Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Waterschap Vallei en Veluwe

Besluit van het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Vallei en Veluwe houdende Algemene regels Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieWaterschap Vallei en Veluwe
OrganisatietypeWaterschap
Officiële naam regelingBesluit van het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Vallei en Veluwe houdende Algemene regels Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013
CiteertitelAlgemene regels Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013
Vastgesteld doordagelijks bestuur
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerp
Externe bijlagenBijlage 1 Vaarwaterenkaart Bijlage 3 Natuurkaart 2017 Bijlage 2 Afvoernormenkaart

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Het historisch overzicht van deze regeling is niet compleet.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Waterschap%20Vallei%20en%20Veluwe/CVDR311298/CVDR311298_1.html

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

14-05-2019bijlage 1

29-04-2019

wsb-2019-5354

01-01-201814-05-2019nieuwe regeling

27-11-2017

wsb-2018-1804

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Vallei en Veluwe houdende Algemene regels Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013

 

 

Deze bekendmaking is slechts een tekstplaatsing. De oorspronkelijke bekendmaking heeft op 14 december 2017 plaatsgevonden, met kenmerk Waterschapsblad 2017, 11475.

 

Vastgesteld bij besluit van 30 oktober 2013, in werking getreden op 1 januari 2014; gewijzigd bij besluit van 3 februari 2015 (in werking getreden op 1 maart 2015) en bij besluit van 8 december 2015 (in werking getreden op 1 januari 2016); herzien bij besluit van 5 december 2016 (in werking getreden op 1 januari 2017); gewijzigd bij besluit van 27 november 2017 (in werking getreden op 1 januari 2018).

1 Inleiding

1.1 Algemene regels

Veel voorkomende werkzaamheden die al dan niet onder voorwaarden kunnen worden toegestaan reguleert het waterschap zoveel mogelijk via algemene regels. Hiermee worden tijdrovende en onnodige vergunningprocedures voorkomen.

1.2 Leeswijzer

Dit document bevat algemene regels welke zijn gebaseerd op artikel 3.12 van de Keur Waterschap Vallei en Veluwe. De volgende hoofdstukken worden onderscheiden:

  • 1.

    Inleiding

  • 2.

    Algemene informatie

  • 3.

    Algemene regels

2 Algemene informatie

 

 

2.1 Schema

 

Het verbod om een waterstaatswerk of beschermingszone anders te gebruiken dan conform de functie, geldt voor (zie onder): 

In geval van (zie onder):

geldt een algemene vrijstelling of specifieke vrijstelling voor (zie onder):

 

 

 

 

Waterkering

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

in kernzone en beschermingszone A

 

 

 

 

 

werkzaamheden

 

onderhoud aan wegen en wegbermen

verrichten van grondboringen en sonderingen

gebruik

 

houden van dieren

bemesten

gedragingen

rijden

stoffen en voorwerpen

vaste stoffen en voorwerpen

in kernzone, profiel van vrije ruimte en beschermingszone A

 

 

 

werken

 

 

 

afrasteringen

wegmeubilair

beplanting

kabels en leidingen

in beschermingszone B

alle

één algemene vrijstelling

Oppervlakte-waterlichaam

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

werkzaamheden

 

 

verbreden

taludaanpassingen

natuurvriendelijke oever

gebruik

houden dieren

werken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

afrastering of erfafscheiding

beplanting

bruggen

dammen met duiker

kabels en leidingen

steigers, vlonders, overhang. bouwwerken

straatmeubilair, schakelkasten

uitstroomvoorzieningen

 terras

beschoeiing

oeverbeschermende damwand

gedragingen

 

 

 

varen (gemotoriseerd)

rijden (rijdier, motorvoertuig)

drijven van vee

evenementen

stoffen en voorwerpen

 

 

 

kleine voorwerpen

vistuigen

vaartuigen, vlotten

stoffen

water verplaatsen (effect)

 

water brengen in

water onttrekken aan

vis uitzetten en onttrekken

vis uitzetten en onttrekken

in beschermingszone

alle

één algemene vrijstelling

Bergingsgebied

 

werkzaamheden

één algemene vrijstelling

 

werken

Ondersteunend kunstwerk (o.a. overkluizingen, ondergr. waterberging  

 

werkzaamheden

één algemene vrijstelling

 

werken

Voor het verbod om grondwater te:

geldt een vrijstelling voor:

onttrekken

bouwputbemaling, sleufbemaling en proefbronnering

noodvoorziening

sanering grondwaterverontreiniging

beregening, bevloeiing

overige doeleinden

drainage

artesische bron

2.2 Werkingsgebied

 

 

2.2.1 Waterkering

Gebied voormalig Waterschap Vallei & Eem

De ligging (locatie en zonering) van de waterkeringen is aangegeven op de leggers en op de bij de Keur Waterschap Vallei & Eem 2009 van het voormalig Waterschap Vallei & Eem behorende overzichtskaarten keurzones waterkeringen.

 

Gebied voormalig Waterschap Veluwe

De ligging (locatie en zonering) van de waterkeringen is aangegeven in de leggers Waterkeringen. Van de waterkeringen waarvoor geen legger is vastgesteld, is in geval van primaire waterkeringen de locatie aangegeven op de als bijlage 1 bij de Waterwet behorende kaart en in geval van regionale keringen aangegeven op de als bijlage 1 bij de Waterverordening waterschap Vallei en Veluwe behorende kaart.

Voor de zonering van zowel de primaire als de regionale waterkering waar geen legger voor is, geldt dat de kernzone zich uitstrekt tot 4 meter, de beschermingszone A tot 20 meter en de beschermingszone B tot 100 meter binnendijks en 150 meter buitendijks, gemeten vanuit de teen van de waterkering.

 

Zolang en voor zover de benamingen op de in het eerste lid genoemde kaarten en in de leggers niet overeenstemmen met deze keur en de daarop gebaseerde besluitvorming, wordt de volgende conversietabel gehanteerd:

 

 

Benaming in legger en op keurkaart 

Benaming in Keur en daarop gebaseerde besluitvorming

kernzone (in gebied voormalig Waterschap Veluwe) 

kernzone

 

zone waterkering (in gebied voormalig Waterschap Vallei & Eem)

 

dijklichaam van teen tot teen inclusief stabiliteitsbermen

overige deel

beschermingszone A 

beschermingszone (in gebied voormalig Waterschap Veluwe) 

beschermingszone (in gebied voormalig Waterschap Vallei & Eem) en buitenbeschermingszone (in gebied voormalig Waterschap Veluwe) 

beschermingszone B

 

Verklaring van de begrippen:

Kernzone: het dijklichaam met aan weerszijden een strook die de maximale keurbescherming nodig heeft (zie fig.1).

Beschermingszone A: de zone gelegen grenzend aan de kernzone tot de invloedslijnen. De invloedslijn wordt bepaald door de technische ligging in combinatie met het praktisch construeren van een aansluiting (zie fig. 1).

Beschermingszone B: de zone grenzend aan de Beschermingszone A waarin voorschriften van de keur van toepassing zijn voor activiteiten die potentieel grote gevaren voor de waterkering op kunnen leveren (zie fig.1).

Profiel van vrij ruimte: de ruimte ter weerszijden van en boven een waterkering of een toekomstige waterkering die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen. (zie fig. 1).

 

2.3 Oppervlaktewaterlichamen

De ligging (locatie en zonering) van de oppervlaktewaterlichamen is aangegeven op de legger Noord-Veluwe en Eemland, de legger IJsselvallei en de legger Gelderse Vallei.

 

2.4 Het doen van een melding

Degene die een werk wil uitvoeren dat valt onder een of meer van in dit stuk gestelde algemene regels en waarvoor een melding moet worden gedaan meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur, tenzij in de algemene regels een afwijkende termijn wordt aangegeven.

De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO-water) worden ingediend. Het OLO-water is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl.

 

Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.vallei-veluwe.nl.

 

In bepaalde gevallen gelden aanvullende indieningscriteria. Dit is aangegeven bij de desbetreffende algemene regel.

 

2.5 Maatwerkvoorschrift

 

Op grond van artikel 3.12, derde lid van de Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013 kan het bestuur maatwerkvoorschriften stellen met het oog op de bescherming van het watersysteem.

Een maatwerkvoorschrift is een voorschrift dat het bevoegde gezag, in dit geval het waterschap, ter nadere invulling van de algemene regels kan opleggen. Met een maatwerkvorschrift kan ook een voorschrift worden voorgeschreven dat – binnen bepaalde grenzen – strenger of soepeler is dan de algemene regel.

3 Algemene regels

 

 

3.1 Waterkeringen

 

 

3.1.1 Algemene regel onderhoud aan wegen en wegbermen in, op of nabij een waterkering

Artikel 1 Vrijstelling

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het onderhouden van wegverharding en wegbermen in de kernzone en de beschermingszone A, als aangegeven in de legger, voor zover:

  • a.

    er geen grondroeringen plaatsvinden, en

  • b.

    het klein onderhoud betreft, en

  • c.

    bij reconstructie van bestrating in de kernzone het oppervlak van de reconstructie maximaal 50 m2 bedraagt.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die onderhoud pleegt aan verharding en/of wegbermen als bedoeld in artikel 1, voldoet aan de volgende voorwaarde:

  • a.

    voert geen werkzaamheden uit in de periode tussen 1 november en 1 april;

  • b.

    voert alle materialen die vrijkomen bij de werkzaamheden in de kernzone en de beschermingszone A af;

  • c.

    gebruikt het talud van de waterkering niet als opslagplaats voor materiaal of materieel of als af- en aanrij route voor transport.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degene die onderhoud pleegt aan verharding en/of wegbermen gelegen in de kernzone en de beschermingszone A als bedoel in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

 

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert;

    • b.

      het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • c.

      gegevens over het werk;

    • d.

      de aard van de werkzaamheden;

    • e.

      een situatietekening.

Artikel 4 Overgangsrecht

  • 1.

    Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Keur is het verboden om zonder watervergunning onderhoud te plegen aan verharding en/of wegbermen als bedoeld in artikel 1. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Grondroering: het omwerken van grond zoals ploegen, frezen en spitten.

 

Klein onderhoud: vervangen of herstellen van de bovenste laag wegverharding waarbij de berm niet wordt aangetast.

 

Motivering

 

Op veel waterkeringen zijn wegen en verharding aanwezig. Omwille van de (verkeers)veiligheid is het in sommige gevallen noodzakelijk dat er onderhoud plaatsvindt. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

 

Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”.

 

Voor het aanleggen van nieuwe wegen of het verharden van onverharde paden is een watervergunning nodig.

 

Aan het verrichten van klein onderhoud aan wegen zijn waterhuishoudkundige risico’s verbonden, in het bijzonder met betrekking tot ontgravingen en de bereikbaarheid van de waterkering. In het bijzonder valt te denken aan hinder voor doelmatig beheer en onderhoud van de waterkering en toegankelijkheid van het buitentalud bij hoogwater. Door de voorwaarden in deze algemene regel worden deze risico’s afgedekt.

 

Voor de stabiliteit van de waterkering is het van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden aan het waterstaatswerk. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen.

 

3.1.2 Algemene regel verrichten van grondboringen en sonderingen nabij een waterkering

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het verrichting van grondboringen en sonderingen in de beschermingszone A, als aangegeven in de legger, voor zover:

  • a.

    de grondboring of sondering een diameter hebben kleiner dan 0,10 meter, en

  • b.

    de gaten niet dieper dan 9 meter onder maaiveld worden geboord of gedrukt, en

  • c.

    de gaten niet gespoten worden, en

  • d.

    het toe te passen materieel met behulp waarvan de sondering wordt uitgevoerd lichter is dan 10 ton.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een grondboring of sondering uitvoert als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    voert geen seismisch onderzoek uit;

  • b.

    verricht geen grondboring of sondering in beschermingszone A tussen 1 november en 1 april;

  • c.

    vult de aangebrachte gaten op dezelfde werkdag waarop ze zijn aangebracht weer volledig op met zwelklei en herstelt de toplaag en eventuele gaten in het wegdek.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degene die grondboringen of sonderingen verricht in de beschermingszone A als bedoel in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert;

    • b.

      het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • c.

      gegevens over het werk;

    • d.

      de aard van de werkzaamheden;

    • e.

      een situatietekening.

Artikel 4 Overgangsrecht

Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Keur is het verboden om zonder watervergunning grondboringen en sonderingen te verrichten op de waterkering en de bijbehorende beschermingszones. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motivering

 

Voor grondonderzoeken worden vaak grondboringen en sonderingen uitgevoerd in de waterkering en de beschermingszones. In de beschermingszone A hebben dergelijke werkzaamheden een zeer gering effect op de staat van een waterkering. Uitgezonderd zijn seismische onderzoeken, omdat de trillingen die hierbij worden veroorzaakt een gevolg kunnen hebben voor het waterkerend vermogen van de waterkering.

 

Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”

 

Het uitvoeren van grondboringen en sonderingen in de beschermingszones betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

 

Voor de stabiliteit van de waterkering is het van belang dat de ingrepen in de beschermingszone A goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen.

 

3.1.3 Algemene regel houden van dieren op en nabij een waterkering

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het houden van dieren, voor zover:

  • a.

    in de kernzone, als aangegeven in de legger:

    • i.

      buiten de teen van de dijk en

    • ii.

      niet op een onderhoudspad;

    • iii.

      indien er een gebruiksovereenkomsten met het waterschap is gesloten waarin het houden van (bepaalde) dieren wordt toegestaan.

  • b.

    in de beschermingszone A, als aangegeven in de legger.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die dieren houdt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    brengt ingeval van artikel 1, onder a, sub i een voldoende veekerende afrastering aan op de teen van de dijk zodat er geen toegang van dieren die worden gehouden naar de dijk mogelijk is;

  • b.

    brengt ingeval van artikel 1, onder a, sub ii een voldoende veekerende afrastering aan op de grens van het onderhoudspad en het perceel waar de dieren worden gehouden zodat er geen toegang van dieren die worden gehouden naar de dijk mogelijk is;

  • c.

    zorgt ingeval van artikel 1, onder b dat de dieren die hij houdt geen toegang hebben tot de dijk (van teen tot teen).

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2 , eerste lid, van de Keur is het verboden om zonder watervergunning dieren te houden op waterkeringen en de bijbehorende beschermingszones Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Er geldt geen meldplicht.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Dieren: alle gedomesticeerde dieren, dus zowel de grote huisdieren als varkens, paarden, rundvee en overige hoefdieren o.a. schapen, als de kleine huisdieren als kippen, ganzen en ook honden.

 

Teen van de dijk: onderrand van de dijk aan de binnen- dan wel buitendijkse zijde van de dijk (de overgang van dijk naar maaiveld dan wel bodem van de watergang.

 

Motivering

 

Het beleid is erop gericht de sterkte van de grasmat op de waterkering te garanderen en het beperken en voorkomen van trapschade aan de waterkering. Het is daarom zonder vergunning niet toegestaan dieren te houden in het centrale gedeelte (van teen tot teen) van de kernzone. Het houden van dieren werkt belemmerend voor het berijden van het onderhoudspad en wordt daarom hierop ook niet zonder vergunning toegestaan. Er is geen vergunning nodig indien er een gebruikersovereenkomst is gesloten met het waterschap waarbij het houden van (bepaalde) dieren is toegestaan.

 

Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”.

 

Het houden van schapen door of in opdracht van het waterschap - anders dan bij een pachtcontract - geschiedt ter bevordering van de dichtheid van de grasmat. Dat moet worden gezien als een vorm van onderhoud, die op grond van artikel 3.10 van de Keur niet vergunningsplichtig is en het verbod uit artikel. 3.2, lid 1 van de Keur en deze algemene regel zijn hierop dan ook niet van toepassing.  

 

3.1.4 Algemene regel bemesten anders dan bestuur heeft bepaald op en nabij een waterkering

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het bemesten anders dan het bestuur heeft bepaald voor zover het plaatsvindt:

  • a.

    in de kernzone, als aangewezen in de legger en voor zover:

    • i.

      buiten de teen van de dijk, en

    • ii.

      niet op een onderhoudspad.

  • b.

    in de beschermingszone A als aangewezen in de legger.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2 eerste lid, van de Keur is het verboden om zonder watervergunning op een waterkering en de bijbehorende beschermingszones te bemesten.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

Er zijn geen voorschriften verbonden aan het bemesten. Er geldt ook geen meldplicht.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Bemesten: verspreiden van meststoffen.

 

Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”.

 

3.1.5 Algemene regel rijden met rijdieren en motorvoertuigen op en nabij een waterkering

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het rijden op en met rijdieren en motorvoertuigen in de kernzone en beschermingszone A, als aangegeven in de legger en voor zover dit in de kernzone gebeurt op de paden die daarvoor kennelijk bedoeld zijn.

Artikel 2 Voorschrift

Degene die met een rijdier of voertuig in de kernzone rijdt als bedoeld in artikel 1 doet dit overeenkomstig het gebruik waarvoor het pad is bedoeld.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt - anders dan individueel wandelen, fietsen, schaatsen en vissen mits op de daarvoor bestemde paden - ook het rijden met een rijdier of met een motorvoertuig.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Er geldt geen meldingsplicht.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motorvoertuig: is elk gemotoriseerd voertuig dat niet over rails rijdt.

 

Motivering

 

Het rijden met een rijdier of met een motorvoertuig op een waterstaatswerk en de daarbij behorende beschermingszones betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief onschadelijke en veel voorkomende gedraging mits dit gebeurt op paden die daar kennelijk voor bedoeld zijn. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”.

3.1.6 Algemene regel brengen of hebben van vaste stoffen of voorwerpen op of nabij een waterkering

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor brengen of hebben van vaste stoffen of voorwerpen in de beschermingszone A, als aangegeven in de legger, voor zover:

  • a.

    het plaatsvindt op tenminste vijf meter uit de teen van de dijk, en

  • b.

    het geen explosiegevaarlijk materiaal is.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2 eerste lid, van de Keur is het verboden om zonder watervergunning op een waterkering en de bijbehorende beschermingszones vaste stoffen of voorwerpen te brengen en/of te hebben. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Er zijn geen voorschriften verbonden aan het brengen en/of hebben van vaste stoffen of voorwerpen. Er geldt ook geen meldplicht.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Teen van de dijk: onderrand van de dijk aan de binnen- dan wel buitendijkse zijde van de dijk (de overgang van dijk naar maaiveld dan wel bodem van de watergang.

 

Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”.

 

3.1.7 Algemene regel aanbrengen en verwijderen van afrasteringen op of nabij een waterkering

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste en derde lid van de keur, voor het aanbrengen en verwijderen van afrastering:

  • a.

    In de kernzone of profiel van vrije ruimte, als aangegeven in de legger:

    • i.

      mits buiten de teen van de dijk, en

    • ii.

      niet in een onderhoudspad, en

    • iii.

      niet dieper dan 0,60 meter in de bodem wordt gebracht, en

    • iv.

      met en maximale hoogte van 1,00 meter boven maaiveld.

  • b.

    In de beschermingszone A, als aangegeven in de legger.

Artikel 2 Voorschrift

Degene die een afrastering verwijderd als bedoeld in artikel 1 onder a, voldoet aan het volgende voorschrift:

  • a.

    Gaten die zijn ontstaan bij het verwijderen van een afrastering worden gedicht.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2 lid 1 van de modelkeur is het verboden om zonder watervergunning afrasteringen aan te brengen of te verwijderen op de waterkering en de daarbij behorende beschermingszones. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze regel verstaan onder:

 

Afrastering: in de grond geplaatste palen met een onderlinge afstand van minimaal 3 meter met daartussen prikkeldraad, staaldraad of schrikdraad.

 

Teen van de dijk: onderrand van de dijk aan de binnen- dan wel buitendijkse zijde van de dijk (de overgang van dijk naar maaiveld dan wel bodem van de watergang).

 

Motivering

 

Afrasteringen in het waterstaatswerk kunnen een effect op de waterkering hebben, het onderhoud belemmeren, leiden tot aantasting van het talud. Daarom is in de kernzone alleen vrijstelling opgenomen van het aanbrengen of verwijderen van afrasteringen buiten de teen van de dijk en buiten het onderhoudspad. Er geldt geen meldingsplicht.

 

Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”.

 

3.1.8 Algemene regel aanbrengen en verwijderen van wegmeubilair op, in en nabij een waterkering

Artikel 1 Criteria

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste en derde lid van de keur, voor het aanbrengen of verwijderen van verkeersborden, hectometer- en reflectorpaaltjes langs wegen:

    • a.

      In de kernzone of profiel van vrije ruimte en de beschermingszone A, als aangegeven in de legger, voor zover:

      • i.

        het niet wordt voorzien van een betonnen voet, en

      • ii.

        indien ingravingen niet onder het maatgevend hoogwaterpeil plaatsvinden, en

      • iii.

        het niet dieper wordt gefundeerd dan 0,60 meter, en

      • iv.

        niet op een onderhoudspad.

 

  • 2.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur voor het aanbrengen of verwijderen van wegmeubilair ( niet zijnde verkeersborden, hectometer- en reflecorpaaltjes) langs wegen:

    • a.

      In de beschermingszone A, als aangegeven in de legger, voor zover:

      • i.

        het niet wordt voorzien van een betonnen voet;

      • ii.

        indien ingravingen niet onder het maatgevend hoogwaterpeil plaatsvinden;

      • iii.

        het niet dieper wordt gefundeerd dan 0,60 meter.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die wegmeubilair langs wegen aanbrengt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, eerst lid en, tweede lid:

  • a.

    voert geen werkzaamheden uit in de periode tussen 1 november en 1 april binnen de kernzone en de beschermingszone A;

  • b.

    voert alle materialen die vrijkomen bij de werkzaamheden af;

  • c.

    gebruikt de kruin en het talud van de waterkering niet als opslagplaats voor materiaal of materieel;

  • d.

    plaatst geen wegmeubilair op de taluds van de dijk, en

  • e.

    plaatst geen wegmeubilair op minder dan 10 meter vanuit en ander object;

  • f.

    vult alle gaten weer op met grond van dezelfde samenstelling en draagvermogen en tot op dezelfde hoogte.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degenen die wegmeubilair langs wegen aanbrengt of verwijderd binnen de kernzone of beschermingszone A als bedoeld in artikel 1 eerste en tweede lid, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      Naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert;

    • b.

      Het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • c.

      Gegevens over het aan te leggen werk;

    • d.

      De aard van de werkzaamheden;

    • e.

      Een situatietekening;

    • f.

      Een dwarsprofieltekening van het wegmeubilair in combinatie met de waterkering.

Artikel 4 Overgangsrecht

Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2 lid 1 van de modelkeur is het verboden om zonder watervergunning afrasteringen aan te brengen of te verwijderen op de waterkering en de daarbij behorende beschermingszones. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt In deze regel verstaan onder:

 

  • 1.

    Maatgevend hoogwaterpeil : waterstand behorend bij een bepaald veiligheidsniveau.

  • 2.

    Wegmeubilair: alle voor het wegbeheer noodzakelijke objecten zoals lichtmasten en verkeersborden.

 

Motivering

 

Op veel waterkeringen zijn wegen aanwezig. Omwille van de verkeersveiligheid is het in sommige gevallen noodzakelijk dat er wegmeubilair, zoals verkeersborden, geplaatst worden. Om doelmatig beheer en onderhoud aan de waterkering uit te kunnen voeren is het van belang dat objecten niet te dicht op elkaar geplaatst worden. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

 

Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”.

 

Voor de stabiliteit van de waterkering is het van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden aan het waterstaatswerk. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen.

 

Bij de melding wordt in ieder geval gegevens vermeld over het aan te leggen werk. In dat kader moet bij het aanbrengen en verwijderen van wegmeubilair worden gedacht aan de volgende gegevens: constructiemateriaal, de afmetingen, het gewicht en de bevestigingsmethode in de grond.

 

3.1.9 Algemene regel aanbrengen en verwijderen van beplanting nabij een waterkering

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste en derde lid van de keur, voor het aanbrengen dan wel verwijderen van beplanting in de beschermingszone A en het profiel van vrij ruimte, als aangegeven in de legger, voor zover:

  • a.

    het plaatsvindt op tenminste vijf meter uit de teen van de dijk, en

  • b.

    de beplanting niet hoger wordt dan 1.80 meter, en

  • c.

    de beplanting niet bestaat uit bamboe, hedera of behoort tot de duizendknoopfamilie (Polygonaceae).

Artikel 2 Voorschriften

  • 1.

    Degene die beplanting aanbrengt of verwijdert als bedoeld in artikel 1:

    • a.

      brengt geen watervoorziening of een voorziening voor beluchting of drainage aan;

    • b.

      beperkt ingravingen tot het minimum dat nodig is voor het aanbrengen of verwijderen van de desbetreffende beplanting en dicht deze aan het eind van elke werkdag met het uitgekomen materiaal;

    • c.

      wijzigt of verwijdert de beplanting op eigen kosten op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer-, of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat;

    • d.

      onderhoudt de beplanting zodat zij in goede staat verkeert en blijft voldoen aan de criteria zoals opgenomen in artikel 1.

  • 2.

    Degene die houtachtige beplanting verwijderd als bedoeld in artikel 1:

    • a.

      voert de gerooide bomen, takken, wortels en andere resten van de beplanting af, en

    • b.

      vult de gaten die zijn ontstaan bij het verwijderen van beplanting met grond met de zelfde samenstelling als op het desbetreffende perceel aanwezig is en herstelt de toplaag.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur is het verboden om zonder watervergunning beplanting aan te brengen op de waterkering en de bijbehorende beschermingszones. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze regel verstaan onder :

 

Beplanting: bomen, heesters, struiken en lage beplanting.

 

Houtachtige beplanting: beplanting met opgaande stam(men) van hout.

 

Teen van de dijk: onderrand van de dijk aan de binnen- dan wel buitendijkse zijde van de dijk (de overgang van dijk naar maaiveld dan wel bodem van de watergang).

 

Motivering

 

Beplantingen in het waterstaatswerk kunnen een effect op de waterkering hebben, het onderhoud belemmeren, leiden tot aantasting van het talud of negatieve invloed hebben op de ecologie. Daarom is voor het aanbrengen en verwijderen van beplanting in de kernzone geen vrijstelling opgenomen. Daar de wortels van beplanting vanuit de beschermingszone A kan doorgroeien tot in de kernzone en er door het omgaan van hoog opgaande beplanting een ontgrondingskuil kan ontstaan die schadelijk is voor de stabiliteit van de waterkering is het niet toegestaan om beplanting aan te brengen binnen vijf meter uit de teen van de dijk. Daarom is het ook verboden om diepwortelende en hoog opgaande beplanting in de beschermingszone A aan te brengen, te houden en te verwijderen.

 

Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”.

 

3.1.10 Algemene regel Kabels en leidingen in, onder en nabij waterkering

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste en derde lid, van de Keur, voor het aanleggen, behouden, of verwijderen van kabels en leidingen in de kernzone,de bijbehorende beschermingszones of profiel van vrije ruimte, zoals aangewezen in de legger, voor zover:

  • a.

    De kabel of leiding die wordt aangelegd het waterstaatswerk kruist en voor zover:

    • i.

      de kabel of leiding middels een gestuurde boring wordt aangelegd; welke boring in de beschermingszone B start en eindigt, mits niet in het rivierbed,

    • ii.

      de kabels of leidingen op een diepte van10 meter onder maaiveld in de kernzone en de beschermingszone A worden aangelegd,

    • iii.

      de kabels of leidingen maximaal een diameter hebben van 110 millimeter, en

    • iv.

      de leidingen maximaal een druk hebben van 5 bar, en

    • v.

      het geen mantelbuis betreft.

  • b.

    De kabel of leiding evenwijdig aan het waterstaatswerk wordt aangelegd of verwijderd voor zover:

    • i.

      de kabel of leiding in de beschermingszone B en niet in het profiel van vrije ruimte wordt aangelegd of verwijderd, en

    • ii.

      de leidingen maximaal een druk hebben van 10 bar.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die kabels of leidingen aanlegt als bedoeld in artikel 1 onder a, voldoet aan de volgende voorschriften:

  • a.

    voor zover de kabels of leidingen binnen de kernzone of beschermingszone A liggen, wordt voldaan aan de NEN-normen 3650 en 3651;

  • b.

    het aanleggen van kabel of leidingen vindt plaats tussen 1 april en 1 november;

  • c.

    de kabels of leidingen worden zoveel als mogelijk geconcentreerd aangelegd;

  • d.

    de kabels of leidingen mogen de waterkering maar eenmaal en haaks kruisen.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degene die kabels of leidingen aanlegt, of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert;

    • b.

      het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • c.

      gegevens over het aan te leggen werk;

    • d.

      de aard van de werkzaamheden;

    • e.

      een situatietekening;

    • f.

      een dwarsprofieltekening van de werken in combinatie met de waterkering.

Artikel 4 Overgangsrecht

Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Keur is het verboden om zonder watervergunning kabels of leidingen aan te leggen, behouden of verwijderen op de waterkering en de bijbehorende beschermingszones en profiel van vrije ruimte. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

(Druk- of pijp)leidingen: alle leidingen die geen lozingswerk zijn, dat wil zeggen niet in open verbinding staan met oppervlaktewater.

 

Kabel: transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte.

 

Motivering

Het leggen van de hier genoemde kabels en leidingen levert weinig risico op voor het waterkerend vermogen van de waterkering. Daarom kan de vergunningplicht voor het aanleggen, behouden, en verwijderen van deze kabels en leidingen vervangen worden door algemene regels. In geval van meerdere aansluitingen aan weerszijden van de waterkering, moeten de kabels of leidingen zo worden aangelegd dat zij de waterkering maar eenmaal kruisen.

 

Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”

 

Eventuele calamiteiten vallen onder artikel 3.8 van de Keur en worden overeenkomstig afgehandeld.

 

Voor de stabiliteit van de waterkering is het van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden aan het waterstaatswerk. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen.

 

Bij de melding wordt in ieder geval gegevens vermeld over het aan te leggen werk. In dat kader moet bij het aanleggen en verwijderen van kabels en leidingen worden gedacht aan de volgende gegevens: de maximale leidingdruk, het te transporteren medium, het materiaal van de leiding, de wanddikte, de plaats van de afsluiters in de leiding, sonderinggegevens, boringen, berekening en de diepteligging, de wijze van uitvoering.

 

3.1.11 Algemene regel verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen in de beschermingszone B, als aangegeven in de legger voor zover:

 

  • a.

    het geen werken betreft die een overdruk hebben van 10 bar of meer of zoals bedoeld in de Algemene regel Kabels en leidingen in, onder en nabij waterkeringen (3.1.10), en

  • b.

    het geen explosiegevaarlijke inrichting/materiaal betreft, en

  • c.

    de handeling niet bestaat uit het doen van seismisch onderzoek, en

  • d.

    het geen ontgronding betreft.

 

TOELICHTING

 

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen . Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motivering

 

Voor de meeste handelingen en werken in de beschermingszone B hebben niet tot een zeer gering effect op de staat van de waterkering. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

Uitgezonderd zijn seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar of meer en explosiegevaarlijke inrichtingen/materialen, omdat de trillingen of eventuele explosies die hierbij worden veroorzaakt of zich kunnen voordoen een gevolg kunnen hebben voor het waterkerend vermogen van de waterkering.

 

3.2 Oppervlaktewaterlichamen

 

 

3.2.1 Algemene regel verbreden oppervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het verbreden van een oppervlaktewaterlichaam, voor zover

  • a.

    het een oppervlaktewaterlichaam categorie B betreft als aangewezen in de legger, en

  • b.

    dit niet gebeurt in combinatie met het dempen van een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2 Voorschrift

Degene die een oppervlaktewaterlichaam verbreedt als bedoeld in artikel 1,

  • a.

    onderhoudt het nieuw gegraven gedeelte oppervlaktewaterlichaam, en

  • b.

    zorgt er voor dat de verbreding niet leidt tot een oppervlaktewaterlichaam met een breedte van meer 6 meter.

Artikel 3 Meldplicht

  • 1.

    Degene die een oppervlaktewaterlichaam verbreedt, als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door of namens het waterschap vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die verantwoordelijk is voor het verbreden;

    • b.

      het adres of de locatie waar het verbreden plaatsvindt;

    • c.

      gegevens over het verbreden, en

    • d.

      een situatietekening.

Artikel 4 Overgangsrecht

  • 1.

    Indien voor het verbreden van een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van dit besluit een vergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt die aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

  • 2.

    Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, lid 1 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het verbreden van een oppervlaktewaterlichaam valt onder dit verbod.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motivering van de algemene regel

 

Het verbreden van het oppervlaktewaterlichaam is van minimale invloed op een oppervlaktewaterlichaam categorie Bet het oog op vermindering van de regeldruk kan daarom worden afgezien van de vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk algemene regels te stellen.

 

3.2.1a Algemene regel verbreden oppervlaktewaterlichaam C

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het verbreden van een oppervlaktewaterlichaam, voor zover

  • a.

    het een oppervlaktewaterlichaam categorie C betreft als aangewezen in de legger, en

  • b.

    dit niet gebeurt in combinatie met het dempen van een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2 Meldplicht

  • 1.

    Degene die een oppervlaktewaterlichaam verbreedt, als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door of namens het waterschap vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die verantwoordelijk is voor het verbreden

    • b.

      het adres of de locatie waar het verbreden plaatsvindt;

    • c.

      gegevens over het verbreden, en

    • d.

      een situatietekening.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, lid 1 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het verbreden van een oppervlaktewaterlichaam valt onder dit verbod.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motivering van de algemene regel

 

Het verbreden van het oppervlaktewaterlichaam is van minimale invloed op een oppervlaktewaterlichaam categorie C. Met het oog op vermindering van de regeldruk kan daarom worden afgezien van de vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk algemene regels te stellen.

 

3.2.2 Algemene regel veranderen talud van een oppervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het veranderen van het talud van een oppervlaktewaterlichaam, voor zover

  • a.

    het een oppervlaktewaterlichaam categorie B betreft als aangewezen in de legger;

  • b.

    het niet een oppervlaktewaterlichaam betreft waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie, zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend .

Artikel 2 Voorschrift

Degene die een talud verandert als bedoeld in artikel 1, zorgt er voor dat het bovenwatertalud niet steiler is dan 1:1,5 en het onderwatertalud niet steiler is dan 1:3.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, lid 1 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt tevens het veranderen van het talud van een oppervlaktewater.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Het veranderen van het talud: het steiler of flauwer maken van het talud.

 

Motivering

 

Het veranderen van het talud van een oppervlaktewater is van minimale invloed op een oppervlaktewaterlichaam categorie B. Er kan daarom worden afgezien van het vergunningvereiste. De algemene regel borgt op voldoende wijze de waterstaatkundige belangen.

 

Het veranderen van het talud verdraagt zich in het algemeen niet met een natuurfunctie, omdat dit nadelig is voor de ecologische inrichting. Er geldt daarom geen vrijstelling voor oppervlaktewaterlichamen met de aanduiding water met natuurfunctie.

 

3.2.3 Algemene regel veranderen talud van een oppervlaktewaterlichaam C

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het veranderen van het talud van een oppervlaktewaterlichaam, voor zover het een oppervlaktewaterlichaam categorie C betreft als aangewezen in de legger.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2 lid 1 van de modelkeur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt tevens het veranderen van het talud van een oppervlaktewater.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Het veranderen van het talud : het steiler of flauwer maken van het talud.

 

Motivering van de algemene regel

 

Het veranderen van het talud van een oppervlaktewater is van minimale invloed op een oppervlaktewaterlichaam categorie C. Er kan daarom worden afgezien van het vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk voorschriften op te nemen.

 

3.2.4 Algemene regel aanleggen natuurvriendelijke oever van een oppervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen en behouden van een natuurvriendelijke oever, voor zover:

  • a.

    deze wordt aangelegd, verwijderd of behouden in of langs een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger, en

  • b.

    het geen oppervlaktewaterlichaam betreft waaraan op grond de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een natuurvriendelijke oever aanlegt of behoudt als bedoeld in artikel 1,

  • a.

    legt de natuurvriendelijke oever zodanig aan zodat de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam, zoals vastgelegd op de legger niet worden verkleind;

  • b.

    legt eventuele aanwezige kabels en leidingen voorafgaand aan het aanleggen van de natuurvriendelijke oever minimaal 1,00 meter uit het te realiseren profiel.

Artikel 3 Meldplicht

  • 1.

    Degene die een natuurvriendelijke oever aanlegt of behoudt, als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door of namens het waterschap vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die verantwoordelijk is voor de aanleg van de natuurvriendelijke oever;

    • b.

      het adres of de locatie waar de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd;

    • c.

      gegevens over de natuurvriendelijke oever, en

    • d.

      een situatietekening.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt tevens het aanleggen van natuurvriendelijke oevers.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regel. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Natuurvriendelijke oever: oever die zo is aangelegd dat het niet alleen dient om de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam te waarborgen, maar ook om landschappelijke en ecologische functies te versterken. Het draagt zo ook bij aan de vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen.

 

Profiel: breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger of Keurkaart.

 

Motivering van de algemene regel

 

Natuurvriendelijke oevers zijn oevers waar uitdrukkelijk rekening gehouden wordt met natuur, landschap en ecologie. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in en langs een oppervlaktewaterlichaam B betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Het regime van een watervergunning is hier een te zwaar middel.

 

Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in oppervlaktewaterlichamen met de aanduiding water met een natuurfunctie is niet altijd wenselijk. Voor deze oppervlaktewaterlichamen geldt geen vrijstelling. 

 

3.2.5 Algemene regel aanleggen natuurvriendelijke oever van een oppervlaktewaterlichaam C

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2 eerste lid van de Keur, voor het aanleggen en behouden van een natuurvriendelijke oever voor zover deze wordt aangelegd, verwijderd of behouden langs een oppervlaktewaterlichaam categorie C als aangewezen in de legger.

Artikel 2 Meldplicht

  • 1.

    Degene die een natuurvriendelijke oever aanlegt of behoudt, als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door of namens het waterschap vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die verantwoordelijk is voor de aanleg van de natuurvriendelijke oever;

    • b.

      het adres of de locatie waar de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd;

    • c.

      gegevens over de natuurvriendelijke oever, en

    • d.

      een situatietekening.

 

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt tevens het aanleggen van natuurvriendelijke oevers.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

Natuurvriendelijke oever: oever die zo is aangelegd dat het niet alleen dient om de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam te waarborgen, maar ook om landschappelijke en ecologische functies te versterken. Het draagt zo ook bij aan de vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen

 

Motivering van de algemene regel

 

Natuurvriendelijke oevers zijn oevers waar uitdrukkelijk rekening gehouden wordt met natuur, landschap en ecologie. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in en langs oppervlaktewaterlichamen C betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Met het oog op vermindering van de regeldruk kan daarom worden afgezien van het vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk algemene regels te stellen.

 

3.2.6 Algemene regel houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam A

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het houden van dieren, voor zover:

  • a.

    dit plaatsvindt langs een oppervlaktewaterlichaam categorie A, als aangewezen in de legger, voorzover het betreft het gedeelte dat daarbij is aangeduid als onderhoudsstrook;

  • b.

    het niet een oppervlaktewaterlichaam betreft waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend en waarlangs tevens op grond van de legger een natuurvriendelijke oever ligt, en

  • c.

    de onderhoudsstrook niet vrijliggend is.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die dieren houdt in en langs een oppervlaktewaterlichaam, als bedoeld in artikel 1,

  • a.

    zorgt ervoor dat, onverminderd het bij overeenkomst tussen het waterschap en degene de dieren houdt, bepaalde, er een veekerende afrastering wordt geplaatst;

  • b.

    zorgt ervoor dat, onverminderd het bij overeenkomst tussen het waterschap en degene de dieren houdt, bepaalde, hij de dieren op eerste aanzegging door of namens het waterschap van de onderhoudsstrook weghaalt.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degene die dieren houdt in en langs een oppervlaktewaterlichaam, als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van het houden van dieren aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die verantwoordelijk is voor het beweiden;

    • b.

      het adres of de locatie waar het beweiden plaatsvindt;

    • c.

      gegevens over het beweiden, en

    • d.

      een situatietekening.

Artikel 4 Overgangsrecht

Indien voor het houden van dieren als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van dit besluit een vergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt die aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt het houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Op het plaatsen en houden van een afrastering is een afzonderlijke Algemene regel van toepassing.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

dieren: alle gedomesticeerde dieren, dus zowel de grote huisdieren als varkens, paarden, rundvee en overige hoefdieren o.a. schapen, als de kleine huisdieren als kippen, ganzen en ook honden.

 

Vrijliggende onderhoudsstrook: door middel van een afrastering of hekwerk van naastgelegen perceel afgescheiden strook grond dat alleen wordt gebruikt om van daar af het oppervlaktewaterlichaam te onderhouden

 

Motivering van de algemene regel

 

Het houden van dieren langs oppervlaktewaterlichamen op onderhoudsstroken welke niet vrijliggend zijn en dus meervoudig gebruikt worden, is van minimale invloed op een oppervlaktewater A. Algemene regels borgen op voldoende wijze de waterstaatkundige belangen. De vrijstelling is niet van toepassing voor het houden van dieren in het oppervlaktewaterlichaam. Dan geldt een vergunningplicht.

 

3.2.7 Algemene regel houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het houden van dieren, voor zover dit plaatsvindt in en langs een oppervlaktewaterlichaam categorie B, als aangewezen in de legger.

Artikel 2 Voorschrift

Degene die dieren houdt in en langs een oppervlaktewaterlichaam, als bedoeld in artikel 1,

zorgt ervoor dat het beweiden zodanig plaatsvindt dat het waterhuishoudkundig belang niet geschaad wordt.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt het houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Dieren: alle gedomesticeerde dieren, dus zowel de grote huisdieren als varkens, paarden, rundvee en overige hoefdieren o.a. schapen, als de kleine huisdieren als kippen, ganzen en ook honden.

 

Motivering van de algemene regel

 

Het houden van dieren in en langs oppervlaktewaterlichamen, is van minimale invloed op een oppervlaktewaterlichaam B. Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste. Om het eventuele waterhuishoudkundige belang te kunnen beschermen is een voorschrift opgenomen.

 

3.2.8 Algemene regel houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam C

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het houden van dieren, voor zover dit plaatsvindt in en langs een oppervlaktewaterlichaam, categorie C, als aangewezen in de legger.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2 lid 1, eerste lid van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt het houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

dieren: alle gedomesticeerde dieren, dus zowel de grote huisdieren als varkens, paarden, rundvee en overige hoefdieren o.a. schapen, als de kleine huisdieren als kippen, ganzen en ook honden.

 

Motivering van de algemene regel

 

Het houden van dieren in en langs oppervlaktewaterlichamen, is van minimale invloed op een oppervlaktewater C. Daarom worden afgezien van het vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk voorschriften op te nemen.

 

3.2.9 Algemene regel afrastering of erfafscheiding oppervlaktewaterlichaam A

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een afrastering of erfafscheiding, voor zover deze:

  • a.

    wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in of langs een oppervlaktewaterlichaam, categorie A, als aangewezen in de legger met uitzondering van het gedeelte dat daarbij is aangeduid als onderhoudsstrook;

  • b.

    niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam met een natuurfunctie zoals aangewezen op de bij deze algemene regel behorende natuurkaart zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig en waarlangs tevens op grond van de legger een natuurvriendelijke oever ligt, tenzij de afrastering of erfafscheiding dient als veekering;

  • c.

    vrij van de beschoeiing of oeverbeschermende damwand wordt aangebracht, en

  • d.

    zo wordt aangelegd dat de hoogte van de afrastering of erfafscheiding maximaal 1,00 meter is.

Artikel 2 Voorschrift

Degene die een afrastering of erfafscheiding aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1, wijzigt of verwijdert de afrastering of erfafscheiding op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het aanleggen, verwijderen of behouden van afrasteringen en erfafscheidingen valt daaronder. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

afrastering of erfafscheiding: afbakening van een erf of perceel van een ernaast gelegen erf of van de openbare ruimte.

 

Motivering

 

Het aanbrengen, verwijderen of behouden van een afrastering of erfafscheiding bij een oppervlaktewater als omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

Het plaatsen van een afrastering of erfafscheiding verdraagt zich in het algemeen niet met de aan het oppervlaktewaterlichaam verbonden natuurfunctie. O.a. omdat de toegepaste materialen veelal geen natuurlijke uitstraling hebben. Anderzijds is het wenselijk dat vertrapping van kleine beeksystemen wordt voorkomen. Daarom geldt in die gevallen geen vrijstelling tenzij de afrastering een veekerende werking heeft.

 

3.2.10 Algemene regel afrastering of erfafscheiding oppervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een afrastering of erfafscheiding, voor zover deze:

  • a.

    wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie B, als aangewezen in de legger, en

  • b.

    niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam met een natuurfunctie, zoals aangewezen bij deze algemene regel behorende natuurkaart zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig en waarlangs tevens op grond van de legger een natuurvriendelijke oever ligt.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het aanleggen, verwijderen of behouden van afrasteringen en afscheidingen valt daaronder. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

afrastering of erfscheiding: afbakening van een erf of perceel van een ernaast gelegen erf of van de openbare ruimte.

 

Motivering van de algemene regel

 

Het aanbrengen, verwijderen of behouden van een afrastering of erfscheiding bij een oppervlaktewater als omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk voorschriften te stellen.

 

3.2.11 Algemene regel afrastering of erfafscheiding oppervlaktewaterlichaam C

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een afrastering of erfscheiding, voor zover deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie C, als aangewezen in de legger.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het aanleggen, verwijderen of behouden van afrasteringen en afscheidingen valt daaronder. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

afrastering of erfscheiding: afbakening van een erf of perceel van een ernaast gelegen erf of van de openbare ruimte.

 

Motivering van de algemene regel

Het aanbrengen, verwijderen of behouden van een afrastering of erfscheiding bij een oppervlaktewater aks omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk voorschriften te stellen.

 

3.2.12 Algemene regel beplanting oppervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van beplanting, voor zover deze:

  • a.

    wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie B, als aangewezen in de legger, en

  • b.

    niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam met een natuurfunctie zoals aangegeven op de bij deze algemene regel behorende natuurkaart zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die beplanting aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    zorgt ervoor dat de beplanting niet hoger wordt dan vier meter;

  • b.

    herstelt het maaiveld bij verwijdering van beplanting en de wortelresten, en

  • c.

    wijzigt of verwijdert de beplanting op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het aanleggen, verwijderen of behouden van beplanting valt hieronder. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Beplanting: bomen, struiken en lage beplanting, uitgezonderd gras

 

Motivering

 

Het aanbrengen, verwijderen of behouden van beplanting in en nabij een oppervlaktewaterlichaam zoals omschreven in lid 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het verbinden van voorschriften aan het vrijgestelde werk.

 

Een natuurvriendelijke oever - waarbij het met name om de vergraving van een oppervlaktewaterlichaam gaat - valt niet onder algemene deze regel. Hiervoor geldt een afzonderlijke algemene regel Natuurvriendelijke oevers.

 

3.2.13 Algemene regel beplanting oppervlaktewaterlichaam C

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van beplanting, voor zover deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie C, als aangewezen in de legger.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het aanleggen, verwijderen of behouden van beplanting valt hieronder. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Beplanting: bomen, struiken en lage beplanting, uitgezonderd gras

 

Motivering

 

Het aanbrengen, verwijderen of behouden van beplanting in en nabij een oppervlaktewaterlichaam betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk algemene regels te stellen.

 

3.2.14 Algemene regel voor het aanleggen, verwijderen en behouden van een brug in een oppervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criteria

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2 van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een brug, voor zover deze:

    • a.

      wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger;

    • b.

      wordt aangelegd, verwijderd of behouden buiten de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, en

    • c.

      niet wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een brug aanlegt of behoudt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    plaatst de pijlers van de brug niet in het water;

  • b.

    tast de stabiliteit van de oevers niet aan met de brughoofden;

  • c.

    voorziet in het geval de brug breder is dan 1 meter, de taluds onder de brug en tot 1 meter aan weerszijden hiervan van beschoeiing;

  • d.

    belemmert de waterdoorvoer niet;

  • e.

    voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de brug die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer;

  • f.

    gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal, en

  • g.

    brengt het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen zoals vastgelegd in de legger bij verwijdering van de brug.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt tevens het aanleggen en behouden van bruggen over oppervlaktewaterlichamen.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Brug: een werk over een oppervlaktewaterlichaam dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam. Anders dan bij een dam met duiker is er bij een brug geen sprake van een (gedeeltelijke) demping van het oppervlaktewaterlichaam.

 

Insteek: de snijlijn van het bovenwatertalud (oeverhelling) met het aangrenzende maaiveld.

 

Motivering

 

Het aanbrengen van bruggen over de oppervlaktewaterlichamen als omschreven in artikel 1 betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Daarom kan onder voorwaarden worden afgezien van het vergunningvereiste. 

 

3.2.15 Algemene regel voor het aanleggen, verwijderen en behouden van een brug in oppervlaktewaterlichaam C

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2 van de keur, voor het aanleggen verwijderen of behouden van een brug, voor zover deze wordt aangelegd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie C als aangewezen in de legger.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een brug aanlegt of behoudt als bedoeld in artikel 1 voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de brug die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt tevens het aanleggen en behouden van bruggen over oppervlaktewaterlichamen.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Brug: een werk over een oppervlaktewaterlichaam dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam. Anders dan bij een dam met duiker is er bij een brug geen sprake van een (gedeeltelijke) demping van het oppervlaktewaterlichaam

 

Motivering

Het aanbrengen van bruggen over de oppervlaktewaterlichamen als omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk algemene regels te stellen.

 

3.2.16 Algemene regels voor een (dam met) duiker in oppervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verlengen, verwijderen of behouden van een (dam met) duiker, voorzover deze :

  • a.

    wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger;

  • b.

    wordt aangelegd, verwijderd of behouden buiten de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

  • c.

    niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend;

  • d.

    wordt aangelegd, verwijderd of behouden op minimaal 10,00 meter van een bestaande dam met duiker aangelegd;

  • e.

    wordt aangelegd, verwijderd of behouden op minimaal 10,00 meter van een ander kunstwerk aangelegd;

  • f.

    wordt aangelegd, verwijderd of behouden zonder knikpunten of bochten;

  • g.

    niet bedoeld is voor een andere functie dan perceelsontsluiting, en het betreffende perceel (redelijkerwijs) niet anders is of kan worden ontsloten , tenzij de aanvraag ziet op de aanleg van een zogenaamde “vuile” uitrit ten behoeve van agrarische bedrijven en de bestaande uitrit een zogenaamde “schone”uitrit is, dan wel de aanvraag de aanleg van een “schone” uitrit betreft en de bestaande uitrit een “vuile”uitrit is, en

    • h.

      voldoet aan de volgende maatvoeringen:

      Onderdeel

      Beschrijving / maatvoering

      type duiker

      Rond

      lengte duiker

      maximaal 20,0 meter

      inwendige doorsnede duiker onder openbare weg

      minimaal 0,50 meter

      inwendige doorsnede overige duikers

      minimaal 0,40 meter

      binnenonderkant van de duiker

      hoogte van de bodem

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een (dam met) duiker aanlegt, verwijdert of behoudt als bedoeld in artikel 1,

  • a.

    legt de duiker zo aan dat de as in het midden van het oppervlaktewaterlichaam ligt;

  • b.

    voorziet verbindingen tussen duikerelementen van een waterdichte afdichting;

  • c.

    werkt het talud van de dam met duiker af met stapelzoden, graszaad of een beschoeiing;

  • d.

    werkt het talud van de dam met duiker af onder een helling van minimaal 1:1,5;

  • e.

    beschermt de uiteinden van de duiker tegen beschadigingen door mechanisch onderhoud;

  • f.

    brengt bij het verwijderen van een dam met duiker het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen die gelijk zijn aan het aansluitend profiel;

  • g.

    verwijdert bij vervanging van een duiker, de oude duiker volledig;

  • h.

    houdt het doorstroomprofiel van de dam met duiker in stand;

  • i.

    past beton, of een gelijkwaardig materiaal toe, behalve in veengebieden, waar kan worden volstaan met rotvrij, niet uitlogend materiaal.

Artikel 3 Maatwerk

Het bestuur kan gelet op de maatgevende afvoer van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de inwendige doorsnede van de duiker.

Artikel 4 Melding

  • 1.

    Degene die een (dam met) duiker aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert;

    • b.

      het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • c.

      gegevens over het aan te leggen werk;

    • d.

      de aard van de werkzaamheden;

    • e.

      een situatietekening;

    • f.

      de lengte en de diameter van de duiker.

Artikel 5 Overgangsrecht

  • 1.

    Indien voor het aanleggen, verlengen, verwijderen of behouden van een (dam met) duiker, bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van dit besluit een vergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt die aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in artikel 4, eerste lid.

  • 2.

    Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te maken of te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het aanleggen, verlengen, verwijderen of behouden van een (dam met)duiker.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepalingen

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Duiker: een kokervormige constructie die is bedoeld om oppervlaktewaterlichamen met elkaar te verbinden.

 

Kunstwerk: werken die ondersteunend zijn aan waterstaatwerken.

 

Motivering

 

Het aanleggen, behouden of verwijderen van een (dam met)duiker in oppervlaktewaterlichamen als omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt er vernauwing op van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming vermindert. Er wordt dan ook terughoudend omgegaan met het toestaan van dammen met duikers. Er worden voorwaarden gesteld aan de afmetingen van de duiker en het aantal dammen met duikers per perceel, om de afwatering van het gebied waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam zich bevindt te garanderen.

 

Door het stellen van maatwerkvoorschriften kan er voor een duiker in een oppervlaktewaterlichaam catergorie B er een grotere diameter dan de in de criteria genoemde 0,40 m worden voorgeschreven.

Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen.

 

Vergunningaanvragen voor het aanleggen van een dam met duiker waarvoor op grond van artikel 1 vrijstelling is verkregen van de vergunningplicht, worden als melding aangemerkt. Hierdoor worden extra handelingen door de aanvrager voorkomen.

 

3.2.17 Algemene regels voor een (dam met) duiker in oppervlaktewaterlichaam C in poldergebieden

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verlengen, verwijderen of behouden van een (dam met) duiker, voor zover deze:

  • a.

    wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie C als aangewezen in de legger;

  • b.

    wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam welke zich bevindt in een poldergebied welke als zodanig is aangegeven op de bij deze algemene regel behorende poldergebiedenkaart;

  • c.

    wordt aangelegd, verwijderd of behouden op minimaal 10,00 meter van een bestaande dam met duiker of ander kunstwerk ;

  • d.

    wordt aangelegd, verwijderd of behouden zonder knikpunten of bochten, en

  • e.

    voldoet aan de volgende maatvoeringen:

    Onderdeel

    Beschrijving / maatvoering

    type duiker

    rond

    lengte duiker

    maximaal 20,0 meter

    inwendige doorsnede duiker

    minimaal 0,40 meter

    binnenonderkant van de duiker

    hoogte van de bodem

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een (dam met) duiker aanlegt, verwijdert of behoudt als bedoeld in artikel 1:

  • b.

    legt de duiker zo aan dat de as in het midden van het oppervlaktewaterlichaam ligt;

  • c.

    voorziet verbindingen tussen duikerelementen van een waterdichte afdichting;

  • d.

    werkt het talud van de dam met duiker af met stapelzoden, graszaad of een beschoeiing;

  • e.

    werkt het talud van de dam met duiker af onder een helling van minimaal 1:1,5;

  • f.

    beschermt de uiteinden van de duiker tegen beschadigingen door mechanisch onderhoud;

  • g.

    brengt bij het verwijderen van een dam met duiker het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen zoals vastgelegd in de legger dan wel die gelijk zijn aan het aansluitend profiel;

  • h.

    verwijdert bij vervanging van een duiker, de oude duiker volledig;

  • i.

    houdt [het doorstroomprofiel van] de dam met duiker in stand;

  • j.

    past beton, of een gelijkwaardig materiaal toe, behalve in veengebieden, waar kan worden volstaan met rotvrij, niet uitlogend materiaal.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te maken of te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het aanleggen, verlengen, verwijderen of behouden van een (dam met)duiker.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepalingen

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Duiker: een kokervormige constructie die is bedoeld om oppervlaktewaterlichamen met elkaar te verbinden.

 

Kunstwerk: werken die ondersteunend zijn aan waterstaatwerken.

 

Motivering

 

Het aanleggen, behouden of verwijderen van een (dam met) duiker in oppervlaktewaterlichamen als omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt er vernauwing op van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming vermindert. Er wordt dan ook terughoudend omgegaan met het toestaan van dammen met duikers. Er worden voorwaarden gesteld aan de afmetingen van de duiker en het aantal dammen met duikers per perceel, om de afwatering van het gebied waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam zich bevindt te garanderen.

 

Omdat in poldergebieden het maximaal toelaatbare verval dat bij een dam met duiker mag optreden kleiner is dan in niet-poldergebieden, is de voorgeschreven minimale doorsnede van de duiker groter dan in niet-poldergebieden en de maximale lengte van de duiker kleiner dan in niet-poldergebieden.

 

3.2.18 Algemene regels voor een (dam met) duiker in oppervlaktewaterlichaam C in niet-poldergebieden

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verlengen, behouden en verwijderen van een (dam met) duiker, voorzover deze:

  • a.

    wordt aangelegd, gewijzigd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie C als aangewezen in de legger;

  • b.

    wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie C welke zich bevindt in een gebied, niet behorend tot de poldergebieden welke als zodanig zijn aangegeven op de bij deze algemene regel behorende poldergebiedenkaart, en

  • c.

    niet langer is dan 40,0 meter en de diameter van de duiker niet kleiner is dan 0,30 meter.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te maken of te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het aanleggen, verwijderen of behouden van een (dam met)duiker. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepalingen

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Duiker: een kokervormige constructie die is bedoeld om oppervlaktewaterlichamen met elkaar te verbinden.

 

Motivering

 

Het aanleggen, behouden of verwijderen van een (dam met)duiker in oppervlaktewaterlichamen zoals omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt er vernauwing op van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming vermindert. Er wordt dan ook terughoudend omgegaan met het toestaan van dammen met duikers. Er worden voorwaarden gesteld aan de afmetingen van de duiker en het aantal dammen met duikers per perceel, om de afwatering van het gebied waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam zich bevindt te garanderen.

 

3.2.19 Algemene regel kabels en leidingen bij oppervlaktewaterlichaam A

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van kabels of leidingen, voor zover:

  • a.

    deze worden aangelegd, verwijderd of behouden onder of boven een oppervlaktewaterlichaam categorie A als aangewezen in de legger;

  • b.

    het geen oppervlaktewaterlichaam betreft waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend, waarlangs tevens op grond van de legger een natuurvriendelijke oever ligt;

  • c.

    de druk in de leiding niet groter is dan 10 bar;

  • d.

    de diameter van de leiding (buis) niet groter is dan 1 meter;

  • e.

    de spanning op de kabel niet hoger is dan 100 kV;

  • f.

    bij aanleg van de kabel of leiding evenwijdig aan het oppervlaktewaterlichaam de afstand tussen de ontgraving en de insteek van het oppervlaktewaterlichaam minimaal 1,0 meter bedraagt;

  • g.

    bij een gestuurde boring waarbij het oppervlaktewaterlichaam wordt gekruist, de kabels of leidingen tenminste 1,0 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd;

  • h.

    bij aanleg van kabels en leidingen waarbij het oppervlaktewaterlichaam of de bijbehorende beschermingszone wordt gekruist, de kabels en leidingen tenminste 1,00 meter uit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en 1,00 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd;

  • i.

    bij meerdere, elkaar kruisende leidingen die niet op gelijke hoogte liggen, de afstand tussen deze leidingen minimaal 0,3 meter is;

  • j.

    bij meerdere, elkaar kruisende leidingen die op gelijke hoogte liggen, tussen de leidingen een kruisingsput wordt aangelegd, en

  • k.

    bij een kruising met een duiker de kabel of leiding door een mantebuis wordt aangelegd die tenminste 1,0 meter uitsteekt aan weerszijden van de duiker en tenminste 0,3 meter afstand heeft tot de duikers en tenminste 0,5 meter gronddek heeft.

Artikel 2 Voorschriften

Degene kabels of leidingen aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    beïnvloedt tijdens het aanleggen of verwijderen van kabels of leidingen de stabiliteit van de taluds niet negatief;

  • b.

    vult direct na het aanleggen van de kabel of leiding de ontgraving aan;

  • c.

    herstelt het werkterrein in de oorspronkelijke situatie;

  • d.

    belemmert de aan- of afvoer van water niet, en

  • e.

    treft, in geval van breuk of lekkage van een leiding maatregelen om verdergaande lekkage te voorkomen.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degene die kabels of leidingen aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, voorzover dit niet plaatsvindt in het als natuurvriendelijke oever of als onderhoudsstrook aangeduide gedeelte van het oppervlaktelichaam, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert;

    • b.

      het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • c.

      gegevens over het aan te leggen werk;

    • d.

      de aard van de werkzaamheden;

    • e.

      een situatietekening.

Artikel 4 Overgangsrecht

Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regels meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2 lid 1 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het leggen of houden van kabels en leidingen nabij oppervlaktewater. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

(Druk- of pijp)leidingen: alle leidingen die geen lozingswerk zijn, dat wil zeggen, niet in open verbinding staan met oppervlaktewater.

 

Gestuurde boring: een sleufloze boortechniek waarbij obstakels zoals oppervlaktewater diep onder het maaiveld kunnen worden gepasseerd.

 

Insteek: snijlijn van het bovenwatertalud met het aangrenzende maaiveld.

 

Kabel: transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte. Leidingen met een diameter van maximaal 40 mm die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel.

 

Motivering

 

Het leggen van kabels en leidingen onder of over oppervlaktewaterenlichamen als omschreven in artikel 1, komt zeer veel voor. Met uitzondering van oppervlaktewaterlichamen met een natuurfunctie, is het leggen van kabels en leidingen, onder voorwaarden, vrijgesteld van de . vergunningplicht. Het gebeurt veelal door gespecialiseerde bedrijven in opdracht van nutsbedrijven. Algemene regels borgen de waterstaatkundige belangen voldoende.

 

Ad 2b: Dit voorschrift kan gebruikt worden om het risico te verkleinen dat de uitgegraven grond in het water terecht komt en zo wordt verspreid in het oppervlaktewaterlichaam.

 

Ad 2f: In gebieden waar het zoute water dicht onder het oppervlak voorkomt, willen waterschappen het risico van opbarsten voorkomen. Dit voorschrift geeft daarvoor een instrument.

 

Ad 2g: openbarsting: het ter plaatse van een boring vloeibaar worden van de bodem, waardoor de bodem openbarst.

 

Ad 2m: In sommige gevallen kan het beter zijn de kabel of leiding te laten zitten omdat het verwijderen ervan schade aan het oppervlaktewaterlichaam of beschermingszone kan veroorzaken.

 

Toelichting artikel 3 Melding

Bij de termijn voor melding is gebaseerd op een redelijk termijn van 2 weken.

Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen.

 

3.2.20 Algemene regel kabels en leidingen bij oppervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van kabels en leidingen, voor zover:

  • a.

    deze worden aangelegd, verwijderd of behouden onder of boven een oppervlaktewaterlichaam categorie B als aangewezen in de legger;

  • b.

    het geen oppervlaktewaterlichaam betreft waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend, waarlangs tevens op grond van de legger een natuurvriendelijke oever ligt;

  • c.

    de druk in de leiding niet groter is dan 10 bar;

  • d.

    de diameter van de leiding (buis) niet groter is dan 1 meter;

  • e.

    de spanning op de kabel niet hoger is dan 100 kV;

  • f.

    bij een gestuurde boring waarbij het oppervlaktewaterlichaam wordt gekruist, de kabels of leidingen tenminste 1,0 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd;

  • g.

    bij aanleg van kabels en leidingen waarbij het oppervlaktewaterlichaam wordt gekruist, de kabels en leidingen tenminste 1,00 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd;

  • h.

    bij meerdere, elkaar kruisende leidingen die niet op gelijke hoogte liggen, de afstand tussen deze leidingen minimaal 0,3 meter is;

  • i.

    bij meerdere, elkaar kruisende leidingen die op gelijke hoogte liggen, tussen de leidingen een kruisingsput wordt aangelegd, en

  • j.

    bij een kruising met een duiker de kabel of leiding door een mantebuis wordt aangelegd die tenminste 1,0 meter uitsteekt aan weerszijden van de duiker en tenminste 0,3 meter afstand heeft tot de duikers en tenminste 0,5 meter gronddek heeft.

Artikel 2 Voorschriften

Degene kabels of leidingen aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    beïnvloedt tijdens het aanleggen of verwijderen van kabels of leidingen de stabiliteit van de taluds niet negatief;

  • b.

    vult direct na het aanleggen van de kabel of leiding de ontgraving aan;

  • c.

    herstelt het werkterrein in de oorspronkelijke situatie;

  • d.

    belemmert de aan- of afvoer van water niet, en

  • e.

    treft, in geval van breuk of lekkage van een leiding maatregelen om verdergaande lekkage te voorkomen.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2 lid 1 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het leggen van kabels en leidingen nabij oppervlaktewater. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

(Druk- of pijp)leidingen: alle leidingen die geen lozingswerk zijn, dat wil zeggen, niet in open verbinding staan met oppervlaktewater.

 

Kabel: transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte. Leidingen met een diameter van maximaal 40 mm die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel.

 

Gestuurde boring of HDD-methode (horizontal directional drilling): een sleufloze boortechniek waarbij obstakels zoals oppervlaktewater diep onder het maaiveld kunnen worden gepasseerd.

 

Motivering

 

Het leggen van kabels en leidingen onder of over oppervlaktewaterenlichamen als omschreven in artikel 1, komt zeer veel voor. Met uitzondering van oppervlaktewaterlichamen met een natuurfunctie, is het leggen van kabels en leidingen, onder voorwaarden, vrijgesteld van de. vergunningplicht. Het gebeurt veelal door gespecialiseerde bedrijven in opdracht van nutsbedrijven. Algemene regels borgen de waterstaatkundige belangen voldoende.

 

3.2.21 Algemene regel kabels en leidingen bij oppervlaktewaterlichaam C

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van kabels en leidingen onder of boven een oppervlaktewaterlichaam, voor zover deze worden aangelegd, verwijderd of behouden onder of boven een oppervlaktewaterlichaam categorie C als aangewezen in de legger.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2 lid 1 van de keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het leggen van kabels en leidingen nabij oppervlaktewater. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

(Druk- of pijp)leidingen: alle leidingen die geen lozingswerk zijn, dat wil zeggen, niet in open verbinding staan met oppervlaktewater.

 

Kabel: transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte. Leidingen met een diameter van maximaal 40 mm die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel.

 

Motivering

 

Het leggen van kabels en leidingen onder of over oppervlaktewaterenlichamen als omschreven in artikel 1, komt zeer veel voor. Het gebeurt veelal door gespecialiseerde bedrijven in opdracht van nutsbedrijven. Met het oog op vermindering van de regeldruk kan daarom worden afgezien van het vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk voorschriften aan de vrijstelling te verbinden.

 

3.2.22 Algemene regel steiger, vlonder of overhangend bouwwerk in oppervlaktewaterlichaam A

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk voor zover deze:

  • a.

    wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie A, als aangewezen in de legger met uitzondering van het gedeelte dat daarbij is aangeduid als natuurvriendelijke oever of als onderhoudsstrook;

    • wordt aangelegd, verwijderd of behouden in de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

  • b.

    niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend;

  • c.

    niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden aan de zijde van het oppervlaktewaterlichaam, waar zich op grond van de legger een onderhoudsstrook bevindt;

  • d.

    wordt aangelegd zonder dat er palen worden geplaatst in of op de waterbodem en in de aangrenzende grond tot en met 0,2 meter achter de beschoeiing, gezien vanaf het water

  • e.

    wordt aangelegd zodat de onderkant minimaal 0,5 meter boven het normaal waterpeil dan wel, indien een zomer- en winterpeil wordt gehanteerd, boven het zomerpeil aangelegd , en

  • f.

    voldoet aan de volgende maatvoering:

    Breedte oppervlaktewaterlichaam

    Maximale breedte steiger/vlonder /overhangend bouwwerk (haaks gemeten op het oppervlaktewaterlichaam)

    < 4 meter

    Niet toegestaan

    >4 meter en < 8 meter

    0,5 meter

     

    > 8 meter

    1,0 meter

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    beschadigt het talud en de aanwezige beschoeiing niet;

  • b.

    belemmert het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet;

  • c.

    zorgt er voor dat de eigenaar/gebruiker van de steiger, vlonder of overhangend bouwwerk het water ter plaatse vrij houdt van (drijf)vuil, resten van waterplanten en dergelijke, onverminderd de onderhoudsplichten;

  • d.

    voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer;

  • e.

    gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk;

  • f.

    brengt het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen zoals vastgelegd in de legger bij verwijdering van de steiger, vlonder of overhangend bouwwerk, en

  • g.

    wijzigt of verwijdert de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degene die een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk, aanlegt of verwijdert, bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert;

    • b.

      het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • c.

      gegevens over het aan te leggen werk;

    • d.

      de aard van de werkzaamheden;

    • e.

      een situatietekening.

Artikel 4 Overgangsrecht

Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het aanleggen, verwijderen of behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk valt hieronder. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Beschoeiing: constructie in de oeverlijn om de oever tegen afkalving te beschermen.

 

Insteek: snijlijn van het bovenwatertalud met het aangrenzende maaiveld.

 

Overhangend bouwwerk: bouwwerk dat al dan niet gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam, of het talud is geplaatst waarover gelopen kan worden.

 

Peil: in het peilbesluit vastgesteld referentiepeil.

 

Steiger: constructie die gedeeltelijk over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel waarover gelopen kan worden.

 

Vlonder: losse houten vloer op het maaiveld grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam waarover gelopen kan worden. Hieronder vallen mede visstoepen.

 

Motivering

 

Het aanleggen van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk als omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

Ad artikel 1 Het plaatsen van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk verdraagt zich in het algemeen niet met de aan het oppervlaktewaterlichaam verbonden natuurfunctie.

 

Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen.

 

De termijn voor melding is gebaseerd op een redelijk termijn van 2 weken.

 

3.2.23 Algemene regel steiger, vlonder of overhangend bouwwerk oppervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk voor zover deze:

  • a.

    wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie B als aangewezen in de legger;

  • b.

    niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend;

  • c.

    wordt aangelegd zonder er palen worden geplaatst in of op de waterbodem en in de aangrenzende grond tot en met 0,2 meter achter de beschoeiing, gezien vanaf het water ;

  • d.

    wordt aangelegd zodat de onderkant minimaal 0,5 meter boven het normaal waterpeil dan wel, indien een zomer- en winterpeil wordt gehanteerd, boven het zomerpeil aangelegd (of: boven het hoogste gehanteerde peil, en

  • e.

    voldoet aan de volgende maatvoering:

    Breedte oppervlaktewaterlichaam

    Maximale breedte steiger/vlonder /overhangend bouwwerk (haaks gemeten op het oppervlaktewaterlichaam)

    < 4 meter

    Niet toegestaan

    >4 meter en < 8 meter

    0,5 meter

     

    > 8 meter

    1,0 meter

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    beschadigt het talud en de aanwezige beschoeiing niet;

  • b.

    belemmert het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet ;

  • c.

    zorgt er voor dat de eigenaar/gebruiker van de steiger, vlonder of overhangend bouwwerk het water ter plaatse vrij houdt van (drijf)vuil, resten van waterplanten en dergelijke, onverminderd de onderhoudsplichten;

  • d.

    voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer;

  • e.

    gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk;

  • f.

    brengt het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen zoals vastgelegd in de legger bij verwijdering van de steiger, vlonder of overhangend bouwwerk, en

  • g.

    wijzigt of verwijdert de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degene die een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk, aanlegt of verwijdert, bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert;

    • b.

      ahet adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • c.

      gegevens over het aan te leggen werk;

    • d.

      de aard van de werkzaamheden;

    • e.

      eeen situatietekening.

Artikel 4 Overgangsrecht

Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het aanleggen, verwijderen of behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk valt hieronder. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Beschoeiing: constructie in de oeverlijn om de oever tegen afkalving te beschermen.

 

Insteek: snijlijn van het bovenwatertalud met het aangrenzende maaiveld.

 

Overhangend bouwwerk: bouwwerk dat al dan niet gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam, of het talud is geplaatst waarover gelopen kan worden.

 

Peil: in het peilbesluit vastgesteld referentiepeil.

 

Steiger: constructie die gedeeltelijk over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel waarover gelopen kan worden.

 

Vlonder: losse houten vloer op het maaiveld grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam waarover gelopen kan worden. Hieronder vallen mede visstoepen.

 

Motivering

 

Het aanleggen van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk als omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het verbinden van voorschriften aan de vrijstellling.

 

Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen.

 

3.2.24 Vervallen

 

 

3.2.25 Algemene regel steiger, vlonder of overhangend bouwwerk oppervlaktewaterlichaam C

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk voor zover deze:

  • a.

    wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie C, als aangewezen in de legger, en

  • b.

    geen aantasting van het watervoerende vermogen van het oppervlaktewaterlichaam tot gevolg heeft.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Overhangend bouwwerk: bouwwerk dat al dan niet gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam, of het talud is geplaatst waarover gelopen kan worden.

 

Steiger: constructie die gedeeltelijk over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel waarover gelopen kan worden.

 

Vlonder: losse houten vloer op het maaiveld grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam waarover gelopen kan worden. Hieronder vallen mede visstoepen.

 

Motivering

 

Het aanleggen van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk zoals weergegeven in artikel 1 betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in/langs een oppervlaktewaterlichaam. Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk voorschriften te verbinden aan de vrijstelling.

 

3.2.26 Algemene regel straatmeubilair en schakelkasten in oppervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van straatmeubilair of een schakelkast, voor zover deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie B als aangewezen in de legger.

Artikel 2 Voorschrift

Degene die straatmeubilair of een schakelkast aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1, legt deze minimaal 0,5 meter uit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam aan.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder is ook begrepen het aanleggen, verwijderen en behouden van uitstroomvoorzieningen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Straatmeubilair: bouwwerken, niet zijnde gebou¬wen, welke zijn geplaatst ten behoeve van of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente.

 

Hierbij wordt gedacht aan lantaarnpalen, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fontei¬nen, bankjes, abri’s, telefooncellen, hekken en palen. Het begrip straat¬meubilair houdt in dat de bedoelde bouwwerken deel uitmaken van de openbare weg.

 

Motivering

 

Het aanbrengen van straatmeubilair en schakelkasten betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in het oppervlaktewaterlichaam.

Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het verbinden van voorschriften aan de vrijstelling.

 

3.2.27 Algemene regel straatmeubilair en schakelkasten in oppervlaktewaterlichaamC

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van straatmeubilair of een schakelkast, voor zover deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie C, als aangewezen in de legger.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder is ook begrepen het aanleggen, verwijderen en behouden van uitstroomvoorzieningen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Straatmeubilair: bouwwerken, niet zijnde gebouwen, welke zijn geplaatst ten behoeve van of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente.

 

Hierbij wordt gedacht aan lantaarnpalen, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, bankjes, abri’s, telefooncellen, hekken en palen. Het begrip straat¬meubilair houdt in dat de bedoelde bouwwerken deel uitmaken van de openbare weg.

 

Motivering

 

Het aanbrengen van een uitstroomvoorziening betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in het oppervlaktewaterlichaam . Daarom kan worden afgezien van de vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk voorschriften te verbinden aan de vrijstelling.

 

3.2.28 Algemene regel uitstroomvoorzieningen in oppervlaktewaterlichaam A

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een uitstroomvoorziening, voor zover:

  • a.

    deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie A , als aangewezen in de legger;

  • b.

    deze niet wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend;

  • c.

    niet meer dan de op grond van de op het betreffende oppervlaktewaterlichaam van toepassing zijnde algemene regel vrijgestelde aantal m³/h water in het oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht, en

  • d.

    de uitstroomvoorziening verzonken in het talud wordt aangebracht.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een uitstroomvoorziening aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1,

  • a.

    fundeert de uitstroomvoorziening op deugdelijke wijze;

  • b.

    zorgt voor een voldoende sterke talud- en/of oeverbescherming;

  • c.

    voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de uitstroomvoorziening , die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer;

  • d.

    verwijdert drijfvuil, en

  • e.

    verwijdert de uistroomvoorziening op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien naar hun oordeel deze geen functie meer vervult of dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheers- en onderhoudsmaatregelen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degene die uitstroomvoorziening (lozingsvoorziening) aanlegt als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert;

    • b.

      het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • c.

      gegevens over het aan te leggen werk;

    • d.

      de aard van de werkzaamheden;

    • e.

      een situatietekening.

Artikel 4 Overgangsrecht

Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder is ook begrepen het aanleggen, verwijderen en behouden van uitstroomvoorzieningen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Uitstroomvoorziening: een constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen.

 

Motivering

 

Het aanbrengen van uitstroomvoorziening betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en een veel voorkomend werk in het oppervlaktewaterlichaam en hangt vaak samen met het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam (zie de daarop van toepassing zijnde algemene regels). Het is van belang dat het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewater niet wordt belemmerd door de aanwezigheid van de lozingsvoorziening. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het verbinden van voorschriften aan de vrijstelling.

 

De toepassing van een uitstroomvoorziening verdraagt zich in het algemeen niet met een natuurfunctie, omdat de voorziening nadelig is voor de ecologische inrichting. De voorziening wordt daarom niet toegepast in oppervlaktewaterlichamen waaraan een natuurfunctie is toegekend.

 

Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen.

 

3.2.29 Algemene regel uitstroomvoorzieningen in oppervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een uitstroomvoorziening, voor zover:

  • a.

    deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie B, als aangewezen in de legger;

  • b.

    deze niet wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam dat waaraan op grond van de bij deze regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend, en

  • c.

    niet meer dan de op grond van de op het betreffende oppervlaktewaterlichaam van toepassing zijnde algemene regel vrijgestelde aantal m³/h water in het oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een uitstroomvoorziening aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1,

  • a.

    fundeert de uitstroomvoorziening (lozingsvoorziening) op deugdelijke wijze;

  • b.

    zorgt voor een voldoende sterke talud- en/of oeverbescherming;

  • c.

    voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de uitstroomvoorziening (lozingsvoorziening), die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer;

  • d.

    verwijdert drijfvuil, en

  • e.

    verwijdert de uistroomvoorziening op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien naar hun oordeel deze geen functie meer vervult.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder is ook begrepen het aanleggen, verwijderen en behouden van uitstroomvoorzieningen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Uitstroomvoorziening: een constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen.

 

Motivering

Het aanbrengen van een uitstroomvoorziening betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in het oppervlaktewaterlichaam en hangt vaak samen met het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam (zie de daarop van toepassing zijnde algemene regels). Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn kunnen de relevante waterhuishoudkundige belangen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het verbinden van voorschriften aan de vrijstelling.

 

De toepassing van een uitstroomvoorziening verdraagt zich in het algemeen niet met een natuurfunctie, omdat de voorziening nadelig is voor de ecologische inrichting. De voorziening wordt daarom niet toegepast waar een natuurfunctie is toegekend.

 

3.2.30 Algemene regel uitstroomvoorzieningen oppervlaktewaterlichaam C

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een uitstroomvoorziening, voor zover de voorziening wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie C, als aangewezen in de legger.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder is ook begrepen het aanleggen, verwijderen en behouden van uitstroomvoorzieningen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Uitstroomvoorziening: een constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen.

 

Motivering

Het aanbrengen van uitstroomvoorziening betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in het oppervlaktewaterlichaam en hangt vaak samen met het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam. Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk voorschriften te verbinden aan de vrijstelling.

 

3.2.31 Algemene regel terras in oppervlaktewaterlichaam A

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een terras, voor zover deze:

  • a.

    wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie A, als aangewezen in de legger met uitzondering van het gedeelte dat daarbij is aangeduid als natuurvriendelijke oever of als onderhoudsstrook;

  • b.

    wordt aangelegd, verwijderd of behouden in de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

  • c.

    niet wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend, waarlangs tevens op grond van de legger een natuurvriendelijke oever ligt, en

  • d.

    niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden aan de zijde van het oppervlaktewaterlichaam, als bedoeld onder a, waar zich op grond van de legger een onderhoudsstrook bevindt..

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een terras aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1,

  • a.

    wijzigt de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zoals vastgelegd in de legger niet;

  • b.

    beschadigt het talud en de aanwezige beschoeiing niet;

  • c.

    belemmert de waterdoorvoer niet;

  • d.

    voorkomt beschadigingen of verzakkingen van het terras die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer, en

  • e.

    wijzigt of verwijdert het terras op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het aanleggen, verwijderen of behouden van een terras valt daaronder. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Terras: een verhard gedeelte van een tuin en heeft tot doel het verblijf in de tuin te veraangenamen.

 

Motivering

 

Het aanbrengen van een terras bij een oppervlaktewater zoals omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs het oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door verbinden van voorschriften aan de vrijstelling.

 

De toepassing van een terras verdraagt zich in het algemeen niet met een natuurfunctie, omdat een terras geen natuurlijke overgang creëert tussen oever en water. De beschoeiing wordt daarom niet toegepast in oppervlaktewaterlichamen waaraan een natuurfunctie is toegekend.

 

3.2.32 Algemene regel terras in oppervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een terras, voor zover dezewordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie B, als aangewezen in de legger.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een terras aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1,

  • a.

    wijzigt de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zoals vastgelegd in de legger niet;

  • b.

    beschadigt het talud en de aanwezige beschoeiing niet;

  • c.

    belemmert de waterdoorvoer niet;

  • d.

    voorkomt beschadigingen of verzakkingen van het terras die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer, en

  • e.

    wijzigt of verwijdert het terras op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Terras: een verhard gedeelte van een tuin en heeft tot doel het verblijf in de tuin te veraangenamen.

 

Motivering

 

Het aanbrengen van een terras bij een oppervlaktewater betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs het oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het verbinden van voorschriften aan de vrijstelling.

 

3.2.33 Vervallen

 

 

3.2.34 Algemene regel terras in oppervlaktewaterlichaam C

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een terras, voor zover het terras wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie C, als aangewezen in de legger.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Terras: een verhard gedeelte van een tuin en heeft tot doel het verblijf in de tuin te veraangenamen.

 

Motivering

 

Het aanbrengen van een zitkuil of terras bij een oppervlaktewater betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs het oppervlaktewaterlichaam. Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste.

Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk voorschriften te verbinden aan de vrijstelling.

 

3.2.35 Algemene regel beschoeiing in oppervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een beschoeiing, voor zover deze:

  • a.

    wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie B als aangewezen in de legger;

  • b.

    niet wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig is toegekend, en

  • c.

    het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wijzigt, en

  • d.

    wordt aangelegd overeenkomstig figuur 1 zoals deze als bijlage bij deze algemene regel is gevoegd.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een beschoeiing aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    werkt de beschoeiing gronddicht af, zodat geen grond of aangevuld materiaal vanachter de beschoeiing in de watergang kan komen;

  • b.

    legt bij vervanging van de beschoeiing, de nieuwe beschoeiing aan op dezelfde locatie; sluit de beschoeiing geheel aan op een eventueel reeds aanwezige beschoeiing, voor zover het vorm en afmetingen betreft; gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor de beschoeiing;

  • c.

    belemmert de waterdoorvoer niet;

  • d.

    voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de beschoeiing, het talud of maaiveld, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer;

  • e.

    brengt het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen zoals vastgelegd in de legger bij verwijdering van de beschoeiing, en

  • f.

    wijzigt of verwijdert de beschoeiing op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat.

Artikel 3 Maatwerk

Het college kan bij maatwerkvoorschrift afwijken van de in artikel 1 onder d voorgeschreven constructie van de beschoeiing, wanneer de kwaliteit van de alternatieve beschoeiing naar het oordeel van het college gelijkwaardig is aan die van de voorgeschreven beschoeiing.

Artikel 4 Melding

  • 1.

    Degene die een beschoeiing aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert;

    • b.

      het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • c.

      gegevens over het aan te leggen werk;

    • d.

      de aard van de werkzaamheden, en

    • e.

      een situatietekening.

Artikel 5 Overgangsrecht

Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder is ook begrepen het aanleggen, verwijderen en behouden van een beschoeiing. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Beschoeiing: constructie in de oeverlijn om de oever tegen afkalving te beschermen.

 

Profiel: breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger.

 

Oeverlijn: de snijlijn van het wateroppervlak op het peil met de oever.

 

Peil: in een peilbesluit of peilenplan vastgesteld referentiepeil. (schouwpeil/ zomerpeil ).

 

Motivering

 

Het aanbrengen van een beschoeiing betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in/langs het oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

Om te voorkomen dat grond vanachter de beschoeiing in het oppervlaktewaterlichaam komt, wordt een gronddicht doek toegepast. Wanneer de beschoeiing aansluit op een bestaande voorziening langs een naburig perceel, wordt de beschoeiing aansluitend op deze voorziening geplaatst en qua vorm en afmeting gelijk gehouden.

 

Het verplaatsen van de beschoeiing kan worden voorkomen bij niet-verankerde voorzieningen door overeenkomstig de bij deze algemene regel behorende figuur, tweederde van de totale lengte van de gebruikte palen of delen in de vaste bodem te slaan.

 

De gebruikte materialen hebben géén nadelig effect op de waterkwaliteit. Géén uitloging door toepassing van verduurzaamd materiaal. Ook het gebruik van een beschermende coating mag geen negatief effect hebben op de waterkwaliteit.

 

3.2.36 Algemene regel beschoeiing in oppervlaktewaterlichaam C

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een beschoeiing, voor zover deze:

  • a.

    wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie C als aangewezen in de legger;

  • b.

    wordt geplaatst op de oeverlijn, en;

  • c.

    geen aantasting van het watervoerende vermogen van het oppervlaktewaterlichaam tot gevolg heeft.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder is ook begrepen het aanleggen, verwijderen en behouden van een beschoeiing. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Beschoeiing: constructie om de oever tegen afkalving te beschermen.

 

Oeverlijn: de snijlijn van het wateroppervlak op het peil met de oever.Profiel: breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger.

 

Motivering

 

Het aanbrengen van een beschoeiing betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in/langs het oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

3.2.37 Vervallen

 

 

3.2.38 Algemene regel oeverbeschermende damwand opervlaktewaterlichaam B

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een oeverbeschermende damwand, voor zover deze:

  • a.

    wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie B, als aangewezen in de legger;

  • b.

    niet wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend;

  • c.

    het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wijzigt, en

  • d.

    wordt aangelegd overeenkomstig figuur 1 welke als bijlage bij deze algemene regel is gevoegd.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een oeverbeschermende damwand aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    legt de damwand aan op de insteek van het oppervlaktewaterlichaam;

  • b.

    verankert de damwand zo in het achterliggende perceel, dat geen vervorming kan plaatsvinden;

  • c.

    voorziet de achterzijde van de damwand van anti-worteldoek;

  • d.

    werkt de damwand gronddicht af, zodat geen grond of aangevuld materiaal vanachter de beschoeiing in de watergang kan komen;

  • e.

    sluit de damwand geheel aan op een eventueel reeds aanwezige damwand, voor zover het vorm en afmetingen betreft;

  • f.

    belemmert de waterdoorvoer niet;

  • g.

    voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de damwand, het talud of maaiveld, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer;

  • h.

    gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor de damwand;

  • i.

    brengt het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen zoals vastgelegd in de legger bij verwijdering van de damwand, en

  • j.

    wijzigt of verwijdert de damwand op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat.

Artikel 3 Maatwerk

Het college kan bij maatwerkvoorschrift afwijken van de in artikel 1 onder d voorgeschreven constructie van de damwand, wanneer de kwaliteit van de alternatieve damwand naar het oordeel van het college gelijkwaardig is aan die van de voorgeschreven damwand.

Artikel 4 Melding

  • 1.

    Degene die een oeverbeschermende damwand aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert;

    • b.

      het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd;

    • c.

      gegevens over het aan te leggen werk;

    • d.

      de aard van de werkzaamheden;

    • e.

      een situatietekening.

Artikel 5 Overgangsrecht

Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder is ook begrepen het aanleggen, verwijderen en behouden van oeverbeschermende voorzieningen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Bestaande profiel: breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger of keurkaart.

 

Damwand: grondkerende constructie om afkalving en instorten van de oever te voorkomen.

 

Insteek: snijlijn van het bovenwatertalud van het oppervlaktewaterlichaam met het aangrenzende maaiveld.

 

Oeverlijn: de snijlijn van het wateroppervlak op het peil met de oever.

 

Peil: in een peilbesluit of peilenplan vastgesteld referentiepeil. (schouwpeil/ zomerpeil ).

 

Motivering

 

Het aanbrengen van oeverbeschermende damwand betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in/langs het oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het verbinden van voorschriften aan de vrijstelling.

De voorschriften waaraan dient te worden voldaan bij het plaatsen van een damwand hebben tot doel dat er zo min mogelijk waterbergingsverlies optreedt en dat er een zo klein mogelijk effect op de doorstroming van het betreffende water ontstaat.

 

De toepassing van een damwand verdraagt zich in het algemeen niet met een natuurfunctie, omdat de damwand geen natuurlijke overgang creëert tussen oever en water. De damwand wordt daarom niet toegepast in oppervlaktewaterlichamen waaraan een natuurfunctie is toegekend.

 

Daar waar toepassing van een damwand zonder vergunning wel is toegestaan wordt deze op de insteek geplaatst, zodat er geen verzakkingen of verplaatsingen kunnen optreden. Om te voorkomen dat grond vanachter de damwand in het oppervlaktewaterlichaam komt, wordt een anti-worteldoek toegepast. Wanneer de damwand aansluit op een bestaande damwand langs een naburig perceel, wordt de damwand aansluitend op deze damwand geplaatst en qua vorm en afmeting gelijk gehouden.

Het verplaatsen van de damwand kan worden voorkomen bij niet-verankerde damwanden door overeenkomstig de bij deze algemene regel behorende figuur tweederde van de totale lengte van de gebruikte palen of delen in de vaste bodem te slaan.

 

De gebruikte materialen hebben géén nadelig effect op de waterkwaliteit. Géén uitloging door toepassing van verduurzaamd materiaal. Ook het gebruik van een beschermende coating mag geen negatief effect hebben op de waterkwaliteit.

Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen.

 

3.2.39 Algemene regel oeverbeschermende damwand in oppervlaktewater C

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een oeverbeschermende damwand, voor zover deze:

  • a.

    wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie C, als aangewezen in de legger;

  • b.

    wordt geplaatst op de insteek, en

  • c.

    geen aantasting van het watervoerende vermogen van het oppervlaktewaterlichaam tot gevolg heeft.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder is ook begrepen het aanleggen, verwijderen en behouden van een oeverbeschermende damwand. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Damwand: grondkerende constructie om afkalving en instorten van de oever te voorkomen.

 

Motivering

 

Het aanbrengen van oeverbeschermende damwand betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in/langs het oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het verbinden van voorschriften aan de vrijstelling.

 

3.2.40 Vervallen

 

 

3.2.41 Algemene regel (gemotoriseerd) varen in oppervlaktewaterlichaam A , B en C

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het varen met mechanische aangedreven vaartuigen, voor zover

  • a.

    het een motorboot of een fluisterboot betreft en dit gebeurt op een oppervlaktewaterlichaam, categorie A, B en C, als aangewezen in de legger en dit oppervlaktewaterlichaam op de bij deze algemene regel behorende Vaarwaterenkaart is aangeduid als vaarwater categorie I;

  • b.

    het een motorboot of een fluisterboot betreft en dit gebeurt op een oppervlaktewaterlichaam, categorie A, B en C, aangewezen in de legger en dit oppervlaktewaterlichaam op de bij deze algemene regel behorende Vaarwaterenkaart is aangeduid als vaarwater categorie II, en niet harder wordt gevaren dan 6 km per uur;

  • c.

    het een fluisterboot betreft met een maximum vermogen van de elektromotor niet groter dan 3 Kw, niet harder wordt gevaren dan 6 km per uur en dit gebeurt op een oppervlaktewaterlichaam, categorie A, B en C, als aangewezen in de legger en dit oppervlaktewaterlichaam op de bij deze algemene regel behorende Vaarwaterenkaart niet is aangeduid als vaarwater categorie I en II.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die met een mechanisch aangedreven vaartuig op een oppervlaktewaterlichaam vaart als bedoeld in artikel 1, zorgt er voor dat hij geen schade toebrengt aan het waterstaatswerk.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt – anders dan het varen met handmatig voortbewogen vaartuigen - ook het varen met een mechanisch aangedreven vaartuig. Overigens valt het varen met handmatig voorbewogen vaartuigen wel onder het verbod, als deze gedraging als evenement is aan te duiden (bijv. Een georganiseerde kanotocht). Voor handelingen die plaatshebben door of in opdracht van het waterschap ten behoeve van de taakuitoefening, geldt al op grond van de Keur (artikel 3.10) een vrijstelling.

 

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motivering

 

Het varen met een mechanisch voortgedreven vaartuig op een oppervlaktewaterlichaam betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief onschadelijke en veel voorkomende gedraging, indien het een vaarwater of in de andere gevallen wanneer het een fluisterboot betreft. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het verbinden van voorschriften aan de vrijstelling.

3.2.42 Vervallen

 

 

3.2.43 Algemene regel rijden op en met rijdier of motorvoertuig langs oppervlaktewaterlichaam A

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het rijden op en met rijdieren of motorvoertuigen, voor zover

  • a.

    dit gebeurt langs een oppervlaktewaterlichaam, categorie A, als aangewezen in de legger, en

  • b.

    dit plaatsvindt op de paden die daarvoor kennelijk bedoeld zijn.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die op en met een rijdier of motorvoertuig langs een oppervlaktewaterlichaam rijdt als bedoeld in artikel 1,

  • a.

    doet dit overeenkomstig het gebruik waarvoor het pad is bedoeld, en

  • b.

    zorgt er voor dat hij geen schade toebrengt aan het waterstaatswerk.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt - anders dan het individueel wandelen, fietsen, schaatsen en vissen als dit plaatsvindt op de daarvoor kennelijk bestemde paden en plaatsen - ook het rijden op en met een rijdier of motorvoertuig. Overigens valt het wandelen, fietsen, schaatsen en vissen wel onder het verbod, als deze gedraging als evenement zijn aan te duiden en dient daarvoor een vergunning te worde aangevraagd. Voor handelingen die plaatshebben door of in opdracht van het waterschap ten behoeve van de taakuitoefening, geldt reeds op grond van de Keur (artikel 3.10) een vrijstelling.

 

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motorvoertuig: elk gemotoriseerd voertuig dat niet over rails rijdt, o.a. crossmotoren en quads.

 

Motivering

 

Het rijden op en met een rijdier of motorvoertuig langs een oppervlaktewaterlichaam betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief onschadelijke en veel voorkomende gedraging, mits dit gebeurt op paden die daarvoor kennelijk bedoeld zijn. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

3.2.44 Algemene regel rijden op en met rijdier of motorvoertuig oppervlaktewaterlichaam B en C

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het rijden op en met rijdieren of motorvoertuigen, voor zover dit gebeurt langs een oppervlaktewaterlichaam, categorie B en C, als aangewezen in de legger.

Artikel 2 Voorschrift

Degene die op en met een rijdier of motorvoertuig langs een oppervlaktewaterlichaam rijdt als bedoeld in artikel 1, zorgt er voor dat hij geen schade toebrengt aan het waterstaatswerk.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt - anders dan het individueel wandelen, fietsen, schaatsen en vissen - ook het rijden op en met een rijdier of motorvoertuig. Overigens valt het wandelen, fietsen, schaatsen en vissen wel onder het verbod, als deze gedraging als evenement zijn aan te duiden en dient daarvoor een vergunning te worde aangevraagd.

Voor handelingen die plaatshebben door of in opdracht van het waterschap ten behoeve van de taakuitoefening, geldt reeds op grond van de Keur (artikel 3.10) een vrijstelling.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motorvoertuig: elk gemotoriseerd voertuig dat niet over rails rijdt, o.a. crossmotoren en quads.

 

Motivering

 

Het rijden of met op een rijdier of motorvoertuig langs een oppervlaktewaterlichaam betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief onschadelijke en veel voorkomende gedraging. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

3.2.45 Algemene regel drijven van vee langs een oppervlaktewaterlichaam A

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het drijven van vee, voor zover dit gebeurt langs een oppervlaktewaterlichaam, categorie A, als aangewezen in de legger.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die vee drijft langs een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1, zorgt er voor dat hij geen schade toebrengt aan het waterstaatswerk.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt het drijven van vee behalve wanneer dit gebeurt in verband met het onderhoud van een waterstaatswerk. Op grond van de Keur (artikel 3.10) geldt namelijk al een vrijstelling voor handelingen die plaatshebben door of in opdracht van het waterschap ten behoeve van de taakuitoefening. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motivering

 

Het drijven van vee langs een oppervlaktewaterlichaam betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief onschadelijke gedraging. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

3.2.46 Algemene regel drijven van vee langs een oppervlaktewaterlichaam B en C

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het drijven van vee, voor zover dit gebeurt langs een oppervlaktewaterlichaam, categorie B en C, als aangewezen in de legger.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het drijven van vee. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motivering

 

Het drijven van vee langs een oppervlaktewaterlichaam betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief onschadelijke gedraging. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

3.2.47 Algemene regel evenementen bij of in een oppervlaktewaterlichaam A en B

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het houden van een evenement, voor zover

  • a.

    dit gebeurt bij of in een oppervlaktewaterlichaam, categorie A en B, als aangewezen in de legger;

  • b.

    dit niet gebeurt in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde Hen-Sed water, is toegekend;

  • c.

    dit niet langer duurt dan drie dagen, waarbij het opbouwen en afbreken of opruimen van tijdelijke werken die daarbij worden gerealiseerd is inbegrepen;

  • d.

    daarbij geen gebruik wordt gemaakt van gemotoriseerd aangedreven middelen en rijdieren;

  • e.

    daarbij geen ontgraving is of wordt uitgevoerd, en

  • f.

    tijdelijke werken die daarbij worden gerealiseerd geen groter vloeroppervlak hebben dan 20 vierkante meter.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die een evenement houdt als bedoeld in artikel 1,

  • a.

    zorgt er voor dat hij geen schade toebrengt aan het waterstaatswerk en de wateraan- en afvoer niet stremt;

  • b.

    wijzigt of verwijdert tijdelijke werken op eigen kosten op eerste aanzegging van het bestuursorgaan indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheers-, of onderhoudshandelingen van het Waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat.

Artikel 3 Maatwerk

Het bestuur kan in aanvulling op het bepaalde in artikel 2 maatwerkvoorschriften stellen uit het oogpunt van ecologie of veiligheid.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het houden van evenementen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Evenement: een georganiseerde activiteit waaraan meerdere mensen deelnemen.

 

Motivering

 

Het houden van evenementen bij of in een oppervlaktewaterlichaam als aangegeven in lid 1 betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief onschadelijke gedraging. Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste.

 

3.2.48 Algemene regel evenementen bij of in een oppervlaktewaterlichaam C

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het houden van een evenement, voor zover dit gebeurt bij of in een oppervlaktewaterlichaam, categorie C, als aangewezen in de legger.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het houden van evenementen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Evenement: een georganiseerde activiteit waaraan meerdere mensen deelnemen.

 

Motivering

 

Het houden van evenementen bij of in een oppervlaktewaterlichaam als aangegeven in lid 1 betreft vanuit waterhuishoudkundige oogpunt een relatief onschadelijke gedraging. Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste.

 

3.2.49 Algemene regel kleine voorwerpen bij en in oppervlaktewaterlichaam Ben C

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een klein voorwerp, voor zover deze:

  • a.

    wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie B en C als aangewezen in de legger;

  • b.

    geen groter volume hebben dan gemiddeld 20 cm x 20cm x 20cm.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder is ook begrepen het aanleggen, verwijderen en behouden van kleien voorwerpen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motivering

 

Het aanleggen van een klein voorwerp bij en in oppervlaktewaterlichamen als in artikel 1 aangegeven betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Daarom kan afgezien worden van het vergunningvereiste.

 

3.2.50 Algemene regel vistuigen in oppervlaktewaterlichaam B en C

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een vistuig, voor zover deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie B en C, als aangewezen in de legger.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder is ook begrepen het aanleggen, verwijderen en behouden van vistuigen.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motivering

 

Het aanleggen van een vistuig betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in het oppervlaktewaterlichaam. Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste.

 

3.2.51 Algemene regel vaartuigen en vlotten in en bij oppervlaktewaterlichaam A

Artikel 1 Criteria

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een vaartuig of een vlot, buiten de bebouwde kom, voor zover

    • a.

      deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie A, als aangewezen in de legger, met uitzondering van het gedeelte dat daarbij is aangeduid als natuurvriendelijke oever of als onderhoudsstrook, en

    • b.

      het aanleggen van het vaartuig of vlot plaatsvindt in de periode 1 maart tot 1 november.

  • 2.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een vaartuig of een vlot, binnen de bebouwde kom, voor zover

    • a.

      deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie A, als aangewezen in de legger, voor zover deze grenst aan openbaar toegankelijke grond, met uitzondering van het gedeelte dat daarbij is aangeduid als natuurvriendelijke oever of als onderhoudsstrook, of

    • b.

      deze wordt aangelegd, verwijderd of behouden in het Valleikanaal, en

    • c.

      het aanleggen van het vaartuig of vlot plaatsvindt in de periode 1 maart tot 1 november.

  • 3.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een vaartuig of een vlot, binnen de bebouwde kom, voor zover

    • a.

      deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie A, als aangewezen in de legger, voor zover deze grenst aan particulier eigendom, met uitzondering van het gedeelte dat daarbij is aangeduid als natuurvriendelijke oever of als onderhoudsstrook, en

    • b.

      na aanleggen van het vaartuig of vlot een doorvaarbreedte van minimaal 5 meter aanwezig is.

Artikel 2 Voorschrift

Degene die een vaartuig of vlot aanlegt, verwijdert en behoudt als bedoeld in artikel 1, wijzigt of verwijdert dit vaartuig of vlot op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.

Het (aan)leggen, verwijderen of behouden van een vaartuig of vlot valt hier ook onder.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motivering

 

Het aanleggen, verwijderen of behouden van een vaartuig of vlot betreft in de gevallen bedoeld in artikel 1, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

3.2.52 Algemene regel vaartuigen en vlotten in en bij oppervlaktewaterlichaam B en C

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het (aan)leggen, verwijderen of behouden van een vaartuig of een vlot, voor zover deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie B en C, als aangewezen in de legger.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.

Het (aan)leggen, verwijderen of behouden van een vaartuig of vlot valt hier ook onder.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motivering

 

Het aanleggen, verwijderen of behouden van een vaartuig of vlot betreft in de gevallen als bedoeld in artikel 1, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

3.2.53 Algemene regel stoffen in oppervlaktewaterlichamen C

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het (aan)leggen, verwijderen of behouden van stoffen, voor zover

  • a.

    deze worden (aan)gelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie C, als aangewezen in de legger/ keurkaart;

  • b.

    de stoffen niet bestaan uit explosiegevaarlijke stoffen, en

  • c.

    het (aan)leggen of behouden van stoffen niet leidt tot demping van het oppervlaktewaterlichaam.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Stof: vaste substanties die geen werk of voorwerp zijn zoals grond, stenen, mest en tuinafval.

 

Motivering

 

Het (aan)leggen, verwijderen of behouden van stoffen betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste.

 

3.2.54 Algemene regel Brengen van water in oppervlaktewaterlichaam A, B, en C

Artikel 1 Criteria

  • 1.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.4 van de Keur, voor het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam via drainage voor zover:

    • a.

      dit gebeurt in een oppervlaktewaterlichaam categorie A, B en C als aangewezen in de legger;

    • b.

      de drainage zich niet bevindt in een gebied met een natuurfunctie, zijnde Natura2000-gebied of natte landnatuur inclusief hydrologische beschermingszones dan wel overige gebieden met een natuurfunctie, zoals aangegeven op de bij deze algemene regel behorende natuurkaart, en

    • c.

      het lozingspunt van de drainage niet dieper ligt dan 1,00 meter onder maaiveld en de drainage niet lager ligt dan 3,00 meter onder maaiveld.

  • 2.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.4 van de Keur, voor het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam via nieuw verhard oppervlak buiten de bebouwde kom voor zover:

    • a.

      dit gebeurt in een oppervlaktewaterlichaam categorie A, B en C als aangewezen in de legger, en

    • b.

      indien dit gebeurt in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde Hen-Sed water is toegekend, het totaal aaneengesloten nieuwe oppervlak niet meer bedraagt dan 0,15 ha, of

    • c.

      indien dit gebeurt in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze regel behorende natuurkaart niet de aanduiding water met natuurfunctie zijnde Hen-Sed water is toegekend, het totaal aaneengesloten nieuwe oppervlak niet meer bedraagt dan 0,4 ha.

  • 3.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.4 van de Keur, voor het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam via nieuw verhard oppervlak binnen de bebouwde kom voor zover:

    • a.

      dit gebeurt in een oppervlaktewaterlichaam categorie A, B en C als aangewezen in de legger, en

    • b.

      het totaal aaneengesloten nieuwe oppervlak niet meer bedraagt dan 0,15 ha, of

    • c.

      de toename van het verhard oppervlak bestaat uit groen dak

  • 4.

    Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.4 van de Keur, voor het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam op een wijze anders dan bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, voor zover:

    • a.

      dit gebeurt in een oppervlaktewaterlichaam categorie A, B en C als aangewezen in de legger;

    • b.

      indien dit gebeurt in een oppervlaktewaterlichaam welke als water met natuurfunctie, zijnde Hen-Sed water is aangeduid op de bij deze algemene regel behorende natuurkaart, op die wijze niet meer dan 35 m³ per uur water in het oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht;

    • c.

      indien dit gebeurt in een oppervlaktewaterlichaam welke niet als water met natuurfunctie zijnde Hen-Sed water is aangeduid op de bij deze algemene regel behorende natuurkaart, op die wijze niet meer dan 70 m³ per uur water in het oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht;

    • d.

      hierdoor geen verbinding tussen twee oppervlaktewaterlichamen ontstaat, en

    • e.

      dit niet langer duurt dan zes maanden.

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.4 van de Keur, is het verboden zonder watervergunning water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Drainage: ontwateringsmiddel voor het kunstmatig laag houden van de grondwaterstand.

 

Bebouwde kom: de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.

 

Groen dak: dak dat bedekt is met vegetatie met een waterbergende functie.

 

Motivering

 

Het brengen van water in een oppervlaktelichaam door middel van een drainage, is relatief eenvoudig en vooral in de agrarische sector een veel voorkomende handeling. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

Deze regel heeft ook betrekking op afvoer van hemelwater dat rechtstreeks via een werk (leiding, goot) wordt afgevoerd naar een oppervlaktewaterlichaam en dat afstroomt via een nieuw verhard oppervlak. Dit oppervlak kan bestaan uit nieuw aangelegde verharding of dakvlakken van bebouwing. Afvoeren van bestaande ver-hardingen worden geacht te zijn verrekend via het gemeentelijk rioleringsplan. In het kader van het Bestuursakkoord Water zijn hierover nadere afspraken gemaakt.

In deze algemene regel wordt vrijstelling geboden voor het hemelwater dat via een beperkt oppervlak verharding direct wordt afgevoerd.

 

3.2.55 Vervallen

 

 

3.2.56 Algemene regel onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichaam A, B en C

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.4 van de Keur, voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam voor zover:

  • a.

    dit gebeurt in een oppervlaktewaterlichaam categorie A, B en C als aangewezen in de legger;

  • b.

    dit niet gebeurt in een oppervlaktewaterlichaam met een natuurfunctie als aangewezen in de bij deze algemene regel behorende natuurkaart, zijnde een Hen-Sed water;

  • c.

    niet meer dan 20 m³ per uur water aan het oppervlaktewaterlichaam wordt onttrokken;

  • d.

    het onttrekken niet langer duurt dan zes maanden, en

  • e.

    als het peil in het oppervlaktewaterlichaam waaraan wordt onttrokken, niet lager komt dan het peil zoals dat is vastgelegd in peilbesluit en peilenplan.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.4 van de Keur, is het verboden zonder watervergunning water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen.

 

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motivering

 

Het onttrekken van water aan een oppervlaktelichaam is een relatief eenvoudige en vooral in de agrarische sector een veel voorkomende handeling. Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste.

 

3.2.57 Algemene regel uitzetten van vis in en onttrekken van vis aan oppervlaktewaterlichamen C

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.11, lid 6 van de Keur, voor het uitzetten van vis in of het onttrekken van vis aan oppervlaktewaterlichamen, anders dan op basis van en in overeenstemming met het visplan, voor zover dit gebeurt in oppervlaktewaterlichamen C met uitzondering van zwemwateren.

 

______________________________________________________________________________

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.11, lid 6 van de keur, is het verboden vis uit te zetten in of te onttrekken aan de oppervlaktewaterlichamen, anders dan op basis van en in overeenstemming met het visplan. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen voor handelingen als bedoeld in artikel 3.11.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

 

Motivering

 

Om te voorkomen dat onnodig administratieve en uitvoeringslasten worden gecreëerd, kan het opstellen van een visplan in bepaalde gevallen achterwege blijven. Het uitzetten van vis in en het onttrekken van vis aan oppervlaktewaterlichamen C voorover deze geen functie zwemwater hebben, kan om deze reden geheel van het verbod vrijgesteld worden. Deze algemene regel strekt daartoe. 

4 Algemene regel voor het verrichten van handelingen, het aanleggen of verwijderen of houden van werken en laten staan of liggen van vaste substanties of voorwerpen in de beschermingszone

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het verrichten van handelingen, het aanleggen of verwijderen of houden van werken en laten staan of liggen van vaste substanties of voorwerpen, voor zover dit gebeurt in de beschermingszone behorend bij een oppervlaktewaterlichaam, als aangewezen in de legger, voor zover

  • a.

    het geen werken betreft die een overdruk hebben van 10 bar of meer;

  • b.

    het geen explosiegevaarlijke inrichting of materiaal betreft, en

  • c.

    de handeling niet bestaat uit het doen van seismisch onderzoek.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Alleen bij oppervlaktewaterlichamen A zijn beschermingszones in de leggers vastgelegd.

 

Begripsbepalingen

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.

 

Motivering

 

Voor de meeste handelingen en werken in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam geldt dat ze geen dan of hoogstens een gering effect heeft het oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste. Uitgezonderd zijn seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar of meer en explosiegevaarlijke inrichtingen/materialen, omdat de trillingen of eventuele explosies die hierbij worden veroorzaakt of zich kunnen voordoen een gevolg kunnen hebben voor het oppervlaktewaterlichaam.

 

4.1 Bergingsgebied

 

 

4.1.1 Algemene regel ophogen en aanleggen van werken binnen bergingsgebied

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het ophogen van gronden en het aanleggen, verwijderen en behouden van werken op gronden gelegen binnen een bergingsgebied, voor zover dit plaatsvindt binnen het bouwvlak zoals dat in het vigerende bestemmingsplan is vastgelegd.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder de waterstaatswerken vallen naast oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken ook de bergingsgebieden. Overigens worden - volgens de definitiebepaling van bergingsgebied – de oppervlaktewaterlichamen die binnen een bergingsgebied liggen, niet tot het bergingsgebied gerekend. Dit betekent dat het gebruik van die oppervlaktewaterlichamen onder het verbods-/vrijstellingenregime van de oppervlaktewaterlichamen vallen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Bouwvlak: een op de plankaart door bouwgrenzen omsloten vlak waarmee gronden zijn aangegeven waarop bouwwerken toegestaan zijn.

 

Motivering

 

Het ophogen van gronden en het aanleggen van werken in een bergingsgebied, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, voor zover dit binnen het bouwvlak gebeurt, een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste.

 

4.2 Ondersteunende kunstwerken

 

 

4.2.1 Algemene regel verharding boven ondersteunende kunstwerken

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanbrengen van een verharding boven ondersteunende kunstwerken, voor zover

  • a.

    het ondersteunende kunstwerk een overkluizing of ondergrondse waterberging betreft;

  • b.

    het een elementenverharding betreft, en

  • c.

    de daarin aangebrachte beheermiddelen toegankelijk blijven.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder de waterstaatswerken vallen naast oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en bergingsgebieden ook ondersteunende kunstwerken. Dit zijn objecten die ten dienste staan aan het integraal waterbeheersysteem, zoals duikers, overkluizingen, stuwen en ondergrondse waterberging.

Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Elementenverharding: een verharding die in tegenstelling tot een gesloten verharding is opgebouwd uit losse elementen die in meer of mindere mate (los) met elkaar verbonden zijn, zoals bestrating.

 

Motivering

 

Verharding van gronden boven of nabij overkluizingen en ondergrondse waterbergingen is vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Mits gewerkt wordt met een niet gesloten verharding, kan worden afgezien van het vergunningvereiste.

 

4.3 Grondwater

 

 

4.3.1 Algemene regel onttrekking voor bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het onttrekken van grondwater voor bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering voor zover de onttrekking niet:

  • a.

    meer bedraagt dan 3000 m3 per dag;

  • b.

    langer duurt dan zes maanden, en

  • c.

    tot gevolg heeft dat de verlaging van de grondwaterstand meer is dan 0,5 meter ten opzichte van het gewenste ontgravings- of saneringsniveau.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    verlaagt de freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket niet meer dan noodzakelijk;

  • b.

    bepaalt indien spanningsbemaling wordt toegepast de stijghoogte met een peilbuis of meetput;

  • c.

    voorkomt bij het aanleggen en beheren van de voorziening voor de grondwateronttrekking dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • d.

    verwijdert of dicht voorzieningen voor grondwateronttrekking na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • e.

    brengt bij een retourbemaling het grondwater in het watervoerende pakket terug waaruit dit afkomstig is;

  • f.

    plaatst een watermeter en noteert bij aanvang van de onttrekking de datum en de beginstand van deze watermeter en bij vervanging van deze watermeter de datum, de eindstand van de te vervangen watermeter en de beginstand van de nieuwe watermeter;

  • g.

    voorkomt de nadelige gevolgen van de onttrekking en, indien van toepassing, ook van de retourbemaling, dan wel beperkt deze gevolgen zoveel mogelijk als die niet te voorkomen zijn;

  • h.

    informeert het bestuur zo spoedig mogelijk over eventuele ontstane schade en over de reeds door hem getroffen en nog te treffen maatregelen, en

  • i.

    hoeft niet te voldoen aan de meet- en rapportageplicht, genoemd in artikel 6.11, tweede en vierde lid, van het Waterbesluit, indien de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 35 m3 per uur en 12.000 m3 in totaal.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1, meldt dit, onder overlegging van de gegevens als bedoeld in de artikelen 6.27 en 6.28 van de Waterregeling:

    • a.

      bij een onttrekking langer dan 48 uur, maar korter dan 8 weken, ten minste 5 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur;

    • b.

      bij een onttrekking langer dan acht weken, ten minste twee weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of elektronisch gedaan.

Artikel 4 Overgangsrecht

  • 1.

    Indien voor het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens artikel 3.6, eerste lid, van de Keur in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoelt in artikel 3.9, derde lid, van de Keur.

  • 2.

    Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.6 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. Onder dat verbod valt mede het onttrekken van grondwater voor een bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Bouwputbemaling

Een bouwputbemaling is het onttrekken van grondwater met als doel het in den droge kunnen uitvoeren van werkzaamheden in de bodem. Voorbeelden van deze werkzaamheden zijn: het aanleggen van kabels, leidingen of riolering en het bouwen van kelders. De bouwputbemaling kan via verschillende methoden worden uitgevoerd.

 

Sleufbemaling

Een sleufbemaling is het onttrekken van grondwater voor bronbemaling voor het drooghouden van sleuven ten behoeve van de aanleg van riolering, kabels, leidingen en watergangen. Een sleufbemaling is vaak opgeknipt in deeltracés, waarbij de bemaling over elk deeltracé van kortdurende aard is (enkele dagen).

 

Proefbronnering

Een proefbronnering is het onttrekken van grondwater met als doel het onderzoeken van de hoeveelheid grondwater dat tijdens toekomstige werkzaamheden moet worden onttrokken. Een proefbronnering is veelal kortdurend.

 

Grondsanering

Bij een grondsanering wordt verontreinigde grond uit de bodem verwijderd. Om deze werkzaamheden in den droge uit te kunnen voeren vindt veelal ook bemaling plaats. Gelet op de kwantiteit van de bemaling is deze vergelijkbaar met een bouwputbemaling.

 

Spanningsbemaling

Bemaling ter verlaging van de stijghoogte in een watervoerend pakket onder een slecht doorlatende laag met spanningswater (vaak ter voorkoming van opbarsten van een bouwput).

 

Motivering

 

Artikel 1 Criteria

In artikel 3.6 van de Keur, is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning grondwater te onttrekken. In artikel 1 van deze algemene regel wordt dit verbod voor wat betreft bouwputbemalingen, sleufbemalingen, proefbronneringen en grondsaneringen voor een groot deel opgeheven. Hierbij is het uitgangspunt dat de minder risicovolle onttrekkingen worden vrijgesteld. Voorwaarde voor de vrijstelling is dat aan alle criteria is voldaan. Het betreft dus een cumulatieve opsomming. Hierbij moet worden opgemerkt dat de genoemde hoeveelheden maximale hoeveelheden zijn.

 

Sleufbemalingen

Bij de aanleg van kabels en leidingen wordt er gedurende een langere tijd op verschillende locaties grondwater onttrokken. Het ‘reizende’ karakter van deze onttrekkingen zorgt er voor dat lokaal weinig effecten zijn op de omgeving.

 

Kleine onttrekkingen voor bouwputbemaling en proefbronnering

Ongeacht de duur van deze onttrekkingen zijn de gevolgen hiervan zo gering dat naar verwachting hiervan geen nadelige effecten optreden.

 

Artikel 2 Voorschriften

De onttrekking van grondwater is noodzakelijk voor het uitvoeren van werkzaamheden. Voor het beheer van het grondwater is het echter belangrijk dat de onttrekking niet groter is dan noodzakelijk. Dit artikel stelt beperkingen aan de onttrekking.

 

Maximale verlaging grondwaterstand/stijghoogte

De freatische grondwaterstand of de stijghoogte mag in het eerste watervoerende pakket niet meer worden verlaagd dan noodzakelijk. Dit betekent in ieder geval dat er niet meer mag worden verlaagd dan maximaal 0,5 meter beneden het actuele ontgravingsniveau. Hierdoor kan de freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het watervoerende pakket per fase van de werkzaamheden verschillen, afhankelijk van de ontgravingsdiepte per fase.

 

Peilbuis of meetput bij spanningsbemaling

Voor de handhaafbaarheid van de maximale verlaging van de freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het watervoerende pakket is het noodzakelijk dat het niveau gemeten kan worden. Hiervoor moet een peilbuis of meetput op een doelmatige locatie worden geplaatst. Vanuit het streven naar zo laag mogelijke lasten, is het plaatsen van een peilbuis of meetput niet bij alle onttrekkingen voorgeschreven. Deze verplichting beperkt zich tot de onttrekkingen via spanningsbemaling.

 

Locatie peilbuis of meetput bij spanningsbemaling

Afhankelijk van de aard van de onttrekking en de specifieke locatie kan de locatie van de peilbuis of meetput belangrijk zijn. In deze gevallen kan het bestuur via een maatwerkvoorschrift voorschrijven waar de peilbuis of meetput moet worden aangebracht.

 

Peilbuis of meetput bij freatische onttrekkingen

Bij freatische onttrekkingen is het plaatsen van een peilbuis of meetput in beginsel niet noodzakelijk. Deze algemene regel schrijft dit daarom niet voor. Desondanks kan de locale situatie aanleiding geven tot het plaatsen van een peilbuis of meetput. Een voorbeeld hiervan is de aanwezigheid van zettinggevoelige objecten. Met een maatwerkvoorschrift kan het bestuur in deze uitzonderlijke situaties een peilbuis of meetput voorschrijven. Hierbij kan tevens worden bepaald waar de peilbuis of meetput moet worden aangebracht.

 

Uitwisseling grondwater

Uitwisseling van grondwater uit de diverse watervoerende pakketten is ongewenst. Dit artikel bepaalt daarom dat tijdens de aanleg van de voorziening(en) voor de grondwateronttrekking, tijdens het beheer van de voorziening en na beëindiging van de grondwateronttrekking moet worden voorkomen dat uitwisseling van grondwater kan plaatsvinden. In de praktijk zal bij het doorkruisen van een scheidende laag veelal gebruik worden gemaakt van zwelklei om deze uitwisseling van grondwater te voorkomen. Het SIKB heeft Het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) opgesteld. Indien volgens dit protocol wordt gewerkt, wordt de juiste invulling gegeven aan de voorschriften van deze algemene regel. Het protocol is te raadplegen via: www.sikb.nl.

 

Terugbrengen grondwater

Indien retourbemaling wordt toegepast, is het vanuit een oogpunt van goed grondwaterbeheer noodzakelijk dat het grondwater wordt teruggebracht in het grondwaterpakket waaruit het is onttrokken. Hiermee wordt ongewenste uitwisseling van grondwater uit de diverse watervoerende pakketten voorkomen.

 

Verplichte retourbemaling

Het uitgangspunt van deze algemene regel is: verstandig omgaan met grondwater. Onttrekkingen van grondwater uit de zoetwaterreserve kan dit uitgangspunt in gevaar brengen. Indien de onttrekking een te grote inpact heeft op de zoetwaterreserve, is het mogelijk om retourbemaling via een maatwerkvoorschrift af te dwingen. Hierbij wordt het grondwater teruggebracht in de zoetwaterreserve.

 

Plaatsen watermeter en noteren beginstand watermeter

Om vast te kunnen stellen hoeveel grondwater wordt onttrokken (bijvoorbeeld omdat bij maatwerkvoorschrift een monitoringsverplichting is opgelegd) dient bij elke onttrekking waarvoor vrijstelling is verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, een watermeter geplaatst te worden waarvan voor aanvang van de onttrekking de meterstand genoteerd wordt. Ook dient de aanvangsdatum van de onttrekking genoteerd te worden. Bij vervanging van de watermeter dient de vervangingsdatum, de eindstand van de te vervangen watermeter en de beginstand van de nieuwe watermeter genoteerd te worden.

 

Zorgplicht

De onttrekking van grondwater kan nadelige gevolgen voor de omgeving veroorzaken. Denk hierbij aan schade aan de landbouw(opbrengst), schade aan natuurgebieden (verdroging), verplaatsing van grondwaterverontreinigingen, schade aan bouwwerken als gevolg van zetting en negatieve beïnvloeding op overige grondwateronttrekkingen (in het bijzonder bodemenergiesystemen). Degene die de onttrekking verricht, heeft de verplichting om deze nadelige gevolgen te inventariseren, te voorkomen en als dat niet mogelijk is zo veel mogelijk te beperken.

 

Monitoringsverplichting

Monitoring van de effecten van de grondwateronttrekking kan van groot belang zijn. Desondanks wordt monitoring niet bij iedere onttrekking voorgeschreven. Via een maatwerkvoorschrift kan het bestuur, indien daartoe aanleiding bestaat, monitoring voorschrijven. Met deze methode wordt voorkomen dat kosten worden gemaakt, terwijl hier geen aanleiding voor is. Enkele voorbeelden waarin monitoring gewenst kan zijn, zijn de aanwezigheid van zettinggevoelige objecten, de aanwezigheid van een bodemverontreiniging en de aanwezigheid van een bodemenergiesysteem.

 

Inhoud monitoringsverplichting

In het maatwerkvoorschrift waarmee de monitoringsverplichting wordt opgelegd, kan het bestuur bepalen welke informatie moet worden overhandigd. Denk hierbij aan het vastleggen van de nulsituatie en het opstellen van een bemalingsadvies met een isohypsenkaart van de omgeving. Dit betreft echter geen limitatieve opsomming, ook andere informatie kan dus worden gevraagd.

 

Ontstaan van nadelige gevolgen

Indien de onttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, neemt degene die grondwater onttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen om deze gevolgen te beperken. Denk hierbij aan het staken van de onttrekking of het treffen van compenserende maatregelen. Verder informeert degene die grondwater onttrekt het bestuur zo spoedig mogelijk over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen of getroffen maatregelen.

 

Meten en rapporteren

Op grond van artikel 6.11, tweede lid, van het Waterbesluit moet degene die grondwater onttrekt per kwartaal meten hoeveel grondwater is onttrokken. Deze meting moet geschieden met een nauwkeurigheid van 5%. De resultaten van deze meting moeten uiterlijk op 31 januari van ieder jaar of, indien de onttrekking is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, aan het bestuur worden opgegeven.

 

Vrijstelling meet- en rapportageplicht

Aan de meet- en rapportageplicht zijn administratieve lasten gebonden. Deze administratieve lasten zijn bij beperkte onttrekkingen onevenredig groot. In deze algemene regel wordt ingevolge artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit bepaald dat de meet- en rapportageplicht voor deze beperkte onttrekkingen niet gelden. Beperkte onttrekkingen zijn: onttrekkingen met een klein debiet, kleiner dan 35 m3 per uur. Daarnaast mag de totale hoeveelheid onttrokken grondwater niet meer bedragen dan 12.000 m3. Deze voorwaarde van maximale omvang van de onttrekking is afkomstig uit de provinciale Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe.

 

Bij deze vrijgestelde onttrekkingen zijn nadelige effecten niet te verwachten. Indien aan beide criteria wordt voldaan hoeft de hoeveelheid onttrokken grondwater niet te worden gemeten en hoeft geen rapportage plaats te vinden. Wel moet aan de voorwaarden uit deze algemene regel worden voldaan.

 

Beoordelingsrichtlijn Tijdelijke bemalingen BRL SIKB 12000

Door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodem (SIKB) in Gouda is in samenwerking met alle belanghebbende partijen betrokken bij tijdelijke bronneringen en met de overheid de Beoordelingsrichtlijn Tijdelijke bemalingen BRL SIKB 12000 alsook een aantal daaraan gekoppelde protocollen opgesteld. Omdat het werken volgens deze beoordelingsrichtlijnen nog niet wettelijk verplicht is gesteld, kan het werken volgens deze richtlijn (nog) niet als voorschrift in deze algemene regel worden opgenomen. Wel wordt, indien volgens deze beoordelingsrichtlijn wordt gewerkt, de juiste invulling gegeven aan de voorschriften van deze algemene regel.

 

Artikel 3 Melding

In artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is bepaald dat degene die grondwater onttrekt en eventueel infiltreert waarvoor geen vergunning nodig is de onttrekking (en infiltratie) moet melden. In artikel 6.6 van de waterregeling is aangegeven welke informatie bij een melding overlegd moet worden. Hiervoor wordt verwezen naar de artikelen 6.27 van de waterregeling voor onttrekkingen en artikel 6.28 voor infiltraties.

Bij deze melding wordt de volgende informatie verstrekt (artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit en de artikelen 6.4, eerste lid, en 6.27 van de Waterregeling):

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

  • b.

    het aantal bestaande en nieuw in te richten putten;

  • c.

    een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet;

  • d.

    de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.;

  • e.

    de diameter en de lengte van de filters in iedere put;

  • f.

    de pompcapaciteit in m3 per uur en het te installeren vermogen in m3 per uur per put;

  • g.

    de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar, en

  • h.

    een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken.

 

Bij de termijn voor melding is aangesloten bij de termijnen voor het melden van een lozing van grondwater bij ontwatering. Deze termijnen zijn opgenomen in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) en het Besluit lozen buiten inrichtingen. Hiermee wordt de regeldruk aanzienlijk verminderd.

 

De melding kan elektronisch en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO-water) worden ingediend. Het OLO-water is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl.

 

Artikel 4 Overgangsrecht

In dit artikel is onder meer bepaald dat de voorschriften uit bestaande vergunningen als maatwerkvoorschrift blijven bestaan. De komst van deze algemene regel heeft voor de reeds vergunde onttrekkingen dus geen gevolgen.

Ook is geregeld dat verleende vergunningen voor het ontrekken van grondwater waarvoor op grond van de algemene regel vrijstelling geldt als een melding worden aangemerkt. Hierdoor worden extra handelingen voor de aanvrager voorkomen.

 

4.3.2 Algemene regel onttrekking grondwater voor een noodvoorziening

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het onttrekken van grondwater voor een noodvoorziening.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    voorkomt bij het aanleggen en beheren van de voorziening voor de grondwateronttrekking dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • b.

    verwijdert of dicht voorzieningen voor grondwateronttrekking na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • c.

    voorkomt de nadelige gevolgen van de onttrekking, dan wel beperkt deze gevolgen zoveel mogelijk als die niet te voorkomen zijn;

  • d.

    informeert het bestuur zo spoedig mogelijk over eventuele ontstane schade en over de reeds door hem getroffen en nog te treffen maatregelen, en

  • e.

    hoeft niet te voldoen aan de meet- en rapportageplicht, genoemd in artikel 6.11, tweede en vierde lid, van het Waterbesluit.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degene die een noodvoorziening aanlegt om grondwater te kunnen onttrekken als bedoeld in artikel 1, meldt dit onder overlegging van de gegevens als bedoeld in de artikelen 6.27 van de Waterregeling twee weken voor aanleg van deze voorziening.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of elektronisch gedaan.

Artikel 4 Overgangsrecht

  • 1.

    Indien voor het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens artikel 3.6, eerste lid, van de Keur in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoelt in artikel 3.9, derde lid, van de Keur.

  • 2.

    Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.6 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. Onder dat verbod valt mede het onttrekken van grondwater voor een noodvoorziening. Met deze algemene regel wordt gebruik gemaakt van artikel 3.9 van de Keur. Dit betekent dat de vergunningplicht voor een groot deel wordt vervangen door algemene regels.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Noodvoorziening: voorziening die permanent aanwezig is, maar slechts in noodsituaties dienst zal doen. Voorbeelden hiervan is zijn brandputten, sprinklerinstallatie en koeling van noodstroomaggregaten. Er wordt niet permanent grondwater onttrokken, maar slechts in noodsituaties.

 

Motivering

 

Artikel 1 Criteria

In artikel 3.6 van de Keur, is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning grondwater te onttrekken. In artikel 1 van deze algemene regel wordt dit verbod voor wat betreft noodvoorzieningen voor een groot deel opgeheven.

Grondwateronttrekkingen voor noodvoorzieningen komen veelal voor in gebieden waar onvoldoende oppervlaktewater dan wel leidingwater voorhanden is. Het onttrekken van grondwater voor bijvoorbeeld het blussen van branden kan dan de enig mogelijke oplossing zijn. Omdat de grondwateronttrekking vrijwel nooit worden ingezet (alleen in noodsituaties en bij testen), is de kans op onherstelbare schade aan de omgeving daarom zeer beperkt. De relevante belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

 

Artikel 2 Voorschriften

 

Uitwisseling grondwater

Uitwisseling van grondwater uit de diverse watervoerende pakketten is ongewenst. Dit artikel bepaalt daarom dat tijdens de aanleg van de voorziening(en) voor de grondwateronttrekking, tijdens het beheer van de voorziening en na beëindiging van de grondwateronttrekking moet worden voorkomen dat uitwisseling van grondwater kan plaatsvinden. In de praktijk zal bij het doorkruisen van een scheidende laag veelal gebruik worden gemaakt van zwelklei om deze uitwisseling van grondwater te voorkomen. Het SIKB heeft Het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) opgesteld. Indien volgens dit protocol wordt gewerkt, wordt de juiste invulling gegeven aan de verplichtingen uit dit artikel. Het protocol is te raadplegen via: www.sikb.nl.

 

Vrijstelling meet- en rapportageplicht

Op grond van artikel 6.11, tweede lid, van het Waterbesluit moet degene die grondwater onttrekt per kwartaal meten hoeveel grondwater is onttrokken. Aan de meet- en rapportageplicht zijn administratieve lasten verbonden. Deze lasten zijn bij beperkte onttrekkingen onevenredig groot. In deze algemene regel wordt ingevolge artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit bepaald dat de meet- en rapportageplicht voor deze beperkte onttrekkingen niet gelden.

 

Artikel 3 Melding

 

In artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is bepaald dat degene die grondwater onttrekt waarvoor geen vergunning nodig is de onttrekking moet melden. Bij deze melding wordt de volgende informatie verstrekt (artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit en de artikelen 6.4, eerste lid, en 6.27 van de Waterregeling):

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

  • b.

    het aantal bestaande en nieuw in te richten putten;

  • c.

    een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet;

  • d.

    de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.;

  • e.

    de diameter en de lengte van de filters in iedere put;

  • f.

    de pompcapaciteit in m3 per uur en het te installeren vermogen in m3 per uur per put;

  • g.

    de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar, en

  • h.

    een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken.

 

De melding kan elektronisch en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO-water) worden ingediend. Het OLO-water is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl.

 

 

Artikel 4 Overgangsrecht

 

In dit artikel is onder meer bepaald dat de voorschriften uit bestaande vergunningen als maatwerkvoorschrift blijven bestaan. De komst van deze algemene regel heeft voor de reeds vergunde onttrekkingen dus geen gevolgen.

Ook is geregeld dat verleende vergunningen voor het ontrekken van grondwater waarvoor op grond van de algemene regel vrijstelling geldt als een melding worden aangemerkt. Hierdoor worden extra handelingen voor de aanvrager voorkomen.

 

4.3.3 Algemene regel onttrekking grondwater voor sanering grondwaterverontreiniging

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering, voor zover de onttrekking niet:

  • a.

    meer bedraagt dan 35 m3 per uur, en

  • b.

    langer duurt dan 5 jaar.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    verlaagt de freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket niet meer dan noodzakelijk;

  • b.

    voorkomt bij het aanleggen en beheren van de voorziening voor de grondwateronttrekking dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • c.

    verwijdert of dicht voorzieningen voor grondwateronttrekking na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • d.

    plaatst een watermeter en noteert bij aanvang van de onttrekking de datum en de beginstand van deze watermeter en bij vervanging van deze watermeter de datum, de eindstand van de te vervangen watermeter en de beginstand van de nieuwe watermeter;

  • e.

    voorkomt de nadelige gevolgen van de onttrekking, dan wel beperkt deze gevolgen zoveel mogelijk als die niet te voorkomen zijn;

  • f.

    informeert het bestuur zo spoedig mogelijk over eventuele ontstane schade en over de reeds door hem getroffen en nog te treffen maatregelen, en

  • g.

    hoeft niet te voldoen aan de meet- en rapportageplicht, genoemd in artikel 6.11, tweede en vierde lid, van het Waterbesluit, indien de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur en 12.000 m3 per jaar.

Artikel 3 Melding

  • 3.

    Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1, meldt dit onder overlegging van de gegevens als bedoeld in de artikelen 6.27 van de Waterregeling dit:

    • a.

      bij een onttrekking langer dan 48 uur, maar korter dan 8 weken, ten minste 5 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur;

    • b.

      bij een onttrekking langer dan acht weken, ten minste twee weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 4.

    De melding wordt schriftelijk of elektronisch gedaan.

Artikel 4 Overgangsrecht

  • 1.

    Indien voor het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens artikel 3.6, eerste lid, van de Keur in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoelt in artikel 3.9, derde lid, van de Keur.

  • 2.

    Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.6 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. Onder dat verbod valt mede het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering, Met deze algemene regel wordt gebruik gemaakt van artikel 3.9 van de Keur, dit betekent dat de vergunningplicht voor een groot deel van de grondwatersaneringen wordt vervangen door algemene regels.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Grondwatersanering

Een grondwatersanering is het onttrekken van verontreinigd grondwater met als doel de verontreinigde bodem en /of het grondwater te reinigen en de verontreinigende stoffen te verwijderen.

Een grondwaterstandsverlaging voor het in den droge afgraven van verontreinigde grond wordt aangemerkt als ’bronnering bij grondsanering’ (zie algemene regel onttrekken grondwater voor bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering)

 

Het onttrokken verontreinigde grondwater wordt ook regelmatig (al of niet na zuivering) afgevoerd naar het gemeente riool of oppervlaktewater. De lozing wordt in andere wet- en regelgeving gereguleerd. Ook een onttrekking die wordt toegepast als beheermaatregel uitgevoerd in het kader van een saneringsplan valt onder deze algemene regel.

 

Motivering

 

Artikel 1 Criteria

In artikel 3.6 van de Keur, is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning grondwater te onttrekken. In artikel 1 van deze algemene regel wordt dit verbod voor wat betreft grondwatersanering een groot deel opgeheven. Hierbij is het uitgangspunt dat de minder risicovolle onttrekkingen worden vrijgesteld. Voorwaarde voor de vrijstelling is dat aan alle criteria is voldaan. Het betreft dus een cumulatieve opsomming. Hierbij moet worden opgemerkt dat de genoemde hoeveelheden maximale hoeveelheden zijn.

 

Artikel 2 Voorschriften

 

Hoeveelheid te onttrekken grondwater

De onttrekking van grondwater is noodzakelijk voor het verwijderen van de grondwaterverontreiniging. Voor het beheer van het grondwater is het echter belangrijk dat de onttrekking niet groter is dan noodzakelijk. Dit artikel geeft een beperking aan de onttrekking.

 

Uitwisseling grondwater

Uitwisseling van grondwater uit de diverse watervoerende pakketten is ongewenst. Dit artikel bepaalt daarom dat tijdens de aanleg van de voorziening(en) voor de grondwateronttrekking, tijdens het beheer van de voorziening en na beëindiging van de grondwateronttrekking moet worden voorkomen dat uitwisseling van grondwater kan plaatsvinden. In de praktijk zal bij het doorkruisen van een scheidende laag veelal gebruik worden gemaakt van zwelklei om deze uitwisseling van grondwater te voorkomen. Het SIKB heeft Het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) opgesteld. Indien volgens dit protocol wordt gewerkt, wordt de juiste invulling gegeven aan de verplichtingen uit dit artikel. Het protocol is te raadplegen via: www.sikb.nl.

 

Plaatsen watermeter en noteren beginstand watermeter

Om eventueel vast te kunnen stellen hoeveel grondwater wordt onttrokken (bijvoorbeeld omdat bij maatwerkvoorschrift een monitoringsverplichting is opgelegd) dient bij elke onttrekking waarvoor vrijstelling is verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, een watermeter geplaatst te worden waarvan voor aanvang van de onttrekking de meterstand genoteerd wordt. Ook dient de aanvangsdatum van de onttrekking genoteerd te worden. Bij vervanging van de watermeter dient de vervangingsdatum, de eindstand van de te vervangen watermeter en de beginstand van de nieuwe watermeter genoteerd te worden.

 

Zorgplicht

De onttrekking van grondwater kan nadelige gevolgen voor de omgeving veroorzaken. Denk hierbij aan schade aan de landbouw(opbrengst), schade aan natuurgebieden (verdroging), verplaatsing van grondwaterverontreinigingen, schade aan bouwwerken als gevolg van zetting en negatieve beïnvloeding op overige grondwateronttrekkingen (in het bijzonder bodemenergiesystemen). Degene die de onttrekking verricht, heeft de verplichting om deze nadelige gevolgen te inventariseren, te voorkomen en als dat niet mogelijk is zo veel mogelijk te beperken.

 

Monitoringsverplichting

Monitoring van de effecten van de grondwateronttrekking kan van groot belang zijn. Desondanks wordt monitoring niet bij iedere onttrekking voorgeschreven. Via een maatwerkvoorschrift kan het bestuur, indien daartoe aanleiding bestaat, monitoring voorschrijven. Met deze methode wordt voorkomen dat kosten worden gemaakt, terwijl hier geen aanleiding voor is. Enkele voorbeelden waarin monitoring gewenst kan zijn, zijn de aanwezigheid van zettinggevoelige objecten, de aanwezigheid van een bodemverontreiniging en de aanwezigheid van een bodemenergiesysteem.

 

Inhoud monitoringsverplichting

In het maatwerkvoorschrift waarmee de monitoringsverplichting wordt opgelegd, kan het bestuur bepalen welke informatie moet worden overhandigd. Denk hierbij aan het vastleggen van de nulsituatie en het opstellen van een bemalingsadvies met een isohypsenkaart van de omgeving. Dit betreft echter geen limitatieve opsomming, ook andere informatie kan dus worden gevraagd.

 

Ontstaan van nadelige gevolgen

Indien de onttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, neemt degene die grondwater onttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen om deze gevolgen te beperken. Denk hierbij aan het staken van de onttrekking of het treffen van compenserende maatregelen. Verder informeert degene die grondwater onttrekt het bestuur zo spoedig mogelijk over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen of getroffen maatregelen.

 

Meten en rapporteren

Op grond van artikel 6.11, tweede lid, van het Waterbesluit moet degene die grondwater onttrekt per kwartaal meten hoeveel grondwater is onttrokken. Deze meting moet geschieden met een nauwkeurigheid van 5%. De resultaten van deze meting moeten uiterlijk op 31 januari van ieder jaar of, indien de onttrekking is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, aan het bestuur worden opgegeven.

 

Vrijstelling meet- en rapportageplicht

Aan de meet- en rapportageplicht zijn administratieve lasten verbonden. Deze administratieve lasten zijn bij beperkte onttrekkingen onevenredig groot. In deze algemene regel wordt ingevolge artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit bepaald dat de meet- en rapportageplicht voor deze beperkte onttrekkingen niet gelden, mits de te onttrekken hoeveelheid grondwater kleiner is dan 10 m³ per uur en niet meer dan 12.000 m³ per jaar wordt onttrokken. Deze voorwaarde van maximale omvang van de onttrekking is afkomstig uit de provinciale Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe.

 

Artikel 3 Melding

In artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is bepaald dat degene die grondwater onttrekt waarvoor geen vergunning nodig is de onttrekking moet melden. Bij deze melding wordt de volgende informatie verstrekt (artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit en de artikelen 6.4, eerste lid, en 6.27 van de Waterregeling):

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

  • b.

    het aantal bestaande en nieuw in te richten putten;

  • c.

    een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet;

  • d.

    de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.;

  • e.

    de diameter en de lengte van de filters in iedere put;

  • f.

    de pompcapaciteit in m3 per uur en het te installeren vermogen in m3 per uur per put;

  • g.

    de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar, en

  • h.

    een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken.

 

De melding kan elektronisch en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO-water) worden ingediend. Het OLO-water is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl.

 

Artikel 4 Overgangsrecht

In dit artikel is onder meer bepaald dat de voorschriften uit bestaande vergunningen als maatwerkvoorschrift blijven bestaan. De komst van deze algemene regel heeft voor de reeds vergunde onttrekkingen dus geen gevolgen.

Ook is geregeld dat verleende vergunningen voor het ontrekken van grondwater waarvoor op grond van de algemene regel vrijstelling geldt als een melding worden aangemerkt. Hierdoor worden extra handelingen voor de aanvrager voorkomen.

 

4.3.4 Algemene regel onttrekking grondwater voor beregening en bevloeiing

Artikel 1 Criteria

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het onttrekken van grondwater voor beregening en bevloeiing voor zover de onttrekking niet meer bedraagt dan 100 m3 per uur en de onttrekking niet plaatsvindt in een gebied met een natuurfunctie zijnde natte landnatuur inclusief hydrologische beschermingszones zoals aangegeven op de bij deze algemene regel behorende natuurkaart.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    voorkomt bij het aanleggen en beheren van de voorziening voor de grondwateronttrekking dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • b.

    verwijdert of dicht voorzieningen voor grondwateronttrekking na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • c.

    voorkomt de nadelige gevolgen van de onttrekking, dan wel beperkt deze gevolgen zoveel mogelijk als die niet te voorkomen zijn;

  • d.

    informeert het bestuur zo spoedig mogelijk over eventuele ontstane schade en over de reeds door hem getroffen en nog te treffen maatregelen;

  • e.

    stopt de onttrekking op eerste aanzegging van het bestuur indien dit nodig is in verband met grote schaarste, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit van grondwater of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk dan wel indien deze omstandigheid dreigt te ontstaan, en

  • f.

    hoeft niet te voldoen aan de meet- en rapportageplicht, genoemd in artikel 6.11, tweede en vierde lid, van het Waterbesluit, indien de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 35 m3 per uur en 12.000 m3 in totaal per jaar,

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degene die een voorziening voor het onttrekken van grondwater ten behoeve beregening of bevloeiing als bedoeld in artikel 1, aanlegt, meldt dit onder overlegging van de gegevens als bedoeld in de artikelen 6.27 en 6.28 van de Waterregeling ten minste twee weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of elektronisch gedaan.

Artikel 4 Overgangsrecht

  • 1.

    Indien voor het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens artikel 3.6, eerste lid, van de Keur in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoelt in artikel 3.9, derde lid, van de Keur.

  • 2.

    Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.6 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. Onder dat verbod valt mede het onttrekken van grondwater voor beregening of bevloeiing die niet in andere algemene regels zijn verwoord. Met deze algemene regel wordt gebruik gemaakt van artikel 3.9 van de Keur. Dit betekent dat de vergunningplicht voor een groot deel van onttrekkingen voor beregening en bevloeiing van grasland of grasveld die niet in andere algemene regels zijn verwoord, wordt vervangen door algemene regels.

 

Begripsbepaling

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels.:

 

Motivering

 

Artikel 1 Criteria

In artikel 3.6 van de Keur, is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning grondwater te onttrekken. In artikel 1 van deze algemene regel wordt dit verbod voor een groot deel opgeheven. Hierbij is het uitgangspunt dat de minder risicovolle onttrekkingen worden vrijgesteld. Voorwaarde voor de vrijstelling is dat aan alle criteria is voldaan. Het betreft dus een cumulatieve opsomming. Hierbij moet worden opgemerkt dat de genoemde hoeveelheden maximale hoeveelheden zijn.

 

Artikel 2 Voorschriften

 

Uitwisseling grondwater

Uitwisseling van grondwater uit de diverse watervoerende pakketten is ongewenst. Dit artikel bepaalt daarom dat tijdens de aanleg van de voorziening(en) voor de grondwateronttrekking, tijdens het beheer van de voorziening en na beëindiging van de grondwateronttrekking moet worden voorkomen dat uitwisseling van grondwater kan plaatsvinden. In de praktijk zal bij het doorkruisen van een scheidende laag veelal gebruik worden gemaakt van zwelklei om deze uitwisseling van grondwater te voorkomen. Het SIKB heeft Het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) opgesteld. Indien volgens dit protocol wordt gewerkt, wordt de juiste invulling gegeven aan de verplichtingen uit dit artikel. Het protocol is te raadplegen via: www.sikb.nl.

 

Zorgplicht

De onttrekking van grondwater kan nadelige gevolgen voor de omgeving veroorzaken. Denk hierbij aan schade aan de landbouw(opbrengst), schade aan natuurgebieden (verdroging), verplaatsing van grondwaterverontreinigingen, schade aan bouwwerken als gevolg van zetting en negatieve beïnvloeding op overige grondwateronttrekkingen (in het bijzonder bodemenergiesystemen). Degene die de onttrekking verricht, heeft de verplichting om deze nadelige gevolgen te inventariseren, te voorkomen en als dat niet mogelijk is zo veel mogelijk te beperken.

 

Ontstaan van nadelige gevolgen

Indien de onttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, neemt degene die grondwater onttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen om deze gevolgen te beperken. Denk hierbij aan het staken van de onttrekking of het treffen van compenserende maatregelen. Verder informeert degene die grondwater onttrekt het bestuur zo spoedig mogelijk over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen of getroffen maatregelen.

 

Verbod bij waterschaarste

Dit artikel bepaalt dat het waterschap tijdelijk een onttrekkingverbod kan instellen, indien er een tekort aan oppervlakte- en grondwater ontstaat of dreigt te ontstaan.

 

Vrijstelling meet- en rapportageplicht

Aan de meet- en rapportageplicht op grond van artikel 6.11. lid 2 van het Waterbesluit, zijn administratieve lasten verbonden. Deze administratieve lasten zijn bij beperkte onttrekkingen onevenredig groot. In deze algemene regel wordt ingevolge artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit bepaald dat de meet- en rapportageplicht voor deze beperkte onttrekkingen niet gelden, mits de te onttrekken hoeveelheid grondwater kleiner is dan 35 m3 per uur en in totaal niet meer dan 12.000 m3 wordt onttrokken. Deze voorwaarde van maximale omvang van de onttrekking is afkomstig uit de provinciale Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe

 

Artikel 3 Melding

In artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is bepaald dat degene die grondwater onttrekt waarvoor geen vergunning nodig is de onttrekking moet melden. Bij deze melding wordt de volgende informatie verstrekt (artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit en de artikelen 6.4, eerste lid, en 6.27 van de Waterregeling):

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

  • b.

    het aantal bestaande en nieuw in te richten putten;

  • c.

    een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet;

  • d.

    de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.;

  • e.

    de diameter en de lengte van de filters in iedere put;

  • f.

    de pompcapaciteit in m3 per uur en het te installeren vermogen in m3 per uur per put;

  • g.

    de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar, en

  • h.

    een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken.

 

De melding kan elektronisch en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO-water) worden ingediend. Het OLO-water is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl.

 

Artikel 4 Overgangsrecht

In dit artikel is onder meer bepaald dat de voorschriften uit bestaande vergunningen als maatwerkvoorschrift blijven bestaan. De komst van deze algemene regel heeft voor de reeds vergunde onttrekkingen dus geen gevolgen.

Ook is geregeld dat verleende vergunningen voor het ontrekken van grondwater waarvoor op grond van de algemene regel vrijstelling geldt als een melding worden aangemerkt. Hierdoor worden extra handelingen voor de aanvrager voorkomen.

 

4.3.5 Algemene regel onttrekken grondwater voor menselijke consumptie

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het onttrekken van grondwater voor menselijke consumptie, voor zover:

  • a.

    de onttrekking niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur, of

  • b.

    de onttrekking niet meer bedraagt dan 35 m3 per uur, mits niet meer dan 12.000 m³ per jaar wordt onttrokken.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    voorkomt bij het aanleggen en beheren van de voorziening voor de grondwateronttrekking dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • b.

    verwijdert of dicht voorzieningen voor grondwateronttrekking na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • c.

    voorkomt de nadelige gevolgen van de onttrekking, dan wel beperkt deze gevolgen zoveel mogelijk als die niet te voorkomen zijn;

  • d.

    informeert het bestuur zo spoedig mogelijk over eventuele ontstane schade en over de reeds door hem getroffen en nog te treffen maatregelen;

  • e.

    plaatst een watermeter als de onttrekking plaatsvindt

    • binnen het grondgebied van de provincie Utrecht en meer bedraagt dan 10 m³ per dag of ten behoeve is van meer dan 50 personen, of

    • binnen het grondgebied van de provincie Gelderland en meer bedraagt dan 12.000 m³ per jaar;

  • f.

    noteert in het geval een watermeter wordt geplaatst als bedoeld in sub e, bij aanvang van de onttrekking de datum en de beginstand van deze watermeter en bij vervanging van deze watermeter de datum, de eindstand van de te vervangen watermeter en de beginstand van de nieuwe watermeter;

  • g.

    meet de kwaliteit van het onttrokken ruwe (ongezuiverde) grondwater volgens de methoden en parameters uit tabel II en tabel IIIC van het Drinkwaterbesluit, voor de eerste keer bij aanvang van de onttrekking en vervolgens elke zes jaar te beginnen in 2018, als de onttrekking plaatsvindt

    • binnen het grondgebied van de provincie Utrecht en meer bedraagt dan 10 m³ per dag of ten behoeve is van meer dan 50 personen, of

    • binnen het grondgebied van de provincie Gelderland en meer bedraagt dan 12.000 m³ per jaar;

  • h.

    verstrekt de ingevolge sub g gemeten gegevens aan het bestuur en doet dat

    • van de eerste meting uiterlijk twee maanden na het doen van de melding als bedoeld in artikel 4;

    • 2

      van alle vervolgmetingen uiterlijk twee maanden na meting, en

  • i.

    hoeft niet te voldoen aan de meet- en rapportageplicht, genoemd in artikel 6.11, tweede en vierde lid, van het Waterbesluit, als de onttrekking plaatsvindt

    • binnen het grondgebied van Provincie Utrecht en niet meer bedraagt dan 10 m³ per dag en ten behoeve is van minder dan 50 personen, of

    • binnen het grondgebied van Provincie Gelderland en niet meer bedraagt dan 12.000 m³ per jaar.

Artikel 3 Maatwerk

Het bestuur kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van

  • a.

    het voorkomen van negatieve gevolgen als bedoeld in artikel 2, sub c, en

  • b.

    de op grond van artikel 2, aanhef en sub g en h te verstrekken informatie.

Artikel 4 Melding

  • 1.

    Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1, meldt dit onder overlegging van de gegevens als bedoeld in de artikelen 6.27 en 6.28 van de Waterregeling ten minste twee weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of elektronisch gedaan.

Artikel 5 Overgangsrecht

  • 1.

    Indien voor het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens artikel 3.6, eerste lid, van de Keur in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoelt in artikel 3.9, derde lid, van de Keur.

  • 2.

    Indien het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel.

  • 3.

    Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

TOELICHTING

 

Kader

Op grond van artikel 3.6 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. Onder dat verbod valt mede het onttrekken van grondwater voor menselijke consumptie. Met deze algemene regel wordt gebruik gemaakt van artikel 3.9 van de Keur. Dit betekent dat de vergunningplicht voor een groot deel van overige onttrekkingen die niet in andere algemene regels zijn verwoord, wordt vervangen door algemene regels.

 

Begripsbepaling

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Onttrekkingen voor menselijke consumptie

Onder voor menselijke consumptie bestemd water wordt ingevolge artikel 2, eerste lid van de Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, verstaan:

  • a.

    al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding of andere huishoudelijke doeleinden, ongeacht de herkomst en of het water wordt geleverd via een distributienet, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen;

  • b.

    al het water dat in enig levensmiddelenbedrijf wordt gebruikt voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen, tenzij de bevoegde nationale autoriteiten ervan overtuigd zijn dat de kwaliteit van het water de gezondheid van de levensmiddelen als eindproduct niet kan aantasten.

 

Motivering

 

Artikel 1 Criterium

In artikel 3.6 van de Keur, is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning grondwater te onttrekken. In artikel 1 van deze algemene regel wordt dit verbod voor een groot deel opgeheven. Hierbij is het uitgangspunt dat de minder risicovolle onttrekkingen worden vrijgesteld. De norm van 10 m³ per uur is relevant voor min of meer constant doorlopende onttrekkingen, terwijl de 35 m³ per uur-norm van belang is voor kortdurende wat zwaardere onttrekkingen.

Hierbij moet worden opgemerkt dat de genoemde hoeveelheden maximale hoeveelheden zijn.

 

Artikel 2 Voorschriften

 

Uitwisseling grondwater

Uitwisseling van grondwater uit de diverse watervoerende pakketten is ongewenst. Dit artikel bepaalt daarom dat tijdens de aanleg van de voorziening(en) voor de grondwateronttrekking, tijdens het beheer van de voorziening en na beëindiging van de grondwateronttrekking moet worden voorkomen dat uitwisseling van grondwater kan plaatsvinden. In de praktijk zal bij het doorkruisen van een scheidende laag veelal gebruik worden gemaakt van zwelklei om deze uitwisseling van grondwater te voorkomen. Het SIKB heeft Het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) opgesteld. Indien volgens dit protocol wordt gewerkt, wordt de juiste invulling gegeven aan de verplichtingen uit dit artikel. Het protocol is te raadplegen via: www.sikb.nl.

 

Zorgplicht

De onttrekking van grondwater kan nadelige gevolgen voor de omgeving veroorzaken. Denk hierbij aan schade aan de landbouw(opbrengst), schade aan natuurgebieden (verdroging), verplaatsing van grondwaterverontreinigingen, schade aan bouwwerken als gevolg van zetting en negatieve beïnvloeding op overige grondwateronttrekkingen (in het bijzonder bodemenergiesystemen). Degene die de onttrekking verricht, heeft de verplichting om deze nadelige gevolgen te inventariseren, te voorkomen en als dat niet mogelijk is zo veel mogelijk te beperken.

De onttrekker van grondwater voor menselijke consumptie heeft een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om de kwaliteit van het door hem onttrokken water. Hiertoe kan hij, indien nodig, beschermende maatregelen nemen op eigen terrein en/of afspraken maken met relevante partijen in het intrekgebied.

 

Ontstaan van nadelige gevolgen

Indien de onttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, neemt degene die grondwater onttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen om deze gevolgen te beperken. Denk hierbij aan het staken van de onttrekking of het treffen van compenserende maatregelen. Verder informeert degene die grondwater onttrekt het bestuur zo spoedig mogelijk over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen of getroffen maatregelen.

 

Plaatsen watermeter en noteren beginstand watermeter

Om ten behoeve van de monitoringsplicht en de meet- en rapportageplicht voor onttrekkingen vast te kunnen stellen hoeveel grondwater wordt onttrokken, dient bij vrijgestelde onttrekkingen vanaf de in het voorschrift genoemde drempelhoeveelheden, een watermeter geplaatst te worden waarvan voor aanvang van de onttrekking de meterstand genoteerd wordt. Ook dient de aanvangsdatum van de onttrekking genoteerd te worden. Bij vervanging van de watermeter dient de vervangingsdatum, de eindstand van de te vervangen watermeter en de beginstand van de nieuwe watermeter genoteerd te worden. De hierboven genoemde drempelhoeveelheden komen overeen met de drempelhoeveelheden voor de monitoringsverplichting en de meet- en rapportageplicht.

 

Monitoringsverplichting

Monitoring van de kwaliteit van het onttrokken (ruw)water is in het Utrechts gebied verplicht voor alle onttrekkingen voor menselijke consumptie die onder de KRW-verplichting vallen. Dit zijn de onttrekkingen die groter zijn dan de in artikel 7 van de KRW opgenomen grens van 10 m³ per dag of ten behoeve van meer dan 50 personen. Hiervoor geldt een monitoringsplicht ten aanzien van de kwaliteit van het onttrokken (ruw)water conform het Drinkwaterbesluit voor elke 6 jaar (2018, 2024, 2030 etc). De resultaten van de meting moeten binnen de in sub h genoemde termijnen gerapporteerd worden aan het bestuur.

In het Gelders gebied geldt de monitoringsverplichting voor alle onttrekkingen voor menselijke consumptie vanaf 12.000 m³ per jaar.

 

Meten en rapporteren

Op grond van artikel 6.11, lid 2 Waterbesluit moet degene die grondwater onttrekt per kwartaal meten hoeveel grondwater is onttrokken. Deze meting moet geschieden met een nauwkeurigheid van tenminste 95%. De resultaten van deze meting moeten uiterlijk op 31 januari van ieder jaar of, wanneer de onttrekking is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, aan het bestuur worden opgegeven.

 

Vrijstelling meet- en rapportageplicht

Aan de meet- en rapportageplicht zijn administratieve lasten gebonden. Deze lasten zijn bij beperkte onttrekkingen onevenredig groot. In deze algemene regel wordt ingevolge artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit bepaalt dat de meet- en rapportageplicht voor deze beperkte onttrekkingen niet gelden, mits in het Utrechts gebied de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt 10 m3 per dag en ten behoeve van niet meer dan 50 personen is en in het Gelders gebied de onttrekking niet meer dan 12.000 m³ per jaar bedraagt.

 

Artikel 3 Maatwerk

Met behulp van een maatwerkvoorschrift kan het voorschrift uit artikel 2, sub c, dat ziet op het voorkomen dan wel beperken van nadelige gevolgen van de onttrekking, nader worden uitgewerkt.

Daarnaast kan het bestuur via een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen aan de in het kader van de in artikel 2, sub g en h geregelde monitoringsverplichting te verstrekken gegevens dan wel deze uitbreiden of inperken. Met deze methode wordt voorkomen dat kosten worden gemaakt, terwijl hier geen aanleiding voor is.

 

Artikel 4 Melding

In artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is bepaald dat degene die grondwater onttrekt waarvoor geen vergunning nodig is, de onttrekking moet melden. Bij deze melding wordt de volgende informatie verstrekt (artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit en de artikelen 6.4, eerste lid, en 6.27 van de Waterregeling):

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

  • b.

    het aantal bestaande en nieuw in te richten putten;

  • c.

    een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet;

  • d.

    de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.;

  • e.

    de diameter en de lengte van de filters in iedere put;

  • f.

    de pompcapaciteit in m3 per uur en het te installeren vermogen in m3 per uur per put;

  • g.

    de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar, en

  • h.

    een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken.

 

De melding kan elektronisch en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO-water) worden ingediend. Het OLO-water is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl.

 

Artikel 5 Overgangsrecht

In dit artikel is onder meer geregeld dat vergunningaanvragen voor het onttrekken van grondwater waarvoor op grond van de algemene regel vrijstelling geldt als een melding worden aangemerkt. Hierdoor worden extra handelingen voor de aanvrager voorkomen.

 

4.3.5a Algemene regel onttrekken grondwater voor overige doeleinden

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het onttrekken van grondwater voor overige onttrekkingen die niet in andere algemene regels zijn verwoord, voor zover:

  • a.

    het geen permanente grondwateronttrekkingen voor het drooghouden van ondergrondse bouwwerken betreft, en

  • b.

    de onttrekking niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur, of

  • c.

    de onttrekking niet meer bedraagt dan 35 m3 per uur, mits niet meer dan 12.000 m³ per jaar wordt onttrokken.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    voorkomt bij het aanleggen en beheren van de voorziening voor de grondwateronttrekking dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • b.

    verwijdert of dicht voorzieningen voor grondwateronttrekking na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • c.

    plaatst een watermeter indien de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer bedraagt dan 12.000 m³ per jaar en noteert bij aanvang van de onttrekking de datum en de beginstand van deze watermeter en bij vervanging van deze watermeter de datum, de eindstand van de te vervangen watermeter en de beginstand van de nieuwe watermeter;

  • d.

    voorkomt de nadelige gevolgen van de onttrekking, dan wel beperkt deze gevolgen zoveel mogelijk als die niet te voorkomen zijn;

  • e.

    informeert het bestuur zo spoedig mogelijk over eventuele ontstane schade en over de reeds door hem getroffen en nog te treffen maatregelen, en

  • f.

    hoeft niet te voldoen aan de meet- en rapportageplicht, genoemd in artikel 6.11, tweede en vierde lid, van het Waterbesluit, indien de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 12.000 m3 per jaar.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1, meldt dit onder overlegging van de gegevens als bedoeld in de artikelen 6.27 en 6.28 van de Waterregeling ten minste twee weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of elektronisch gedaan.

Artikel 4 Overgangsrecht

  • 1.

    Indien voor het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens artikel 3.6, eerste lid, van de Keur in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoelt in artikel 3.9, derde lid, van de Keur.

  • 2.

    Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.6 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. Onder dat verbod valt mede het onttrekken van grondwater voor overige onttrekkingen die niet in andere algemene regels zijn verwoord. Met deze algemene regel wordt gebruik gemaakt van artikel 3.9 van de Keur. Dit betekent dat de vergunningplicht voor een groot deel van overige onttrekkingen die niet in andere algemene regels zijn verwoord wordt vervangen door algemene regels.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Overige onttrekkingen

Een onttrekking van grondwater die niet valt onder bouwputbemalingen, sleufbemaling proefbronneringen, bodemsaneringen, grondwatersaneringen, noodvoorzieningen (brandputten), beregening en bevloeiing. Tevens geldt dat er geen polderprincipe oftewel permanent droog houden van werken mag plaats vinden.

 

Motivering

 

Artikel 1 Criterium

In artikel 3.6 van de Keur, is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning grondwater te onttrekken. In artikel 1 van deze algemene regel wordt dit verbod voor een groot deel opgeheven. Hierbij is het uitgangspunt dat de minder risicovolle onttrekkingen worden vrijgesteld. De norm van 10 m³ per uur is relevant voor min of meer constant doorlopende onttrekkingen, terwijl de 35 m³ per uur-norm van belang is voor kortdurende wat zwaardere onttrekkingen.

Voorwaarde voor de vrijstelling is dat zowel aan het norm-criterium als aan het niet-permanent criterium is voldaan. Het betreft dus een cumulatieve opsomming. Hierbij moet worden opgemerkt dat de genoemde hoeveelheden maximale hoeveelheden zijn.

 

Artikel 2 Voorschriften

 

Uitwisseling grondwater

Uitwisseling van grondwater uit de diverse watervoerende pakketten is ongewenst. Dit artikel bepaalt daarom dat tijdens de aanleg van de voorziening(en) voor de grondwateronttrekking, tijdens het beheer van de voorziening en na beëindiging van de grondwateronttrekking moet worden voorkomen dat uitwisseling van grondwater kan plaatsvinden. In de praktijk zal bij het doorkruisen van een scheidende laag veelal gebruik worden gemaakt van zwelklei om deze uitwisseling van grondwater te voorkomen. Het SIKB heeft Het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) opgesteld. Indien volgens dit protocol wordt gewerkt, wordt de juiste invulling gegeven aan de verplichtingen uit dit artikel. Het protocol is te raadplegen via: www.sikb.nl.

 

Plaatsen watermeter en noteren beginstand watermeter

Om eventueel vast te kunnen stellen hoeveel grondwater wordt onttrokken (bijvoorbeeld omdat bij maatwerkvoorschrift een monitoringsverplichting is opgelegd) dient bij elke onttrekking waarvoor vrijstelling is verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, een watermeter geplaatst te worden waarvan voor aanvang van de onttrekking de meterstand genoteerd wordt. Ook dient de aanvangsdatum van de onttrekking genoteerd te worden. Bij vervanging van de watermeter dient de vervangingsdatum, de eindstand van de te vervangen watermeter en de beginstand van de nieuwe watermeter genoteerd te worden.

 

Zorgplicht

De onttrekking van grondwater kan nadelige gevolgen voor de omgeving veroorzaken. Denk hierbij aan schade aan de landbouw(opbrengst), schade aan natuurgebieden (verdroging), verplaatsing van grondwaterverontreinigingen, schade aan bouwwerken als gevolg van zetting en negatieve beïnvloeding op overige grondwateronttrekkingen (in het bijzonder bodemenergiesystemen). Degene die de onttrekking verricht, heeft de verplichting om deze nadelige gevolgen te inventariseren, te voorkomen en als dat niet mogelijk is zo veel mogelijk te beperken.

 

Monitoringsverplichting

Monitoring van de effecten van de grondwateronttrekking kan van groot belang zijn. Desondanks wordt monitoring niet bij iedere onttrekking voorgeschreven. Via een maatwerkvoorschrift kan het bestuur, indien daartoe aanleiding bestaat, monitoring voorschrijven. Met deze methode wordt voorkomen dat kosten worden gemaakt, terwijl hier geen aanleiding voor is. Enkele voorbeelden waarin monitoring gewenst kan zijn, zijn de aanwezigheid van zettinggevoelige objecten, de aanwezigheid van een bodemverontreiniging en de aanwezigheid van een bodemenergiesysteem.

 

Inhoud monitoringsverplichting

In het maatwerkvoorschrift waarmee de monitoringsverplichting wordt opgelegd, kan het bestuur bepalen welke informatie moet worden overhandigd. Denk hierbij aan het vastleggen van de nulsituatie en het opstellen van een bemalingsadvies met een isohypsenkaart van de omgeving. Dit betreft echter geen limitatieve opsomming, ook andere informatie kan dus worden gevraagd.

 

Ontstaan van nadelige gevolgen

Indien de onttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, neemt degene die grondwater onttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen om deze gevolgen te beperken. Denk hierbij aan het staken van de onttrekking of het treffen van compenserende maatregelen. Verder informeert degene die grondwater onttrekt het bestuur zo spoedig mogelijk over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen of getroffen maatregelen.

 

Meten en rapporteren

Op grond van artikel 6.11, lid 2 Waterbesluit moet degene die grondwater onttrekt per kwartaal meten hoeveel grondwater is onttrokken. Deze meting moet geschieden met een nauwkeurigheid van 5%. De resultaten van deze meting moeten uiterlijk op 31 januari van ieder jaar of, wanneer de onttrekking is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, aan het bestuur worden opgegeven.

 

Vrijstelling meet- en rapportageplicht

Aan de meet- en rapportageplicht zijn administratieve lasten gebonden. Deze lasten zijn bij beperkte onttrekkingen onevenredig groot. In deze algemene regel wordt ingevolge artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit bepaalt dat de meet- en rapportageplicht voor deze beperkte onttrekkingen niet gelden, mits de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 12.000 m³ per jaar. Deze voorwaarde van maximale omvang van de onttrekking is afkomstig uit de provinciale Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe.

 

Artikel 3 Melding

In artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is bepaald dat degene die grondwater onttrekt waarvoor geen vergunning nodig is de onttrekking moet melden. Bij deze melding wordt de volgende informatie verstrekt (artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit en de artikelen 6.4, eerste lid, en 6.27 van de Waterregeling):

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

  • b.

    het aantal bestaande en nieuw in te richten putten;

  • c.

    een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet;

  • d.

    de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.;

  • e.

    de diameter en de lengte van de filters in iedere put;

  • f.

    de pompcapaciteit in m3 per uur en het te installeren vermogen in m3 per uur per put;

  • g.

    de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar, en

  • h.

    een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken.

 

De melding kan elektronisch en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO-water) worden ingediend. Het OLO-water is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl.

 

Artikel 4 Overgangsrecht

In dit artikel is onder meer geregeld dat verleende vergunningen voor het onttrekken van grondwater waarvoor op grond van de algemene regel vrijstelling geldt als een melding worden aangemerkt. Hierdoor worden extra handelingen voor de aanvrager voorkomen.

 

4.3.6 Algemene regel onttrekking grondwater door drainage

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het onttrekken van grondwater als dit het gevolg is van drainage, die zich niet bevindt in een gebied met een natuurfunctie zijnde Natura2000-gebied, natte landnatuur inclusief hydrologische beschermingszones of overige gebieden zoals aangegeven op de bij deze algemene regel behorende natuurkaart, het lozingspunt van de drainage niet dieper ligt dan 1,00 meter onder maaiveld en de drainage niet lager ligt dan 3,00 meter onder maaiveld.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    voorkomt bij het aanleggen en beheren van de voorziening voor de grondwateronttrekking dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • b.

    verwijdert of dicht voorzieningen voor grondwateronttrekking na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • c.

    hoeft niet te voldoen aan de meet- en rapportageplicht, genoemd in artikel 6.11, tweede en vierde lid, van het Waterbesluit.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1, meldt dit onder overlegging van de gegevens als bedoeld in de artikelen 6.27 en 6.28 van de Waterregeling ten minste twee weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of elektronisch gedaan.

Artikel 4 Overgangsrecht

  • 1.

    Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.6 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. Onder dat verbod valt mede het onttrekken van grondwater als gevolg van drainage (passieve onttrekking door middel van een onttrekkingsinrichting). Met deze algemene regel wordt gebruik gemaakt van artikel 3.9 van de Keur. Dit betekent dat de vergunningplicht voor een deel van onttrekkingen door drainage wordt vervangen door algemene regels.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

drainage: ontwateringsmiddel voor het kunstmatig laag houden van de grondwaterstand.

 

Motivering

 

Artikel 1 Criterium

In artikel 3.6 van de Keur, is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning grondwater te onttrekken. In artikel 1 van deze algemene regel wordt dit verbod ten aanzien van drainage voor een groot deel opgeheven. Hierbij is het uitgangspunt dat de minder risicovolle onttrekkingen worden vrijgesteld. Voorwaarde voor de vrijstelling is dat aan alle criteria is voldaan. Het betreft dus een cumulatieve opsomming.

 

Artikel 2 Voorschriften

 

Uitwisseling grondwater

Uitwisseling van grondwater uit de diverse watervoerende pakketten is ongewenst. Dit artikel bepaalt daarom dat tijdens de aanleg van de voorziening(en) voor de grondwateronttrekking, tijdens het beheer van de voorziening en na beëindiging van de grondwateronttrekking moet worden voorkomen dat uitwisseling van grondwater kan plaatsvinden. In de praktijk zal bij het doorkruisen van een scheidende laag veelal gebruik worden gemaakt van zwelklei om deze uitwisseling van grondwater te voorkomen. Het SIKB heeft Het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) opgesteld. Indien volgens dit protocol wordt gewerkt, wordt de juiste invulling gegeven aan de verplichtingen uit dit artikel. Het protocol is te raadplegen via: www.sikb.nl.

 

Zorgplicht

De onttrekking van grondwater kan nadelige gevolgen voor de omgeving veroorzaken. Denk hierbij aan schade aan de landbouw(opbrengst), schade aan natuurgebieden (verdroging), verplaatsing van grondwaterverontreinigingen, schade aan bouwwerken als gevolg van zetting en negatieve beïnvloeding op overige grondwateronttrekkingen (in het bijzonder bodemenergiesystemen). Degene die de onttrekking verricht, heeft de verplichting om deze nadelige gevolgen te inventariseren, te voorkomen en als dat niet mogelijk is zo veel mogelijk te beperken.

 

Monitoringsverplichting

Monitoring van de effecten van de grondwateronttrekking kan van groot belang zijn. Desondanks wordt monitoring niet bij iedere onttrekking voorgeschreven. Via een maatwerkvoorschrift kan het bestuur, indien daartoe aanleiding bestaat, monitoring voorschrijven. Met deze methode wordt voorkomen dat kosten worden gemaakt, terwijl hier geen aanleiding voor is. Enkele voorbeelden waarin monitoring gewenst kan zijn, zijn de aanwezigheid van zettinggevoelige objecten, de aanwezigheid van een bodemverontreiniging en de aanwezigheid van een bodemenergiesysteem.

 

Inhoud monitoringsverplichting

In het maatwerkvoorschrift waarmee de monitoringsverplichting wordt opgelegd, kan het bestuur bepalen welke informatie moet worden overhandigd. Denk hierbij aan het vastleggen van de nulsituatie en het opstellen van een bemalingsadvies met een isohypsenkaart van de omgeving. Dit betreft echter geen limitatieve opsomming, ook andere informatie kan dus worden gevraagd.

 

Ontstaan van nadelige gevolgen

Indien de onttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, neemt degene die grondwater onttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen om deze gevolgen te beperken. Denk hierbij aan het staken van de onttrekking of het treffen van compenserende maatregelen. Verder informeert degene die grondwater onttrekt het bestuur zo spoedig mogelijk over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen of getroffen maatregelen.

 

Vrijstelling meet- en rapportageplicht

Aan de meet- en rapportageplicht op grond van artikel 6.11. lid 2 van het Waterbesluit,zijn administratieve lasten gebonden. Deze lasten zijn bij beperkte onttrekkingen onevenredig groot. In deze algemene regel wordt ingevolge artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit bepaald dat de meet- en rapportageplicht voor deze beperkte onttrekkingen niet gelden, mits de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 12.000 m3 per jaar. Deze voorwaarde van maximale omvang van de onttrekking is afkomstig uit de provinciale Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe.

 

Artikel 3 Melding

 

In artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is bepaald dat degene die grondwater onttrekt waarvoor geen vergunning nodig is de onttrekking moet melden. Bij deze melding wordt de volgende informatie verstrekt (artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit en de artikelen 6.4, eerste lid, en 6.27 van de Waterregeling):

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

  • b.

    het aantal bestaande en nieuw in te richten putten;

  • c.

    een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet;

  • d.

    de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.;

  • e.

    de diameter en de lengte van de filters in iedere put;

  • f.

    de pompcapaciteit in m3 per uur en het te installeren vermogen in m3 per uur per put;

  • g.

    de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar, en

  • h.

    een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken.

 

De melding kan elektronisch en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO-water) worden ingediend. Het OLO-water is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl.

 

Artikel 4 Overgangsrecht

In dit artikel is onder meer geregeld dat verleende vergunningen voor het ontrekken van grondwater waarvoor op grond van de algemene regel vrijstelling geldt als een melding worden aangemerkt. Hierdoor worden extra handelingen voor de aanvrager voorkomen.

 

4.3.7 Algemene regel onttrekking grondwater door een artesische bron

Artikel 1 Criterium

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het onttrekken van grondwater als dit het gevolg is van een artesische bron, voor zover deze worden afgesloten wanneer zij niet gebruikt wordt.

Artikel 2 Voorschriften

Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1:

  • a.

    voorkomt bij het aanleggen en beheren van de voorziening voor de grondwateronttrekking dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt;

  • b.

    zorgt dat de artesische bronnen alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor ze aangelegd zijn en op alle overige tijden zodanig afgesloten zijn dat niet onnodig grondwater naar het maaiveld stroomt;

  • c.

    verwijdert of dicht voorzieningen voor grondwateronttrekking na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt, en

  • d.

    hoeft niet te voldoen aan de meet- en rapportageplicht, genoemd in artikel 6.11, tweede en vierde lid, van het Waterbesluit.

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1, meldt dit onder overlegging van de gegevens als bedoeld in de artikelen 6.27 en 6.28 van de Waterregeling ten minste twee weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur.

  • 2.

    De melding wordt schriftelijk of elektronisch gedaan.

Artikel 4 Overgangsrecht

Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel.

 

 

 

TOELICHTING

 

Kader

 

Op grond van artikel 3.6 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. Onder dat verbod valt mede het onttrekken van grondwater als gevolg van een artesische bron (passieve onttrekking door middel van een ontrekkingsinrichitng). Met deze algemene regel wordt gebruik gemaakt van artikel 3.9 van de Keur. Dit betekent dat de vergunningplicht voor een deel van onttrekkingen als gevolg van een artesische bron wordt vervangen door algemene regels.

 

Begripsbepaling

 

De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder:

 

Artesische bron: een bron waaruit het water spontaan naar boven komt door de hydrostatische druk op het water dat zich in een ondergronds bekken bevindt.

 

Motivering

 

Artikel 1 Criterium

In artikel 3.6 van de Keur, is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning grondwater te onttrekken. In artikel 1 van deze algemene regel wordt dit verbod ten aanzien van artesische bronnen voor een groot deel opgeheven. Hierbij is het uitgangspunt dat de minder risicovolle onttrekkingen worden vrijgesteld. Voorwaarde voor de vrijstelling is dat aan alle criteria is voldaan. Het betreft dus een cumulatieve opsomming. Hierbij moet worden opgemerkt dat de genoemde hoeveelheden maximale hoeveelheden zijn.

 

Artikel 2 Voorschriften

 

Uitwisseling grondwater

Uitwisseling van grondwater uit de diverse watervoerende pakketten is ongewenst. Dit artikel bepaalt daarom dat tijdens de aanleg van de voorziening(en) voor de grondwateronttrekking, tijdens het beheer van de voorziening en na beëindiging van de grondwateronttrekking moet worden voorkomen dat uitwisseling van grondwater kan plaatsvinden. In de praktijk zal bij het doorkruisen van een scheidende laag veelal gebruik worden gemaakt van zwelklei om deze uitwisseling van grondwater te voorkomen. Het SIKB heeft Het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) opgesteld. Indien volgens dit protocol wordt gewerkt, wordt de juiste invulling gegeven aan de verplichtingen uit dit artikel. Het protocol is te raadplegen via: www.sikb.nl.

 

Zorgplicht

De onttrekking van grondwater kan nadelige gevolgen voor de omgeving veroorzaken. Denk hierbij aan schade aan de landbouw(opbrengst), schade aan natuurgebieden (verdroging), verplaatsing van grondwaterverontreinigingen, schade aan bouwwerken als gevolg van zetting en negatieve beïnvloeding op overige grondwateronttrekkingen (in het bijzonder bodemenergiesystemen). Degene die de onttrekking verricht, heeft de verplichting om deze nadelige gevolgen te inventariseren, te voorkomen en als dat niet mogelijk is zo veel mogelijk te beperken.

 

Monitoringsverplichting

Monitoring van de effecten van de grondwateronttrekking kan van groot belang zijn. Desondanks wordt monitoring niet bij iedere onttrekking voorgeschreven. Via een maatwerkvoorschrift kan het bestuur, indien daartoe aanleiding bestaat, monitoring voorschrijven. Met deze methode wordt voorkomen dat kosten worden gemaakt, terwijl hier geen aanleiding voor is. Enkele voorbeelden waarin monitoring gewenst kan zijn, zijn de aanwezigheid van zettinggevoelige objecten, de aanwezigheid van een bodemverontreiniging en de aanwezigheid van een bodemenergiesysteem.

 

Inhoud monitoringsverplichting

In het maatwerkvoorschrift waarmee de monitoringsverplichting wordt opgelegd, kan het bestuur bepalen welke informatie moet worden overhandigd. Denk hierbij aan het vastleggen van de nulsituatie en het opstellen van een bemalingsadvies met een isohypsenkaart van de omgeving. Dit betreft echter geen limitatieve opsomming, ook andere informatie kan dus worden gevraagd.

 

Vrijstelling meet- en rapportageplicht

Aan de meet- en rapportageplicht op grond van artikel 6.11. lid 2 van het Waterbesluit,zijn administratieve lasten gebonden. Deze lasten zijn bij beperkte onttrekkingen onevenredig groot. In deze algemene regel wordt ingevolge artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit bepaald dat de meet- en rapportageplicht voor deze beperkte onttrekkingen niet gelden, mits de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 12.000 m3 per jaar. Deze voorwaarde van maximale omvang van de onttrekking is afkomstig uit de provinciale Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe.

 

Artikel 3 Melding

 

In artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is bepaald dat degene die grondwater onttrekt waarvoor geen vergunning nodig is de onttrekking moet melden. Bij deze melding wordt de volgende informatie verstrekt (artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit en de artikelen 6.4, eerste lid, en 6.27 van de Waterregeling):

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

  • b.

    het aantal bestaande en nieuw in te richten putten;

  • c.

    een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet;

  • d.

    de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.;

  • e.

    de diameter en de lengte van de filters in iedere put;

  • f.

    de pompcapaciteit in m3 per uur en het te installeren vermogen in m3 per uur per put;

  • g.

    de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar, en

  • h.

    een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken.

 

De melding kan elektronisch en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO-water) worden ingediend. Het OLO-water is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl.

 

Artikel 4 Overgangsrecht

In dit artikel is onder meer geregeld dat verleende vergunningen voor het ontrekken van grondwater waarvoor op grond van de algemene regel vrijstelling geldt als een melding worden aangemerkt. Hierdoor worden extra handelingen voor de aanvrager voorkomen.