Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Barneveld

Besluit van het college van burgemeester en wethouders, alsmede van de burgemeester, van de gemeente Barneveld, tot vaststelling van nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten ter uitvoering van verschillende bevoegdheden uit de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Barneveld (Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBarneveld
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBesluit van het college van burgemeester en wethouders, alsmede van de burgemeester, van de gemeente Barneveld, tot vaststelling van nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten ter uitvoering van verschillende bevoegdheden uit de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Barneveld (Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld)
CiteertitelUitvoeringsbepalingen APV Barneveld
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpopenbare orde en veiligheid
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Barneveld/638606/CVDR638606_1.html
  2. artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
  3. artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-07-2020Nieuwe regeling

16-06-2020

gmb-2020-162754

695

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van het college van burgemeester en wethouders, alsmede van de burgemeester, van de gemeente Barneveld, tot vaststelling van nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten ter uitvoering van verschillende bevoegdheden uit de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Barneveld (Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld)

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, respectievelijk de burgemeester van de gemeente Barneveld, elk voor zover het zijn bevoegdheden betreft;

 

gelet op de artikelen 2:9, 2:10, 2:25, 2:40a, 2:42; 2:48, 2:57, 2:58, 2:65, 2:67, 2:73a, 2:78, 2:79, 3:23, 5:3, 5:8, 5:12, 5:13, 5:18 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Barneveld, artikel 2, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluiten:

 

vast te stellen de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld:

Artikel 1
  • 1.

    De geletterde bijlagen, die behoren bij dit besluit, bevatten nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Barneveld.

  • 2.

    In geletterde bijlagen die behoren bij dit besluit, wordt onder Verordening verstaan: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Barneveld.

Artikel 2

Dit besluit treedt op de dag na de dag van publicatie in werking, onder gelijktijdige intrekking van:

  • -

    de Nadere regels artikel 13 APV inzake de straatartiest, die zijn vastgesteld op 10 januari 2017;

  • -

    de Nadere regels met betrekking tot artikel 14 APV, die zijn vastgesteld op 10 januari 2017;

  • -

    de eerste wijzing nadere regels artikel 14 APV inzake het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in de strijd met de functie van de weg, die is vastgesteld op 4 december 2017;

  • -

    de Nadere regels artikel 21 APV inzake meldingsplichtige evenementen, die zijn vastgesteld op 10 januari 2017;

  • -

    de Nadere regels artikel 26 APV inzake het sluitingsuur, die zijn vastgesteld op 10 januari 2017;

  • -

    de Beleidsregels artikel 40a APV inzake de sluiting van voor publiek openstaande gebouwen, die zijn vastgesteld op 6 november 2018;

  • -

    de Nadere regels artikel 42 APV inzake de aanwijzing aanplakborden, die zijn vastgesteld op 10 januari 2017;

  • -

    de Nadere regels artikel 56 en 57 APV inzake loslopende honden en verontreiniging door honden, die zijn vastgesteld op 10 januari 2017;

  • -

    het Besluit tot het aanwijzen van gebieden waar het verboden is alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende dranken bij zich te hebben (art. 51 APV), dat is vastgesteld op 29 oktober 2015;

  • -

    het Aanwijzingsbesluit Digitaal Opkopers Register gemeente Barneveld, dat is vastgesteld op 26 januari 2016;

  • -

    de Nadere regels artikel 65 APV inzake het gebruiken en bij zich hebben van carbid, die zijn vastgesteld op 10 januari 2017;

  • -

    de Nadere regels artikel 70 APV inzake de gebiedsontzegging gemeente Barneveld, die zijn vastgesteld op 10 januari 2017;

  • -

    de Beleidsregels aanpak woonoverlast gemeente Barneveld, die zijn vastgesteld op 30 mei 2018;

  • -

    de Nadere regels artikel 113 APV inzake de aanwijzing weggedeelte, die zijn vastgesteld op 10 januari 2017;

  • -

    het Aanwijzingsbesluit APV-verbod (brom)fietsen plaatsen, dat is vastgesteld op 28 januari 2020;

  • -

    de Nadere regels artikel 120 APV inzake het parkeren van grote voertuigen op bedrijventerrein “De Briellaerd” en voorzieningenstrook “De Burgt”, die zijn vastgesteld op 4 mei 2018;

  • -

    de Nadere regels artikel 127 APV met betrekking tot parkeren van grote voertuigen, die in werking zijn getreden op 28 januari 2011;

  • -

    de Nadere regels artikel 123 APV inzake de inzameling van geld of goed, die zijn vastgesteld op 10 januari 2017;

  • -

    de Nadere regels artikel 127 APV inzake standplaatsen, die zijn vastgesteld op 10 januari 2017;

  • -

    de Nadere regels artikel 131 APV inzake commerciële rommelmarkten, die zijn vastgesteld op 10 januari 2017;

  • -

    de Nadere regels artikel 133a en 133b APV met betrekking tot het venten, die op 28 januari 2011 in werking zijn getreden; en

  • -

    de Nadere regels in het Prostitutiebeleid gemeente Barneveld, die zijn vastgesteld op 5 september 2000.

Artikel 3

Dit besluit wordt aangehaald als ‘Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld’.

 

Aldus vastgesteld op 16 juni 2020,

Burgemeester en wethouders voornoemd,

H.F.B. vanSteden

Secretaris

dr. J.W.A. vanDijk,

Burgemeester

De burgemeester voornoemd,

dr. J.W.A. vanDijk,

BIJLAGE A:  

Besluit van de burgemeester tot aanwijzing van beperkingen waaronder straatartiesten, straatfotografen, tekenaars, filmoperateurs of gidsen op openbare plaatsen ten behoeve van publiek mogen optreden

 

Met dit besluit wordt invulling gegeven aan de bevoegdheden van de burgemeester als bedoeld in artikel 2:9 van de Verordening om beperkingen te stellen aan de plaats en de tijd waar straatartiesten en dergelijke op openbare plaatsen mogen optreden. Dit besluit is mede opgesteld ter invulling van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 2:9, derde lid van de Verordening om ontheffing van het verbod in het eerste lid te verlenen.

Artikel 1

  • 1.

    Voor straatartiesten, straatfotografen, tekenaars, filmoperateurs of gidsen (hierna te noemen: straatartiesten) geldt dat:

    • a.

      op alle openbare plaatsen niet mag worden gemusiceerd of opgetreden, behalve in winkelstraten in het centrum van Barneveld en Voorthuizen;

    • b.

      er geen standplaats voor de ingang van een winkel of op de terrassen van horecabedrijven mag worden ingenomen;

    • c.

      wanneer ook andere straatartiesten aanwezig zijn, er niet mag worden opgetreden of gemusiceerd als de onderlinge afstand tussen de straatartiesten minder dan 100 meter bedraagt;

    • d.

      buiten de openingstijden van de winkels niet mag worden gemusiceerd of opgetreden;

    • e.

      er niet langer dan 30 minuten achtereen op dezelfde openbare plaats mag worden gemusiceerd of opgetreden;

    • f.

      een groep straatartiesten uit niet meer dan vijf personen mag bestaan;

    • g.

      er geen gebruik mag worden gemaakt van versterkers en het geluidsniveau niet hinderlijk mag zijn voor de omgeving; en

    • h.

      tijdens evenementen mag alleen met toestemming van de organisator van dat evenement worden opgetreden.

  • 2.

    De beperkingen, genoemd in het eerste lid gelden, met uitzondering van onderdelen g en h, niet tijdens dorpsfestiviteiten en op nationale feestdagen tussen 07:00 en 19:00 uur. Deze bepaling laat artikel 4:6 van de Verordening over geluidhinder onverlet.

Artikel 2 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Besluit aangewezen beperkingen optredens straatartiesten en dergelijke.

BIJLAGE B:  

Nadere regels van burgemeester en wethouders betreffende het verbod om bepaalde objecten op de weg te plaatsen, alsmede beleidsregels betreffende hun bevoegdheid om van dat verbod ontheffing te verlenen

 

Deze nadere regels geven ingevolge artikel 2:10, derde lid van de Verordening een uitwerking van het verbod om de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie van de weg, voor zover het betreft het plaatsen van aankondigingsborden, uitstallingen, reclameborden, en terrassen. Deze regels zijn voorts opgesteld in relatie tot de bevoegdheid, bedoeld in artikel 2:10, vierde lid van de Verordening om in dergelijke gevallen ontheffing van het verbod in het eerste lid te verlenen.

 

De nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat aankondigingsborden, uitstallingen, reclameborden en terrassen:

  • schade toebrengen aan de weg;

  • gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg;

  • gevaar opleveren voor het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

  • een belemmering opleveren voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; en

  • op zich zelf, dan wel in samenhang met de omgeving, niet voldoen aan de redelijke eisen van welstand.

Artikel 1 Aankondigingsborden, waaronder (digitale) welkomstportalen

  • 1.

    Alleen voor de volgende categorieën activiteiten kan - onder voorwaarden - ontheffing worden verleend voor het plaatsen van aankondigingsborden, waaronder ook (digitale) welkomstportalen worden verstaan:

    • a.

      vergunde evenementen in de gemeente;

    • b.

      uitingen van politieke partijen ten behoeve van verkiezingen (uitsluitend op aankondigingsborden);

    • c.

      rommelmarkten in de gemeente;

    • d.

      open dagen van onderwijsinstellingen binnen en buiten de gemeente;

    • e.

      concerten en culturele uitingen binnen de gemeente;

    • f.

      godsdienstige bijeenkomsten binnen de gemeente, anders dan reguliere/wekelijkse bijeenkomsten/kerkdiensten; en

    • g.

      open dagen van bedrijven uit de desbetreffende kern (uitsluitend op (digitale) welkomstportalen).

  • 2.

    Voor de (digitale) welkomstportalen geldt voorts dat er per kern in de gemeente aan één partij – onder voorwaarden – ontheffing kan worden verleend voor het plaatsen hiervan.

Artikel 2 Plaatsen van uitstallingen en reclameborden

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de volgende winkelstraten:

    • a.

      in Barneveld: de Langstraat, de Jan van Schaffelaarstraat, de Erkensgang, het Dijkje, de Brouwerstraat, het Torenplein, de Nairacstraat, de Nieuwstraat en het Raadhuisplein;

    • b.

      in Voorthuizen: Hoofdstraat, Bunckmanplein, Smidsplein, Schoolstraat, de Kerkstraat en de Gerard Doustraat;

  • 2.

    Onder uitstalling wordt in dit artikel verstaan: goederen die ten toon gesteld worden voor de verkoop.

  • 3.

    Reclameborden en uitstallingen zijn alleen toegestaan binnen een strook van 1,25 meter vanuit de gevel van een winkelpand. Deze is in de bestrating aangegeven door middel van stalen merkpunten, die in een rechte lijn zijn geplaatst, ook als de gevel van de winkel niet in een lijn ligt.

  • 4.

    De rijloper blijft altijd vrij voor het verkeer. Dit betekent dat er geen uitstallingen en reclameborden zijn toegestaan als de breedte van het winkelerf zodanig is dat er naast de rijloper geen strook van 1,25 meter beschikbaar is.

  • 5.

    Per winkel wordt maximaal één reclamebord en één uitstalling geplaatst. Een reclamebord heeft een maximale breedte van 0,75 meter en een maximale hoogte van 1,00 meter. Een uitstalling heeft een maximale breedte van 3,00 meter en een maximale diepte van 1,00 meter.

  • 6.

    Een reclamebord en/of uitstalling is/zijn niet buiten de openingstijden van de winkel in de uitstallingszone aanwezig.

  • 7.

    Een reclamebord en/of uitstalling is/zijn op geen enkele wijze in, op of aan de ondergrond verankerd.

  • 8.

    De volle breedte van de winkeldeuren en deuren van woningen wordt vrijgehouden te worden van reclameborden en/of uitstallingen. Als er sprake is van een deur van minder dan 1,50 meter breed, dan wordt minimaal 1,50 meter vrijgehouden.

  • 9.

    Een uitstalling en/of reclamebord wordt op eerste aanzegging tijdelijk verwijderd, als dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van openbare werken of in het belang van de openbare orde of verkeersveiligheid.

Artikel 3 Terrassen

  • 1.

    Terrassen die gelegen zijn voor een openbare inrichting zijn niet breder dan het pand van waaruit de openbare inrichting wordt geëxploiteerd.

  • 2.

    Terrassen die gelegen zijn op een openbaar terrein worden uitsluitend geplaatst conform een door de gemeente gewaarmerkte tekening. Op deze kaart zijn de oppervlakte en de locatie van het terras aangegeven. De locatie van het terras is in de bestrating aangegeven door middel van stalen merkpunten.

  • 3.

    Het terras en/of het terrasmeubilair wordt niet op brandkranen of brandputten geplaatst. Tevens blijven (nood-)uitgangen van omliggende gebouwen te allen tijde vrij van obstakels.

  • 4.

    Een vrije doorgang voor voetgangers, mindervaliden en strooiploegen is te allen tijde gewaarborgd. Indien een terras op het trottoir is gelegen, blijft er te allen tijde minimaal 1,50 meter vrije ruimte over tussen het terras en de rand van het trottoir.

  • 5.

    Te allen tijde is een onbelemmerde doorgang gewaarborgd voor hulpverleningsdiensten. Er is daarvoor een rijstrook van minimaal 3,5 meter en een doorrijhoogte van minimaal 4,2 meter beschikbaar. Er worden geen objecten op de rijbaan geplaatst.

  • 6.

    Op een terras worden geen verkooppunten en/of uitgiftebuffetten geëxploiteerd. Het plaatsen van een tap, een barbecue of buitenkeuken op het terras is ook niet toegestaan.

  • 7.
    • a.

      De maximaal toegestane hoogte van terrasschermen bedraagt 1,60 meter. Tot een hoogte van maximaal 0,80 meter is het gebruik van ondoorzichtig materiaal toegestaan, het bovenste deel is uitsluitend van doorzichtig materiaal.

    • b.

      Terrasschermen worden uitsluitend dwars op de gevel geplaatst. Terrasschermen met een hoogte van maximaal 0,80 meter hoog zijn echter ook op andere plaatsen toegestaan als zij dienen om de veiligheid van een terras te vergroten. De schermen en afzettingen kunnen worden verwijderd en worden dus niet aard- en nagelvast bevestigd.

  • 8.

    Er worden geen vlonders als vloer van terrassen worden aangebracht, tenzij deze in verband met ongelijkheid of schuinheid van het wegdek strikt noodzakelijk zijn. De gemeente wordt bij terrassen op gemeentelijk terrein vooraf van het voornemen tot aanleg op de hoogte gesteld dan wel om toestemming/vergunning gevraagd.

  • 9.

    Het terras wordt niet gebruikt voor reclamedoeleinden. Wel zijn tijdens openingstijden platte menuborden op het terras toegestaan met een maximale oppervlakte van 1 m2.

  • 10.

    In het geval dat een terras als rokersplaats gebruikt wordt, is het niet toegestaan glazen mee naar buiten te nemen en buiten consumpties te nuttigen.

Artikel 4 Gevelzitplaatsen (zijnde specifieke vorm van terras)

  • 1.

    Het plaatsen van gevelzitplaatsen is uitsluitend toegestaan gedurende de openingstijden van een winkel, die gelegen is in het gebied tussen de Bouwheerstraat, Amersfoortsestraat, Gasthuisstraat en Burgemeester Kuntzelaan. De gevelzitplaatsen worden dagelijks bij sluiting van de winkel van het openbare gebied verwijderd.

  • 2.

    Gevelzitplaatsen blijven ondergeschikt aan de hoofdfunctie van de winkel. Zij trekken daarom geen zelfstandige bezoekersstroom aan, ter plaatse vindt geen bediening plaats en er wordt hiervoor geen reclame gemaakt.

  • 3.

    Aan gebruikers van gevelzitplaatsen worden geen consumpties anders dan behorende tot het assortiment van de winkel tegen betaling verstrekt. Een uitzondering hierop geldt uitsluitend voor koffie, thee en frisdranken. Er wordt nooit alcoholische drank geschonken.

  • 4.

    De uitstalling van gevelzitplaatsen reikt niet verder dan de breedte van de gevel (aan de voorzijde) van het pand. De afstand uit de gevel bedraagt niet meer dan 1,25 meter en wordt gemarkeerd met stalen merktekens in de bestrating.

  • 5.

    Een gevelzitplaats is volledig open en vrij van overkappingen, parasols, (wind)schermen, terrasverwarmers en dergelijke.

  • 6.

    (Nood)uitgangen worden niet belemmerd.

  • 7.

    Te allen tijde is een vrije doorgang voor voetgangers, mindervaliden en strooiploegen gewaarborgd. Er blijft daarvoor bij plaatsing van gevelzitplaatsen op het trottoir, te allen tijde minimaal 1,50 meter vrije ruimte over tussen de gevelzitplaatsen en de rand van het trottoir.

  • 8.

    Voor hulpverleningsdiensten is te allen tijde een onbelemmerde doorgang mogelijk. Er is daarvoor een rijstrook van minimaal 3,5 meter en een doorrijhoogte van minimaal 4,2 meter beschikbaar. Er worden geen objecten op de rijbaan geplaatst.

Artikel 5 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Nadere regels en beleidsregels objecten op de weg.

BIJLAGE C:  

Besluit van de burgemeester tot aanwijzing van categorieën van evenementen die niet vergunnings-, maar meldingsplichtig zijn, alsmede tot vaststelling van beleidsregels ten aanzien van zijn bevoegdheid om te besluiten op een aanvraag voor een vergunning voor belastende evenementen

 

Met dit besluit wordt uitvoering gegeven aan de bevoegdheid tot aanwijzing van categorieën van evenementen, bedoeld in artikel 2:25, derde lid van de Verordening, waarvoor in plaats van een vergunningsplicht een verplichting tot het doen van een voorafgaande melding geldt. Tevens wordt hiermee invulling gegeven aan zijn bevoegdheid betreffende de evenementenvergunning, bedoeld in artikel 2:25, eerste lid van de Verordening.

Artikel 1 Aanwijzing meldingsplichtige kleinschalige evenementen

Als meldingsplichtige evenementen als bedoeld in artikel 2:25, derde lid van de Verordening worden kleinschalige evenementen aangewezen die aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • a.

    het evenement vindt niet plaats op een zondag en duurt maximaal één dag;

  • b.

    het aantal aanwezigen bedraagt niet meer dan 250 personen;

  • c.

    de begintijd is niet eerder dan 09:00 uur en de eindtijd is uiterlijk 23:00 uur. In afwijking hiervan is op Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, en Eerste en Tweede Kerstdag - niet zijnde een zondag - de begintijd niet eerder dan 13:00 uur;

  • d.

    het versterkte geluid bedraagt niet meer dan 60 dB(A);

  • e.

    er wordt een doorgang van 3,50 meter breed en 4,20 meter hoog vrijgehouden, zodat er een doorgang is voor hulpverleningsvoertuigen. In verband met de draaicurves van de hulpverleningsvoertuigen zijn de buiten- en binnenbochtstralen respectievelijk ten minste 10 meter en ten minste 5,5 meter;

  • f.

    bij een afsluiting van het terrein wordt de (brandweer)ingang aangegeven en kan het toegangshek snel geopend worden;

  • g.

    bij wegafsluitingen is iemand aanwezig om de hulpdiensten doorgang te kunnen verlenen;

  • h.

    er is geen sprake van conflicterende samenloop met andere evenementen, wegopbrekingen en/of de hoofdroutes van de hulpdiensten;

  • i.

    er is geen ontheffing van de Drank- en Horecawet en -regelgeving nodig;

  • j.

    er is een organisator; en

  • k.

    de organisator meldt uiterlijk vier weken voorafgaand aan het evenement de locatie en het tijdstip aan de burgemeester. Als een kleinschalig evenement geen doorgang kan vinden of aanpassing behoeft, wordt zo spoedig mogelijk contact opgenomen met de melder. Binnen veertien dagen volgt een schriftelijke kennisgeving aan de organisator die een verbod van het kleinschalige evenement of de acceptatie inhoudt, indien nodig vergezeld van de voorwaarden waaronder het evenement kan plaatsvinden.

Artikel 2 Aanwijzing meldingsplichtige evenementen die plaatsvinden in bepaalde Wm-inrichtingen

  • 1.

    Voor activiteiten die:

    • a.

      als een evenement in de zin van artikel 2:24 van de Verordening zijn aan te merken;

    • b.

      binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsvinden,

    • c.

      volgens de daarvoor gedane melding in de zin van het Activiteitenbesluit milieubeheer of de daarvoor verleende omgevingsvergunning voor de activiteit ‘milieu’ binnen de normale bedrijfsvoering van die inrichting vallen; en

    • d.

      in overeenstemming zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan,is in afwijking van artikel 2:25, eerste lid van de Verordening geen evenementenvergunning vereist.

  • 2.

    Activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn meldingsplichtige evenementen als bedoeld in artikel 2:25, derde lid, van de Verordening, als de inhoud, omvang en/of intensiteit hiervan een risico voor de openbare orde en veiligheid en/of de volksgezondheid tot gevolg kunnen hebben.

  • 3.

    De houder van de inrichting binnen de grenzen waarvan een evenement, bedoeld in het tweede lid, gehouden wordt, doet uiterlijk op 1 november voorafgaande aan het jaar waarop het betreffende evenement plaats zal vinden daarvan melding bij de burgemeester. Als het evenement nog niet voor de genoemde datum bekend was, vindt de bedoelde melding onverwijld en uiterlijk 12 weken voor de evenementendatum plaats.

  • 4.

    De melding bevat in ieder geval de volgende informatie:

    • a.

      de naam, de inhoud en de datum van het evenement;

    • b.

      de naam- en de adresgegevens van de houder en de locatie van de inrichting;

    • c.

      de naam- en de adresgegevens van de organisator van het evenement (als dit niet de houder van de inrichting is);

    • d.

      een beschrijving van het risico van het evenement voor de veiligheid en de openbare orde; en

    • e.

      een beschrijving van de maatregelen die genomen worden om het risico van het evenement voor de veiligheid of de openbare orde zo beperkt mogelijk te houden.

  • 5.

    Als een evenement na toetsing geen doorgang kan vinden of aanpassingen behoeft, wordt zo spoedig mogelijk contact opgenomen met de melder. Binnen acht weken volgt een schriftelijke kennisgeving aan de melder die een acceptatie, indien nodig vergezeld van de voorwaarden waaronder het evenement kan plaatsvinden, of een verbod daarvan inhoudt.

Artikel 3 Aanwijzing (vecht)sportevenementen

Vechtsportwedstrijden en -gala’s anders dan wedstrijden en gala’s in reguliere verdedigingssport, alsmede voetbalwedstrijden tussen betaalde voetbalclubs op terreinen van amateursportclubs, worden aangewezen als evenementen als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f van de Verordening.

Artikel 4 Beleidsregel belastende elementen

In beginsel wordt voor de volgende evenementen geen evenementenvergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid van de Verordening verleend:

  • a.

    snelheidswedstrijden met gemotoriseerde voertuigen op de openbare weg, waarbij uitsluitend of hoofdzakelijk de snelheid van het voertuig doorslaggevend is;

  • b.

    evenementen met gemotoriseerde voertuigen met gevaar zettend element;

  • c.

    vechtsportwedstrijden of -gala’s, waaronder in ieder geval wordt begrepen kooigevechten, kickboksevenementen, freefightevenementen en daarmee vergelijkbare activiteiten en al dan niet in wedstrijdverband georganiseerde evenementen waarbij de menselijke waardigheid in het geding is;

  • d.

    voetbalwedstrijden tussen twee betaalde voetbalclubs op het terrein van een amateurvoetbalclub.

Toelichting beleidsregel (artikelen 3 en 4)

Met deze beleidsregel komt tot uitdrukking dat de burgemeester in beginsel geen evenementenvergunningen (meer) zal verlenen voor evenementen van bijzondere aard, die met elkaar gemeen hebben dat zij als belastend zijn aan te merken. Het betreft vier categorieën.

  • a.

    snelheidswedstrijden met gemotoriseerde voertuigen op de openbare weg, zoals autorally’s.

    Dergelijke evenementen veroorzaken veel onveilige situaties door onvoorspelbaar verkeersgedrag. Tevens kan de verkeersveiligheid voor omwonenden en eigenaren van omliggende percelen en hun bezoekers onvoldoende gegarandeerd worden. De afsluiting van openbare wegen die in het kader van dergelijke wedstrijden plaatsvindt maakt het voorts veelal moeilijk om omleidingen aan te geven. Tevens beperkt de wedstrijd en de wegafsluitingen een langere tijd de bereikbaarheid van de woningen van omwonenden aanzienlijk. Daarnaast zijn er negatieve gevolgen voor het milieu, zoals geluidsoverlast. Aan het voorkomen van dergelijke negatieve gevolgen dient meer gewicht toegekend te worden dan aan het belang van de organisator en de deelnemers om de wedstrijden op openbare wegen te houden. Met nadruk wordt opgemerkt dat wedstrijden met motorvoertuigen op of aan de openbare weg, waarbij de snelheid niet doorslaggevend is (bijvoorbeeld een kaartleesactiviteit of een oldtimertocht) wel voor een evenementenvergunning in aanmerking kunnen (blijven) komen. Doordat deze evenementen niet gepaard gaan met wegafsluitingen en hoge snelheden is de overlast hiervan immers aanzienlijk minder groot dan bij de bedoelde snelheidswedstrijden.

  • b.

    evenementen met gemotoriseerde voertuigen en gevaar zettend element.

    Voor de vraag of er sprake is van een gevaar zettend element is onder meer relevant of en de wijze waarop een object of een situatie een onaanvaardbaar nadelig effect kan veroorzaken. Voorbeelden van dergelijke evenementen zijn monstertruckevenementen en autovoetbal. Dergelijke evenementen zijn risicovol en het is onmogelijk om de veiligheid voldoende te waarborgen, mede omdat vaak veiligheidsregels ontbreken die toegespitst zijn op dergelijke evenementen. Onder voorwaarden kan voor tractorpulling, motorcross en mega-pull evenementen wel een vergunning worden verleend.

  • c.

    vechtsportwedstrijden, en dergelijke.

    Bij dergelijke (vecht)evenementen blijkt in veel gevallen de menselijke waardigheid in het geding te zijn. Zij zijn daardoor in strijd met de zedelijkheid. Verder gelden nauwelijks regels, wat bijvoorbeeld een potentieel gevaar is voor de openbare orde. Ook blijken dergelijke evenementen ongewenste neveneffecten te hebben, zoals vechtpartijen buiten de ring. Met nadruk wordt opgemerkt dat (een wedstrijd in) reguliere verdedigingssport niet onder deze categorie valt. In artikel 3 van dit besluit zijn vechtsportwedstrijden en -gala’s aangewezen als evenementen, waarvoor in beginsel een evenementenvergunning nodig is. Deze aanwijzing is nodig omdat ingevolge artikel 2:24, eerste lid van de Verordening geldt dat sportwedstrijden pas als evenementen worden aangemerkt als deze ingevolge artikel 2:24, tweede lid, onder f van de Verordening als zodanig zijn aangewezen.

  • d.

    bepaalde voetbalwedstrijden.

    • a.

      Een wedstrijd tussen twee betaalde voetbalclubs trekt in de regel meer supporters dan een wedstrijd tussen amateurvoetbalclubs. Terreinen van amateurvoetbalclubs zijn echter qua inrichting niet berekend op dergelijke hoeveelheden supporters. Dit maakt het uit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet wenselijk dat dergelijke wedstrijden op terreinen van amateurclubs plaatsvinden. In artikel 3 van dit besluit zijn deze voetbalwedstrijden aangewezen als evenementen, waarvoor in beginsel een evenementenvergunning nodig is. Deze aanwijzing is nodig omdat ingevolge artikel 2:24, eerste lid van de Verordening geldt dat sportwedstrijden pas als evenementen worden aangemerkt als deze ingevolge artikel 2:24, tweede lid, onder f van de Verordening als zodanig zijn aangewezen. Oefenwedstrijden zijn onder strenge voorwaarden wel mogelijk en worden per situatie door de burgemeester beoordeeld.

Artikel 5 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit en beleidsregels evenementen.

BIJLAGE D:  

Besluit van de burgemeester tot vaststelling van beleidsregels betreffende zijn bevoegdheid om ontheffing te verlenen van de sluitingstijd voor openbare inrichtingen

 

Op grond van artikel 2:29, derde lid van de Verordening is de burgemeester bevoegd ontheffing te verlenen van de sluitingstijd. In deze beleidsregels wordt aangegeven hoe van deze bevoegdheid gebruik gemaakt wordt.

Artikel 1 Sluitingstijden

  • 1.

    Cafés alsmede de Veluwehal en de Essenburgt, kunnen voor zaterdag en zondag ontheffing krijgen voor openstelling tot 02.00 uur en voor de andere dagen van de week tot 01.00 uur.

  • 2.

    Restaurants, gemeenschapshuizen (buurt- en dorpshuizen), broodjeszaken en cafetaria's kunnen voor alle dagen van de week een ontheffing krijgen om tot 01.00 uur geopend te zijn.

  • 3.

    Kantines op campings kunnen gedurende het vakantieseizoen in de periode van 1 april tot 1 oktober, ontheffing krijgen om alle dagen van de week tot 01.00 uur geopend te zijn.

  • 4.

    Sportkantines sluiten uiterlijk om 24.00 uur. Onder opgaaf van redenen kunnen zij maximaal twee keer per jaar ontheffing krijgen om tot 02.00 uur geopend te zijn.

  • 5.

    Aan horecaondernemers kan in bijzondere gevallen ontheffing worden verleend voor openstelling na 02.00 uur. Een bijzondere geval is bijvoorbeeld de nieuwjaarsnacht.

  • 6.

    Alle horecabedrijven waarin uitsluitend of in de hoofdzaak bedrijfsmatig alcoholhoudende drank voor directe consumptie ter plaatse wordt verstrekt (café, bars en dergelijke) kunnen – onder voorwaarden – een ontheffing krijgen om op de zaterdag en op de zondag tot 03.00 uur open te zijn.

Artikel 2. Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Beleidsregels ontheffing sluitingstijd.

BIJLAGE E:  

Besluit van de burgemeester tot vaststelling van beleidsregels betreffende de bevoegdheid om voor publiek openstaande gebouwen te sluiten

1. Inleiding

In het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, is de burgemeester volgens artikel 2:40a van de Verordening bevoegd de gehele of gedeeltelijke sluiting te bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een horeca-inrichting of seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf. In de hierna volgende beleidsregels wordt uiteengezet in welke gevallen de burgemeester van deze bevoegdheid gebruik zal maken.

2. Doel sluitingsbevoegdheid artikel 2:40a

Het doel van deze sluitingsbevoegdheid is het herstel van de openbare orde, de veiligheid of zedelijkheid door het weren en terugdringen van criminaliteit in en vanuit voor publiek openstaande gebouwen, alsmede het beëindigen van aanhoudende en ontoelaatbare overlast die niet met andere middelen afdoende kan worden bestreden.

3. Relatie met andere bevoegdheden tot sluiting

In situaties van een ordeverstoring, die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor de ordelijke gang van zaken, biedt de Gemeentewet (artikel 174) in eerste instantie uitkomst. Sluiting op grond daarvan kan echter slechts voor een beperkte periode en bij (een dreiging van) ernstige verstoring van de openbare orde. Als langere sluiting is gewenst of wanneer sluiting op grond van de Gemeentewet niet mogelijk is, biedt artikel 2:40a van de Verordening hiertoe de bevoegdheid.

 

Sluiting op deze grond is niet mogelijk voor zover dat reeds mogelijk is op een andere grond genoemd in de Verordening of artikel 13b van de Opiumwet. Seksinrichtingen kunnen worden gesloten op grond van hoofdstuk 3 van de Verordening. Horecagelegenheden kunnen worden gesloten op grond van hoofdstuk 2, afdeling 4 van de Verordening. Als sprake is van drugs(handel) kunnen gebouwen worden gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet.

4. Criminaliteit die openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid aantast

De volgende criminele activiteiten zullen in ieder geval worden aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid en/of zedelijkheid, wanneer zij in of vanuit een voor publiek toegankelijk gebouw plaatsvinden:

  • heling;

  • witwassen;

  • zedendelicten;

  • geweldsincidenten;

  • aantreffen vuurwapens;

  • handel in vuurwapens;

  • arbeidsuitbuiting;

  • (de aanwezigheid van slachtoffers van) mensenhandel;

  • illegale gokactiviteiten;

  • het faciliteren van criminele activiteiten.

Doel van de sluiting is, naast het wegnemen van het gevaar voor de openbare orde, om de loop naar een pand voor criminele activiteiten (en het faciliteren daarvan) eruit te halen. De naamsbekendheid van een pand voor dergelijke activiteiten moet worden doorbroken. De activiteiten kunnen dan ook niet door een rechtsopvolger worden voortgezet. Door middel van een sluiting kan dit worden bereikt. De sluiting heeft namelijk een zaaksgebonden werking.

5. Zware overlast

Op grond van artikel 2:40a van de Verordening kunnen gebouwen ook worden gesloten indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan gevallen van zware overlast. Daarvan is sprake bij aanhoudende en ontoelaatbare overlast. Dergelijke overlast heeft tot gevolg dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van het betreffende pand te zwaar onder druk staat.

 

Ontoelaatbare overlast moet los gezien worden van de effecten die redelijkerwijs van een voor publiek openstaand gebouw(en) mogen worden verwacht, zoals het geluid van het op normale wijze komen en gaan van bezoekers, al dan niet gebruik makend van (gemotoriseerde) vervoermiddelen. Met de aanwezigheid van bepaalde bedrijven is immers in planologisch opzicht al rekening gehouden. Op dit punt kunnen vaak maatregelen worden opgenomen via het stellen van een maatwerkvoorschrift voor het bedrijf op grond van de milieuregelgeving dan wel de horecaregelgeving. Ontoelaatbare overlast is in veel gevallen afkomstig van komende en vertrekkende bezoekers. Voorbeelden van factoren bij ontoelaatbare overlast zijn o.a. het hard dichtslaan van portieren, geschreeuw, toeteren, wegscheurende gemotoriseerde voertuigen, geruzie, licht handgemeen, het bij herhaling ledigen van maag- of blaasinhoud in de omgeving van het gebouw of bedrijf. Daarnaast kan er sprake zijn van intimidatie van (buurt)bewoners. Wanneer dergelijke overlast vanuit een woning plaatsvindt, is dit gereguleerd in artikel 2:79 van de Verordening en de daaraan gekoppelde beleidsregels.

6. Duur van de sluiting

Bij het bepalen van de duur van de sluiting wordt onderscheid gemaakt tussen de sluiting als gevolg van criminele activiteiten en die als gevolg van overlast. Hieronder wordt daar nader op ingegaan.

6.1. Criminele activiteiten

De burgemeester kan een gebouw voor een bepaalde duur of gedeeltelijk sluiten. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de gang van zaken rond een sluiting van een horecabedrijf. Bij het intrekken van een horecavergunning, wat feitelijke sluiting van de horecazaak tot gevolg heeft, kan worden bepaald dat een nieuwe vergunning kan worden geweigerd. In het Drank- en Horecanalevingsbeleid gemeente Barneveld is deze termijn niet beperkt. Afhankelijk van de criminele activiteiten is het proportioneel om voor zes maanden tot één jaar te sluiten.

 

Bij de duur van een sluiting van een voor publiek openstaand gebouw wordt onderscheid gemaakt tussen een ondernemer/eigenaar die adequaat optreedt en degenen die dit niet doen. Dit betekent dat als de ondernemer/eigenaar geen verwijt treft in principe een sluiting van zes maanden zal worden opgelegd. Indien er wel sprake is van een verwijt (de activiteiten zijn getolereerd, gefaciliteerd, aan deelgenomen etc.) is er sprake van verzwarende omstandigheden. In die gevallen volgt een sluiting voor de duur van (maximaal) één jaar. Ook in het geval van excessen kan tot een langere sluitingstermijn worden besloten. Dit zal altijd gemotiveerd moeten worden.

6.2. Overlast

Aangezien bij overlast vaak subjectieve ‘gevoelens’ meespelen zal hierbij een stappenplan worden gevolgd om alle partijen de voortgang in de aanpak van de overlast te kunnen laten zien. Het is dus niet zo dat bij overlast onmiddellijke sluiting volgt. Naar aanleiding van de bekende overlast zal in het algemeen eerst een gesprek en een (schriftelijke) waarschuwing volgen (stap 1). Als dit geen effect heeft, zal een sluitingstijd worden opgelegd (stap 2). Mochten al deze maatregelen geen effect sorteren, dan zal uiteindelijk een volledige sluiting voor bepaalde of onbepaalde duur worden geëffectueerd (stap 3).

 

Als er sprake is van verzwarende omstandigheden (bijv. verwijtbaarheid van de eigenaar/ondernemer) of excessen dan kunnen stappen uit het stappenplan worden overgeslagen (bijv. direct overgaan tot opleggen van sluitingstijden zonder voorafgaande waarschuwing) of kan een zwaardere maatregel worden genomen (bijv. verdubbeling van de sluitingstermijn).

De burgemeester kan op verzoek van belanghebbenden enkel een sluiting voor onbepaalde duur intrekken. Uit feiten en omstandigheden moet dan blijken dat er geen sprake is van (dreiging van) herhaling van de gedragingen die tot de sluiting hebben geleid. In zeer bijzondere gevallen (bijvoorbeeld bij wijziging van de bestemming van het pand) kan de burgemeester ambtshalve een tijdelijke sluiting opheffen.

7. Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Beleidsregels sluiting van voor publiek openstaande gebouwen.

BIJLAGE F:  

Besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van aanplakborden voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen alsmede tot vaststelling van nadere regels over dit onderwerp

 

Met dit besluit wordt uitvoering gegeven aan de bevoegdheid van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 2:42, vijfde lid, van de Verordening om aanplakborden aan te wijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Daarbij wordt op basis van hun bevoegdheid om nadere regels te stellen, bedoeld in artikel 2:42, zevende lid van de Verordening, een onderscheid gemaakt tussen aanplakborden ten behoeve van verkiezingen en referenda en algemene aanplakborden. In beide gevallen is gebruik voor handelsreclame ingevolge artikel 2:45, zesde lid, van de Verordening niet toegestaan.

Artikel 1 Algemene aanplakborden

Burgemeester en wethouders wijzen op grond van artikel 2:42, vijfde en zevende lid van de Verordening de volgende locaties aan voor algemene aanplakborden voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, niet zijnde handelsreclame:

  • Barneveld, bij station Barneveld-centrum; en

  • Barneveld, tegen de Veluwehal.

Artikel 2 Aanplakborden verkiezingen

Burgemeester en wethouders wijzen op grond van artikel 2:42, vijfde en zevende lid van de Verordening de volgende locaties aan voor aanplakborden die in de periode voorafgaand aan verkiezingen en referenda mogen worden gebruikt voor het aanbrengen van uitingen van partijen, niet zijnde handelsreclame, die zich hebben ingeschreven voor de verkiezingen of meedoen aan het referendum:

 

Barneveld

  • rotonde bij het Hulpverleningscentrum (HVC);

  • Spoorstraat/Burgemeester Kuntzelaan;

  • ter hoogte van de verkeersregelinstallatie bij de Plantagelaan/Scherpenzeelseweg;

  • Van Zuylen van Nieveltlaan, bij de verkeerslichten nabij bouwmarkt Karwei;

  • Van Wijnbergenlaan/Stationsweg.

Voorthuizen

  • Hoofdstraat, op hoek van de Rembrandtstraat (locatie aan de zijde van de Ganzebeekstraat);

  • Apeldoornsestraat, bij De Steenkamp.

Kootwijkerbroek

  • Essenerweg, plantsoen tussen de Jan van de Heydenstraat en de Kosterijweg.

Garderen

  • Bakkerstraat.

Stroe

  • Wolweg, tegenover de Hogekampweg.

Kootwijk

  • Heetweg, bij de hoek De Brink.

Zwartebroek

  • Platanenstraat, bij de hoek Damweg.

Terschuur

  • Hoevelakenseweg ter hoogte van de Eendrachtstraat.

De Glind

  • Rudolphlaan, tussen de Schoonderbekerweg en de Postweg.

Artikel 3 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit en nadere regels aanplakborden.

BIJLAGE G:  

Besluit van burgemeester en wethouders tot het aanwijzen van gebieden waar het verboden is alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben

 

Met dit besluit wordt uitvoering gegeven aan de bevoegdheid, bedoeld in artikel 2:48 van de Verordening, om gebieden aan te wijzen waar het voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, verboden is om op een openbare plaats alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

Artikel 1 Gebieden

Op grond van artikel 2:48 van de Verordening zijn de volgende gebieden aangewezen:

 

Barneveld

  • het gebied gelegen tussen de Groen van Prinstererlaan, de Thorbeckelaan, de Burgemeester Kuntzelaan, de Van Dompselaerstraat, de Van Schothorstraat, de Churchillstraat, de Bouwheerstraat, de Plantagelaan (tot de Rozenstraat), de Rozenstraat en de Schoutenstraat, inclusief stationsgebied Barneveld-Centrum;

  • het gebied gelegen tussen de Boutensstraat, de Bilderdijkstraat, de Nicolaas Beetstraat en de Staringstraat;

  • het gebied rondom en op het Oldebarneveldplein;

  • het gebied tussen de Oldenbarneveldseweg, Narcissenstraat, Zonnebloemstraat en Begoniastraat;

  • het gebied rondom de Van Hogendorplaan ter hoogte van de Dr. Kuyperlaan;

  • het gebied tussen de Churchilstraat, de Van Schothorststraat, het Jan Seppenplein en de Rooseveltstraat (het gebied rondom de supermarkt);

  • het gebied op en rondom de parkeerplaats De Vetkamp aan de Stationsweg;

  • het gebied op en rondom het Lavendelplein;

  • het gebied tussen Wijnakker, Tabaksland en Grasland;

  • het gebied tussen de Barnseweg en de Espeterweg, (gelegen binnen de driehoek Espeterweg - Barnseweg - Espeterweg);

  • het gebied tussen Beekboog, Eilandenboog, Nederwoudseweg, en de Burgemeester C.W. Labreelaan;

  • het gebied tussen de Van Wijnbergenlaan, de Van Haersoltelaan en de Ambrosius van Ommerenlaan;

  • het gebied in en rondom het Oosterbos;

  • het gebied in en rondom het Schaffelaarsebos;

  • stationsgebied Barneveld-Zuid;

  • stationsgebied Barneveld-Noord;

  • het gebied op en rondom het parkeerterrein aan de Buru (bij de supermarkt); en

  • het parkeerterrein bij de sporthal De Meerwaarde, het voet- en fietspad tussen de school De Meerwaarde en de genoemde sporthal, inclusief het gebied onder de tunnel.

Garderen

  • het gebied tussen de Dorpsstraat, de Koningsweg, de Doctor H.C. Bosstraat, de Speulderweg en de Putterweg; en

  • het gebied rondom en op de Putterweg ter hoogte van de Buurtstraat en de Dorpsstraat.

De Glind

  • het gebied rondom en op de Schoonderbekerweg, de Glindhorst en de Rudolphlaan.

Kootwijkerbroek

  • het gebied tussen de Kosterijweg, de Veluweweg, Kerkweg en de Essenerweg.

Voorthuizen

  • het gebied tussen de Hoofdstraat, de Rembrandstraat, de Gerard Doustraat, de Schoolstraat, de Bakkersweg en de Koninginnelaan;

  • de gebied rondom en op het terrein van zwembad ‘De Heuvelrand’ aan de Roelenengweg;

  • het gebied rondom en op de Molenmakerslaan, de Eekschillerslaan en de Schaapscheerderslaan; en

  • het gebied rondom en op het terrein van sporthal ‘De Voorde’ aan de Jan de Jagerweg.

Stroe

  • het gebied gelegen tussen de Ericaweg, de Bremstraat, de Zonnedauw en de de Stroeërweg;

  • het gebied rondom en op de Wolweg ter hoogte van de Tolnegenweg tot de Anastatiusweg;

  • het gebied rondom en op de Houtbeekweg.

Terschuur

  • het gebied gelegen rondom en op de Van de Bleekstraat, de Broekhuizenstraat en de Van de Borstraat.

Zwartebroek

  • het gebied rondom en op de Platanenstraat ter hoogte van de Rondweg en de Eendrachtstraat.

Het recreatiegebied Zeumeren

Dit gebied wordt onderverdeeld in drie zones (zie de hieronder weergegeven kaart) waar het volgende geldt:

  • zone 1 (geel): de terrassen van de openbare inrichtingen op het terrein van het recreatiegebied. Het verbod, bedoeld in artikel 2:48 van de Verordening, om alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke bij zich te hebben is volgens het tweede lid van deze bepaling niet van toepassing op dergelijke terrassen. Dergelijke gebieden mogen ingevolge artikel 2:29 van de Verordening voor bezoekers open zijn tussen 06:00 en 24:00 uur;

  • zone 2 (groen): de ligweiden en parkeerplaatsen. Voor deze zone geldt een alcoholverbod tussen 18.00 en 08:00 uur, dan wel tussen zonsondergang en 08:00 uur in het geval zonsondergang vroeger valt dan 18:00 uur; en

  • zone 3 (roze): het overige deel van het terrein, waaronder het wateroppervlakte en de golfbaan. Voor zone 3 geldt een alcoholverbod gedurende de hele dag.

Artikel 2 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit verbod nuttigen en voorhanden hebben aangebroken verpakking alcoholhoudende drank.

KAART, behorende bij BIJLAGE G

BIJLAGE H:  

Besluit van burgemeester en wethouders tot het vaststellen van nadere regels betreffende de vrijstelling van het verbod om honden los te laten lopen, van de verplichting om hondenuitwerpselen te verwijderen en van de verplichting om een opruimmiddel bij zich te hebben, alsmede tot aanwijzing van gebieden waar geen verbod om een hond los te laten lopen geldt

Vrijstelling

Op grond van artikel 2:57, vierde lid en artikel 2:58, derde lid, van de Verordening zijn ingezetenen van de gemeente Barneveld, die eigenaar zijn van een hond en die vanwege ziekte of gebrek beperkingen ondervinden waardoor zij hun hond – niet zijnde een geleidehond – niet aangelijnd kunnen houden en/of niet in staat zijn uitwerpselen van die hond op te ruimen, vrijgesteld van het verbod bedoeld in artikel 2:57, eerste lid van de Verordening en/of het verbod, bedoeld in artikel 2:58, eerste en tweede lid van de Verordening. Onder eigenaar wordt tevens de houder verstaan. Ter invulling van deze vrijstelling kunnen burgemeester en wethouders op grond van artikel 2:57, vijfde lid en artikel 2:58, vijfde lid van de Verordening nadere regels stellen. Deze luiden als volgt.

Artikel 1 Losloopverbod

  • 1.

    Een vrijstelling van het verbod de hond los te laten lopen, genoemd in artikel 2:57, eerste lid, van de Verordening kan alleen van toepassing zijn als de eigenaar van de hond beperkingen ondervindt in zijn functioneren als gevolg van ziekte of gebrek, waardoor de hond gevaar kan opleveren voor de eigenaar als hij is aangelijnd.

  • 2.

    De beperkingen, bedoeld in het eerste lid hebben specifiek betrekking op het valrisico door verstoring van de evenwichtsfunctie in het geval dat de hond zich plotseling aan het gezag onttrekt. Dit risico kan niet worden opgeheven door het gebruik van een rollijn.

  • 3.

    De vrijstelling kan alleen van toepassing zijn als de eigenaar in een normale situatie gezag heeft over de hond. Het loslopen van de hond mag geen overlast veroorzaken voor andere gebruikers van het openbaar gebied.

  • 4.

    De hond moet zich binnen de gebieden waarin een aanlijnplicht geldt, altijd binnen een straal van vijf meter van de eigenaar bevinden.

  • 5.

    De vrijstelling is niet van toepassing op honden waarvoor een algemene aanlijn- of muilkorfverplichting geldt.

Artikel 2 Verplichtingen op te ruimen en opruimmiddel bij zich te hebben

  • 1.

    De vrijstelling van de opruimverplichting en van de verplichting om een opruimmiddel bij zich te hebben, genoemd in artikel 2:58, eerste en tweede lid van de Verordening kan van toepassing zijn als de eigenaar van de hond als gevolg van ziekte of gebrek beperkingen ondervindt in zijn hand en/of coördinatiefunctie, waardoor hij niet in staat is uitwerpselen op te ruimen.

  • 2.

    De vrijstelling kan ook van toepassing zijn als de eigenaar van de hond niet kan bukken en niet in staat is gebruik te maken van hulpmiddelen waarmee het bukken kan worden voorkomen.

  • 3.

    Ongeacht het van toepassing zijn van de vrijstelling, is de eigenaar nog steeds gehouden de overlast voor andere gebruikers van het openbare gebied zo veel mogelijk te beperken.

Artikel 3 Pas noodzakelijk

  • 1.

    Een eigenaar van een hond kan zich alleen met succes op de vrijstelling bedoeld in artikel 2:57, vierde lid en/of artikel 2:58, derde lid van de Verordening beroepen als hij beschikt over een voor dat doel uitgegeven pas en hij deze op eerste verzoek aan de politie of aan de gemeentelijke toezichthouder toont.

  • 2.

    Een pas is op aanvraag verkrijgbaar bij de gemeente Barneveld. De aanvraag bevat in ieder geval een verifieerbare onderbouwing dat er bij de betreffende eigenaar sprake is van beperkingen als bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid en/of beperkingen als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid.

  • 3.

    Om te kunnen beoordelen of er bij de betreffende eigenaar van de hond sprake is van beperkingen die verstrekking van de pas rechtvaardigen kan, als burgemeester en wethouders dat wenselijk achten, medisch advies worden ingewonnen worden bij een daartoe door de gemeente gecontracteerde onafhankelijke instantie.

  • 4.

    Burgemeester en wethouders kunnen voorts gebruik maken van de bij de gemeente bekende medische informatie van de aanvrager, als de aanvrager hier specifiek toestemming voor geeft door dit aan te geven op het aanvraagformulier.

Artikel 4 Geldingsduur pas

De pas heeft een geldingsduur van maximaal vijf jaar, is persoonsgebonden en vervalt wanneer de hond niet langer door de pashouder wordt verzorgd.

Aanwijzing

Artikel 5 Losloopgebieden

Burgemeester en wethouders wijzen op grond van artikel 2:57, derde lid van de Verordening, de volgende hondenlosloopgebieden aan:

  • 1.

    het gedeelte van Landgoed Schaffelaar van Geldersch Landschap en Kasteelen, dat als zodanig is aangewezen op de ‘hondenlosloopkaart De Schaffelaar’ die via www.glk.nl te raadplegen is;

  • 2.

    het gedeelte van Wilbrinkbos van Geldersch Landschap en Kasteelen, dat als zodanig is aangewezen op de ‘hondenlosloopkaart Wilbrinkbos’ die via www.glk.nl te raadplegen is; en

  • 3.

    de Apeldoornsestraat in Voorthuizen van Staatsbosbeheer, gelegen tussen de Harderwijkerkarweg, de Hoge Boeschoterweg en de Apeldoornsestraat.

Slot

Artikel 6 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Nadere regels vrijstelling losloopverbod honden en opruimplicht uitwerpselen, alsmede besluit tot aanwijzing losloopgebieden.

Toelichting op de nadere regels

Inleiding

De verplichting om uitwerpselen van honden op te ruimen en het verbod om honden los te laten lopen worden streng gehandhaafd. Hondenpoep op straat en loslopende honden zijn immers een voortdurende bron van ergernis voor velen. Er zijn echter mensen die fysiek niet in staat zijn om de uitwerpselen op te rapen of die door fysieke beperkingen snel omver getrokken kunnen worden wanneer de hond aan de riem zou trekken. Met de vrijstelling, bedoeld in artikel 2:57, vierde lid en artikel 2:58, derde lid van de Verordening wordt in deze behoefte voorzien. Onderhavige nadere regels geven een nadere invulling hiervan. Het betreft uitzonderingssituaties, waarin dat de hondeneigenaar voldoende kan aantonen dat zijn of haar fysieke beperkingen maken dat het feitelijk onmogelijk is om aan het bedoelde verbod en/of gebod te voldoen. Tevens dient de betreffende eigenaar te beschikken over een voor dat doel door de gemeente Barneveld te verstrekken pas, die hij desgevraagd aan de controleur moet tonen. Deze pas wordt verstrekt als aanvrager voldoende aangetoond heeft dat zijn beperkingen een uitzondering op het losloopverbod en/of de opruimplicht rechtvaardigen.

Losloopverbod

Met betrekking tot het losloopverbod moet er sprake zijn van een evenwichtsprobleem bij de hondeneigenaar, waardoor de kans op vallen groot is wanneer hij of zij uit evenwicht wordt gebracht. Het kan ook zijn dat een eigenaar niet in staat is een riem of rollijn vast te houden. Het mag nadrukkelijk niet gaan om een hond die erg trekt aan de riem en die niet luistert naar commando’s. De eigenaar komt voorts alleen voor een pas in aanmerking, wanneer hij of zij in een normale situatie gezag heeft over de hond. De hond moet binnen een afstand van vijf meter van de eigenaar verblijven. De eigenaar moet de hond direct bij zich kunnen roepen. Wanneer de eigenaar dit gezag over de hond niet heeft, wat blijkt uit een op grond van artikel 2:59 van de Verordening opgelegd aanlijnings- en/of muilkorfgebod, wordt er in ieder geval geen pas verstrekt. De loslopende hond mag immers geen gevaar of overlast veroorzaken voor andere gebruikers van het openbaar gebied.

Opruimplicht uitwerpselen

De vrijstelling van de opruimverplichting is alleen van toepassing als de betreffende hondeneigenaar beschikt over een voor dat doel uitgegeven pas van de gemeente en deze desgevraagd aan de controleur toont. Die pas wordt verstrekt als hij of zij in de pasaanvraag voldoende aantoont dat hij door fysieke beperkingen niet in staat is om de uitwerpselen zelf op te ruimen. Hierbij gaat het om beperkingen aan de handen, als gevolg waarvan hij of zij niets kan oppakken. Voorts kan het gaan om het niet kunnen bukken en weer omhoog komen. In dit kader is van belang dat de eigenaar ook geen gebruik kan maken van een schepje of grijpertje met een steel.

 

Ook indien de vrijstelling van de verplichting om de uitwerpselen van een hond op te ruimen en van de verplichting om een opruimmiddel bij zich te dragen geldt, is het van belang de overlast die daardoor ontstaat zo veel mogelijk te beperken. Het van toepassing zijn van deze vrijstelling mag er bijvoorbeeld niet toe leiden dat de uitwerpselen midden op de stoep zullen blijven liggen of op een veld waar kinderen spelen. Om die reden is in artikel 2, lid 3 bepaald dat de overlast zo veel mogelijk moet worden beperkt. De eigenaar moet de hond ertoe bewegen de behoefte zo veel mogelijk in de goot te doen of tussen struiken waar geen wandelaars komen. Wanneer de eigenaar zich hier niet aan houdt of de hond niet in die mate onder gezag heeft dat hij of zij kan bepalen waar de uitwerpselen terecht komen, kan de pas op de gronden die genoemd zijn in artikel 1:6 van de Verordening worden ingetrokken.

BIJLAGE I:  

Besluit van burgemeester en wethouders tot het aanwijzen van gebieden waar een verbod geldt om op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken

 

Op grond van artikel 2:65 van de Verordening geldt een verbod om in door burgemeester en wethouders aan te wijzen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw om geld of andere zaken te bedelen. Met dit besluit vindt deze aanwijzing plaats.

Artikel 1 Aanwijzing

De volgende locaties worden aangewezen als gebieden waar het verbod, bedoeld in artikel 2:65 van de Verordening van toepassing is:

  • a.

    alle supermarkten in de gemeente Barneveld, inclusief de daarbij gelegen parkeerterreinen;

  • b.

    de winkelstraten in Barneveld gelegen binnen de Bouwheerstraat, Amersfoortsestraat, Torenplein, Gasthuisstraat en de Burgemeester Kuntzelaan;

  • c.

    de winkelstraten in Voorthuizen gelegen binnen de Koninginnelaan, Haarkampstraat, Kievitstraat, Apeldoornsestraat, Sportparklaan, Roelenengweg, Kerkstraat, Gerard Doustraat, Rembrandstraat en de Hoofdstraat.

Artikel 2 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit bedelarij.

BIJLAGE J:  

Besluit van de burgemeester tot het aanwijzen van het Digitaal Opkopers Register als in- en verkoopregister voor gebruikte en ongeregelde goederen

Artikel 1 Aanwijzing, waarmerking

De burgemeester wijst het Digitaal Opkopers Register aan als doorlopend en gewaarmerkt register voor de in- en verkoop van gebruikte of ongeregelde goederen zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en in artikel 2:67, eerste lid, van de Verordening.

Artikel 2 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit Digitaal Opkopers Register.

Toelichting op het aanwijzingsbesluit

Volgens het Integraal Gemeentelijk Veiligheidsplan Barneveld is het tegengaan van heling één van de speerpunten van de aanpak van woninginbraak en diefstallen. Om heling van goederen tegen te gaan moeten handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen gecontroleerd kunnen worden. Artikel 2:67 van de Verordening en artikel 2, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepalen dat dergelijke handelaren verplicht zijn in een doorlopend, door of namens de burgemeester gewaarmerkt register (respectievelijk een verkoop- en inkoopregister) aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die zij respectievelijk verkopen of op een andere wijze overdragen en die zij verworven of voorhanden hebben.

 

De politie heeft een digitale versie van deze registers ontworpen, zijnde het Digitaal Opkopers Register (DOR), waarmee een zo efficiënt en effectief mogelijk gebruik van het in- en verkoopregister door de politie kan plaatsvinden. Het DOR kan worden gekoppeld aan een landelijk systeem waarin gestolen goederen worden geregistreerd, zodat bij registratie van een gestolen goed door een handelaar het systeem hiervan een melding maakt, waardoor gestolen goederen snel kunnen worden getraceerd en heling op een effectieve wijze kan worden tegengegaan. Het is daarom wenselijk het DOR middels aanwijzing te waarmerken als een dergelijk verkoop- en inkoopregister.

BIJLAGE K:  

Besluit van burgemeester en wethouders tot het vaststellen van beleidsregels voor het toepassen van de bevoegdheid tot het verlenen van een ontheffing van het verbod om carbid te schieten

 

In artikel 2:73a, eerste lid, van de Verordening is het verbod opgenomen om op of aan de openbare weg of op een openbare plaats carbid te schieten. In deze beleidsregels geven burgemeester en wethouders aan hoe zij gebruik maken van hun bevoegdheid, bedoeld in het derde lid van de genoemde bepaling, om van dit verbod ontheffing te verlenen.

Artikel 1 Voorwaarden

Burgemeester en wethouders verlenen uitsluitend onder de volgende voorwaarden ontheffing van het verbod om carbid te schieten, bedoeld in artikel 2:73a, eerste lid van de Verordening:

  • a.

    de houder van de ontheffing is minimaal 18 jaar;

  • b.

    de ontheffing is beperkt tot het schieten bij daglicht op Oudejaarsdag;

  • c.

    wanneer Oudejaarsdag op een zondag valt kan het schieten op de zaterdag daarvoor plaatsvinden; en

  • d.

    de ontheffing is beperkt tot locaties, die buiten de grens van de bebouwde kom van de verschillende dorpskernen gelegen zijn.

Artikel 2 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Beleidsregels ontheffing carbidschieten.

BIJLAGE L:  

Besluit van de burgemeester tot het vaststellen van beleidsregels voor het toepassen van zijn bevoegdheid om een persoon een gebiedsontzegging op te leggen

 

In artikel 2:78 van de Verordening is bepaald dat de burgemeester onder bepaalde omstandigheden bevoegd is om een persoon een gebiedsverbod op te leggen. In de hierna volgende beleidsregels wordt uiteengezet op welke wijze de burgemeester van deze bevoegdheid gebruik zal maken.

Inleiding

Ook in de gemeente Barneveld vindt overlast plaats door personen die de openbare orde verstoren en/of zich schuldig maken aan strafbare feiten. Het gedrag van deze personen bestaat onder meer uit samenscholing, hinderlijk drankgebruik, geweldpleging, schreeuwen, openlijk gebruik van drugs, handel in drugs, onvoorspelbare agressiviteit en het anderszins lastig vallen van personen. Door dit gedrag ervaren burgers overlast wat bij hen reële en concrete gevoelens van onveiligheid teweeg brengt.

 

De gebiedsontzegging is een maatregel om de openbare orde in het aangewezen gebied te handhaven, de criminaliteit en overlast terug te dringen en burgers hun gevoel van veiligheid terug te geven. Voor het opleggen van een gebiedsopzegging moet voldaan zijn aan het situatievereiste: er moet sprake zijn van omstandigheden die tot het ingrijpen ter handhaving van de openbare orde kunnen noodzaken. Het kan ook gaan om een dreigende verstoring van de openbare orde. Daarnaast moet voldaan zijn aan het doelcriterium: de maatregel moet gericht zijn op het beëindigen of voorkomen van (verdere) ordeverstoringen of overlast of het beperken van de gevolgen daarvan en dat de maatregel moet voldoen aan de eisen van subsidiariteit (er is geen minder zwaar middel voorhanden) en proportionaliteit (de gebiedsontzegging staat in verhouding tot de te bestrijden problematiek c.q. het te bereiken doel). Ook de duur van de maatregel moet dus direct gekoppeld zijn aan de situatie dat er gevaar dreigt voor de openbare orde.

 

De gebiedsontzegging moet worden gezien als een ultimum remedium. Een gebiedsontzegging heeft geen gevolg voor de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie om de gepleegde strafbare feiten te gaan vervolgen.

Artikel 1 Aangewezen gebied

Een persoon wordt een gebiedsontzegging opgelegd die geldt voor het door de burgemeester aan te wijzen gebied.

Artikel 2 Feiten die in aanmerking komen

In de lijst die bij deze beleidsregels hoort zijn de feiten opgenomen die, in geval zij plaatsvinden op een openbare plaats, kunnen leiden tot een gebiedsontzegging.

Artikel 3 Waarschuwingsbrief

  • 1.

    Na het eerste geconstateerde strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling als bedoeld in de lijst, behorende bij deze beleidsregels, wordt de persoon schriftelijk gewaarschuwd dat bij een volgende overtreding de burgemeester kan overgaan tot een gebiedsontzegging.

  • 2.

    De politie of de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) levert na de geconstateerde overtreding deze informatie aan bij de burgemeester.

  • 3.

    De waarschuwingsbrief wordt per post verzonden of uitgereikt aan de geadresseerde.

Artikel 4 Opleggen en duur gebiedsontzegging

  • 1.

    Een besluit tot het opleggen van een gebiedsontzegging voor maximaal 48 uur als bedoeld in artikel 2:78, eerste lid van de Verordening kan niet eerder worden genomen dan na de tweede geconstateerde overtreding van één van de in artikel 2 bedoelde feiten, blijkend uit de omstandigheden dat de overtreder voor de tweede maal een proces-verbaal of dagvaarding is aangezegd of uitgereikt heeft gekregen.

  • 2.

    Een besluit tot het opleggen van een gebiedsontzegging van maximaal acht weken als bedoeld in artikel 2:78, tweede lid van de Verordening kan niet eerder worden genomen dan na de derde geconstateerde overtreding van één van de in de artikel 2 bedoelde feiten, blijkend uit de omstandigheden dat de overtreder voor de derde maal een proces-verbaal of dagvaarding is aangezegd of uitgereikt heeft gekregen. De strafbare feiten of de openbare orde verstorende handelingen moeten zich hebben voorgedaan binnen twaalf maanden na het in het eerste lid genoemde besluit.

  • 3.

    De gebiedsontzegging geldt tijdens de in de bekendmaking van het besluit genoemde periode en dagen. De periode van de gebiedsontzegging kan alle dagen van een week betreffen (van 00.00 tot 24.00 uur) voor de duur van ten hoogste acht weken.

Artikel 5 Besluit opleggen gebiedsontzegging

  • 1.

    Het besluit tot het opleggen van een gebiedsontzegging dient gemotiveerd te zijn.

  • 2.

    In de motivering wordt in ieder geval aangegeven:

    • a.

      het aantal en de inhoud van de processen-verbaal van de geconstateerde overtredingen en de relatie met aan te wijzen gebied;

    • b.

      eventueel eerdere gebiedsontzeggingen;

    • c.

      een vermelding van de waarschuwingsbrief;

    • d.

      overige feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn;

    • e.

      de periode en de duur van de gebiedsontzegging; en

    • f.

      het gebied van de ontzegging en de kaart van het gebied als bijlage.

Artikel 6 Persoon woonachtig of werkzaam in het aangewezen gebied

Indien de persoon aan wie het besluit tot gebiedsontzegging wordt opgelegd, woont of werkt in het gebied waarvoor de ontzegging geldt, wordt dat aangewezen gebied zodanig aangepast dat die persoon een aanlooproute heeft van en naar zijn/haar woning of werklocatie of naar de middelen van openbaar vervoer, niet zijnde een taxi.

Artikel 7 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Beleidsregels gebiedsontzegging.

Lijst, behorende bij beleidsregels inzake gebiedsontzegging (BIJLAGE L)

 

Bijzondere wetten:

  • bezit en/of gebruik harddrugs, voorkomende op lijst I (artikel 2 Opiumwet);

  • bezit en/of gebruik van meer dan de gebruikershoeveelheid softdrugs voorkomende op lijst II (artikel 3 Opiumwet);

  • verboden handelingen (incl. het aanwezig hebben/dragen etc) betreffende traangas, boksbeugels, wapenstokken, steekwapens en dergelijke als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie; en

  • verboden handelingen (incl. het aanwezig hebben/dragen etc) betreffende vuurwapens/schietwapens als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie,

Misdrijven Wetboek van Strafrecht (Sr):

  • openlijke geweldpleging (artikel 141 Sr);

  • ambtsdwang (artikel 179 Sr);

  • wederspannigheid (artikel 180 Sr);

  • ambtsdwang en wederspannigheid in vereniging (artikel 182 Sr);

  • niet opvolgen ambtelijk bevel (artikel 184 Sr);

  • schennis van de eerbaarheid (artikel 239 Sr);

  • feitelijke aanranding van de eerbaarheid (artikel 246 Sr);

  • belediging van het openbaar gezag (artikel 267 Sr);

  • bedreiging (artikel 285 Sr);

  • mishandeling (artikel 300 Sr);

  • mishandeling met voorbedachte rade (artikel 301 Sr);

  • zware mishandeling (artikel 302 Sr);

  • zware mishandeling met voorbedachten rade (artikel 303 Sr);

  • diefstal (artikelen 310, 311 en 312 Sr);

  • afpersing/afdreiging (artikel 317 en 318 Sr); en

  • vernieling (artikel 350 Sr).

Overtredingen Wetboek van Strafrecht (Sr):

  • straatschenderij (artikel 424 Sr);

  • in dronkenschap belemmeren van verkeer of orde verstoren (artikel 426 Sr); en

  • openbare dronkenschap (artikel 453 Sr).

Overtredingen APV:

  • samenscholing en ongeregeldheden (artikel 2:1 APV);

  • plakken en kladden (artikel 2:42 APV);

  • betreden plantsoenen en dergelijke (artikel 2:45 APV);

  • hinderlijk gedrag op openbare plaatsen (artikel 2:47 APV);

  • verboden drankgebruik (artikel 2:48 APV);

  • hinderlijk gedrag bij of in gebouwen (artikel 2:49 APV);

  • hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten (artikel 2:50 APV);

  • gebiedsontzegging (artikel 2:78 APV);

  • het schieten van carbid (artikel 2:73a APV);

  • drugshandel op straat (artikel 2:74 APV); en

  • natuurlijke behoefte doen (artikel 4:8 APV).

BIJLAGE M:  

Besluit van de burgemeester tot het vaststellen van beleidsregels voor het toepassen van zijn handhavingsbevoegdheden bij woonoverlast

 

In artikel 2:79a van de Verordening is een zorgplicht opgenomen om in of vanuit een woning of een daarbij behorend erf geen ernstige en herhaaldelijke woonoverlast voor omwonenden te (laten) veroorzaken. Met de hierna volgende beleidsregels wordt uiteengezet hoe de burgemeester invulling geeft aan zijn bevoegdheid om deze zorgplicht, al dan niet door toepassing van zijn aanwijzingsbevoegdheid, te handhaven.

Inleiding

Op 1 juli 2017 is artikel 151d van de Gemeentewet (Gw) in werking getreden. Dit artikel staat bekend als de ”Wet aanpak woonoverlast”. Op basis van dit artikel kan de gemeenteraad bij verordening aan de burgemeester de bevoegdheid toekennen om bij ernstige en herhaaldelijke woonoverlast aan een overlastgever een gedragsaanwijzing op te leggen. Deze bevoegdheid is in artikel 2:79 van de Verordening aan de burgemeester toegekend. Met toepassing van deze bevoegdheid kan hij effectief en maatwerkgericht optreden tegen mensen die woonoverlast in de gemeente Barneveld veroorzaken. In deze beleidsregels legt de burgemeester vast op welke wijze hij dit effectief en maatgericht optreden in de gemeente vormgeeft. De beleidsregels geven aan welke sanctiemiddelen worden ingezet en wat de voorwaarden hiervoor zijn. Deze gedragsaanwijzing kan in de vorm van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom worden opgelegd.

Interpretatie van begrippen uit de genoemde bepaling van de Verordening, tenzij anders vermeld

  • “Woning of een bij die woning behorend erf”

    Met dit begrip wordt bedoeld de woning en de rest van het (tuin)perceel. In een gebouw met meerdere wooneenheden of gezamenlijke voorzieningen vallen ook deze gezamenlijke ruimtes onder deze omschrijving. Gelet op het bepaalde in artikel 151d, eerste lid Gw vallen ook gedragingen in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf, zoals bijvoorbeeld gedragingen in de tuin van de buren, op het trottoir en of op straat ter hoogte van of vlakbij de woning, onder de reikwijdte van dit begrip.

  • “Gebruiker van de woning”

    Hieronder wordt verstaan degene die de woning feitelijk bewoont. De gebruiker hoeft geen huurrechtelijke of eigendomsrechtelijke relatie tot de woning of het erf te hebben en hoeft niet de rechtmatige gebruiker van de woning te zijn. Ook een illegale onderhuurder of een kraker van de woning valt onder dit begrip.

  • “Gedragingen”

    Hiermee worden gedragingen die in of rondom de woning of het erf worden gepleegd bedoeld. De gedragingen kunnen worden gepleegd door de gebruiker van de woning zelf of door bezoekers, gasten of vrienden van de gebruiker, maar ook door diens huisdier. Het gaat om de woning die, of het erf dat, de overlastgever gebruikt.

  • “Omwonenden”

    Het gaat om personen die woonachtig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de woning en/of het erf van waaruit de overlast plaatsvindt.

  • “Ernstige en herhaaldelijke hinder”

    Ter invulling van dit begrip kan een vergelijking worden gemaakt met artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waar onder ‘hinder’ gedragingen worden verstaan zoals het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen of het onthouden van licht of lucht.

    Ernstige hinder als bedoeld in artikel 151d Gw kan tevens onrechtmatig zijn in de zin van artikel 5:37 BW, maar dat is geen vereiste. En andersom zal niet elke onrechtmatige burenhinder ook automatisch kunnen worden aangemerkt als ernstige hinder als bedoeld in artikel 151d Gw. In het derde lid van de bedoelde bepaling uit de verordening worden enkele niet-limitatief bedoelde vormen van “ernstige en herhaaldelijke hinder” opgesomd. Met de term ‘herhaaldelijk’ wordt gedoeld op het vereiste dat de ernstige hinder een terugkerend karakter heeft. De burgemeester geeft daarom geen toepassing aan de bestuursdwangbevoegdheid op basis van één incident.

  • “Last onder bestuursdwang of onder dwangsom”

    De burgemeester is alleen dan bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom, indien de ernstige hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. De last kan daarbij de vorm aannemen van een “aanwijzing” (gedragsaanwijzing).

  • “Aanwijzing” c.q. “gedragsaanwijzing”

    Voor het bestrijden van ernstige woonoverlast is de burgemeester bevoegd tot het geven van een specifieke (gedrags)aanwijzing. De gedragsaanwijzing neemt in juridische zin de vorm aan van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. In deze last staat dat de overlastgever bepaalde handelingen moet doen of juist moet nalaten zodat de overlast ophoudt.

  • “Tijdelijk huisverbod” (artikel 151d, derde lid Gw)

    De burgemeester zal per geval maatgericht te werk gaan. Mocht deze gerichte aanpak niet werken, dan kan desgewenst alsnog worden overgegaan tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod. De bewoner wordt tijdelijk de toegang tot de woning ontzegd voor een periode van 10 dagen, welke periode kan worden verlengd tot maximaal 4 weken. Binnen het brede palet van het bij wijze van bestuursrechtelijke herstelsanctie geven van een gedragsaanwijzing is het uitvaardigen van een tijdelijk huisverbod een ‘ultimum remedium’.

  • “Uitvoerbaarheid van de last”

    Het moet in het vermogen van betrokkene liggen om de hinderlijke gedragingen te staken. Ook moet het in diens vermogen liggen om aan de eventueel opgelegde last te kunnen voldoen. Dit vloeit voortuit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Soms wordt de overlast veroorzaakt door mensen met psychische problemen. Het is mogelijk dat zij, door hun psychische gesteldheid, niet bij machte zijn de overlast gevende gedragingen te staken. Een gedragsmaatregel op grond van deze wet is dan mogelijk niet voldoende of geen passende maatregel ter beëindiging van de overlast.

  • “Andere geschikte wijze” (artikel 151d, tweede lid Gw)

    De burgemeester gaat pas over tot het opleggen van een specifieke gedragsaanwijzing als de ernstige hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. Daarmee wordt gedoeld op de inzet van minder ingrijpende middelen. Denk bijvoorbeeld aan het inschakelen van buurtbemiddeling of het proberen de woonoverlast op een andere, minder ingrijpende manier tegen te gaan.

Sanctiemiddelen

De burgemeester kiest ervoor om de onderstaande sanctiemiddelen in te zetten na het constateren van overtredingen van artikel 2:79 van de Verordening. Voor de stapnummers wordt verwezen naar de corresponderende nummers in het stappenplan in de volgende paragraaf.

  • a.

    het opleggen van een besluit last onder dwangsom (stap 3);

  • b.

    het besluiten tot het invorderen van een dwangsom (invorderingsbeschikking, stap 4);

  • c.

    mogelijke keuze voor herhaling van stap 3 en 4 met een hoger dwangsombedrag (optionele stap 5 en 6);

  • d.

    het opleggen van een besluit last onder bestuursdwang (stap 7);

  • e.

    feitelijke bestuursdwang (stap 8);

  • f.

    tijdelijk huisverbod (stap 9).

Deze sanctiemiddelen worden voorafgegaan door onderzoek en bemiddeling als genoemd in stap 1 van het stappenplan en door een schriftelijke waarschuwing als bedoeld in stap 2 van het stappenplan. De stappen die genoemd zijn in het stappenplan worden pas gezet wanneer er redelijkerwijs geen minder ingrijpende maatregel is om de woonoverlast tegen te gaan.

Stappenplan

Onderstaande tabel bevat de weergave van de te volgen procedure. Van iedere constatering van een overtreding wordt vanaf stap 2 een op schrift gestelde rapportage opgemaakt door een daartoe aangewezen (gemeentelijk) toezichthouder, politieambtenaar of ter zake kundige. Hiermee wordt gelijkgesteld een verklaring van een getuige van woonoverlast, mits deze verklaring verifieerbaar is.

 

Stappenplan

 

Handelwijze bij stap

1. Onderzoek en bemiddeling en andere mogelijkheden

Signalen of meldingen van (ernstige) woonoverlast kunnen omwonenden en professionals melden bij de burgemeester. Waar nodig wordt extra informatie gevraagd bij de melder, zodat kan worden vastgesteld of er sprake is van ernstige en herhaaldelijke woonoverlast en hoe deze gekwalificeerd kan worden. Samen met betrokken instanties als politie, hulpverlening en woningverhuurder wordt de melding geverifieerd en de precieze aard en omvang van de woonoverlast vastgesteld en vastgelegd. Bij een huurwoning van Woningstichting Barneveld (WSB) wordt deze benaderd en zal zij haar eigen procedures inzetten met als doel de overlast te beëindigen. Waar mogelijk wordt eerst door één of meerdere van de ketenpartners en/of de gemeente een “goed gesprek” gevoerd. Dit kan bijvoorbeeld met de wijkagent, de verhuurder, maatschappelijk werk, buurtbeheerder en/of buurtbemiddeling. Daarbij geldt dat wanneer de benadering door één of meerdere van de genoemde ketenpartners niet leidt tot het beëindigen van de ernstige woonoverlast, wordt overgegaan naar stap 2. De informatie die is verzameld tijdens stap 1 wordt door de gemeente in een dossier vastgelegd.

2. Schriftelijke waarschuwing

In stap 2 volgt een schriftelijke waarschuwing van de burgemeester. Daarin wordt de overlastgever erop gewezen dat de burgemeester bij een voortzetting of herhaling van schending van de zorgplicht gebruik zal maken van zijn bevoegdheid als genoemd in artikel 2:79 van de Verordening.

3. Last onder dwangsom

Wanneer stap 2 niet het gewenste resultaat heeft geleid, gaat de burgemeester over tot het opleggen van een last onder dwangsom. Deze stap wordt in beginsel voorafgegaan door het versturen van een brief waarin het voornemen wordt geuit tot het opleggen van een last onder dwangsom. De overtreder wordt in de gelegenheid gesteld om mondeling of schriftelijk zijn zienswijze kenbaar te maken.

4. Invorderen dwangsom na verbeurte

Bij constatering van een overtreding van de last onder dwangsom (stap 3) verbeurt de dwangsom van rechtswege. Er volgt invordering hiervan, die begint met het versturen van een invorderingsbeschikking als bedoeld in artikel 5:37 van de Awb.

5. Een tweede last onder dwangsom met een hoger bedrag (optie)

Wanneer het invorderen van een verbeurde dwangsom niet het gewenste resultaat heeft, kan de burgemeester kiezen om een nieuwe last onder dwangsom op te leggen, waaraan een hoger te verbeuren bedrag gekoppeld is dan onder stap 3 nog het geval was. Afhankelijk van de situatie kan hij ook direct overgaan tot stap 7, het opleggen van een last onder bestuursdwang.

6. Invorderen tweede dwangsom na verbeurte (optie)

Wanneer is gekozen voor het opleggen van een tweede last onder dwangsom als bedoeld onder stap 3, en de daaraan gekoppelde dwangsom verbeurd is, volgt invordering hiervan.

7. Last onder bestuursdwang

Deze stap volgt in beginsel wanneer stap 1 tot en met 4 of 1 tot en met 6 niet hebben geleid tot het gewenste resultaat. Deze stap wordt in beginsel voorafgegaan door het versturen van een brief waarin het voornemen wordt geuit tot het opleggen van een last onder dwangsom. De overtreder wordt in de gelegenheid gesteld om mondeling of schriftelijk zijn zienswijze kenbaar te maken.

8. Feitelijke bestuursdwang

Deze stap volgt wanneer stap 1 tot en met 7 niet hebben geleid tot het gewenste resultaat. De burgemeester neemt zelf de herstelmaatregelen genoemd in de last, bedoeld onder stap 7. De kosten van bestuursdwang worden verhaald op de overtreder.

9. Tijdelijk huisverbod

Een last kan ook een tijdelijk huisverbod als bedoeld in artikel 151d, derde lid Gw inhouden. Deze stap volgt in beginsel wanneer stap 1 tot en met 8 niet hebben geleid tot het gewenste resultaat. Een dergelijke last is een ultimum remedium, waarbij een bewoner tijdelijk de toegang tot de woning wordt ontzegd. Het verbod geldt voor een periode van 10 dagen en kan worden verlengd tot ten hoogste vier weken.

Afsluiting

Deze beleidsregels geven de algemene handelwijze aan bij toepassing van artikel 2:79 van de Verordening. Wanneer van een bepaalde stap die volgens het stappenplan gezet dient te worden redelijkerwijs onvoldoende effect kan worden verwacht, kan de burgemeester ervoor kiezen om één stap of meerdere stappen over te slaan, mits hij dit onderbouwt. Dit kan onder andere, indien de situatie onverwachts zodanig uit de hand dreigt te lopen dat snel optreden of zwaarder optreden nodig is. Zulke afwijkingen zullen in het besluit gemotiveerd worden. Voorts handelt de burgemeester overeenkomstig het beleid, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.

Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Beleidsregels aanpak woonoverlast.

BIJLAGE N:  

Besluit van burgemeester en wethouders tot het vaststellen van nadere regels vergunningen voor prostitutie

 

In artikel 3:23 van de Verordening is de bevoegdheid opgenomen om nadere regels te stellen over de bevoegdheden, die in de afdeling betreffende seksinrichtingen en dergelijke uit de verordening zijn toegekend. Deze luiden als volgt:

Artikel 1 Beperkingen

Bij het beslissen op aanvragen voor vergunningen als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Verordening worden, onverminderd de voorschriften die daarin opgenomen zijn, de volgende nadere regels in acht genomen:

  • a.

    binnen de gemeente is maximaal één seksinrichting of escortbedrijf toegestaan;

  • b.

    indien de aanvraag een seksinrichting betreft, kan de vergunning alleen verleend worden als de seksinrichting als een bordeel of een privé-huis aangemerkt kan worden en maximaal 4 werkplekken telt; en

  • c.

    indien de aanvraag een escortbedrijf betreft, kan de vergunning alleen voor de daaraan verbonden kantoorfunctie worden verleend.

Artikel 2 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Nadere regels vergunningen prostitutie.

BIJLAGE O:  

Besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van (een) weg(en), waar het verbod geldt om een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen

 

Op grond van artikel 5:3 van de Verordening geldt een verbod om voertuigen op de weg te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen, mits deze weg daartoe aangewezen is. Met dit besluit vindt deze aanwijzing plaats.

Artikel 1 Aanwijzing

Het weggedeelte van de Molenweg in Voorthuizen, dat gelegen is tussen de Harremaatweg en de Brugveenseweg, wordt aangewezen als locatie waar het verbod, bedoeld in artikel 5:3 van de Verordening van toepassing is.

Artikel 2 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit verbod parkeren om voertuig te verhandelen.

BIJLAGE P:  

Besluit van burgemeester en wethouders tot het vaststellen van beleidsregels voor het toepassen van de bevoegdheid om ontheffing te verlenen van het verbod grote voertuigen te parkeren, voor zover het betreft de wegen binnen het bedrijventerrein De Briellaerd en de voorzieningenstrook De Burgt

 

Artikel 5:8 van de Verordening verbiedt in beginsel het parkeren van een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,6 meter te parkeren op wegen die binnen de bebouwde kom gelegen zijn. Ingevolge het derde lid van de genoemde bepaling kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van dit verbod. In deze beleidsregels wordt beschreven hoe zij, ten aanzien van de wegen binnen het bedrijventerrein De Briellaerd en de voorzieningenstrook De Burgt, van deze bevoegdheid gebruik willen maken.

Artikel 1 Voorwaarden

Burgemeester en wethouders verlenen uitsluitend onder de volgende voorwaarden ontheffing voor het parkeren van grote voertuigen op bedrijventerrein “De Briellaerd” en voorzieningenstrook “De Burgt”:

  • 1.

    De houder/chauffeur van het voertuig heeft zijn vaste woonplaats in woonwijk De Burgt of woonwijk Rootselaar-Oost van de gemeente Barneveld, waarbij deze woonwijken begrensd worden door de Plantagelaan, de Churchillstraat, de Rooseveltstraat, de Woudseweg, de Nederwoudseweg, de Burgemeester Aschofflaan en de Scherpenzeelseweg.

  • 2.

    De houder/chauffeur van het voertuig werkt bij een niet in de gemeente Barneveld gevestigd bedrijf.

  • 3.

    De houder/chauffeur verklaart dat hij op 1 januari 2018 reeds gebruik maakte van de parkeergelegenheid op bedrijventerrein De Briellaerd of de voorzieningenstrook De Burgt.

  • 4.

    De houder/chauffeur heeft in redelijkheid geen alternatieve oplossing voor het parkeren van zijn voertuig.

  • 5.

    De houder/chauffeur parkeert zijn voertuig op dusdanige wijze dat dit geen overlast/hinder veroorzaakt voor de omgeving. Bij klachten hierover voert de houder/chauffeur hierover overleg met Ondernemingsvereniging De Briellaerd. Mocht dit overleg niet het gewenste resultaat opleveren dan kan de gemeente besluiten de ontheffing niet te verlengen.

  • 6.

    De ontheffing is persoonsgebonden en is niet overdraagbaar.

  • 7.

    De ontheffing is geldig voor het lopende kalenderjaar. De houder van de ontheffing draagt zelf voor het einde van het lopende kalenderjaar zorg voor een aanvraag tot verlenging van de ontheffing voor het komende kalenderjaar.

Artikel 2 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Beleidsregels parkeren grote voertuigen bedrijventerrein De Briellaerd en de voorzieningenstrook De Burgt.

BIJLAGE Q:  

Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld tot aanwijzing van gebieden waar (brom)fietsen niet buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen mogen staan

Artikel 1 Aanwijzing voor de gehele week en 24 uur per dag

De volgende gebieden zijn alle dagen van de week 24 uur per dag als plaatsen als bedoeld in artikel 5:12 van de Verordening aangewezen:

  • 1.

    het gebied rondom het treinstation in het centrum van Barneveld, dat gemarkeerd is op kaart A;

  • 2.

    het gebied in en rondom de fietsenstalling ter hoogte van het Transferium aan de Baron van Nagellstraat/Stationsweg in Barneveld, dat gemarkeerd is op kaart B; en

  • 3.

    het gebied rondom het treinstation Barneveld-Zuid, dat gemarkeerd is op kaart C.

Artikel 2 Aanwijzing voor gedeelten van bepaalde dagen van de week

Het zogeheten Horecaplein en nabije omgeving in Barneveld, dat omlijnd is op kaart D, is van vrijdag 20:00 uur tot zaterdag 08:00 uur, alsmede van zaterdag 20:00 uur tot zondag 08:00 uur, aangewezen als plaats als bedoeld in artikel 5:12 van de Verordening. Het bedoelde gebied wordt aan de zuidkant begrensd door de Schoutenstraat, aan de westkant door de Groen van Prinstererlaan, aan de noordkant door een denkbeeldige lijn die de parkeerplaats aan de Nieuwe Markt verdeelt in een noordelijke en een zuidelijke helft, en aan de oostkant door een denkbeeldige lijn die de bedoelde zuidelijke helft van de genoemde parkeerplaats scheidt van de ten oosten daarvan aanwezige bebouwing.

Artikel 3 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Besluit tot aanwijzing van het verbod om (brom)fietsen te plaatsen.

KAARTEN, behorende bij BIJLAGE Q

A: Aangewezen gebied rondom station Barneveld-Centrum

B: Aangewezen gebied rondom station Barneveld-Noord

C: Aangewezen gebied rondom station Barneveld-Noord

D: Aangewezen gebied op en rondom het Horecaplein in Barneveld, verbod geldend van vrijdag 20:00 uur tot zaterdag 08:00 uur en van zaterdag 20:00 uur tot zondag 08:00 uur.

BIJLAGE R:  

Besluit van burgemeester en wethouders tot vaststelling van beleidsregels voor het beslissen op aanvragen voor vergunningen om geld of goederen in te zamelen dan wel om leden of donateurs te werven

 

Burgemeester en wethouders kunnen op grond van artikel 5:13 van de Verordening een vergunning verlenen voor het inzamelen van geld of goederen dan wel voor het werven van leden of donateurs. Met de volgende beleidsregels wordt tot uiteengezet hoe burgemeester en wethouders deze bevoegdheid willen invullen.

Artikel 1 Voorwaarden

Een vergunning als bedoeld in artikel 5:13 van de Verordening:

  • a.

    kan verleend worden aan een organisatie voor een goed doel die door het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) ook als zodanig erkend is. Op grond van het derde lid van de genoemde bepaling hebben dergelijke organisaties deze vergunning niet nodig als hun betreffende collecte of werving al op het collecte- en wervingsrooster van het betreffende kalenderjaar is ingedeeld. De bedoelde vergunning kan alleen aan hen verleend worden als hun aanvraag betrekking heeft op een week die volgens het bedoelde rooster vrij is;

  • b.

    kan alleen voor huis aan huis verkoop van artikelen verleend worden als de aanvrager een vereniging, stichting of school is en de opbrengst van de artikelen bestemd voor het ideële doel dat in de aanvraag genoemd is. Voorbeelden van de bedoelde artikelen zijn kaarten, mestkorrels, etenswaren en dergelijke;

  • c.

    wordt niet verleend voor een openbare inzameling van geld of goederen in de volgende gebieden:

    • i.

      het centrum van de kern Barneveld, gelegen binnen de cirkel van de volgende wegen: de Gasthuisstraat, de Amersfoortsestraat, de Bouwheerstraat en de Burgemeester Kuntzelaan;

    • ii.

      de volgende wegen in de kern Voorthuizen: het Bunckmanplein, het Smidsplein, de Kerkstraat en de Hoofdstraat; en

    • iii.

      terreinen waar een evenement plaatsvindt waarvoor een evenementenvergunning is verleend.

Artikel 2 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Beleidsregels collecte- en wervingsvergunning.

BIJLAGE S:  

Besluit van burgemeester en wethouders tot vaststelling van beleidsregels betreffende hun bevoegdheid om een vergunning te verlenen om een standplaats in te nemen of te hebben

 

Op grond van artikel 5:18 van de Verordening is het verboden zonder vergunning een standplaats in te nemen of te hebben. Met de volgende beleidsregels leggen burgemeester en wethouders vast hoe zij omgaan met aanvragen voor een dergelijke vergunning.

Artikel 1 Beperkingen

Voor het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 5:18 van de Verordening dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:

  • a.

    als op de aangevraagde locatie geen detailhandelsbestemming rust, kan voor die locatie maximaal één standplaats voor maximaal twee dagen per week vergund worden, behoudens gevallen als bedoeld in de onderdelen b en c;

  • b.

    als op de aangevraagde locatie geen detailhandelsbestemming rust, kan voor die locatie uitsluitend voor de verkoop van oliebollen in de aanloop naar Oud en Nieuw, en voor de verkoop van koek en zopie tijdens een vorstperiode, voor maximaal één aaneengesloten week één standplaats vergund worden;

  • c.

    als de aangevraagde locatie zich in een dorpskern bevindt waar geen warenmarkt is en op die locatie geen detailhandelsbestemming rust, worden voor die locatie maximaal vier gelijktijdige standplaatsen vergund;

  • d.

    gemeentelijke of openbare parkeerplaatsen worden niet beschikbaar gesteld voor het innemen van een standplaats. Vergunningsaanvragen op dergelijke locaties worden daarom niet gehonoreerd; en

  • e.

    een vergunning wordt niet verleend als de aanvrager niet ingeschreven is bij de Kamer van Koophandel.

Artikel 2 Citeertitel

Dit onderdeel van de Uitvoeringsbepalingen APV Barneveld wordt aangehaald als: Beleidsregels standplaatsvergunning.