Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Oegstgeest

Bomenverordening Oegstgeest 2010

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieOegstgeest
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBomenverordening Oegstgeest 2010
CiteertitelBomenverordening Oegstgeest 2010
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling is vastgesteld en bekendgemaakt als onderdeel van het verzamelbesluit voor het opnieuw vaststellen en bekendmaken van de verordeningen ten behoeve van centrale ontsluiting van lokale regelgeving. Artikel 25 bevat een overgangsrecht. De Bomenverordening wordt hierbij ingetrokken.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Gemeentewet, art. 149

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

23-12-2010nieuwe regeling

28-10-2010

Oegstgeester Courant, 15-12-2010

Onbekend.

Tekst van de regeling

Intitulé

Bomenverordening Oegstgeest 2010

De raad van de gemeente Oegstgeest;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 24 augustus 2010, nr. 85/10;

b e s l u i t :

vast te stellen de navolgende

BOMENVERORDENING OEGSTGEEST 2010

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijving

  • 1.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    a.

    boom:

    een houtachtig gewas met een stamomtrek van minimaal 31 centimeter op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamomtrek van de dikste stam;

    b.

    houtopstand:

    één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen;

    c.

    hakhout:

    één of meer bomen of boomvormers die - na te zijn geveld – opnieuw op de stronk uitlopen;

    d.

    dunning:

    velling, die uitsluitend als een voorzorgsmaatregel ter bevordering van de groei en instandhouding van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd indien deze houtopstand als bosperceel kan worden aangemerkt;

    e.

    knotten/kandelaren:

    het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaarde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

    f.

    bebouwde kom:

    de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;

    g.

    bosperceel:

    houtopstand die een zelfstandige eenheid vormt en ofwel een grotere oppervlakte beslaat dan 10 are (1000 m2), ofwel in geval van bijbeplanting, gerekend over het totale aantal rijen, meer bomen omvat dan 20;

    h.

    boomwaarde:

    het getal dat, overeenkomstig de Methode Raad, wordt berekend;

    i.

    monumentale boom of :

    houtopstand

    een boom of houtopstand die als zodanig is aangewezen op een door burgemeester en wethouders vast te stellen lijst van monumentale en waardevolle bomen en houtopstanden, als bedoeld in hoofdstuk 4 van deze verordening;

    j.

    bijzondere, waardevolle of beeldbepalende boom, boomgroep of houtopstand:

    een boom, boomgroep of houtopstand die als zodanig is aangewezen op een door burgemeester en wethouders vast te stellen lijst van monumentale en waardevolle bomen en houtopstanden, als bedoeld in hoofdstuk 4 van deze verordening, of een boom, boomgroep of houtopstand die als zodanig door burgemeester en wethouders is gemerkt;

    k.

    bomenfonds:

    een fonds waaruit burgemeester en wethouders een bijdrage kunnen verlenen in de kosten van maatregelen die noodzakelijk zijn voor het duurzaam instandhouden van monumentale bomen of houtopstanden, bijzondere of waardevolle bomen of houtopstanden, beeldbepalende boomgroepen of bomen, boomgroepen of houtopstanden waarvoor een kapvergunning is geweigerd dan wel voor bomen, boomgroepen of houtopstanden waarvoor een instandhoudingsplicht is opgelegd;

    l.

    Wabo

    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    m.

    vergunning

    een omgevingsvergunning als bedoeld in 2.2, lid 1, sub g van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    n.

    bevoegd gezag

    bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    o.

    het college

    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oegstgeest;

    p.

    Regeling Omgevingsrecht

    Ministeriële regeling houdende nadere regels ter uitvoering van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht;

    q.

    Besluit Omgevingsrecht

    Algemene maatregel van bestuur houdende regels ter uitvoering van de Wabo.

  • 2.

    In deze verordening wordt onder vellen mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel bovengronds als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

  • 3.

    De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.

HOOFDSTUK 2 VERGUNNINGEN

Artikel 2 Kapverbod

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen:

    • a.

      als bedoeld in artikel 1 lid i en j;

    • b.

      in gebieden waar ter bescherming van aangewezen dorpsgezichten volgens het bestemmingsplan een aanlegvergunningenstelsel van kracht is;

    • c.

      bomen en houtopstanden op terreinen onderdeel van of behorende bij een gemeentelijk of rijksmonument.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden indien het betreft:

    • a.

      populieren en wilgen als wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot;

    • b.

      fruitbomen, en windschermen om boomgaarden;

    • c.

      fijnsparren of coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    • d.

      kweekgoed;

    • e.

      houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 1, vijfde lid van de Boswet, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, ofwel in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale aantal rijen, niet meer bomen omvat dan 20.

  • 3.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het college van burgemeester en wethouders, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 9 van deze verordening;

    • b.

      houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;

    • c.

      het periodiek knotten of kandelaren als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten.

Artikel 3 Vergunningaanvraag

  • 1.

    De vergunning dient te worden aangevraagd conform hoofdstuk 1 en hoofdstuk 7 van de Regeling Omgevingsrecht.

  • 2.

    Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 2 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in 4-voud ingediend.

  • 3.

    Wanneer de directeur Natuur, Landschap en Platteland van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan burgemeester en wethouders een afschrift heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het bevoegd gezag dit afschrift mede als vergunningaanvraag.

Artikel 4 Beslissingstermijn vergunning

(vervallen; nu geregeld in artikel 3.9 van de Wabo)

Artikel 5 Weigeringgronden vergunning

  • 1.

    Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften de vergunning verlenen in het belang van onder meer:

    • -

      de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;

    • -

      de landschappelijke waarde van de houtopstand;

    • -

      de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

    • -

      de dendrologische waarde van de houtopstand

    • -

      de waarde van de houtopstand voor het dorpsschoon;

    • -

      de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    • -

      de waarde van de houtopstand voor recreatie en leefbaarheid van het dorp.

  • 2.

    Bij de beslissing op een aanvraag verwijst het bevoegd gezag zoveel mogelijk naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan bij de weigering van de vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren.

  • 4.

    Een kapvergunning kan worden geweigerd op de enkele grond dat de bouw- of aanlegplannen nog niet definitief zijn.

  • 5.

    Nadat een bouw- of aanlegvergunning is verleend, kan een kapvergunning worden geweigerd indien de rechthebbende aanvrager van een kapvergunning niet, of niet tijdig, of niet volledig de aanwezigheid heeft gemeld van een beeldbepalende of anderszins waardevolle houtopstand aan het bevoegd gezag.

Artikel 6 Spoedeisende gevallen

Het college kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van direct gevaar voor veiligheid van personen en zaken, waaronder mede begrepen het gevaar voor besmettelijke ziekten.

Artikel 7 Openbaarmaking vergunning

(vervallen; nu geregeld in artikel 3.9 van de Wabo)

Artikel 8 Standaardvoorwaarde van niet-gebruik vergunning

(vervallen; nu geregeld in artikel 6.1, lid 2, sub a van de Wabo)

Artikel 9 Vervaltermijn vergunning

De vergunning als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub m vervalt, indien daarvan niet binnen maximaal twee jaar na afgifte volledig gebruik is gemaakt.

Artikel 10 Bijzondere vergunningvoorschriften

  • 1.

    Aan een vergunning kan het voorschrift worden verbonden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herbeplant. Indien het gemeentelijk beleid of een bestemmings-, bomen-, groen-, of landschapsplan de te vellen houtopstand als waardevol omschrijft, wordt, in beginsel, een herplantplicht opgelegd.

  • 2.

    Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 3.

    Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften behoort het verbod om gedurende het broedseizoen van 15 maart tot 15 juli gebruik te maken van de vergunning, tenzij het bevoegd gezag om zwaarwegende redenen van dit voorschrift afwijken. Ook buiten deze periode zal het verboden zijn een boom te kappen als zich op dat moment (nog) een bewoond nest in de boom bevindt. Voorts worden voorschriften ter bescherming van flora en fauna (Flora- en Faunawet) aan de vergunning verbonden.

  • 4.

    Wanneer een vergunning als bedoeld in artikel 2 wordt aangevraagd ter realisering van een bouwplan kan aan de vergunning het voorschrift worden verbonden dat van de vergunning geen gebruik mag worden gemaakt totdat de beslissing op de aanvraag van een bouwvergunning onherroepelijk is geworden.

  • 5.

    Wanneer een vergunning als bedoeld in artikel 2 wordt aangevraagd ter realisering van een bouwplan kan aan de vergunning het voorschrift worden verbonden dat volgens aanwijzingen van de gemeente Oegstgeest (er kan om een Bomen Effect Analyse gevraagd worden) tijdens de werkzaamheden de te handhaven bomen afdoende worden beschermd.

Artikel 11 Verhouding kap-, bouw-, aanleg- of uitwegvergunning

  • 1.

    Het bevoegd gezag stemt de procedures betreffende kap-, bouw-, aanleg- en uitwegvergunning in het ontwerpstadium op elkaar af.

  • 2.

    De kap-, bouw-, aanleg- en uitwegvergunningen worden zoveel mogelijk per project gelijktijdig afgegeven.

Artikel 12 Herplant-/instandhoudingsplicht

  • 1.

    Indien houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk-gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn, dan wel verplichten tot het betalen van een financiële compensatie.

  • 2.

    Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald op welke wijze en binnen welke termijn niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 3.

    Indien houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze verordening van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk-gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn maatregelen te nemen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  • 4.

    Indien het bevoegd gezag van de in het derde lid genoemde bevoegdheid gebruikmaakt, kan zij daarbij bepalen dat de zakelijk-gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, in aanmerking komt voor een bijdrage.

Artikel 13 Schadevergoeding

Op een aanvraag om schadevergoeding op grond van artikel 17, juncto artikel 13, vierde lid, van de Boswet, beslist het college van burgemeester en wethouders.

HOOFDSTUK 3 BESTRIJDING VAN BESMETTELIJKE ZIEKTEN

Artikel 14 Bestrijding van iepziekte

  • 1.

    Dit artikel verstaat onder:

    • a.

      iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

    • b.

      iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.

  • 2.

    Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders gevaar opleveren van verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college van burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    • a.

      indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;

    • b.

      de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;

    • c.

      de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

  • 3.
    • a.

      het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben;

    • b.

      het verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter;

    • c.

      het college van burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het onder a van dit lid gestelde verbod.

  • 4.

    Het niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

Artikel 15 Andere besmettelijke ziekten dan iepziekte

Indien gevaar voor besmetting door andere ziekten zulks noodzakelijk maakt, kunnen burgemeester en wethouders de rechthebbende verplichten tot het treffen van bij aanschrijving vast te stellen maatregelen.

HOOFDSTUK 4 MONUMENTALE, BIJZONDERE OF WAARDEVOLLE BOMEN EN HOUTOPSTANDEN

Artikel 16 Lijst van monumentale en waardevolle bomen en houtopstanden

  • 1.

    Burgemeester en wethouders stellen een lijst van monumentale en waardevolle bomen en houtopstanden vast en kunnen daarin ambtshalve of op verzoek wijzigingen aanbrengen.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen een boom of een houtopstand van ten minste 50 jaar oud op de lijst plaatsen indien deze als monumentaal worden aangemerkt, omdat:

    • a.

      de boom of houtopstand van een in Oegstgeest zeldzame soort, van een zeldzaam type of van een hoge leeftijdsklasse is, of

    • b.

      de boom of houtopstand onderdeel is van - en van vitale betekenis is voor - een biotoop van een (in de omgeving van Oegstgeest) schaars voorkomende planten- of diersoort, dan wel indien de boom of houtopstand anderszins van meer dan een normale ecologische betekenis is.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve of op verzoek bomen of houtopstanden als bijzonder, waardevol of beeldbepalend aanmerken wanneer de boom of houtopstand:

    • a.

      beeldbepalend is voor het karakter van de omgeving, of

    • b.

      een onderdeel vormt van een houtopstand die als zodanig is aangemerkt in de ecologische hoofdstructuur in het groenbeleidsplan en die karakteristiek is voor dorp en/of landschap, of

    • c.

      ter gelegenheid van een belangrijke maatschappelijke gebeurtenis is geplant (een gedenkboom), of

    • d.

      bijzonder is door zijn uitzonderlijke hoogte, dikte, snoeiwijze of anderszins.

  • 4.

    Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve of op verzoek een boomgroep als bijzonder of waardevol aanmerken wanneer deze op zichzelf of vanwege de stedenbouwkundige ligging of vanwege de samenhang met de gebouwde omgeving beeldbepalend is.

  • 5.

    Indien een boom, boomgroep of houtopstand als monumentaal, bijzonder, waardevol of beeldbepalend is aangemerkt, kan het bevoegd gezag daarvoor slechts op zwaarwegende gronden en na advies van de gemeentelijke deskundigen of een daartoe aan te stellen onafhankelijke deskundige, een kapvergunning verlenen en steeds onder de voorwaarde dat er een herplant plaatsvindt of eventueel dat een nader door het bevoegd gezag te bepalen financiële compensatie in een bomenfonds wordt gestort.

  • 6.

    Burgemeester en wethouders leggen een voorgenomen besluit tot plaatsing op de lijst zo nodig om advies voor aan een onafhankelijke deskundige van monumen-tale en bijzondere bomen.

  • 7.

    De lijst vermeldt ten minste een voor eenieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats, het kadastrale perceelsnummer, de eigenaar en/of zakelijk-gerechtig-de en de reden van plaatsing van iedere boom, boomgroep of houtopstand. Zo nodig worden de onderdelen waarop de bescherming is gericht met name genoemd.

  • 8.

    Het college van burgemeester en wethouders verleent aan de standplaatsen van monumentale bomen de bestemming ‘groeiplaats boom’, onder vermelding van de stam- en kroonprojectie van deze bomen.

Artikel 17 Bekendmaking

Een besluit tot plaatsing op de lijst wordt onverwijld meegedeeld aan de eigenaar en/of zakelijk-gerechtigde en voorts aan degenen die om plaatsing hebben verzocht. Van een besluit tot plaatsing op de gemeentelijke lijst doen burgemeester en wethouders voorts openbare kennisgeving.

Artikel 18 Wijziging van de lijst

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen besluiten tot het afvoeren van een monumentale boom of houtopstand van de lijst indien:

    • a.

      de boom of houtopstand in een onomkeerbare slechte conditie verkeert;

    • b.

      sprake is van dreigend gevaar of schade voor derden;

    • c.

      de reden om tot plaatsing op de lijst over te gaan niet meer aanwezig is;

    • d.

      zwaarwegende belangen op het terrein van de volkshuisvesting, de ruimtelijke ordening of milieubeheer dit vereisen.

  • 2.

    Aan een besluit als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 3.

    Een besluit tot wijziging van de lijst wordt, behoudens het bepaalde in artikel 6 van deze verordening, niet eerder genomen dan na advies van een gemeentelijke deskundige of een daartoe aan te stellen onafhankelijke deskundige van monumentale en bijzondere bomen.

Artikel 19 Bomenfonds

  • 1.

    Er kan door burgemeester en wethouders een bomenfonds worden opgericht voor het onderhoud en de instandhouding van monumentale, bijzondere of waardevolle bomen, boomgroepen of houtopstanden, of bomen, boomgroepen of houtopstanden waarvoor een kapvergunning is geweigerd dan wel voor bomen, boomgroepen of houtopstanden waarvoor een instandhoudingsplicht is opgelegd, alsmede voor de uitbreiding van aantallen bomen, boomgroepen of houtopstanden.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen voor het storten van een bijdrage in en het toekennen van een bijdrage uit het bomenfonds.

Artikel 20 Bescherming bomen

  • 1.

    Het is verboden om houtopstanden die openbaar eigendom zijn:

    • -

      te beschadigen, te bekladden of te beplakken;

    • -

      daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door ambtenaren ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak;

  • 2.

    Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een openbare houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen.

Artikel 21 Uitzicht belemmerende beplanting

De rechthebbende op een boom, heg, struik of andere beplanting welke aan het wegverkeer het vrije uitzicht kan belemmeren of op andere wijze hinder of gevaar kan opleveren, is verplicht deze beplanting te snoeien, of op te binden, of te verwijderen na aanschrijving door het college van burgemeester en wethouders, binnen een door hen te stellen termijn en overeenkomstig hun aanwijzingen.

HOOFSTUK 4 STRAF- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 22 Strafbepaling

  • 1.

    Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in artikel 10 is gegeven, of artikel 16, vijfde lid, of artikel 18, tweede lid, onderscheidenlijk een verplichting als bedoeld in artikel 12, of artikel 14, of artikel 15, of artikel 21 is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is gehouden dienovereenkomstig te handelen.

  • 2.

    Hij die handelt in strijd met artikel 2, eerste lid, of artikel 14, derde lid, of artikel 20 dan wel een voorschrift onderscheidenlijk een verplichting als bedoeld in het vorige lid niet nakomt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. Tevens kan een rechterlijke veroordeling op grond van dit artikel openbaar gemaakt worden. Bij de strafmaatbepaling kan rekening worden gehouden met de boomwaarde.

  • 3.

    Degene die handelt in strijd met het voorschrift als bedoeld in artikel 10, of in artikel 16, of artikel 18, wordt bestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een boete van de tweede categorie.

  • 4.

    De op grond van dit artikel ingestelde strafvervolging laat onverlet de mogelijkheid tot het instellen door het college van burgemeester en wethouders van een privaatrechtelijke vordering tot schadevergoeding wegens schade aan bomen of houtopstanden.

Artikel 23 Toezicht

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn behalve de ambtenaren, genoemd in artikel 141 van het Wetboek van strafvordering, belast de daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

Artikel 24 Betreden van terreinen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften zijn bevoegd terreinen te betreden zonder toestemming van de rechthebbende.

Artikel 25 Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening kan worden aangehaald als “Bomenverordening Oegstgeest 2010”.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij is bekendgemaakt. Op dat moment komt de Bomenverordening, laatstelijk door de raad vastgesteld op 28 januari 2010, te vervallen.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 30 september 2010.

voorzitter

griffier

TOELICHTING op de Bomenverordening Oegstgeest 2010

ALGEMENE TOELICHTING

De Bomenverordening Oegstgeest is in 2007 herzien in verband met de opstelling van een lijst voor monumentale en waardevolle bomen en houtopstanden. Omdat deze verordening in de praktijk zeer praktisch uitvoerbaar is, is aan de opzet van de verordening niets gewijzigd.

Deze wijziging van de verordening is noodzakelijk in verband met de invoering van nieuwe wetgeving. Op 1 oktober 2010 treedt namelijk de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking.

Een groot aantal vergunningen op het gebied van bouwen, ruimtelijke ordening en milieu wordt hiermee in één omgevingsvergunning samengevoegd. Ook de kapvergunning valt hieronder.

De omgevingsvergunning kan worden aangevraagd door middel van één aanvraag bij één (digitaal) loket. Er gaat één procedure gelden waarop één besluit volgt. Voor beroep tegen dat besluit zal er één beroepsprocedure zijn.

Er zal ook te allen tijde sprake zijn van één bevoegd gezag. In de meeste gevallen is dit de gemeente. Voor terreinen waarop zich bepaalde inrichtingen bevinden, kunnen echter Gedeputeerde Staten of de Minister van VROM bevoegd zijn.

In dat laatste geval verlenen Gedeputeerde Staten of de Minister ook de eventueel benodigde kapvergunning. Omdat in de Bomenverordening 2007 op verschillende plaatsen (het college van) burgemeester en wethouders als bevoegd gezag vermeld staat, dient de verordening aangepast te worden.

Het college van burgemeester en wethouders blijft wel voor het hele grondgebied verantwoordelijk voor het maken van beleid ten aanzien van het (doen) vellen van houtopstand. Er worden dus geen aparte verordeningen gemaakt door rijk of provincie.

Naast de benodigde aanpassing voor wat betreft het bevoegd gezag dienen ook zaken als aanvraag en bijbehorende indieningsvereisten te worden aangepast en afgestemd op het Besluit omgevingsrecht (BOR) en de Regeling omgevingsrecht (MOR). Beslistermijnen en publicaties dienen zelfs helemaal uit de verordening verwijderd te worden, omdat deze zaken al in de Wabo zijn geregeld.

Aan de Bomenverordening ligt de modelbomenverordening van de Vereniging Stads Werk Nederland en de Bomenstichting ten grondslag. De Bomenverordening Oegstgeest bevat behalve verbodsbepalingen met betrekking tot het vellen van houtopstanden ook andere bepalingen. Met deze herziening is het diktecriterium van bomen voor het al of niet benodigd zijn van een kapvergunning losgelaten en het meldingsregime is overbodig geworden. De opname van de bomenlijst geeft meer duidelijkheid over de beschermwaardige bomen en leidt tot meer beschermingsmogelijkheden van de houtopstand in Oegstgeest. De vaststelling van de bomenlijst behoort tot bevoegdheden van de gemeenteraad.

Beschermd dorpsgezicht

Voor de gebieden die aangemerkt zijn als beschermd dorpsgezicht, of als zodanig zijn voorgedragen, dient voor het vellen of rooien van een boom altijd een kapvergunning te worden aangevraagd.

Aanvraag vergunning

Een kapvergunning kan alleen worden aangevraagd door de eigenaar van de boom en/of houtopstand. Indien de aanvraag niet door de eigenaar zelf gedaan wordt, moet een schriftelijke machtiging van de eigenaar worden bijgevoegd. In de schriftelijke aanvraag moet de reden van de aanvraag, de standplaats en de soort boom worden beschreven. Bij de aanvraag dient een schets te worden gevoegd waarop duidelijk staat aangegeven waar de boom op het erf staat (bijvoorbeeld ten opzichte van de straat, de woning, de erfafscheiding, de garage, de schuur en/of de woning van de buren).

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

(N.B.: niet alle artikelen en leden bevatten een toelichting)

Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijving

  • 1.
    • a.

      De definitie van het begrip boom vanwege de discussie over wat wel en geen boom is, vooral bij meerstammigheid, zeer jonge bomen en boomachtige struiken.

      Door de omtrek van 31 centimeter en de meerstammigheid zullen zeer oude struiken nu juridisch ook onder het begrip boom worden verstaan. Bescherming van boomgelijke struiken blijkt dringend gewenst rond landgoederen en in stedelijke parken.

    • b.

      De grotere (lint)begroeiing in de vorm van heesters en struiken staat vermeld vanwege de grote ecologische waarde van dergelijke begroeiingen (bijv. een meidoorn- of mispelhaag) en bescherming hiervan is een noodzaak. Er staat begroeiing in plaats van beplanting om ook spontaan opgeslagen groen bescherming te bieden.

      Wel geldt evenals voor de houtwal dat het om een grotere begroeiing, dus van enige omvang moet gaan (vgl. toelichting op model k.v.86 van de VNG, vervolg blz. IV.5.3). De lintvormigheid is minder van belang: ook bijv. een grotere driehoek met heesters kan waardevol zijn door soort of ligging. Een beplanting van bosplantsoen staat vermeld om een beplanting van inheemse of reguliere bomen en struiken in een stedelijke omgeving te kunnen beschermen.

    • d.

      Dunning houdt in: vellen waarbij de overblijvende bomen zijn gebaat.

    • e.

      De definitie van knotten/kandelaren (of candelaberen): deze begripsomschrijving is bedoeld ter afbakening van illegaal en ondeskundig snoeien of terugzetten van daarvoor ongeschikte bomen. Deze definitie vult nader de mogelijkheid aan om zonder kapvergunning onderhoud te kunnen plegen aan daarvoor wel geschikte bomen als bepaald in artikel 2 lid 3 sub c van deze verordening. Ook voor de vakkundige begrenzing van het 'geknot' als vermeld in artikel 2 lid 2 sub a is deze definitie nuttig.

  • 2.

    Toegevoegd is 'zowel boven- als ondergronds' om ook op te kunnen treden tegen ernstige, ondergrondse beschadiging bij bijv. de aanleg van kabels en leidingen. De expliciete, ondergrondse bescherming lijkt nodig gezien de achterstelling van het kappen van wortels tegenover het afsnijden van takken in artikel 5:44 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Vgl. Bomennieuws 3/4 1992, blz. 66 e.v. Belangrijk is in dit verband de uitspraak van de Hoge Raad van 15/12/1992 (ongepubliceerd/JBR) in de zaak Slootjes. De Hoge Raad stelde dat ook het vakkundig, rigoureus knotten tot een stam met uitsteeksels (het zgn. kandelaren of candelaberen) ernstig beschadigen in de zin van dit artikel kan zijn en dus kapvergunningplichtig is.

    Het begrip ‘vellen’ is zelf niet omschreven. Voor de betekenis ervan dient te worden uitgegaan van het normale taalgebruik. Het omhakken of afzagen van een boom zal zeker als vellen moeten worden beschouwd.

  • 3.

    De leden één en twee van artikel 42 Boek 5 van het (nieuwe) Burgerlijk Wetboek geven weliswaar het bekende rooirecht voor bomen binnen twee meter en heesters en hagen binnen een halve meter van de erfgrenslijn. Maar in artikel 5:42 lid 2 is in afwijking van het oude Burgerlijk Wetboek toegevoegd: tenzij ingevolge een verordening of een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten. Met nihil voor heggen en heesters is bedoeld deze natuurlijke wijze van erfbegrenzing te beschermen en tot de normale standaard te maken. Vele bomen en heesters zullen door deze afstandverkleining beter beschermd, misschien wel gespaard worden.

Vergunningen

Artikel 2 Kapverbod

  • 2.

    De verordening geldt zowel binnen als buiten de bebouwde kom. De vraag of houtopstand binnen of buiten de bebouwde kom is gelegen, is van belang wanneer het gaat om houtopstand bedoeld in het derde lid van artikel 2.

    De grens van deze bebouwde kom volgens de Boswet behoort bekend te zijn en is op 29 januari 2004 door de gemeente Oegstgeest herzien. Deze grens is mede door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland goedgekeurd. Bij afwezigheid van deze grens (eigenlijk in strijd met artikel 1 lid 5 Boswet) valt zij samen met de buitengrens van de gemeente.

  • 3.

    Vanwege het in 1991 vervallen Besluit bestrijding iepziekte is het onderwerp iepziekte als artikel 14 opgenomen. Niettemin is de verwijzing naar de Plantenziektewet zinvol voor de handhaving van het Besluit bestrijding bacterievuur en eventuele toekomstige plantenziekten.

Artikel 3 Vergunningaanvraag

  • 1.

    Met de invoering van de Wabo zijn de manier waarop een aanvraag dient te worden ingediend en de daarbij in te dienen gegevens geüniformeerd. Hoofdstuk 1 van de MOR regelt de algemene zaken als naam en adres van de aanvrager en aard en omvang van het project. Hoofdstuk 7 vermeldt daarnaast de gegevens die benodigd zijn om de aanvraag voor het vellen van houtopstand goed te kunnen beoordelen. Het gaat dan om zaken als locatie, soort en omvang van de houtopstand, maar ook de mogelijkheid tot herbeplanting.

  • 2.

    Gemeenten zijn vrij het aantal in te dienen exemplaren te bepalen en dit op te nemen in gemeentelijke verordeningen. Om ook binnen de gemeente de zaken te uniformeren is gekozen voor 4 exemplaren voor alle vergunningen.

  • 3.

    De directeur Bos- en Landschapsbouw heet tegenwoordig de teammanager van de Landelijke Service bij Regelingen (LASER).

Artikel 4 Beslissingstermijn vergunning

De beslistermijnen voor vergunningen die onder de Wabo vallen, staan vermeld in artikel 3.9 van de Wabo. Wanneer voor een onderdeel een uitgebreide procedure geldt dan geldt deze procedure voor alle onderdelen van het project.

Artikel 5 Weigeringgronden vergunning

  • 1.

    Natuur- en milieuwaarden worden vooropgesteld overeenkomstig de huidige opvatting, dat de visuele, esthetische opvattingen over natuur-, landschaps- en dorps-/stadsschoon (die dateren uit de jaren 20/30 van de vorige eeuw) minder van belang zijn dan de ecologische noodzaak tot natuurbeleid.

    Met dit vooropstellen van natuur en milieu is echter niet bedoeld een rangorde in de weigeringgronden aan te brengen. Dus een vergunning kan evenzeer alleen op grond van bijv. aantasting van landschappelijke waarden geweigerd worden als op grond van bedreiging van natuurwaarden.

    Landschappelijke waarde is een meer eigentijdse benaming voor natuur- en landschapschoon.

    Cultuurhistorische waarde is apart opgenomen, omdat een kleine of reguliere boom op een bepaalde plaats het behouden waard kan zijn vanwege de historische betekenis.

    Waarden voor de recreatie en de leefbaarheid. Men kan hier bijvoorbeeld denken aan bomen die algemeen gewaardeerd worden om hun schaduw.

    De bovengenoemde opsomming is niet limitatief bedoeld; er kunnen dus nog meer en andere weigeringgronden zijn. En één enkele weigeringgrond kan voldoende zijn om geen vergunning af te geven. Meestal echter zullen er in het concrete geval wel meer redenen of een combinatie van redenen van toepassing zijn.

    Voor de beoordeling van deze eigenschappen kunnen van belang zijn de (stam)omvang van de boom, de plantwijze (alleenstaand of in groepen), de standplaats (tussen de bebouwing of in het buitengebied), de soort (snelgroeiend of langzaam groeiend).

    Elke keer zal de afweging moeten worden gemaakt van alle betrokken belangen. Een kapvergunning zal in het algemeen moeten worden verleend wanneer:

    • -

      het gaat om het vellen van houtwallen waarvan het gebruikelijk is dat deze bij gedeelten periodiek worden ‘afgezet’, dat wil zeggen, geveld om een geleidelijke verjonging mogelijk te maken;

    • -

      het gaat om het vellen van een waardevolle boom die een ernstig gevaar vormt voor de openbare veiligheid, bijvoorbeeld wegens het risico van omwaaien of het belemmeren van het uitzicht voor het verkeer;

    • -

      het gaat om het belemmeren van het uitzicht voor het verkeer;

    • -

      het gaat om het belemmeren van licht en lucht, de vochtigheid van de woning, het verstopt raken van goten enz. en zullen deze bezwaren in het algemeen zwaarder wegen dan de waarde van de houtopstand.

    Verder moet gedacht worden aan een beleid op lange termijn. Het is beter bepaalde houtopstanden geleidelijk te vernieuwen en te verjongen, dan op een kwade dag voor het onontkoombare feit te staan dat die houtopstanden geheel moeten worden ‘afgeschreven’. Een al te starre toepassing van dit artikel kan fnuikend zijn voor de bereidheid van de burger om uit eigen beweging bomen aan te planten: hij zou immers terecht kunnen vrezen er voor eeuwig aan vast te zitten.

  • 2.

    Bij weigeren of onder voorschriften verlenen van een vergunning kan de boomwaarde als motivering gehanteerd worden. Onder boomwaarde moet worden verstaan de prijs die voor eenzelfde houtopstand in het vrije handelsverkeer moet worden betaald. Verwijzen naar bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplan is zinvol voor de eenheid en duidelijkheid in beleid. Het beschermen van houtopstand die deel uitmaakt van de lokale, regionale of landelijke ecologische hoofdstructuur is een voorbeeld van een consequente uitvoering van beleidsvoornemens en sluit aan bij het begrip ecologische hoofdstructuur van het Nationaal Natuur-beleidsplan.

  • 3.

    Dit voorschrift wordt standaard aan de kapvergunning verbonden ingevolge de Flora- en Faunawet.

  • 4.

    Dit is een weergave van de vaste rechtspraak op dit gebied dat er niet vroegtijdig gekapt mag worden als plannen nog niet definitief zijn. Definitief in zowel juridische als financiële zin. Vgl. bijvoorbeeld: Vz, ARRS 12 maart 1993, AB 324 (Madurodam), Vz. ARRS 3 sept. 1993, AB 1994, 179 of Vz. ARRS 28 aug. 1990, Gst. 1990,140.

  • 5.

    Indien blijkt dat de aanwezigheid van waardevolle houtopstanden bewust of opzettelijk verzwegen is, kan dit artikel zeker toepassing vinden. Men lette evenwel op de gemeentelijke plicht een besluit zorgvuldig voor te bereiden (art. 3.2 Awb).

Artikel 6 Spoedeisende gevallen

In acute probleemsituaties door houtopstanden, meestal dus gevaarzetting voor zaken of personen door instabiliteit van bomen, moet er meteen gehandeld kunnen worden.

Artikel 7 Openbaarmaking vergunning

Ook onder de Wabo geldt de verplichting tot het bekendmaken van de verleende vergunning. Deze verplichting staat in artikel 3.9.

Artikel 8 Standaardvoorwaarde van niet-gebruik vergunning

Dit artikel vervalt. Met dit artikel werd vermeden dat een boom al feitelijk gekapt is voordat derden kennis van de kapvergunning hebben kunnen nemen en er nog bezwaren kunnen worden ingediend. Indien de bomen al gekapt zijn, kan dit leiden tot reacties van onbegrip.

De Wabo regelt dit op andere wijze. In artikel 2.7 wordt geregeld dat het opdelen van een project in deelprojecten aan een grens is verbonden. Voor activiteiten binnen een project die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, moet in één keer een omgevingsvergunning worden aangevraagd.

Daarnaast is in artikel 6.1, lid 2, onder a geregeld dat een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘vellen van houtopstand’ pas in werking treedt na afloop van de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift.

Artikel 9 Vervaltermijn vergunning

Dit artikel is nodig om misbruik van (zeer) oude kapvergunningen tegen te gaan. Bomen groeien immers verder en zowel de groter gegroeide boom als veranderingen in de omgeving kunnen een andere beoordeling tot gevolg hebben. In afwijking van de modelverordening is een termijn van twee jaar bepaald in plaats van één jaar. De Wabo regelt op dit gebied niets, daarom kan deze bepaling gewoon in de verordening blijven staan.

Artikel 10 Bijzondere vergunningsvoorschriften

3.Dit lid is toegevoegd uit natuurbeschermingsoogpunt voor bijzondere flora en fauna in en rond een houtopstand. De procedure rond kapvergunningaanvragen kan een goede mogelijkheid zijn om burgers meer natuurbewust te maken. Steeds vaker noemen gemeenten als voorschrift of aanbeveling bij de vergunning: niet vellen in het broedseizoen.

Artikel 11 Verhouding tussen kap-, bouw- en aanleg- of uitwegvergunning

Naar aanleiding van vele praktijkproblemen in de afstemming tussen deze verschillende verordeningen is dit artikel ontworpen.

  • 1.

    Juist in het ontwerpstadium kunnen bouw- en aanlegplannen nog worden gewijzigd en aangepast aan voorhanden en te behouden beplantingen.

    Een standaardinventarisatie van aanwezige beplantingen als vast onderdeel van iedere bouw- of aanlegaanvraag is raadzaam.

  • 2.

    Door het tegelijkertijd afgeven van kap- en bouwvergunning wordt vermeden dat de gemeente zich zelf in moeilijke situaties manoeuvreert, bijvoorbeeld het redelijkerwijze niet meer of slechts gedeeltelijk aanvullend kunnen zijn van een kapvergunning op de reeds afgegeven bouwvergunning. Het komt voor dat gemeenten groene voorwaarden in hun bouwvergunning stellen (hoewel ons dit juridisch dubieus lijkt aangezien dergelijke behoud-/herplantvoorwaarden bij de kapvergunning behoren).

Hoewel de Wabo op dit gebied wel zaken regelt, geeft de Wabo geen voorschriften over de inrichting van het vooroverleg.

Artikel 12 Herplant-/instandhoudingsplicht

Lid één, twee en drie zijn ongewijzigd overgenomen van het VNG-model.

In afwijking van art. 4.5.6. van het VNG-model zijn alle strafbepalingen verplaatst naar het strafartikel van de Bomenverordening.

  • 1.

    Hierin is vermeld…’dan wel op andere wijze teniet is gegaan’. Het college van burgemeester en wethouders kan nu ook een verplichting tot herbeplanting opleggen, indien houtopstand teniet is gegaan door verwaarlozing of door een calamiteit. Oplegging van herbeplanting is ook mogelijk indien houtopstand teniet is gegaan ingevolge de Plantenziektewet of velling in het kader van een instandhoudingsplicht, krachtens artikel 10, derde lid, dan wel op grond van andere bepalingen, bijvoorbeeld verkeersveiligheid.

  • 3.

    Het derde lid betreft houtopstand waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij binnen afzienbare tijd teniet zal gaan. De gemeente zou in dit geval kunnen wachten totdat de houtopstand geheel teniet is gegaan om dan vervolgens op grond van het eerste lid van artikel 10 een herplantplicht op te leggen. Het kan echter voorkomen dat de strekking van de verordening beter gediend is met behoud van bestaande bomen dan met vervanging daarvan. Deze verplichting kan tevens inhouden het ongedaan maken of voorkomen, voorzover mogelijk, van (dreigende) ernstige beschadiging of aantasting ten gevolge van weersomstandigheden, ziekten, verwaarlozing, vraat door dieren, het weghalen van bosstrooisel, bouw- en sloopwerkzaamheden, het aanleggen van terreinverhardingen, het storten van afval, enz.

Artikel 13 Schadevergoeding

Ongewijzigd overgenomen van het VNG-model. Deze door de Boswet mogelijk gemaakte schadeloosstelling wegens vellen van houtopstand is door de rechter (Kroon), voorzover ons bekend, zelden of nooit toegekend en lijkt voor een theoretisch geval gedacht (Vgl. KB 29.8.80,11, A.B.80, 619 en KB 18.4.84, 46 A.B.84, 444).

Bestrijding van iepziekte

Artikel 14 Bestrijding iepziekte

Er zijn reeds soortgelijke artikelen in den lande van kracht; meestal met ontschorsen in plaats van ontbasten. Een bast is echter meer materie dan enkel de schors en noodzakelijk is het verwijderen van de gehele bast. Onder artikel 2 lid 3 is al kort toegelicht dat dit iepziekte-artikel nodig is geworden nu het Besluit bestrijding iepziekte is opgeheven en de Minister van LNV de gemeenten zelf de bevoegdheid heeft gelaten om tegen deze ziekte op te treden. Optreden is dringend gewenst om de iepen in ons land te behouden.

In het vierde lid is een bijzondere bestuursdwangbevoegdheid, in aanvulling op de algemene gemeentelijke bestuursdwangbevoegdheid, opgenomen, vanwege de ernst van de zaak en noodzaak snel te kunnen handelen, met name voor de afdeling Beheer Openbare Ruimte van de gemeente.

Monumentale, bijzondere of waardevolle bomen en houtopstanden

Artikel 16 Lijst van monumentale en waardevolle bomen en houtopstanden

Een artikel om een paar algemene richtlijnen te geven waaraan een bomenlijst minimaal moet voldoen. Belangrijk is om de eigenaar en/of zakelijk-gerechtigde en het kadastraal perceelsnummer te kennen. Aan te bevelen is het om geïnde boetes en schadevergoedingen op grond van deze verordening in een bomenfonds te storten. Echter alleen indien de extra administratieve rompslomp die dit met zich meebrengt hiertegen opweegt.

Artikel 20 Bescherming bomen

Omdat bij de verordening naar een hoge mate van volledigheid en duidelijkheid is gestreefd, is dit artikel expliciet opgenomen. Strikt gesproken valt een deel van deze strafrechtelijke boombescherming ook onder het VNG-model: artikelen 4.6.1 en 4.6.2

Strafmaatbepaling conform systematiek in artikel 22 lid drie van dit model.

Artikel 21 Uitzicht belemmerende beplanting

Zie opmerking over volledigheid in vorige artikel. Ook hier moet verwezen naar de (gedeeltelijke) overlapping met art. 2.1.6.3 van de APV.

Straf- en slotbepalingen

Artikel 22 Strafbepaling

  • 1.

    Als lid één is lid vier van artikel 6 van het VNG-model (strafbepaling voor de her-plant-/instandhoudingsplicht) overgenomen.

  • 2.

    De boetecategorie blijft van de tweede categorie in verband met de artikelen 195 en 196 Gemeentewet (oud). Alleen in geval van recidive is een boete/hechtenis van de derde categorie mogelijk. Ten overvloede moet misschien opgemerkt dat bij echte opzet en bij rechtspersonen een hogere boetecategorie kan gelden. Verder komt meerdaderschap en/of medeplichtigheid regelmatig voor. Toegevoegd is expliciet de mogelijkheid tot openbaarmaking als extra straf, omdat vaak niet zulke hoge boetes (kunnen) worden opgelegd, omdat (meestal) de rechter de straf oplegt in overeenstemming met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de dader, zoals daarvan tijdens de terechtzitting is gebleken. De boomwaarde is dan ook genoemd als één van de vele factoren die meewegen, maar wel expliciet om het financiële te laten meewegen. In dit verband moet opgemerkt dat bij een onderzoek van de Bomenstichting onder gemeenten, alle geïnterviewde gemeenten mededeelden bij opzettelijke, illegale kap van de volle boomwaarde van de gevelde bomen uit te gaan.

  • 4.

    Bedoeld is deze instructienorm om de mogelijkheid van een privaatrechtelijk optreden van een gemeente als schadelijdend boomeigenaar/-beheerder niet op voorhand te frustreren door een verwijt dat er strafrechtelijk wordt opgetreden. Formeel staat immers het strafrechtelijk perspectief (laakbaarheid) los van het privaatrechtelijk perspectief van geleden schade door de boomeigenaar. Niettemin is de officier van Justitie onafhankelijk in zijn beslissing om wel of niet tot vervolging over te gaan, in de praktijk vaak de (eventuele) schadeclaim van de gemeente afwegend.

Artikel 23 Toezicht

Sinds het in werking treden van de derde tranche zijn de aanwijzingen en de bevoegdheden van toezichthouders in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregeld.

Tot slot

Tot slot moet er (nogmaals) op gewezen worden dat bomen of andere houtopstanden ook in de APV genoemd worden. In deze gevallen vervult de houtopstand meestal een bijrol en staat een ander doel centraal, met name:

  • -

    de verkeersveiligheid; verplichting tot snoeien, vellen, opbinden, enz. van bomen en heesters vanwege belemmering van het uitzicht, de doorgang e.d. voor weggebruikers, APV art. 2.1.6.4 (vgl. deze verordening art. 21);

  • -

    bescherming flora en fauna/groenvoorzieningen; verbod schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk, dan wel om bloemen te plukken, APV art. 4.6.1. (vgl. deze verordening art. 20).

Dit laatste artikel is wel voor lichte boomschade van belang, maar de ernstige boomschade valt onder artikel 2 in samenhang met artikel 1 lid twee of onder artikel 12 lid één of lid drie van deze Bomenverordening. Desgewenst kan ernstige schade onder artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek vallen.