Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Veere

Verordening inzake het kamperen buiten reguliere kampeerterreinen, aan te duiden als de Kampeerverordening 2015

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieVeere
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening inzake het kamperen buiten reguliere kampeerterreinen, aan te duiden als de Kampeerverordening 2015
CiteertitelVerordening inzake het kamperen buiten reguliere kampeerterreinen, aan te duiden als de Kampeerverordening 2015
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerpKampeerverordening 2015

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Artikel 147 van de Gemeentewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

18-06-2015Nieuwe regeling

11-06-2015

GVOP, 17 juni 2015

15b.01565

Tekst van de regeling

Intitulé

Kampeerverordening 2015

De raad van de gemeente Veere;

gelezen het voorstel van het college van (12 mei 2015);

gelet op artikel 147 van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de:

Verordening inzake het kamperen buiten reguliere kampeerterreinen, aan te duiden als de Kampeerverordening 2015

 

Artikel 1 - Algemene begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    kleinschalig kampeerterrein: een terrein of plaats gelegen op een (voormalig) agrarisch bouwvlak en/of op direct daaraan grenzende volgens het bestemmingsplan Buitengebied als agrarisch bestemde gronden, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen, of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf door personen die hun hoofdverblijf elders hebben, met maximaal 25 standplaatsen.

  • 2.

    landschapscamping: een terrein of plaats behorend bij een agrarisch bedrijf en/of direct daaraan grenzende volgens het bestemmingsplan Buitengebied als agrarisch bestemde gronden, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen, of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf door personen die hun hoofdverblijf elders hebben, met maximaal 60 standplaatsen.

  • 3.

    standplaats: deel van een kleinschalig kampeerterrein of landschapscamping ingericht en bestemd voor de plaatsing van een of meer kampeermiddelen.

  • 4.

    kampeermiddel:

    • a.

      tent, tentwagen, kampeerauto of caravan, dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, ten behoeve van recreatief nachtverblijf, of

    • b.

      vast kampeermiddel.

  • 5.

    vast kampeermiddel: een op de grond staand of vast met de grond verbonden bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf, waarvoor ingevolge artikel 3, tweede lid, van Bijlage II behorend bij het Besluit omgevingsrecht geen omgevingsvergunning vereist is.

  • 6.

    kampeerseizoen: de jaarlijkse periode die loopt van 1 maart tot en met 15 november.

  • 7.

    uitbreiding: iedere toename van het aantal standplaatsen, nieuwvestiging daaronder begrepen.

  • 8.

    toezichthouder: degene die het dagelijks toezicht uitoefent over het kleinschalig kampeerterrein en uit dien hoofde verantwoordelijk is voor de wijze waarop de uitoefening van het toezicht plaatsvindt.

Artikel 2 - Vergunningplicht kleinschalig kamperen (kampeervergunning);

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college een kleinschalig kampeerterrein te exploiteren.

  • 2.

    Het college verleent slechts een vergunning als bedoeld in het eerste lid indien:

    • a.

      de aanvraag voldoet aan de criteria ten aanzien van kleinschalige kampeerterreinen zoals bepaald in het bestemmingsplan Buitengebied en

    • b.

      de aanvrager beschikt over agrarisch bestemde grond, aansluitend aan het agrarisch bouwvlak, in eigendom of langjarige pacht en die hij als zodanig in gebruik heeft of laat gebruiken, en

    • c.

      er sprake is van een goede landschappelijke inpassing die voldoet aan de in het bestemmingsplan Buitengebied vastgelegde eisen en

    • d.

      in het geval geen sprake is van een rechtstreekse aansluiting op de openbare riolering, een bufferput is aangelegd met een capaciteit van tenminste 2 m³ en

    • e.

      het aantal vergunde standplaatsen op kleinschalige kampeerterreinen binnen de gemeente na verlening van de vergunning niet meer dan 3.015 bedraagt en het aantal verleende vergunningen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet meer dan 171 bedraagt.

  • 3.

    Het college beslist op een aanvraag kampeervergunning binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

  • 4.

    Indien in verband met de aanvraag tot uitbreiding een omgevingsvergunning is vereist, wordt de aanvraag ter verkrijging van een kampeervergunning aangehouden tot het moment dat de omgevingsvergunning is verleend, of, indien de omgevingsvergunning is geweigerd, binnen 6 weken na het weigeren van de omgevingsvergunning geen bezwaar of beroep is ingesteld dan wel, indien zodanig bezwaar of beroep wel is ingesteld, tegen het besluit tot weigering tevens een verzoek om voorlopige voorziening is ingesteld en dat verzoek is afgewezen.

  • 5.

    Het college kan de kampeervergunning onder voorwaarden verlenen. In dat geval wordt de kampeervergunning voor een bepaalde tijd verleend (tijdelijke kampeervergunning). Na afloop van de in de tijdelijke kampeervergunning opgenomen termijn vervalt deze van rechtswege.

  • 6.

    Indien een tijdelijke kampeervergunning is verleend, kan de aanvrager een verzoek indienen tot verkrijging van een kampeervergunning voor onbepaalde tijd. Als aan de voorwaarden verbonden aan de tijdelijke kampeervergunning is voldaan, verleent het college de kampeervergunning. Het derde lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing.

  • 7.

    Het college kan aan de kampeervergunning voorschriften en nadere eisen verbinden.

  • 8.

    De vergunning wordt op naam van de aanvrager gesteld.

  • 9.

    Indien de aanvrager tevens de bewoner is van de woning, welke volgens het bestemmingsplan Buitengebied aanwezig is op en behoort bij het agrarisch bouwvlak, oefent deze het dagelijks toezicht uit op het kleinschalig kampeerterrein.

  • 10.

    Indien de aanvrager niet tevens de bewoner is van de woning, welke volgens het bestemmingsplan Buitengebied aanwezig is op en behoort bij het agrarisch bouwvlak, vermeldt de kampeervergunning tevens de naam van de door de aanvrager aangestelde toezichthouder.

  • 11.

    Een toezichthouder als bedoeld in het tiende lid is bewoner van de woning, welke volgens het bestemmingsplan Buitengebied aanwezig is op en behoort bij het agrarisch bouwvlak.

Artikel 3 – Kamperen op kleinschalige kampeerterreinen (minicampings).

  • 1.

    Uitgezonderd vaste kampeermiddelen dienen alle kampeermiddelen buiten het kampeerseizoen van het kampeerterrein volledig te zijn verwijderd.

  • 2.

    Voor de oppervlakte van vaste kampeermiddelen geldt het maximum als opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied.

  • 3.

    De maximale hoogte van kampeermiddelen bedraagt 5,00 meter, tenzij aangetoond wordt dat in het kampeerseizoen 2012 op het desbetreffende kleinschalig kampeerterrein kampeermiddelen met een grotere hoogte zijn geplaatst en voor die plaatsing toestemming is verkregen van het college.

  • 4.

    Het aantal standplaatsen voor de plaatsing van vaste kampeermiddelen bedraagt ten hoogste 20% van het totaal aantal vergunde standplaatsen. Het aldus bepaalde aantal standplaatsen voor de plaatsing van vaste kampeermiddelen wordt naar beneden afgerond op een heel getal.

  • 5.

    Het vierde lid is niet van toepassing voor zover op grond van een voor inwerkingtreding van deze verordening verleende vergunning een hoger aantal standplaatsen voor de plaatsing van vaste kampeermiddelen is toegestaan.

  • 6.

    Op dezelfde standplaats mogen naast een kampeermiddel twee tenten worden geplaatst met een maximale oppervlakte van ieder 10 m².

Artikel 4 – Vergunningplicht landschapscampings

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college een landschapscamping te exploiteren.

  • 2.

    Het college kan maximaal 5 vergunningen verlenen voor het exploiteren van een landschapscamping.

  • 3.

    Het college verleent slechts een vergunning als bedoeld in het eerste lid indien:

    • a.

      de aanvraag voldoet aan de criteria ten aanzien van landschapscampings zoals bepaald in het bestemmingsplan Buitengebied en

    • b.

      er sprake is van een goede landschappelijke inpassing die voldoet aan de in het bestemmingsplan Buitengebied vastgelegde eisen, en

    • c.

      twee bufferputten zijn aangelegd met een capaciteit van ieder tenminste 2 m³, en

    • d.

      door verlening van de vergunning het in het tweede lid genoemde aantal niet wordt overschreden, en

    • e.

      indien aan de aanvrager reeds een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2, eerste lid, deze wordt ingetrokken op het moment van feitelijke ingebruikname van de landschapscamping.

  • 4.

    Het college beslist op een aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

  • 5.

    De aanvraag wordt aangehouden vanaf het moment dat het college besluit toepassing te geven aan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a van de Wet ruimtelijke ordening, tot het moment dat besloten is het bestemmingsplan te wijzigen, of, indien zodanige wijziging is geweigerd, binnen 6 weken na de weigering geen beroep is ingesteld dan wel, indien zodanig beroep wel is ingesteld, tegen het besluit tot weigering tevens een verzoek om voorlopige voorziening is ingesteld en dat verzoek is afgewezen.

  • 6.

    Artikel 2, vijfde tot en met elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5 – Kamperen op landschapscampings

  • 1.

    Het is verboden op een standplaats op een landschapscamping een vast kampeermiddel te plaatsen.

  • 2.

    Artikel 3, eerste, derde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6 – Kamperen in het kader van een evenement

  • 1.

    Het college kan van het verbod gesteld in artikel 2, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, van de verordening ontheffing verlenen tot het plaatsen en gebruiken van kampeermiddelen, indien sprake is van een evenement zoals bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening, gedurende een in de ontheffing aangegeven, aaneengesloten periode.

  • 2.

    Het college kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid voorschriften en nadere eisen verbinden.

Artikel 7 – Overdraagbaarheid

  • 1.

    Het college kan de tenaamstelling van een vergunning wijzigen met toepassing van de in en krachtens dit artikel gestelde regels.

  • 2.

    Voor het wijzigen van de tenaamstelling van een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, dient de vergunninghouder tenminste twee maanden voor de beoogde wijziging bij het college een verzoek in, onder vermelding van de bij nadere regels en beleidsregels aangegeven gegevens.

  • 3.

    Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van het verzoek. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

  • 4.

    Het college wijzigt de tenaamstelling van een vergunning, indien de nieuwe vergunninghouder voldoet aan dezelfde voorschriften en nadere eisen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen c, d en e en artikel 4, derde lid.

  • 5.

    Wijziging van de tenaamstelling van een vergunning als bedoeld in het tweede lid vindt slechts plaats aan de eigenaar van de woning, welke volgens het bestemmingsplan Buitengebied aanwezig is op en behoort bij het (voormalig) agrarisch bouwvlak. Artikel 2, negende tot en met elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 6.

    Bij wijziging van de tenaamstelling van een vergunning die is verleend voor de inwerkingtreding van de Kampeerverordening 2013 mogen de op dat moment bestaande afwijkingen ten opzichte van de eisen als gesteld in en krachtens artikel 2 en artikel 4 van deze verordening niet worden vergroot. De aanvrager moet dit aantonen.

Artikel 8 – Intrekken of opschorten van de vergunning.

  • 1.

    Het college kan de onder artikel 2, eerste lid, artikel 4, eerste lid en artikel 6, eerste lid bedoelde vergunning of ontheffing intrekken of de werking ervan tijdelijk geheel of gedeeltelijk opschorten, indien:

    • a.

      de voorschriften of nadere eisen waaronder de vergunning of ontheffing is verleend niet worden nageleefd, of

    • b.

      in het geval van een na inwerkingtreding van deze verordening verleende vergunning, niet wordt voldaan aan de criteria als bedoeld in artikel 2, 3, 4 of 5, of

    • c.

      de exploitatie van een kleinschalig kampeerterrein of landschapscamping gedurende tenminste twee achtereenvolgende kampeerseizoenen is gestaakt, of

    • d.

      de vergunninghouder of diens rechtsopvolger hierom verzoekt.

  • 2.

    Een besluit tot intrekking op grond van het eerste lid treedt, behoudens bij intrekking op verzoek, niet eerder in werking dan met ingang van het jaar, volgend op het jaar waarin het besluit is genomen.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing indien sprake is van een situatie waarbij de veiligheid in het geding is.

Artikel 9 – Nadere regels en beleidsregels

  • 1.

    Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen voor:

    • a.

      het aanvragen van een kampeervergunning op grond artikel 2 en 4;

    • b.

      het aanvragen van een ontheffing op grond van artikel 6;

    • c.

      het wijzigen van de tenaamstelling van een vergunning op grond van artikel 7;

    • d.

      het intrekken of opschorten van een vergunning op grond van artikel 8.

  • 2.

    Het college kan de eisen die worden gesteld aan de verdeling en toekenning van vergunningen vastleggen in nadere regels en beleidsregels.

  • 3.

    Het college kan een formulier vaststellen voor de aanvragen, bedoeld in het eerste lid onder a, b en c.

Artikel 10 - Boetebepalingen

  • 1.

    Het college kan wegens overtreding van artikel 3 de houder van een kampeervergunning een bestuurlijke boete opleggen van maximaal € 250,- per dag.

  • 2.

    Het college kan wegens overschrijding van het aantal op grond van de kampeervergunning toegestane kampeermiddelen een bestuurlijke boete opleggen van maximaal € 250,- per kampeermiddel per dag.

  • 3.

    Het college kan voor de toepassing van het eerste en tweede lid beleidsregels vaststellen.

Artikel 11 – Strafbepalingen en toezicht

  • 1.

    Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • 2.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, belast: de als buitengewoon opsporingsambtenaar beëdigde ambtenaren.

  • 3.

    Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen.

Artikel 12 - Overgangsbepalingen

  • 1.

    Kampeervergunningen en kampeerontheffingen voor het exploiteren van een kleinschalig kampeerterrein, verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Kampeerverordening 2013 gelden als kampeervergunning in de zin van artikel 2, eerste lid, voor zover de op het moment van inwerkingtreding van deze verordening bestaande afwijking ten opzichte van de eisen als gesteld in artikel 2 niet wordt vergroot.

  • 2.

    Vergunningen voor het exploiteren van een landschapscamping, verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, gelden als vergunning in de zin van artikel 4, eerste lid, voor zover de op het moment van inwerkingtreding van deze verordening bestaande afwijking ten opzichte van de eisen als gesteld in artikel 4 niet wordt vergroot. Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Kampeervergunningen en vergunningen voor het exploiteren van een landschapscamping verleend met toepassing van de Kampeerverordening 2013 gelden als een vergunning verleend overeenkomstig deze verordening.

  • 4.

    Aanvragen voor kampeervergunningen en kampeerontheffingen voor het exploiteren van een kleinschalig kampeerterrein, welke met toepassing van de Kampeerverordening 2013 niet rechtsgeldig konden worden verleend als gevolg van vernietiging van delen van het Bestemmingsplan buitengebied, zoals vastgesteld op 30 mei 2013, worden behandeld als aanvragen, gedaan voor de toepassing van deze verordening.

  • 5.

    Vergunningen of anderszins door het bevoegd gezag gegeven toestemmingen voor andere vormen van kamperen bij (voormalige) agrarische bedrijven, die niet vallen onder het eerste en tweede lid van dit artikel, blijven van kracht onder de voorwaarden en nadere eisen waaronder deze zijn verleend. Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.

  • 6.

    Vergunningen als bedoeld in het eerste, tweede en vijfde lid worden geacht voor onbepaalde tijd te zijn verleend.

  • 7.

    Voorschriften en nadere eisen verbonden aan een tijdelijk verleende vergunning of toestemming als bedoeld in het eerste tot en met derde lid blijven van kracht gedurende de looptijd van de vergunning of toestemming.

Artikel 13 - Intrekking

De Kampeerverordening 2013 wordt ingetrokken met ingang van de datum, bedoeld in artikel 14.

Artikel 14 - Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking.

Artikel 15 - Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Kampeerverordening 2015.

Aldus vastgesteld door de raad van Veere op 11 juni 2015.

De voorzitter,

drs. R.J. van der Zwaag

De griffier,

mr. J.C. Waverijn

Bijlage Nadere regels en beleidsregels

met betrekking tot het in behandeling nemen, de verdeling, intrekking en overdracht van vergunningen als bedoeld in de Kampeerverordening 2015

Artikel 1 – De aanvraag

Artikel 1 – De aanvraag

  • 1.

    De aanvraag tot verkrijging van een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, van de verordening wordt gedaan op een vastgesteld aanvraagformulier en gaat vergezeld van:

    • a.

      een situatietekening in tweevoud, op een schaal van tenminste 1:1000, waarop, voor zover van toepassing, is aangegeven:

      • 1.

        een kadastrale omschrijving van het perceel;

      • 2.

        de oppervlakte van het kampeerterrein;

      • 3.

        de plaats van de bestaande en op te richten gebouwen en hun functies;

      • 4.

        de aanwezige en aan te brengen randbeplanting en het assortiment waaruit de randbeplanting bestaat rekening houdend met de Leidraad landschappelijke inpassing “Samenwerken aan een mooier landschap’;

      • 5.

        de ontsluiting van het kampeerterrein en het verloop van de wegen en de paden op het kampeerterrein;

      • 6.

        de aanwezige en te realiseren parkeervoorzieningen rekening houdend met de CROW kencijfers parkeren en verkeersgeneratie;

      • 7.

        de kavelbegrenzing en situering van standplaatsen voor vaste en andere kampeermiddelen, alsmede de locatie van eventueel aanwezige overige recreatieverblijven;

      • 8.

        de aanwezige en te realiseren voorzieningen ter bestrijding van brand;

      • 9.

        de plaats van de aan te brengen bufferput;

    • b.

      een situatietekening in tweevoud, op een schaal van tenminste 1:2500, waarop is aangegeven:

      • 1.

        de ligging van het kadastrale perceel ten opzichte van omringende kadastrale percelen en de openbare weg;

      • 2.

        de kortste afstand tussen het (te realiseren) kampeerterrein/ landschapscamping en de als “Wonen” bestemde gronden;

      • 3.

        de ligging van direct naast het perceel gelegen bestaande kleinschalige kampeerterreinen;

      • 4.

        de ligging van de op grond van artikel 2 lid 2 sub a en b vereiste als agrarisch bestemde gronden aansluitende aan het agrarisch bouwvlak;

    • c.

      indien van toepassing moet het volgende aangeleverd worden:

      • 1.

        pachtovereenkomst(en);

      • 2.

        vereveningsplan met bijbehorende tekeningen;

  • 2.

    Het college kan aan de indiening van de aanvraag aanvullende eisen stellen.

Artikel 2 – De procedure voor kleinschalige kampeerterreinen

  • 1.

    Aanvragen worden op volgorde van de datum van ontvangst in behandeling genomen. Als datum van ontvangst geldt de datum van indiening van een ontvankelijke aanvraag. De aanvraag is ontvankelijk na volledige ontvangst van hetgeen vermeldt in artikel 1.

  • 2.

    Bij indiening op dezelfde datum wordt de volgorde door loting bepaald.

  • 3.

    De loting wordt uitgevoerd door de portefeuillehouder Recreatie en Toerisme Aanvragers worden schriftelijk uitgenodigd om bij de loting aanwezig te zijn.

  • 4.

    De aanvrager wordt gedurende een termijn van 4 weken in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen tegen een voornemen tot weigering.

  • 5.

    Van besluiten tot verlening of weigering van een kampeervergunning wordt kennis gegeven door publicatie in de het Gemeenschappelijke voorziening officiële publicaties (GVOP).

Artikel 3 – De vaststelling van het aantal uit te geven standplaatsen

  • 1.

    Het college houdt doorlopend een register bij en publiceert jaarlijks met het oog op het nieuwe kampeerseizoen voor 1 maart het register met daarin opgenomen de volgende gegevens:

    • a.

      de verleende vergunningen per adres;

    • b.

      het aantal standplaatsen per vergunning;

    • c.

      het totaal aantal vergunde en nog uit te geven standplaatsen;

  • 2.

    Het in het eerste lid bedoelde register en een overzicht van de aangehouden aanvragen kampeervergunning wordt gepubliceerd in het Gemeenschappelijke voorziening officiële publicaties (GVOP).

  • 3.

    Aan de bekendmaking als bedoeld in het tweede lid kunnen geen rechten worden ontleend.

  • 4.

    Doorhaling in het register vindt niet plaats bij een tijdelijke intrekking van een vergunning.

  • 5.

    Indien een vergunning zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de verordening voorbepaalde tijd is verleend en na het verstrijken van de termijn niet aan de voorwaarden is voldaan, vindt doorhaling in het register niet eerder plaats dan een jaar na afloop van die termijn.

  • 6.

    Indien een kampeervergunning op grond van artikel 2, tweede lid, onder e van de verordening niet kan worden verleend, wordt de aanvraag aangehouden. Artikel 2, eerste lid van deze regels, is van overeenkomstige toepassing op de lijst met aanhoudingen.

Artikel 4 – De procedure voor landschapscampings

  • 1.

    Aanvragen worden op volgorde van de datum van ontvangst in behandeling genomen. Als datum van ontvangst geldt de datum van indiening van een ontvankelijke aanvraag. De aanvraag is ontvankelijk na volledige ontvangst van hetgeen vermeldt in artikel 1.

  • 2.

    Bij indiening op dezelfde datum wordt de volgorde door loting bepaald. Artikel 2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Indien er geen reden is de aanvraag te weigeren en het aantal op grond van het eerste tot en met het tweede lid van deze regels in behandeling genomen aanvragen ten opzichte van het aantal op grond van artikel 4, tweede lid, van de verordening nog te verlenen vergunningen gelijk of hoger is, wordt de beslissing op de aanvraag aangehouden tot het moment op de hiervoor bedoelde aanvragen is beslist.

  • 4.

    Het college informeert bij de ontvangst van de aanvraag iedere aanvrager over het aantal nog te verlenen vergunningen, de status van de aanvraag en de plaats op de lijst met in behandeling genomen aanvragen, alsmede of sprake is van aanhouding.

Artikel 5 – Overdracht van vergunningen

  • 1.

    De aanvraag tot wijzigingen van de tenaamstelling van een vergunning als bedoeld in artikel 7 van de verordening wordt gedaan op een vastgesteld aanvraagformulier en gaat vergezeld van:

    • a.

      een situatietekening in tweevoud, op een schaal van tenminste 1:1000, waarop, voor zover van toepassing, is aangegeven:

      • 1.

        een kadastrale omschrijving van het perceel;

      • 2.

        de oppervlakte van het kampeerterrein;

      • 3.

        de plaats van de gebouwen ten behoeve van het kleinschalig kamperen;

      • 4.

        de aanwezige randbeplanting, het assortiment waaruit de randbeplanting bestaat en de goedkeuring van de aanwezige randbeplanting;

      • 5.

        de ontsluiting van het kampeerterrein en het verloop van de wegen en de paden op het kampeerterrein;

      • 6.

        de aanwezige parkeervoorzieningen

      • 7.

        de kavelbegrenzing en situering van standplaatsen voor vaste en andere kampeermiddelen, alsmede de locatie van eventueel aanwezige overige recreatieverblijven;

      • 8.

        de aanwezige voorzieningen ter bestrijding van brand;

      • 9.

        aanduiding van de plaats van de bufferput(ten) of rechtstreekse aansluiting op riolering.

    • b.

      een situatietekening in tweevoud, op een schaal van tenminste 1:2500, waarop is aangegeven:

      • 1.

        de ligging van het kadastrale perceel ten opzichte van omringende kadastrale percelen en de openbare weg;

      • 2.

        de kortste afstand tussen het kampeerterrein/landschapscamping en de als “Wonen” bestemde gronden;

      • 3.

        de ligging van direct naast het perceel gelegen bestaande kleinschalige kampeerterreinen/landschapscamping;

    • c.

      indien van toepassing moet het volgende aangeleverd worden:

      • 1.

        aantal en soort permanente kampeermiddelen;

      • 2.

        pachtovereenkomst(en);

      • 3.

        vereveningsplan met bijbehorende tekeningen en goedkeuring van de verevening;

  • 2.

    Het college kan aan de indiening van de aanvraag aanvullende eisen stellen.

Artikel 6 – Intrekken van vergunningen

  • 1.

    Van de bevoegdheid tot intrekking op grond van artikel 8, eerste lid, onder a, van de verordening wordt in beginsel slechts gebruik gemaakt indien sprake is van een voortdurende en ernstige overtreding van de voorschriften waaraan de vergunning is gebonden.

  • 2.

    Van een staking van de exploitatie als bedoeld in artikel 8, eerste lid onder b, van de verordening wordt geacht sprake te zijn, indien gedurende twee achtereenvolgende jaren geen toeristenbelasting is afgedragen. In dat geval wordt de vergunning geheel ingetrokken.

  • 3.

    Een vergunning kan worden ingetrokken of tijdelijk geheel dan wel gedeeltelijk worden opgeschort als in een jaar tenminste drie maal een boete is opgelegd als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de verordening en overschrijding van het maximale aantal toegestane kampeermiddelen niettemin voortduurt. De duur van de tijdelijke intrekking wordt gerelateerd aan aard en ernst van de overtreding.

  • 4.

    De vergunninghouder wordt gedurende een termijn van 4 weken in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen tegen het voornemen tot intrekking.

Artikel 7 - Inwerkingtreding

Deze nadere regels en beleidsregels treden in werking tegelijk met de Kampeerverordening 2015.

Domburg, 12 mei 2015

Burgemeester en wethouders van Veere,

de secretaris, de burgemeester,

J.F.M. Steinbusch drs. R.J. van der Zwaag

Bijlage Kampeerverordening 2015– Toelichting

Algemeen

De uitgangspunten van het kampeerbeleid zijn neergelegd in de kadernotitie ‘kleinschalig kamperen Veere 2012-2017’, welke door de gemeenteraad op 15 december 2011 is vastgesteld. Voor wat betreft het doel en de noodzaak van deze verordening volgt dit dan ook primair uit de kadernotitie en de bijbehorende nota van toelichting. De kadernotitie is daarom als bijlage aan deze toelichting gehecht.

De Kampeerverordening vormt samen met het bestemmingsplan Buitengebied de juridische uitwerking van de beleidsuitgangspunten uit de kadernotitie. Het bestemmingsplan Buitengebied regelt de ruimtelijk relevante aspecten van het kampeerbeleid. Voor een uitwerking van deze aspecten wordt op deze plaats dan ook verwezen naar het bestemmingsplan Buitengebied. De ruimtelijke criteria waaronder de vestiging en de exploitatie van een kleinschalig kampeerterrein en een landschapscamping wordt toegestaan, vormen een limitatieve toetsingsgrond bij de beoordeling van een aanvraag ter verkrijging van een vergunning op grond van de kampeerverordening (zie hiertoe de toelichting bij artikel 2, tweede lid en artikel 4, derde lid).

Het doel van deze verordening is niet alleen om de niet planologische beleidsuitgangspunten van het kleinschalig kamperen juridisch te borgen, maar tevens om te komen tot deregulering en administratieve lastenverlichting. Het onderscheid tussen regulier kamperen en het kleinschalig kampeerproduct blijft daarbij gehandhaafd. Daarnaast is een toename van het aantal standplaatsen gezien de krimpende kampeermarkt ongewenst, aangezien een (ongelimiteerde) toename van het aanbod tot een kwalitatieve verschraling kan leiden.

Het is echter niet alleen een krimpende kampeermarkt die leidt tot de noodzaak om het kleinschalig kamperen en de landschapscampings te quoteren. Ook het argument van een goede ruimtelijke ordening speelt hierbij een belangrijke rol. Vanwege het behoud en de bescherming van het kwetsbare landschap, dat immers het belangrijkste kapitaal vormt van de gemeente Veere, is beperking van het aantal kleinschalige kampeerterreinen aangewezen. Daarnaast is een overconcentratie van kleinschalige kampeerterreinen in een bepaald gebied met het oog op het landschappelijk draagvlak en de mobiliteit ongewenst. Bovendien wordt met quotering invulling gegeven aan de Structuurvisie Veere 2025 en het provinciale Omgevingsplan 2012-2018, waarin naar consolidering van het aantal bestaande kampeerplaatsen gestreefd wordt. Het bestemmingsplan Buitengebied geeft de ruimtelijke criteria aan, waaraan aanvragen om een kampeervergunning worden getoetst.

De gemeenteraad heeft gelet op de hiervoor genoemde argumenten een bovengrens vastgesteld ten aanzien van het totaal aantal standplaatsen binnen het grondgebied van de gemeente. Die bovengrens kan alleen worden gehandhaafd via een stelsel van kampeervergunningen voor kleinschalige kampeerterreinen. Ten aanzien van landschapscampings geldt een soortgelijk vergunningenstelsel, met dien verstande dat alleen een limiet is gesteld aan het aantal uit te geven vergunningen. Binnen de door de gemeenteraad vastgestelde kaders wordt de kampeerondernemer vervolgens zoveel mogelijk vrijheid van ondernemen geboden.

Deze verordening heeft als onderwerp het kamperen buiten de in het bestemmingsplan als zodanig bestemde reguliere kampeerterreinen. De verordening heeft geen betrekking op het kamperen op de openbare weg of bij de eigen woning, aangezien op beide gevallen (het nieuwe) artikel 4:18 van de Algemene Plaatselijke Verordening van toepassing is. De Verordening kleinschalig kamperen Veere 2008 bevatte met betrekking tot dit onderwerp nog wel een bepaling. De betreffende bepaling is in de Kampeerverordening 2013 komen te vervallen.

De Kampeerverordening 2013 kende een zorgvuldig voorbereidingstraject. De Verordening kleinschalig kamperen gemeente Veere 2008 is begin 2011 geëvalueerd met onder meer een representatieve vertegenwoordiging van de kampeerondernemers en andere direct betrokken instanties. Naar aanleiding van deze evaluatie is de Kadernotitie kleinschalig kamperen Veere 2012-2017 op 15 december 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Ter uitwerking van de kadernotitie is een concept Kampeerverordening opgesteld, die conform de Inspraakverordening ter inzage heeft gelegen van 15 november 2012 tot en met 27 december 2012. Tijdens de inspraakperiode is met de kampeersector als aanvulling op de terinzagelegging de concept kampeerverordening doorgesproken in een nader overleg. De ontvangen inspraakreacties, voor zover zij betrekking hebben op de Kampeerverordening als zodanig, zijn verwerkt in de nota van zienswijzen, welke als bijlage bij de toelichting Kampeerverordening 2013 was gevoegd.

Bij het opstellen van deze kampeerverordening is, zoals ook bij de opstelling van de Kampeerverordening 2013, een extern juridisch deskundige op het gebied van wetgevingstechniek geconsulteerd, de heer mr. W.E.H. Sloots.

Artikelsgewijs

Hieronder wordt voor zover noodzakelijk de verordening per artikel(lid) toegelicht.

Artikel 1

Helder omschreven begripsbepalingen zijn van groot belang voor de handhaafbaarheid van de verordening. Daarnaast zorgen ze voor homogeniteit in de tekst. Het bestemmingsplan Buitengebied bevat gelijkluidende definities.

Vierde lid

Er is voor gekozen het begrip ‘stacaravan’ niet meer afzonderlijk te omschrijven. In plaats daarvan wordt gewerkt met het begrip ‘kampeermiddel’. In de praktijk wordt steeds vaker gebruik gemaakt van alternatieve recreatieve onderkomens, zoals lodges, boerenbedtenten, tipi’s etc. Deze kampeermiddelen onderscheiden zich van vaste kampeermiddelen doordat zij buiten het kampeerseizoen van het kampeerterrein (moeten) zijn verwijderd.

Vijfde lid

Vaste kampeermiddelen zijn door hun locatiegebonden en permanente karakter vrijwel zonder uitzondering aan te duiden als bouwwerk. Op grond van artikel 3, tweede lid van bijlage II behorend bij het Besluit omgevingsrecht kunnen dergelijke bouwwerken zonder omgevingsvergunning geplaatst worden, mits sprake is van gebruik voor recreatief nachtverblijf. Als recreatief nachtverblijf geldt het gebruik van kampeermiddelen door personen die hun hoofdverblijf elders hebben. Vaste kampeermiddelen mogen buiten het kampeerseizoen op het kampeerterrein blijven staan. Via het verbod op winterkamperen (kamperen buiten het kampeerseizoen) wordt het gebruik ten behoeve van recreatief nachtverblijf gewaarborgd.

Zevende lid

Voor iedere uitbreiding van een kleinschalig kampeerterrein is ongeacht het aantal standplaatsen waarop de uitbreiding betrekking heeft een vergunning nodig op grond van artikel 2, eerste lid van de kampeerverordening. Dit biedt de nodige flexibiliteit ten opzichte van de verordening zoals gold tot de Kampeerverordening 2013, waarin alleen was voorzien in een uitbreiding van 15 naar 25 standplaatsen. Daarnaast valt door deze definitie ook nieuwvestiging van een kleinschalig kampeerterrein onder uitbreiding, en dus onder (dezelfde) vergunningplicht. Uit deze definitie volgt bovendien (gelet op de samenhang met het eerste lid), dat nieuwvestiging mogelijk is tot en met 25 standplaatsen ineens.

Artikel 2

Artikel 2 roept een vergunningplicht in het leven voor kleinschalige kampeerterreinen. Deze vergunningplicht is om twee redenen noodzakelijk. In de eerste plaats kan langs deze weg toezicht en handhaving worden uitgeoefend op de (wijze van) exploitatie van kleinschalige kampeerterreinen. In de tweede plaats kan door het stellen van de vergunningplicht controle worden uitgeoefend op het maximaal aantal standplaatsen binnen de gemeente, zoals vastgesteld door de gemeenteraad. De vergunningplicht ziet zowel op de exploitatie als de uitbreiding van kleinschalige kampeerterreinen. Onder uitbreiding wordt, gelet op artikel 1, zevende lid, ook nieuwvestiging verstaan. Nu het op grond van het bestemmingsplan Buitengebied mogelijk is om zonder meer een kleinschalig kampeerterrein van maximaal 25 standplaatsen te exploiteren (mits wordt voldaan aan de bestemmingsplanvoorschriften), is er niet langer een noodzaak om een ontheffingenstelsel in het leven te roepen voor de uitbreiding van kleinschalige kampeerterreinen. In plaats daarvan kan volstaan worden met de vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid.

Eerste lid

De technische aspecten van de vergunningprocedure worden geregeld in de door het college vast te stellen nadere regels en beleidsregels, die ingevolge artikel 9 kunnen worden gesteld. Dit komt de overzichtelijkheid en de leesbaarheid van de verordening ten goede. De verordening is immers niet de plaats om aspecten met betrekking tot de procedure en de uitvoering te regelen. In de tweede plaats kan een bijstelling of aanvulling van deze nadere regels, welke op zeker moment als gevolg van voortschrijdend inzicht noodzakelijk kan worden geacht, op die manier eenvoudiger en sneller worden doorgevoerd. Dit neemt niet weg dat ook (de wijziging van) deze nadere regels moeten voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Tweede lid

In het bestemmingsplan Buitengebied zijn de ruimtelijke randvoorwaarden vastgelegd waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een kampeervergunning op grond van de verordening. De toetsing aan het eerste criterium vindt dus plaats via het bestemmingsplan.

Voor wat betreft het tweede criterium, neergelegd in onderdeel b, geldt dat hierin uitdrukkelijk is vastgelegd dat de aanvrager van een kampeervergunning eigenaar dient te zijn van agrarische grond of de grond in langjarige pacht heeft, welke grond aan dient te sluiten aan het agrarisch bouwvlak. Hiermee wordt gewaarborgd dat de aanvrager op het moment van toetsing zeggenschap heeft en houdt over het gebruik van die gronden en wordt voorkomen dat kleinschalige kampeerterreinen te dicht in de buurt van andere bestemmingen of ontwikkelingen komen te liggen. Onder langjarige pacht wordt verstaan een pachtovereenkomst die is aangegaan voor een pachtperiode van tenminste 5 jaar.

Onderdeel c schrijft voor dat sprake is van een landschappelijke inpassing die voldoet aan de in het bestemmingsplan Buitengebied vastgelegde eisen. Nu er op grond van het bestemmingsplan voor uitbreiding van het kampeerterrein geen nadere ruimtelijke besluitvorming vereist is, dient de voorwaarde van een adequate landschappelijke inpassing alsmede de eisen waaraan die inpassing dient te voldoen te worden afgedwongen langs de weg van de Kampeerverordening, onder verwijzing naar de desbetreffende planvoorschriften.

Onderdeel d regelt de verplichte aanleg van een buffercapaciteit voor alle aanvragers van een kampeervergunning. Ter voorkoming van overbelasting van het lokale rioolstelsel nu en in de toekomst is de tijdelijke opvang van afvalwater op het eigen terrein noodzakelijk. Op het moment dat er weinig aanbod is van afvalwater, zoals in de nachtelijke uren, zal geloosd kunnen worden op het lokale rioolstelsel. Het betreft hier een voortzetting van de bestaande praktijk ten aanzien van de (verplichte) aanleg van een bufferput. Een uitzondering wordt gemaakt voor situaties waarin sprake is van een rechtstreekse aansluiting op de openbare riolering.

Ten aanzien van het laatste criterium, neergelegd in onderdeel e, geldt dat de aanvraag kampeervergunning op grond van het derde lid eveneens wordt geweigerd als honorering van de aanvraag tot een hoger aantal standplaatsen op kleinschalige kampeerterreinen zou leiden dan de door de raad vastgestelde bovengrens van 3.015. In de van deze toelichting deel uitmakende bijlage is het aantal op het moment van vaststelling van de verordening (al dan niet tijdelijk) vergunde standplaatsen op kleinschalige kampeerterreinen weergegeven. De standplaatsen op landschapscampings maken hiervan geen deel uit.

Ondanks de krimpende kampeermarkt blijft er - gezien de unieke geografische ligging en toeristische positie van de gemeente Veere en de hiervoor genoemde planologische argumenten - vanuit juridisch en beleidsmatig oogpunt een behoefte bestaan aan een instrument om een ongebreidelde toename van het aantal standplaatsen te voorkomen. Om die reden is het stellen van een bovengrens aan het totaal aantal standplaatsen in de gemeente Veere noodzakelijk. Er worden daardoor geen nieuwe standplaatsen toegevoegd aan het totaal van het op dit moment toegestane standplaatsen op kleinschalige kampeerterreinen. Hiermee wordt concreet uitvoering gegeven aan het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018, dat eveneens uitgaat van een maximering van het huidige aantal standplaatsen. De bovengrens is gesteld op het overeenkomstig de Verordening kleinschalig kamperen 2008 aantal theoretisch uit te geven standplaatsen. De bovengrens wordt daarmee vastgesteld op 171 x 15 + 450 (45 uitbreiders x 10 standplaatsen) = 3.015 standplaatsen. Uit de overzichtslijst blijkt dat er op het moment van vaststellen van de actuele kampeerverordening 161 kampeervergunningen zijn verleend met in totaal 2904 standplaatsen.

Ten behoeve van een transparante besluitvorming dient vanzelfsprekend inzicht te bestaan in de ‘voorraad’ nog uit te geven standplaatsen. Tijdens de behandeling van de kadernotitie is door de gemeenteraad bovendien nadrukkelijk de wens geuit dat handel in kampeervergunningen moet worden voorkomen. De kans dat zonder aanvullende bepalingen een dergelijke handel gaat ontstaan is immers aanwezig, nu het stellen van een bovengrens aan het aantal te vergunnen standplaatsen tot schaarste kan leiden.

Naast een bovengrens aan het aantal uit te geven standplaatsen, wordt ter voorkoming van een versnippering en ongebreidelde toename van het aantal minicampings als zodanig ook een bovengrens aan het aantal uit te geven kampeervergunningen gesteld. Nu het aantal uit te geven standplaatsen is gerelateerd aan het aantal op grond van de eerdere verordening uit te geven standplaatsen, geldt dit ook voor het aantal kampeervergunningen. Om die reden is onder overname van het quotum uit de Verordening kleinschalig kamperen 2008 het maximaal aantal kampeervergunningen op 171 gesteld.

Indien sprake is van één van de weigeringsgronden als vermeld in het tweede lid, wordt de kampeervergunning geweigerd. Dit neemt niet weg dat de kampeervergunning onder voorwaarden kan worden verleend (zie het vijfde lid). Uitzondering op het stelsel van weigeringsgronden in het tweede lid, betreft de situatie waarin het besluit tot intrekking van de kampeervergunning (op initiatief van het college) later wordt herroepen. Met de mogelijkheid van herroeping van een belastend besluit dient immers altijd rekening te worden gehouden. Herstel van de gevolgen van het intrekkingsbesluit (het vervallen van de vergunde standplaatsen) is niet mogelijk als de weigeringsgrond van artikel 2, tweede lid, onder e, onverkort op die situatie van toepassing zou zijn. Dat is onwenselijk en in strijd met de beoogde werking van een herstelbesluit. In de door het college vastgestelde nadere regels en beleidsregels wordt een besluit tot herroeping daarom gelijk gesteld met een kampeervergunning op grond van de verordening.

Derde lid

Paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht heeft betrekking op de van rechtswege verleende vergunning. Invoering van dit principe is in dit geval onwenselijk, omdat daarmee het risico wordt gelopen dat de bovengrens van het aantal standplaatsen ongewild wordt overschreden. Dit zou een onevenredig grote aantasting van de werking van het stelsel van kampeervergunningen tot gevolg hebben.

Vierde lid

In sommige gevallen is voor realisering van het plan tot uitbreiding van een kleinschalig kampeerterrein een omgevingsvergunning nodig. Dit geldt als op de betreffende locatie sprake is van een omgevingsvergunningplichtige situatie voor de activiteit bouwen, aanleggen of gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Dit geldt dus niet wanneer het bestemmingsplan Buitengebied gewijzigd dient te worden om de gevraagde ontwikkeling mogelijk te maken. Met de aanhoudingsregeling als neergelegd in het vierde lid wordt gewaarborgd dat de benodigde toestemming wordt verkregen en de aanvraag kampeervergunning niettemin binnen de formele beslistermijn wordt afgehandeld.

Vijfde en zesde lid

Het uitgangspunt is dat een kampeervergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend. Een kampeervergunning kan echter ook onder voorwaarden worden verleend, omdat nog niet is voldaan aan alle eisen als gesteld in het tweede lid. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald dat de vergunninghouder binnen een nader vast te stellen termijn moet voldoen aan (de eisen van) een goede landschappelijke inpassing. In het geval de kampeervergunning onder één of meer voorwaarden wordt verleend, geldt dat de kampeervergunning voor bepaalde tijd wordt verleend. Hoe lang deze termijn is, is afhankelijk van de voorwaarde(n) die worden gesteld. Na afloop van de termijn vervalt de kampeervergunning van rechtswege. Hieruit volgt dat het de verantwoordelijkheid van de aanvrager/vergunninghouder is om tijdig aan de voorwaarde te gaan voldoen en een kampeervergunning voor onbepaalde tijd te verkrijgen. Daartoe dient bij het college een verzoek tot verkrijging van een kampeervergunning voor onbepaalde tijd te worden ingediend. Indien aan de voorwaarden als gesteld in de tijdelijke kampeervergunning wordt voldaan, zal het verzoek worden toegewezen. Het college beoordeelt of dit het geval is.

Zevende lid

Aan de kampeervergunning wordt standaard een set van voorschriften verbonden, die deels rechtstreeks gebaseerd zijn op de bepalingen van de Kampeerverordening. Indien de vergunninghouder niet aan deze voorschriften voldoet, kan op grond hiervan de kampeervergunning tijdelijk of geheel worden ingetrokken (artikel 8, eerste lid, onder a).

Achtste lid

Op grond van het zevende lid wordt de kampeervergunning op naam gesteld van de aanvrager. Artikel 7 van de verordening bevat voorschriften met betrekking tot de wijziging van tenaamstelling van een kampeervergunning.

Tiende en elfde lid

Het tiende lid maakt het mogelijk om een ander dan de vergunninghouder het toezicht op de minicamping te laten uitoefenen. De aanvrager wordt geacht niet het dagelijks toezicht op de minicamping uit te oefenen, als hij niet de bewoner is van de woning aanwezig op en behorend bij het agrarisch bouwvlak. Op zichzelf gezien bestaat geen bezwaar tegen het loskoppelen van de exploitatie en het toezicht, zolang is gewaarborgd dat het toezicht wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning die volgens het bestemmingsplan Buitengebied hoort bij het (voormalig) agrarisch bouwvlak (zie negende lid). Zowel in ruimtelijk opzicht (landschappelijke inpassing) als in het kader van het behoud van het unieke product kleinschalig kamperen (de beleving van het “kamperen bij de boer”) ligt er een directe koppeling tussen het (al dan niet langer aanwezige) agrarische bouwvlak met bijbehorende (voormalig agrarische) bedrijfswoning en het kleinschalig kampeerterrein. Om die reden is uitoefening van het toezicht alleen toegestaan vanuit de woning behorend bij het (voormalig) agrarische bouwvlak. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de correcte vermelding van de toezichthouder in de kampeervergunning.

Artikel 3

Artikel 3 bevat de randvoorwaarden waarbinnen het kleinschalig kamperen plaatsvindt. Het betreft hier algemene kaders die grotendeels een voortzetting vormen van het eerdere beleid. Wel is – binnen de beperkingen van artikel 2, tweede lid - zoveel mogelijk ruimte gelaten aan de ondernemer. De regeling sluit verder zoveel mogelijk aan bij nieuwe ontwikkelingen binnen de kampeerbranche en de behoeften van kampeerders en ondernemers, waarbij anderzijds gestreefd wordt naar instandhouding van het unieke karakter van kleinschalige kampeerterreinen.

Artikel 4

Het eerste lid roept een vergunningplicht in het leven voor landschapscampings. Op deze manier kan toezicht en handhaving worden uitgeoefend op de (wijze van) exploitatie van een landschapscamping. In de tweede plaats kan door het stellen van de vergunningplicht het maximum aantal uit te geven vergunningen worden gehandhaafd. De vergunningplicht is voor de exploitatie van een landschapscamping, waardoor het is toegestaan 60 standplaatsen te realiseren en te exploiteren. Een uitbreiding van een landschapscamping is niet aan de orde.

Tweede lid

Uit de bepaling volgt in de eerste plaats dat geen vergunning voor een landschaps-camping kan worden verkregen als reeds een vergunning voor een kleinschalig kampeerterrein is verleend. Wanneer sprake is van doorgroei van een kleinschalig kampeerterrein naar een landschapscamping, vervalt de verleende vergunning voor een kleinschalig kampeerterrein. De standplaatsen van het kleinschalig kampeerterrein vloeien terug in het daarvoor bestemde quotum. Voor landschapscampings is voorts een bovengrens vastgesteld aan het aantal te verlenen vergunningen. Op het moment dat 5 vergunningen voor een landschapscamping zijn verleend, worden de overige aanvragen geweigerd. De quotering is afgeleid van het aantal plaatsen dat in de Regiovisie Walcheren 2000+ beschikbaar was voor plattelandstoerisme in de vorm van o.a. een hofstedecamping. Bij de vaststelling van het quotum is in de beleidsnota 2008 rekening gehouden met een doorgroei van de 3 bestaande hofstedecampings/boerenboscampings, zodat er ruimte was voor de realisering van 2 nieuwe landschapscampings. Indien een hofstedecamping niet wil of kan doorgroeien bestaat er ruimte voor nieuwvestiging van een landschapscamping zolang er quotum beschikbaar is. Voor de argumentatie om evenals het kleinschalig kamperen het aantal landschapscampings te quoteren wordt verwezen naar het algemene gedeelte van deze toelichting.

Vijfde en zesde lid

Voor aanvragen ter verkrijging van een vergunning voor een landschapscamping geldt dat, alvorens op die aanvraag kan worden beslist, de bestemming moet worden gewijzigd door toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan Buitengebied. Voor deze situatie kent het vijfde lid een aanhoudingsregeling.

Voor het overige gelden voor aanvragen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, dezelfde regels met betrekking tot aanhouding en vergunningverlenging als bij een aanvraag voor kleinschalige kampeerterreinen. Indien op enig moment ruimte ontstaat om een nieuwe vergunning voor een landschapscamping te verstrekken, komt hiervoor de eerste aanvrager op de wachtlijst in aanmerking.

Artikel 5

Dit artikel bepaalt dat voor kamperen op landschapscampings materieel dezelfde regels gelden als voor het kleinschalig kamperen.

Artikel 6

Naast het kamperen op kleinschalige kampeerterreinen en landschapscampings komt het enkele malen per jaar voor dat in het kader van een evenement een terrein wordt ingericht en gebruikt als kampeerterrein ten behoeve van dat evenement. Aangezien deze gevallen niet worden gedekt door artikel 2 en 4 van de verordening, is hiervoor een afzonderlijke ontheffingsmogelijkheid opgenomen in artikel 6. Voor de omschrijving van het begrip evenement is aangesloten bij het bepaalde in artikel 2:24 van de APV.

Artikel 7

In dit artikel is de wijziging van de tenaamstelling van kampeervergunningen geregeld. Voorheen werd uitsluitend van 'overdracht' gesproken. Dat miskent dat weliswaar sprake is van een contract tussen twee private partijen, maar dat het aan het bestuur is om te bepalen of een vergunning op naam van een ander kan worden gesteld. Een vergunning is immers een publiekrechtelijk instrument.

Overdracht van kampeervergunningen moet immers niet leiden tot een ongewenste handel in kampeervergunningen. Dat neemt niet weg dat het voor een vergunninghouder onder voorwaarden mogelijk moet zijn om de kampeervergunning, welke immers een bepaalde economische waarde vertegenwoordigt, over te dragen aan een derde. Van belang daarbij is het behoud en de borging van de toezichtrelatie tussen de bewoner van de bij het (voormalige) agrarisch bedrijf aanwezige woning en het kleinschalig kampeerterrein.

Vierde lid

Bij wijziging van de tenaamstelling van kampeervergunningen vindt geen toetsing meer plaats aan de eisen voor uitbreiding (waaronder dus tevens begrepen nieuwvestiging) zoals opgenomen in artikel 2, tweede lid, onder a en b, en artikel 4, derde lid, onder a. Het betreft hier een formalisering van een reeds onder de Verordening kleinschalig kamperen 2008 in de praktijk gebracht beleid. De nieuwe exploitant dient – uiteraard - wel te voldoen aan dezelfde exploitatievoorwaarden als opgenomen in de aan de vorige exploitant verleende kampeervergunning.

Vijfde lid

Bij wijziging van de tenaamstelling van kampeervergunningen wordt de toezichtrelatie in de verordening vastgelegd door te bepalen dat overdracht alleen plaats mag vinden aan de (nieuwe) eigenaar van de woning en artikel 2, negende tot en met elfde lid, van de kampeerverordening van overeenkomstige toepassing te verklaren. Van deze voorwaarde kan slechts gemotiveerd worden afgeweken in uitzonderlijke gevallen. Daarvan is sprake als feitelijke overdracht van de kampeervergunning nog niet aan de orde is, bijvoorbeeld bij tijdelijke verhuur van een kleinschalig kampeerterrein in afwachting van de verkoop daarvan. Bij gemotiveerd afwijken zoals bijvoorbeeld voor tijdelijke verhuur wordt uitgegaan van maximaal twee achtereenvolgende kampeerseizoenen. Daarna moet een volwaardige overdracht plaatsvinden of wordt de kampeervergunning ingetrokken. Bij intrekking vloeien de standplaatsen terug in het quotum.

Artikel 8

De intrekking of het opschorten van kampeervergunningen moet worden aangemerkt als een bestuurlijke sanctie, tenzij de intrekking plaatsvindt op verzoek van de vergunninghouder zelf. De uitoefening van de bevoegdheid tot intrekking, voor zover dit inderdaad een bestuurlijke sanctie is, is vanzelfsprekend aan de regels van bestuurlijke handhaving gebonden. Het systeem van intrekking in samenhang met de bovengrens die aan het aantal standplaatsen en kampeervergunningen is gesteld impliceert niettemin een actieve houding van het college ten aanzien van de uitoefening van die bevoegdheid. Om te voorkomen dat het college in de uitoefening van deze bevoegdheid door derden te veel beperkt of beïnvloed wordt, is het van belang de intrekking van kampeervergunningen op een goede manier te regelen. Die regeling vindt plaats op grond van artikel 8 van de verordening in (directe) samenhang met de door het college vast te stellen nadere regels.

Eerste lid

In het eerste lid zijn de redenen opgenomen op grond waarvan een vergunning kan worden ingetrokken of de werking tijdelijk wordt opgeschort. In de door het college vast te stellen nadere regels en beleidsregels vindt de uitwerking van die redenen plaats. Gelet op het ingrijpende karakter van deze sanctie zal van de bevoegdheid tot intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel a, in beginsel slechts gebruik worden gemaakt in het geval sprake is van een voortdurende of ernstige overtreding van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

Onderdeel b geeft het bestuur de bevoegdheid tot het intrekken van de kampeervergunning, indien niet (langer) wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de kampeervergunning is verleend. Aangezien de toetsing van de aanvraag aan de vergunningcriteria slechts een momentopname is, bestaat er behoefte aan een sanctiemiddel teneinde te waarborgen dat ook in de toekomst wordt voldaan aan de voorschriften waaronder de kampeervergunning is verleend.

Onderdeel c is toegevoegd vanuit de gedachte dat kampeervergunningen waarvan geen gebruik wordt gemaakt moeten worden ingetrokken, zodat de door intrekking van die ‘slapende’ vergunningen vrijkomende standplaatsen ten goede komen aan de markt. Het belang van deze intrekkingsgrond is duidelijk, gezien de bovengrens aan het aantal standplaatsen. Zie in dit verband ook de tekst bij artikel 2, tweede en derde lid. De exploitatie wordt geacht te zijn gestaakt indien gedurende twee achtereenvolgende jaren geen toeristenbelasting is afgedragen. Het betreft hier een objectief criterium dat slechts een beperkte administratieve belasting met zich meebrengt. Dit bewijs kan indien nodig worden aangevuld met verklaringen van toezichthouders dat de exploitatie feitelijk is gestaakt.

Voordat van de bevoegdheid tot intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel a tot en met c, gebruik wordt gemaakt, wordt de vergunninghouder altijd in kennis gesteld van het voornemen tot intrekking en in de gelegenheid gesteld diens zienswijzen op dat voornemen in te dienen.

Onderdeel d spreekt voor zich. Vrijwillige inlevering van de kampeervergunning wegens bedrijfsbeëindiging of een andere reden is natuurlijk altijd mogelijk. Een formele intrekking van de kampeervergunning blijft echter ook in dat geval noodzakelijk. Van een kennisgeving van het voornemen tot intrekking kan dan verder worden afgezien.

Tweede lid

Deze bepaling is van belang voor de gevolgen die een besluit tot intrekking heeft voor de handhaving en de voorwaarden waaronder de door de intrekking vrijkomende standplaatsen worden herverdeeld. Een besluit tot intrekking als bedoeld in het eerste lid treedt pas in werking met ingang van het jaar volgend op het jaar waarop het besluit is genomen, tenzij de veiligheid in het geding is. Hiermee wordt in de eerste plaats voorkomen dat de vergunninghouder gedurende het lopende kampeerseizoen wordt geconfronteerd met een handhavingsmaatregel die directe gevolgen heeft voor de toestemming tot exploitatie en campinggasten worden gedupeerd.

Artikel 9

Het college kan nadere regels en beleidsregels vast stellen ten aanzien van de behandeling van een aanvraag, ontheffing, wijzigen van de tenaamstelling, intrekken of opschorten van een vergunning.

Ten behoeve van een efficiënte procedure zijn standaard aanvraagformulieren beschikbaar. Indien de aanvraag niet-ontvankelijk is kan de aanvraag op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb immers eenvoudig buiten behandeling worden gesteld, mits de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen.

Door middel van de nadere regels en beleidsregels wordt de noodzakelijke transparantie gewaarborgd en wordt beleid gevormd ten aanzien van de totstandkoming en (her)uitgifte van de beschikbare standplaatsen. Op deze wijze houdt de gemeente de regie op de uitgifte van standplaatsen. Deze nadere regels en beleidsregels zijn vanwege hun technische karakter niet opgenomen in de verordening.

Artikel 10

In aanvulling op de mogelijkheid tot het opleggen van bestuurlijke herstelsancties, wordt in het kader van een effectieve handhaving in de praktijk de behoefte gevoeld om ten aanzien van enkele specifieke overtredingen sneller op te kunnen treden door in die gevallen een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 5:40, eerste lid, van de Awb op te leggen. Het betreft hier overtredingen die samenhangen met de exploitatie als zodanig, zoals overschrijding van het maximaal aantal toegestane kampeermiddelen en het niet verwijderen van reguliere kampeermiddelen buiten het kampeerseizoen. In de voorgaande verordening ontbraken deze boetebepalingen.

Nu de hoogte van de bestuurlijke boete voor de in dit artikel genoemde overtredingen niet bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, geldt artikel 5:46, tweede lid, van de Awb. De hoogte van de bestuurlijke boete moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreding kan worden verweten. Daarbij dient zo nodig rekening gehouden te worden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Artikel 9, eerste en tweede lid, gaat uit van een maximaal boetebedrag van € 250,-. Gelet op het economisch voordeel dat kan worden behaald met het overtreden van het maximaal toegestane aantal standplaatsen (met name in het hoogseizoen) moet de maximale hoogte van de bestuurlijke boete evenredig worden geacht in relatie tot de overtreding.

De uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van bestuurlijke boetes kan uitgewerkt worden in een beleidsregel, welke beoogt de handhaving van deze voorschriften in de praktijk te regelen.

Op grond van artikel 5:47 van de Awb blijft een bestuurlijke boete achterwege voor gedragingen die op grond van artikel 10, eerste lid, van de verordening tevens een strafbaar feit zijn en waarvoor de overtreder door het Openbaar Ministerie wordt vervolgd.

Artikel 12

Eerste, tweede en derde lid

Deze tekst is in deze verordening opgenomen om kampeervergunningen voor het exploiteren van een kleinschalig kampeerterrein en het exploiteren van een landschapscamping verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening te laten beschouwen als een vergunning in de zin van de Kampeerverordening.

Vierde lid

Het vierde lid beschermt de status van aanvragers welke een aanvraag hebben gedaan in de periode, waarin relevante bepalingen van het bestemmingsplan Buitengebied door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waren vernietigd. Hun aanvragen zouden daardoor getoetst moeten worden aan de bepalingen in het voorgaande bestemmingsplan Buitengebied, waarin andere eisen waren opgenomen voor het stichten van een kleinschalig kampeerterrein. Daardoor bestaat de kans dat hun aanvraag, al dan niet na een rechterlijke procedure, alsnog zal moeten worden afgewezen, terwijl het in 2015 vastgestelde, op de vernietigde onderdelen verbeterde bestemmingsplan Buitengebied tot honorering van hun aanvragen zou leiden. Gelet op het bij de vaststelling van deze verordening nog beperkte resterende quotum nog te vergunnen kampeerplaatsen gaat het niet aan om deze aanvragers de dupe te laten worden van een omissie in het eerdere bestemmingsplan Buitengebied. De oorspronkelijke datum van hun aanvraag wordt in dergelijke gevallen voor de volgorde van binnenkomst – bepalend voor het kunnen toekennen van kampeerplaatsen bij het verlenen van een vergunning – dan ook beschouwd als datum van aanvraag voor de toepassing van de voorliggende verordening.

Vijfde lid

In de Verordening kleinschalig kamperen 2008 ontbrak overgangsrecht ten aanzien van de zgn. hofstedecampings. Er moet echter rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de in het voorgaande kampeerbeleid veronderstelde doorgroei van een bestaande hofstedecamping naar een landschapscamping niet in alle (3) de situaties doorgang vindt, hetzij omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van een landschapscamping, hetzij omdat de eigenaar van de hofstedecamping hieraan geen behoefte meer heeft. In die situatie is het de vraag wat dan de status van de bestaande hofstedecamping is, aangezien die kampeervorm inmiddels is komen te vervallen. Voor deze gevallen wordt in het vierde lid een overgangsbepaling opgenomen.

Zesde en zevende lid

Onder de Verordening kleinschalig kamperen 2008 werden kampeerontheffingen voor uitbreiding verleend voor een bepaalde termijn. Na het verstrijken van de termijn van 5 jaren zou bij een strikte uitleg van de bepalingen van die verordening opnieuw moeten worden getoetst aan alle criteria van het bestemmingsplan Buitengebied. Dit leidt bij nader inzien tot onwenselijke situaties en staat op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel waarop vergunninghouders zich kunnen beroepen. De vijfjaarlijkse hertoetsing is vervallen. Kampeerontheffingen verleend op basis van de Verordening kleinschalig kamperen 2008 worden op grond van het eerste, tweede en vierde lid, van dit artikel in de actuele verordening geacht voor onbepaalde tijd te zijn verleend. Mits, zo beperkt het zevende lid die fictie, zij blijven binnen de grenzen van het besluit dat eertijds aan hun vergunning of toestemming ten grondslag heeft gelegen.

Artikel 13

De Kampeerverordening 2013 wordt ingetrokken op de datum dat de Kampeerverordening 2015 in werking treedt.

Artikel 14

Uitgangspunt is dat de rechtstreekse koppeling tussen de Kampeerverordening en het bestemmingsplan Buitengebied in stand blijft. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking.