opstellen. In het Besluit zijn regels opgenomen waaraan Lokale Maximale Waarden moeten voldoen.

 

Indeling gebieden

Voor organochloor-bestrijdingsmiddelen geldt dat bij relatief lage gehalten er sprake is van een ecologisch risico, terwijl pas bij relatief hoge gehalten sprake is van een humaan risico. In deze Nota maken is onderscheid gemaakt tussen:

  • ·

    bestaande (voormalige) boomgaardpercelen;

  • ·

    (toekomstige) woongebieden, (toekomstige) bedrijventerreinen, infrastructuur en openbaar groen;

  • ·

    aangewezen natuurgebieden.

Door deze beleidsmatige diversificatie op basis van bodemgebruik wordt rekening gehouden met het grootschalige voorkomen van verontreinigingen met organochloor-bestrijdingsmiddelen, risico's bij het (toekomstig) bodemgebruik en de mogelijkheden om met behulp van duurzaam bodembeheer meer grond te kunnen hergebruiken en minder grond te hoeven saneren. Op deze manier staan de onderzoeks-, sanerings- en verwerkingskosten van met organochloor-bestrijdingsmiddelen verontreinigde grond meer in verhouding met de effecten die worden bereikt. Deze diversificatie wordt ook toegepast in de Regio Rivierenland.

 

Bestaande (voormalige) boomgaardpercelen

Binnen de (voormalige) boomgaardpercelen vindt doorgaans weinig of zeer kleinschalig grondverzet plaats, gerelateerd aan het onderhoud van de boomgaard. In deze gebieden wordt gestreefd naar een stand-still principe.

 

(toekomstige) woongebieden en bedrijventerreinen

In (nieuwe) woon- en industriegebieden worden geen humane risico’s geaccepteerd. Er is een lager ecologisch beschermingsniveau vereist dan in natuurgebieden. In deze zones vindt de regio het vanuit een beleidsmatig en economisch oogpunt het wenselijk om in woon- en industriegebieden hogere waarden te accepteren bij sanering en hergebruik van grond dan in natuur gebieden. Een beperkte verslechtering voor wat betreft bestrijdingsmiddelen wordt toegelaten ten gunste van natuurgebieden.

 

Natuurgebieden

Vanwege de ecologische risico's zijn bestrijdingsmiddelen vooral van belang in bestaande en (vanuit bodembeheer vooral relevante) toekomstige natuurgebieden. De regio streeft hier naar een verbetering van de situatie. Voor deze gebieden gelden de landelijke normen.

 

Berekening risicotoolbox

Hieronder zijn de risico's nader in beeld gebracht, waarbij gebruik is gemaakt van het rekenmodel: de risicotoolbox. De risicotoolbox is een digitaal rekenmodel dat gebruikt wordt om te bepalen of gekozen lokale maximale waarden bijdrage aan een duurzaam bodembeheer. De risicotoolbox maakt gebruik van een risico-index (RI). Als deze lager is dan 1 is er sprake van duurzaam bodembeheer. Bij gehalten hoger dan 1 is er sprake van een minder duurzaam bodembeheer. Dit neemt toe naar mate het getal groter is. Het afwegen van risico's versus de mogelijkheden van hergebruik van grond ligt geheel bij de gemeente. Berekeningen zijn uitgevoerd op de gemiddelde gehalten en P95-waarden. Daarnaast is Sanscrit gebruikt om te bepalen of er sprake is van een onaanvaardbaar risico. Deze berekeningen zijn uitgevoerd op de 95-percentielwaarden. Op basis van deze berekeningen en beleidsmatige overwegingen zijn de LMW bepaald. De gehalten zijn opgenomen in tabel 1.

Tabel 1 Statistische parameters boomgaardpercelen

Stof

gemiddelde

95-percentiel

Achtergrond-waarde

Max. wonen

Max industrie

Interventie-waarde

Chloordaan

0,0057

0,0140

0,0008

0,0008

0,0398

1,5929

Drins

0,01

0,0356

0,0060

0,0159

0,0558

1,5929

Beta-HCH

0,004

0,0004

0,0008

0,0008

0,1991

0,6372

Gamma-HCH

0,009

0,0012

0,0012

0,0159

0,1991

0,4779

Heptachloor

0,003

0,0003

0,0003

0,0003

0,0398

1,5929

Heptachloorepoxide

0,0057

0,0140

0,0008

0,0008

0,0398

1,5929

DDT

0,0924

0,2900

0,0796

0,0796

0,3982

0,6770

DDD

0,0280

0,0999

0,0080

0,3345

13,5398

13,5398

DDE

0,2971

1,2150

0,0398

0,0518

0,5177

0,9159

Lutum: 27,6%, Organisch stof: 4,0%, gehalten in mg/kg

 

Bestaande (voormalige) boomgaardpercelen

Voor het bepalen van de risico's in bestaande (voormalige) boomgaardpercelen zijn berekeningen uitgevoerd met behulp van de risicotoolbox. De resultaten hiervan zijn samengevat in de onderstaande tabel. Hierin zijn de met de risicotoolbox berekende risico-index (RI) voor humaan en ecologie, het ecologisch mengsel risico (ms-PAF) en ecologisch beschermingsniveau (corresponderend met de weergegeven index) op genomen.

Tabel 2: Berekende risico's op basis van het gemiddelde gehalte voor landbouw op klei

stof

RI- humaan

RI-ecologie

ms-PAF

beschermingsniveau

DDT

0,01

1,16

0,21

matig

DDD

<0,01

0,08

0,11

gemiddeld

DDE

0,05

5,71

3,28

matig

Drins

0,02*

0,72

6,81

gemiddeld

gamma-HCH

0,01

0,18

2,59

gemiddeld

* Individuele drins zijn niet opgenomen in de BKK. Bij de berekening is uitgegaan van de ratio tussen drins gemeten in de regio Rivierenland

Op basis van de bovenstaande tabel blijkt dat er op basis van het gemiddelde gehalte absoluut geen sprake is van een humaan risico (risico-index zeer ruim onder de toetsingswaarde van 1) en het ecologisch beschermingsniveau als matig kan worden aangeduid.

Door middel van berekening (op basis van de P95 waarden) met behulp van het rekemodel Sanscrit is berekend dat er voor wat betreft DDE theoretisch een onaanvaarbaar ecologisch risico zou kunnen bestaan. Dit is alleen het geval indien er grote aaneengesloten delen van een gebied (groter dan 5000 m2) integraal boven de interventiewaarde verontreinigd zijn. In de praktijk komt dit incidenteel op perceelsniveau voor. Omdat de risicotoolbox is gebaseerd op conservatieve berekeningen, waarbij de nodige veiligheidsmarges zijn ingebouwd en de ecologie zich aanpast aan het bodemmilieu zullen de werkelijke ecologische effecten naar verwachting minder hoog zijn dan berekend.

 

(toekomstige) woongebieden en bedrijventerreinen

Voor het bepalen van de risico's voor bestaande en toekomstige woongebieden op voormalige boomgaardpercelen is uitgegaan voor het bodemgebruik wonen met tuin. Daarnaast is een berekening gemaakt voor het specifieke bodemgebruik van moestuin. De resultaten voor het gebruik Wonen met tuin zijn gelijk aan de berekende gehalten voor de huidige boomgaardpercelen. Dit komt omdat de blootstellingsroutes in de risicotoolbox gelijk zijn gesteld.

Blootstelling aan bestrijdingsmiddelen vindt met name plaats door gewasconsumptie. De risico's zijn daarom ook berekend voor het meest gevoelige gebruik: wonen met moestuin.

Tabel 3. Berekende risico's op basis van het gemiddelde gehalte in moestuinen bij verschillende mate van gewasconsumtie

stof

RI- humaan

gemiddelde consumptie

RI-humaan

veel consumptie

DDT

0,02

0,05

DDD

0,01

0,01

DDE

0,15

0,29

drins

<0,06*

0,12

gamma-HCH

0,04

0,09

* Individuele drins zijn niet opgenomen in de BKK. Bij de berekening is uitgegaan van de ratio tussen drins gemeten in de regio Rivierenland

Uit de tabel blijkt dat uitgaande van de gemiddelde bodemkwaliteit op de (voormalige) boomgaarden er geen risicio is voor moestuinen (RI < 1). Voor de 95-percentielwaarde is er volgens de risicotoolbox theoretisch wel een risico voor moestuinen. De berekende risicoindex (1,18) ligt hier net boven de richtwaarde van 1 als wordt uitgegaan van veel gewasconsumtie. In de praktijk wordt niet verwacht dat er daadwerkelijke onaanvaardbare risico's zullen optreden. Hiervoor zijn drie redenen. In de eerste plaats zal het in een woonwijk niet voorkomen dat de totale gewasconsumptie uit eigen tuin wordt gehaald. Door de GGD van de regio Rivierenland is aangegeven dat je hiervoor een moestuin van minimaal 200 m2 moet hebben. De onderstaande tabel afkomstig uit het NOBO-rapport [..] laat de maximaal gemeten gehalten bij verschillende gewasconsumpties zien. Bij beoordelen van risico's voor woongebieden hanteert de GGD de maximale waarde van 14 mg/kg. Het in de BKK opgenomen maximale gehalte (3,75 mg/kg, teruggerekend naar standaardbodem) blijft hier ruim onder. De gemeten gehalten komen overeen met elders gemeten gehalten. De GGD heeft ook hier beoordeeld dat er geen sprake is van een humaan risico [3].

Tabel 4. Maximale gehalten voor DDE bij verschillende consumpties van gewas uit eigen tuin

Consumtie bladgewas (%)

Consumptie knolgewas (%)

maximaal gehalte DDE

(mg/kg ds)

100

50

2,6

50

25

5,1

10

10

14

0

0

290

In de tweede plaats wordt de grond bij herinrichting omgewoeld zodat de verontreinigde toplaag en onderlaag worden gemengd. In de derde plaats wordt bij de aanleg van moestuinen vaak schone teelaarde aangebracht. Metingen in de gemeente Houten laten zien dat bestrijdingsmiddelen zelden worden teruggevonden in het verleden bouwrijp gemaakte tuinen [1].

 

Industriegebieden, infrastructuur en openbaar groen

In het geval van industriegebieden, infrastructuur en opbaar groen (met ongevoelig bodemgebruik zoals groenstroken, bermen etc. ) is de blootstelling aan verontreiningen in de bodem beperkt. De onderstaande tabel geeft de met de risicotoolbox berekende risico's aan.

Tabel 5: Berekende risico's op basis van het gemiddelde gehalte voor bebouwde gebieden en openbaar groen

stof

RI- humaan

RI-ecologie

ms-PAF

beschermingsniveau

DDT

<0,01

0,23

0,21

matig

DDD

<0,01

<0,01

0,11

gemiddeld

DDE

<0,01

0,57

3,28

matig

drins

<0,01

0,21

6,81

matig

gamma-HCH

<0,01

0,01

2,59

gemiddeld

Hieruit blijkt dat humane en ecologische risico's verwaarloosbaar zijn uitgaande van een matig beschermingsniveau voor ecologie. De p95 is ook ingevoerd in Sanscrit. Hieruit blijkt dat er pas bij oppervlakten groter dan 500.000 m2 sprake is van een onaanvaardbaar ecologisch risico. Deze situatie doet zich in de praktijk niet voor omdat niet oppervlakten met gehalten van de interventiewaarden en bedrijventerreinen kleiner zijn.

 

Aangewezen natuurgebieden

In regio zijn enkele gebieden die zijn aangewezen als natuurbeschermingsgebied in het kader van de EHS, natura 2000 en habitatsgebieden. In verband hiermee zijn ook berekeningen met de risicotoolbox uitgevoerd. Deze zijn opgenomen in de onderstaande tabel.

Tabel 6: Berekende risico's op basis van het gemiddelde gehalte

stof

RI- humaan

RI-ecologie

ms-PAF

beschermingsniveau

DDT

<0,01

1,16

0,21

matig

DDD

<0,01

3,50

0,11

gemiddeld

DDE

<0,01

7,43

3,28

matig

drins

<0,01

1,92

6,81

matig

gamma-HCH

<0,01

2,42

2,59

gemiddeld

Als de bovenstaande tabel wordt vergeleken met tabel 2 en 4 volgt hieruit dat de ecologische risico's hier het hoogst zijn (hetgeen logisch is). Het beschermingsniveau wordt als matig gekenmerkt. Dit niveau voldoet niet aan de doelstelling van duurzaam bodemgebruik in een natuurgebied. Het aantal voormalige boomgaarden binnen aangewezen beschermingsgebieden is overigens beperk

Humane risico's zijn er niet. Dit komt doordat de blootstelling aan bodemverontreiniging in deze gebieden zeer beperkt is.

 

Lokale Maximale Waarden

Op basis van de in de inleiding genoemde beleidsuitgangspunten, uitgevoerde risicoberekeningen en het advies dat de GGD Rivierenland heeft gegeven voor (voormalige) boomgaardpercelen in een min of meer vergelijkbaar gebied, hanteert de regio Zuidoost-Utrecht de volgende Lokale Maximale Waarden (LMW).

Tabel 7. Lokale Maximale Waarden

(toekomstige) Functie

LMW (mg/kg ds)

Voormalige boomgaard percelen

wonen/bedrijfsterrein/openbaar groen

DDT: 1,71

DDD: 341

DDE: 2.31

som-drins: 4.0

chloordaan: 41

beta-HCH: 0,772

gamma-HCH: 0,672

heptachloor: 41

heptaepoxide: 22

natuurgebied

geen3

1 interventiewaarde (standaardbodem)

2 toxicologische maximale Waarde conform GGD Rivierenland (standaardbodem), er zijn voor deze stoffen geen interventiewaarden vastgesteld.

3 geen LMW geformuleerd. Grond moet voldoen aan generieke waarde (AW2000)

De humaan toxicologische maximale waarde bij de functie 'wonen met tuin' voor de kritische stof DDE is 14 mg/kg ds. De interventiewaarde (op basis van ecologische risico's) voor DDE bedraagt 2,3 mg/kg ds. Dit betekent dat de interventiewaarde ruim onder de humaan toxicologische waarde ligt. Met het hanteren van een terugsaneerwaarde voor DDE tot de interventiewaarde is daarom de gezondheid voldoende beschermd. [bron: memo GGD Rivierenland, 22 juli 2011].

De LMW zijn alleen van toepassing voor de sanering en toepassing van diffuse verontreinigingen gerelateerd aan voormalige boomgaarden. Deze zijn niet van toepassing voor sanering en grondverzet van lokale puntbronnen elders in het gebied.

 

Referenties

  • ·

    BKK gemeente Houten, CSO project 08K233, rapportage d.d. 11 december 2009

  • ·

    NOBO: Normstelling en kwaliteitsbeoordeling, Ministerie van VROM, december 2008

  • ·

    GGD Utrecht, memo 2010-125/AGZ/MMK/GWK d.d. 24 september 2010

  • ·

    Memo GGD Rivierenland, 22 juli 2011

  • ·

    Bodemkwaliteitskaart regio Zuid-Oost Utrecht. CSO project 10K102, tweede concept rapportage 26 augustus 2011.

MEMO

Opgesteld door: CSO Adviesbureau

Betreft: Gebiedsspecifiek beleid voor grondverzet in zone ophooglaag Noorderpark in Regio Zuidoost-Utrecht

__________________ ______________________________________________________________

Inleiding

Aan de westzijde van de gemeente De Bilt ligt het recreatiegebied Het Noorderpark. Het Noorderpark valt deels in de gemeente Utrecht. In dit gebied is in het verleden veel kleigrond gebruikt voor de verrijking v an de grond. Samen met materiaal uit de potstal werd de klei op het land gebracht. Het land werd hierdoor rijker aan mineralen en steviger.

De bodem in de zone Ophooglaag Noorderpark is door de grondverrijking meer diffuus verontreinigd dan de oorspronkelijke bodem. De in de bodem aangetroffen gehalten zijn echter veel lager dan in het toemaakdek dat voorkomt in o.a. de gemeente De Ronde Venen, waar de gehalten aan zware metalen regelmatig boven de interventie uitkomen en waarvoor de Provincie Utrecht specifiek beleid heeft gemaakt. Dit toemaakdek van de Ronde Venen bevat meer stadsafval dan in het Noorderpark hetgeen af te leiden is aan veel voorkomende resten van aardenwerk (pijpenkopjes) en voorkomen van puin in het eerstgenoemde gebied en het vrijwel ontbreken daarvan in het Noorderpark. Het Noorderpark valt dan ook buiten het door de Provincie aangegeven "toemaakdekgebied". Om deze reden wordt in de zoneaanduiding daarom niet over toemaakdekgebied gesproken maar over de zone "Ophooglaag Noorderpark".

In het kader van de natuurontwikkeling en onderhoudswerkzaamheden vindt er regelmatig grondverzet in de zone Ophooglaag Noorderpark plaats.De gemiddelde bodemkwaliteit in zone Ophooglaag Noorderpark valt in de ontgravingskwaliteitsklasse wonen. Het gebied heeft echter de functie landbouw/natuur. Hierdoor is het op basis van het generieke beleid niet mogelijk de grond binnen de zelfde zone her te gebruiken omdat de functie leidend is voor de op te brengen grond en volgens het generieke beleid in landbouw en natuurgebieden alleen schone grond mag worden opgebracht.

Om grondverzet toch mogelijk te maken binnen deze zone kiest de regio Zuidoost-Utrecht ervoor om gebiedsspecifiek beleid op te stellen voor deze zone. Uitgangspunten hierbij zijn een goede balans tussen beschermen van de bodem en zijn gebruikers en nuttig hergebruiken van grond en baggerspecie, waarbij in de regio het standstill-principe gevolgd wordt.

Hieronder zijn de risico's nader in beeld gebracht, waarbij gebruik is gemaakt van de risicotoolbox. Op basis hiervan is bepaald of de gewenste gebiedsspecifieke grondverzetsregels zoals hierboven vermeld verantwoord zijn. Er is voor twee veel voorkomende functies (agrarisch gebied en natuurgebied) beoordeeld of de gehalten verantwoord zijn. Bij de bepaling van risico's is gekeken naar de gemiddelde gehalten uit deze bodemkwaliteitszone. Deze zijn als kental genomen voor de algemene bodemkwaliteit. Omdat de 95-percentielwaarde van de zone ruim onder de interventiewaarde liggen is er niet gekeken naar de risico's bij hogere percentielen. Hierbij wordt aangesloten op de systematiek van de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten.

 

Agrarisch gebied

Voor het bepalen van de risico's in het agrarisch gebied zijn berekeningen uitgevoerd met behulp van de risicotoolbox. De resultaten hiervan zijn samengevat in de onderstaande tabel. Hierin zijn de met de risicotoolbox berekende risico-index en ecologisxch mengsel risico (ms-PAF) en beschermingsniveau (corresponderend met de weergegeven index) opgenomen.

Stof

Gehalten

(mg/kg, standaard bodem)

RI- humaan

RI-ecologie

ms-PAF

Beschermingsniveau

Barium

156

0,01

0,28

-

Hoog

Cadmium

0,51

0,04

0,43

< 0,01

Hoog

Koper

54,65

0,01

1,01

< 0,01

Matig/Gemiddeld

Lood

161,65

0,45

0,77

1,99

Gemiddeld

Kwik

0,42

< 0,01

0,51

0,02

Gemiddeld

Nikkel

17,11

< 0,01

0,44

< 0,01

Hoog

Zink

156,14

< 0,01

0,78

< 0,01

Gemiddeld

Kobalt

8,31

0,15

0,24

-

Hoog

Molybdeen

1,09

< 0,01

0,01

-

Hoog

PAK (10)

1,30

-

0,19

-

-

Minerale olie

25

-

0,13

-

-

Tabel 1: Berekende risico's op basis van het gemiddelde gehalte voor landbouw op zand

Voor wat betreft de landbouwrisico's is alleen het gebruik 'Veeteelt' relevant.

Hierbij overschrijdt alleen bij de onderstaande situaties de risico-index de waarde 1:

Toetsing

RI-landbouw

Toetsing Koper aan LAC waarde (zand) voor Veeteelt

1,16

Lood in Lever van rundvee

1,58

Tabel 2: Landbouwrisico's voor veeteelt op zandgrond

Op basis van de bovenstaande tabellen blijkt dat er op basis van het gemiddelde gehalte absoluut geen sprake is van een humaan risico (risico-index zeer ruim onder de toetsingswaarde van 1 en het ecologisch beschermingsniveau kan als gemiddeld worden aangeduid.

Landbouwrisicio's zijn er alleen voor koper en lood (zie tabel 2) en dit betreft beide slechts een minimale overschrijding van de risico-index. Hierbij zijn de risico's zeer beperkt. Uit onderzoek dat in het kader van het toemaakdekgebied is uitgevoerd blijkt dat zelfs bij gehalten boven de interventiewaarden de risico's aanvaardbaar zijn, zodat die van het Noorderpark te verwaarlozen zijn.

Deze toetsing is tevens uitgevoerd voor Landbouw op veengrond aangezien in het meest westelijk gedeelte van deze zone ook veengrond voorkomt. De resultaten zijn exact hetzelfde als bij de toetsing op zandgrond.

Natuurgebieden

 

In de zone Ophooglaag Noorderpark zijn enkele gebieden die zijn aangewezen als natuurbeschermingsgebied. In verband hiermee zijn ook berekeningen met de risicotoolbox uitgevoerd. Deze zijn opgenomen in de onderstaande tabel.

Stof

Gehalten

(mg/kg, standaard bodem)

RI- humaan

RI-ecologie

ms-PAF

Beschermingsniveau

Barium

156

< 0,01

0,82

-

Hoog

Cadmium

0,51

< 0,01

0,85

< 0,01

Hoog

Koper

54,65

< 0,01

1,37

< 0,01

Matig/gemiddeld

Lood

161,65

0,07

3,23

1,99

Gemiddeld

Kwik

0,42

< 0,01

2,83

0,02

Gemiddeld

Nikkel

17,11

< 0,01

0,49

< 0,01

Hoog

Zink

156,14

< 0,01

1,12

< 0,01

Gemiddeld

Kobalt

8,31

< 0,01

0,55

-

Hoog

Molybdeen

1,09

< 0,01

0,73

-

Hoog

PAK (10)

1,30

-

0,87

-

-

Minerale olie

25

-

0,13

-

-

Tabel 3: Berekende risico's op basis van het gemiddelde gehalte voor natuurgebieden

Als de bovenstaande tabel wordt vergeleken met tabel 1 volgt hier uit dat de ecologische risico's hier het hoogst zijn (hetgeen logisch is). Het beschermingsniveau wordt als gemiddeld gekenmerkt.

Voor het Noorderparkgebied wordt dit niveau als aanvaardbaar gezien zolang het om gebiedseigen grond gaat.

 

Gebiedsspecifiek beleid Zone ophooglaag Noorderpark

De aangetroffen bodemkwaliteit in de zone Ophoglaag Noorderpark leidt niet tot het optreden van humane risico's bij de functie agrarisch gebied en de functie natuurgebied. Bij de beide functies is sprake van een gemiddeld ecologisch beschermingsniveau. Een hoog beschermingsniveau is in deze zone niet realistisch, omdat de aanwezige diffuse verontreiniging een erfenis uit het verleden is, het gaat immers om gebiedseigen kwaliteit .

Voor grond die van buiten het gebied hanteert de regio de generieke eis:de grond moet schoon zijn conform het Besluit Bodemkwaliteit. Hiermee wordt de kwaliteit op zoneniveau gehandhaafd.

Bijlage 3 Rapport opstellen bodemkwaliteitskaart

Bijlage 4 Definities van begrippen

 

Achtergrondwaarde

Deze waarden zijn vastgesteld op basis van de gehalten aan stoffen zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen.

 

Bagger(specie)

Mengsel van minerale bestanddelen, organische stof en water dat vrijkomt bij het baggeren van (delen van) de waterbodem. In verschillende juridische regelingen worden verschillende definities voor baggerspecie gehanteerd.

 

Beheergebied van de regio Zuidoost-Utrecht

Het beheergebied van de regio Zuidoost-Utrecht bestaat uit de gemeentelijke grondgebieden van de gemeenten Bunnik, De Bilt, Rhenen, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vianen, Wijk bij Duurstede en Zeist en het recreatiegebied Het Noorderpark dat op het grondgebied van de gemeente Utrecht is gelegen.

 

Bodemkwaliteit

De bodemkwaliteit in een bepaald deelgebied geeft de verdeling van gehalten in een deelgebied. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden). De bodemkwaliteit is gepresenteerd in tabelvorm (zie ook bijlage 3).

 

Bodemkwaliteitskaart

De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten:

  • ·

    Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden.

  • ·

    De ontgravingskaart.

  • ·

    De toepassingskaart.

Vanwege het dynamische karakter van de kaart met de uitgesloten locaties en gebieden is deze alleen bij gemeente voorhanden (digitaal BIS) en moet hiervoor contact worden opgenomen met de gemeente(n) waar de ontgravings- en toepassingslocatie zich bevinden.

 

Bodemkwaliteitsklasse

In het Besluit bodemkwaliteit worden deelgebieden afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie onderscheiden bodemkwaliteitsklassen:

  • ·

    Klasse landbouw/natuur

  • ·

    Klasse wonen

  • ·

    Klasse industrie

Er zijn landelijke afspraken gemaakt op welke wijze tot een indeling in bodemkwaliteitsklasse tot stand komt:

Klasse Landbouw/natuur (achtergrondwaarde):

  • ·

    Alle verontreinigingen voldoen aan de achtergrondwaarden, eventueel met uitzondering van een beperkt aantal overschrijdingen

  • ·

    De concentratie mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens achtergrondwaarden bedragen, mits

  • ·

    De concentratie lager is dan de norm voor klassegrens Wonen (excl. Nikkel en PCB).

Klasse wonen:

  • ·

    Alle verontreinigingen voldoen aan de klassegrens Wonen, eventueel met uitzondering van een beperkt aantal overschrijdingen, zie tabel.

  • ·

    De concentratie mag maximaal de norm voor de klassegrens Wonen plus de norm voor de klassegrens achtergrondwaarden bedragen, mits

  • ·

    Elke concentratie lager is dan de norm voor de klassegrens Industrie.

Klasse industrie:

-Als de indeling niet leidt tot de indeling in klasse Wonen of Achtergrondwaarden, en tevens de maximale waarde voor klasse Industrie niet wordt overschreden, wordt de bodemkwaliteit ingedeeld in de klasse Industrie.

 

Bodemkwaliteitszone

Deel van een beheergebied waarvoor geldt dat er sprake is een zelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is in drie richtingen begrensd: X, Y en Z (dus ook diepte).

 

Bijzondere omstandigheden

Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden e.d.. Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie, aardkundige waarden, cultuurhistorie vallen onder de bijzondere omstandigheden.

 

Detectiegrens

De laagste waarde die een laboratorium kan meten.

 

Deelgebied

Deel van een beheergebied waarvoor geldt dat dit op eenduidige wijze kan worden gekarakteriseerd door de voor het beheergebied geldende onderscheidende kenmerken. In tegenstelling tot de bodemkwaliteitszone is voor het deelgebied nog geen toetsing uitgevoerd of het daadwerkelijk een bodemkwaliteitszone is.

 

Ernstig verontreinigde grond

Grond waarvan gehalten voor één of meer stoffen de interventiewaarden (I-waarde) overschrijden.

 

Generieke normen

Normen die landelijk zijn bepaald en beschreven in de regeling Bodemkwaliteit

 

Gebiedsspecifieke normen

Normen die gemeenten –binnen de gestelde randvoorwaarden van het Bbk- zelf bepalen. De normen worden ook Lokale Maximale Waarden genoemd.

 

Grond

Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Het Besluit bodemkwaliteit definieert grond als volgt: “Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.” Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterd of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd. Grond die is vermengd met bodemvreemd materiaal kan, afhankelijk van de per situatie toelaatbare hoeveelheid, eveneens als grond worden gedefinieerd. Uitgangspunt hierbij is dat de fysische kwaliteit van de bodem, uitgedrukt in bodemvreemd materiaal, niet mag verslechteren (gehalten van de individueel gemeten gehalten voldoen aan P95 BKK).

 

IBC-bouwstof

IBC-bouwstoffen zijn niet-vormgegeven bouwstoffen die alleen mogen worden toegepast met isolatie-, beheers- en controle- (IBC) maatregelen, omdat het toepassen zonder deze maatregelen anders leidt tot teveel emissies naar het milieu. Een voorbeeld van een IBC-bouwstof is een AVI-bodemas, dit is een restproduct van de afvalverbranding.

 

Interventiewaarde

Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde wordt gesproken over een sterke verontreiniging of sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, in werking getreden op 1 april 2009 (Staatscourant 2009, 67).

 

Kwalibo

Kwalibo staat voor ‘kwaliteitsborging in het bodembeheer’. Het is een maatregel om het bodembeheer te verbeteren. Bij het beheren en gebruiken van de bodem moeten gegevens betrouwbaar zijn en moet netjes worden gewerkt. Hiervoor zijn eisen gesteld aan de kwaliteit en integriteit van personen, bedrijven en overheden die werken aan bodembeheer.

 

Nota bodembeheer

Document behorende bij de bodemkwaliteitskaart waarin de volgende aspecten aan de orde komen:

  • ·

    Eén of meerdere kaarten met de begrenzing van het bodembeheergebied en de bodemfuncties.

  • ·

    Een bodemkwaliteitskaart.

  • ·

    Een toelichting op de maatschappelijke opgave en het grondverzet en de verwachte ruimtelijke ontwikkelingen in de toekomst.

  • ·

    De Lokale Maximale Waarden, inclusief motivatie en de resultaten van de risicotoolbox.

  • ·

    (indien van toepassing) De maximale gewichtspercentage bodemvreemd materiaal inclusief onderbouwing en motivatie.

Daarnaast kan in een nota bodembeheer aandacht worden besteedt aan duurzaam bodembeheer of de (diepere) ondergrond.

 

Ontgravingskaart en ontgravingsklasse

De ontgravingskaart geeft de kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond op een niet voor bodemverontreiniging verdachte locatie. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluit bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de ontgravingsklassen Landbouw/natuur (achtergrondwaarden -AW2000), Wonen, Industrie of niet-toepasbaar. Bij de toetsmethodiek voor Landbouw/natuur zijn landelijk afspraken gemaakt voor het aantal toegestane overschrijdingen van de waarden.

Klasse Landbouw/natuur (achtergrondwaarde):

  • ·

    Alle verontreinigingen voldoen aan de achtergrondwaarden, eventueel met uitzondering van een beperkt aantal overschrijdingen.

  • ·

    De concentratie mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens achtergrondwaarden bedragen, mits

  • ·

    De concentratie lager is dan de norm voor klassegrens Wonen (excl. Nikkel en PCB).

Klasse Wonen

·De samenstelling voldoet niet aan de klasse Landbouw/natuur en de norm voor klassegrens Wonen wordt niet overschreden.

Klasse Industrie

  • ·

    De norm voor klassegrens Wonen wordt overschreden.

  • ·

    De norm voor klasse grens Industrie wordt niet overschreden.

Klasse Niet toepasbaar

  • .

    De norm voor klassegrens Industrie wordt overschreden.

 

Percentiel/percentielwaarde

Waarde waar beneden een bepaald percentage van de waarnemingen gelegen is. Bijvoorbeeld 90-percentiel: 90% van de waarnemingen ligt beneden deze waarde.

 

Terugsaneerwaarde

De terugsaneerwaarde is de vastgestelde waarde (concentratie van de verontreinigde stof) waaraan een sanering moet voldoen

 

Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond/baggerspecie op of in de bodem volgens de generieke beleidsregels

Bij de toepassingskaart wordt gekeken naar de vastgestelde bodemkwaliteit en de (toekomstige) functie van de bodem. Op de toepassingskaart wordt het locatiegebruik ingedeeld in twee klassen: ‘Wonen’ en ‘Industrie’. De bodemkwaliteit wordt ingedeeld in drie klassen: ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Elke klasse kent een lijst met normwaarden, die de toepassingseisen vormen. Op de in de onderstaande matrix gevolgde wijze wordt aan elke zone/gebied een klasse als toepassingseis toegekend:

Bodemfunctieklasse

Bodemkwaliteit

Toepassingseis

Niet ingedeeld of landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Niet ingedeeld of landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Niet ingedeeld of landbouw/natuur

Industrie

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen

Wonen

Wonen

Wonen

Industrie

Wonen

Industrie

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Industrie

Wonen

Wonen

Industrie

Industrie

Industrie

Toepassingskaart

Bij de toepassingskaart wordt gekeken naar de vastgestelde bodemkwaliteit en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt aan elke zone de toepassingseis vastgesteld waaraan de toe te passen grond of baggerspecie aan moet voldoen. Door vaststelling van gebiedsspecifieke regels kan hiervan worden afgeweken.

 

Uitgesloten/Uitgezonderd gebied

Uitgesloten gebieden zijn terreinen die op beleidsmatige grond niet kunnen worden opgenomen in de bodemkwaliteitskaart of niet voldoen aan de minimumeisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Voorbeelden zijn o.a. terreinen waar de gemeente niet het bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit is, zoals op terreinen die in het beheer zijn van Rijkswaterstaat, en terreinen waar sprake is van een sanering of verontreiniging door een locale activiteit.

 

Bijlage 5 Gebruikte afkortingen

AW2000 = ‘Achtergrondwaarden’ van Nederland; toetsingsnorm voor schone grond

Bbk = Besluit bodemkwaliteit

BRL= Beoordelingsrichtlijn

Lit.=Literatuur

LMW =Lokale maximale waarden

m-mv = meter onder maaiveld (straatniveau)

NEN= Nederlandse Norm

OCB = Organochloor-bestrijdingsmiddel

PAK = Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

PCB = Polychloorbifenolen

Wbb = Wet bodembescherming