Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Deventer

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Deventer houdende regels omtrent de heffing en invordering van afvalstoffenheffing (Verordening afvalstoffenheffing 2020)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieDeventer
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening van de gemeenteraad van de gemeente Deventer houdende regels omtrent de heffing en invordering van afvalstoffenheffing (Verordening afvalstoffenheffing 2020)
CiteertitelVerordening afvalstoffenheffing 2020
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Verordening afvalstoffenheffing 2019.

De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet
  2. artikel 216 van de Gemeentewet
  3. artikel 219 van de Gemeentewet
  4. artikel 229, eerste lid, van de Gemeentewet
  5. artikel 15.33 van de Wet milieubeheer
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

23-11-2019nieuwe regeling

13-11-2019

gmb-2019-284324

2019-1500

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Deventer houdende regels omtrent de heffing en invordering van afvalstoffenheffing (Verordening afvalstoffenheffing 2020)

De raad van de gemeente Deventer,

 

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 24 september 2019, nummer 2019-1500.

 

Gelet op de artikelen 147 lid 1, 216, 219, 229 eerste lid, onderdeel a en b van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

 

BESLUIT

 

Vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2020.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    gebruik maken: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer;

  • b.

    aanbieding: het ter lediging aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen in een container ter lediging waarbij het registratiesysteem wordt geactiveerd, alsmede het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen in een afvalzak in een verzamelcontainer waarbij het registratiesysteem wordt geactiveerd.

Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit

  • 1.

    Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer ter bestrijding van kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen;

  • 2.

    De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven voor:

    • a.

      het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt;

    • b.

      het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen;

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt en van degene die huishoudelijke afvalstoffen aanbiedt.

  • 2.

    Voor toepassing van het eerste lid, wordt:

    • a.

      gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

    • b.

      gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

    • c.

      het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie het perceel ter beschikking is gesteld.

Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief

  • 1.

    De belasting in artikel 2, tweede lid onderdeel a, wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in onderdeel 1 en 3 van de bij deze verordening behorende tarieventabel;

  • 2.

    De belasting in artikel 2, tweede lid onderdeel b wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in onderdeel 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel;

Artikel 5 Belastingjaar

Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven;

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting bedoeld in onderdeel 1 en 3 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    De belasting bedoeld in onderdeel 2 van de tarieventabel is verschuldigd na afloop van het belastingjaar of, zo dit eerder is na beëindiging van de belastingplicht.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in onderdeel 1 en 3 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als bedoeld in onderdeel 1 en 3 van de tarieventabel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 5.

    Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt en van hetzelfde inzamelmiddel gebruik blijft maken.

Artikel 8 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen als bedoeld in artikel 6, worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid, letter a geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 5000,-, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie en ten hoogste tien bedraagt. De eerste termijn vervalt op de 25e dag van de maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3a.

    In afwijking van het tweede lid van dit artikel moeten aanslagen die worden genoemd in onderdeel 1 en 3 van de tarieventabel, die worden opgelegd ná het belastingjaar én die voldoen aan de in het tweede lid genoemde criteria, worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3b.

    In afwijking van het tweede lid van dit artikel moeten aanslagen die worden genoemd in onderdeel 2 van de tarieventabel, die worden opgelegd 2 jaar of meer na het begin van het belastingjaar én die voldoen aan de in het tweede lid de genoemde criteria, worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 4.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 9 Kwijtschelding

  • 1.

    Voor de belasting in onderdeel 1 van de tarieventabel kan kwijtschelding worden verleend tot een bedrag van maximaal € 205,20 per belastingjaar;

  • 2.

    Voor de belasting in onderdeel 2 van de tarieventabel kan kwijtschelding worden verleend tot een bedrag van maximaal € 56,22 per belastingjaar;

  • 3.

    Voor de belasting bedoeld in onderdeel 3 van de tarieventabel wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De Verordening afvalstoffenheffing 2019, vastgesteld op 7 november 2018, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

  • 4.

    Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening afvalstoffenheffing 2020’.

Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Deventer in zijn vergadering van 13 november 2019.

De raad voornoemd,

de griffier,

A. Kerver

de voorzitter,

R.C. König

Bijlage 1: TARIEVENTABEL behorende bij de Verordening afvalstoffenheffing 2020

ALGEMEEN

 

MAATSTAVEN EN TARIEVEN AFVALSTOFFENHEFFING

 

  • 1.

    De belasting per perceel per belastingjaar voor het periodiek verwijderen van huishoudelijke afvalstoffen bedraagt € 205,20

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in onderdeel 1 bedraagt de belasting per aanbieding van:

    • a.

      een container van 140 liter, bestemd voor huishoudelijk restafval € 9,37

    • b.

      een container van 240 liter, bestemd voor huishoudelijk restafval € 16,06

    • c.

      een afvalzak van maximaal 50 liter bij een ondergrondse container € 3,35

  • 3.

    De belasting bedoeld in onderdeel 1 en 2 wordt vermeerderd:

    • a)

      indien de belastingplichtige beschikt over meer containers dan de grijze container van 140 liter: met een bedrag per jaar per grijze container van € 36,00

    • b)

      indien de belastingplichtige over containers van groter formaat dan de grijze container

      van 140 liter beschikt: met een bedrag per jaar per grijze grotere container van € 36,00

Behoort bij raadsbesluit d.d. 13 november 2019

 

De raad voornoemd,

 

de griffier,

A. Kerver

 

de voorzitter,

drs. R. König

 

Toelichting verordening afvalstoffenheffing 2020

Wijziging artikel 15.33 Wet milieubeheer

 

Artikel 15.33 van de Wet milieubeheer is met ingang van 1 januari 2012 gewijzigd om problemen met de heffing van afvalstoffen, die zich vooral bij kamerbewoning voor deden, op te lossen (Wet van 17 maart 2011, Stb. 183)

 

In artikel 15.33 Wet milieubeheer verdween het begrip ‘feitelijk’, waardoor het mogelijk is dat degene in de heffing wordt betrokken die geen gebruik maakt van het perceel, maar delen van het perceel in gebruik geeft aan anderen. Dat is op grond van de huidige wetgeving niet mogelijk omdat de Hoge Raad in het Tegelen-arrest (Hoge Raad 23 mei 1990, nr. 26328, BNB 1990/239, Belastingblad 1990, blz. 470) heeft gesteld dat degene die een deel van een perceel in gebruik heeft gegeven, alleen in de heffing kan worden betrokken als hij zelf ook een deel van het perceel gebruikt. In lid 2 van het voorgestelde artikel 15.33 Wet milieubeheer wordt een aantal situaties beschreven waarin een gebruiker als zodanig wordt aangewezen.

 

Door in de verordening het begrip ‘gebruik maken’ te omschrijven als gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer is de belastingplicht in de verordening altijd in overeenstemming met de wet.

 

In de artikelsgewijze toelichting is de jurisprudentie over ‘feitelijk gebruik’ vooralsnog gehandhaafd.

 

A Algemeen

 

1 Wettelijke basis

 

De verordening afvalstoffenheffing is gebaseerd op de tekst van de Gemeentewet en de Wet milieubeheer. Gekozen is voor een zogenaamd 'aangekleed' model, dat wil zeggen dat de tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de duidelijkheid, is overgenomen.

 

Wijziging van artikel 15.33 Wet milieubeheer

 

De Wet van 17 maart 2011, Stb. 183, heeft artikel 15.33 van de Wet milieubeheer gewijzigd om problemen met de heffing van afvalstoffen, die zich vooral bij kamerbewoning voor deden, op te lossen, als volgt:

 

  • 1. In het eerste lid vervalt ‘feitelijk’.

  • 2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid, wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt:

    • o

      a. gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

    • o

      b. gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, wordt aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

    • o

      c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie het perceel ter beschikking is gesteld.

De wetswijziging is in werking getreden met ingang van 1 januari 2012.

 

Vanaf 2012 is de verordening uitgegaan van gebruik maken, dus zonder het begrip ‘feitelijk’. De verhuurder van onzelfstandige delen moet vanaf 2012 in de heffing worden betrokken zonder dat hij het perceel zelf feitelijk gebruikt. De verhuurder kan de belasting verhalen op de huurders die een deel in gebruik hebben.

 

2.1 Karakter afvalstoffenheffing

 

De afvalstoffenheffing is gebaseerd op het bepaalde in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De afvalstoffenheffing kan in beginsel als een belasting worden beschouwd. Tegenover de heffing staat niet een individueel aanwijsbare prestatie van de overheid in de vorm van het werkelijk meenemen van huishoudelijke afvalstoffen, doch een nakoming van de wettelijke inzamelverplichting bij het desbetreffende perceel door de gemeente. Dit leidt ertoe dat indien de inzamelplicht bij een bepaald perceel door de gemeente niet wordt nagekomen, de gemeente ter zake van het gebruik van dat perceel geen afvalstoffenheffing kan heffen (HR 2 januari 1985, nr. 22 664, Belastingblad 1985, blz. 161 (Epe). Voor de goede orde wordt er op gewezen dat de gemeente ingevolge de Wet milieubeheer verplicht is om een afvalstoffenverordening vast te stellen. In die verordening dient te worden vermeld op welke wijze huishoudelijke afvalstoffen worden overgedragen respectievelijk ter inzameling worden aangeboden.

 

2.2 Huishoudelijke afvalstoffen

 

Ingevolge de strekking van de Wet milieubeheer behoren tot de huishoudelijke afvalstoffen alle afvalstoffen die afkomstig zijn uit een particuliere huishouding. Dit betekent dat de kosten van het beheer van deze afvalstoffen kunnen worden doorberekend in de afvalstoffenheffing. Hierbij is niet van belang op welke wijze deze afvalstoffen worden ingezameld. Hierbij moet worden gedacht aan de gescheiden inzameling van onder meer glas, papier en klein chemisch afval. De met deze gescheiden inzameling van huishoudelijke afvalstoffen samenhangende kosten kunnen worden begrepen in de totale kosten van het beheer van huishoudelijke afvalstoffen. Hetzelfde geldt overigens met betrekking tot de kosten van inzameling van grof huisvuil dat over het algemeen ook afzonderlijk wordt ingezameld. Grof huisvuil wordt tot de huishoudelijke afvalstoffen gerekend. Ingevolge artikel 10.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn gemeenten verplicht zorg te dragen voor de inzameling van grof huisvuil. Er geldt echter geen periodieke inzamelplicht. De inzameling kan bijvoorbeeld bestaan uit een systeem van ophalen op afroep.

 

3 Tariefdifferentiatie

 

De gemeente hanteert in de verordening afvalstoffenheffing een tariefdifferentiatie. De gedachte dat een gedifferentieerd tarief kan bijdragen aan een vermindering van de hoeveelheid huishoudelijk afval speelt hierbij een belangrijke rol. Er zijn verschillende vormen van tariefdifferentiatie denkbaar. De tariefdifferentiatie is afhankelijk van de omstandigheden in de gemeente. Het is wel verplicht om een basistarief te heffen. In de tarieventabel van deze verordening is tariefdifferentiatie opgenomen voor volume/frequentie. Bij tariefdifferentiatie is het van belang dat dit goed in de belastingverordening is geregeld. Tariefdifferentiatie mag niet leiden tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Tevens is het van belang dat het goed in de belastingverordening wordt geregeld.

 

B Artikelsgewijze toelichting

 

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

 

Meer uitleg bij de opgenomen begripsomschrijvingen:

 

  • a.

    gebruik maken: in de verordening wordt omschreven als gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer. Per 1 januari 2012 gaat de verordening uit van ‘feitelijk’ gebruik maken van een perceel. In het laatste geval kan de verhuurder bij kamerverhuur alleen in de heffing worden betrokken als die zelf gebruik maakt van het perceel (HR 23 mei 1990, nr. 26 328, BNB 1990/239, Belastingblad 1990, blz. 470 (Tegelen)).

  • b.

    aanbieding: is het aanbieden van een container, afvalzak ter lediging waarbij het registratiesysteem wordt geactiveerd. Zodra de inzameldienst een container of afvalzak registreert, is er sprake van een belastbaar feit. Ook indien er geen afval in de container, afvalzak zat, dan wel indien het afval niet (geheel) uit de container komt doordat het bijvoorbeeld vastgevroren zit of is vastgestampt, ofwel doordat de container meer weegt dan het maximale gewicht, wordt een belastbaar feit vastgesteld. Als de chauffeur merkt dat de container niet is geleegd, laat deze met een rode kaart weten wat er mis is gegaan.

Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit

 

Eerste lid

 

In het eerste lid wordt verwezen naar artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. Dit is de wettelijke grondslag voor de afvalstoffenheffing.

 

Tweede lid

 

Het begrip perceel

 

Op grond van het bepaalde in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer en in samenhang met het bepaalde in de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer kan een afvalstoffenheffing worden geheven ter zake van het in artikel 15.33 bedoelde gebruik van een perceel waar in een particuliere huishouding huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Zodra derhalve sprake is van een particuliere huishouding waar huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan, kan, op voorwaarde dat de gemeente aan de inzamelverplichting voldoet, een afvalstoffenheffing worden geheven. Een nadere omschrijving van het begrip perceel is voor de heffing dan ook niet noodzakelijk. Door in de verordening wel een omschrijving van het begrip perceel op te nemen zou het gevolg kunnen zijn dat daarmee een inperking van de heffingsmogelijkheden ontstaat. Dit geldt ook voor een afbakeningsvoorschrift zoals dat in sommige bestaande verordeningen is opgenomen met betrekking tot het begrip perceel. Dergelijke voorschriften dienen er veelal toe om aan te geven dat slechts van een perceel sprake kan zijn indien het object blijkens indeling en bestemming geschikt is om als afzonderlijk geheel te kunnen worden gebruikt. Een voorbeeld van een dergelijke bepaling is de uitspraak van Hof Arnhem van 14 december 1984, nr. 138/1984, Belastingblad 1985, blz. 254. Het Hof overwoog dat ingevolge het bepaalde in de verordening afvalstoffenheffing van de gemeente Raalte onder 'perceel' moet worden verstaan 'een gebouwd onroerend goed - of een gedeelte daarvan - dat blijkens inrichting en indeling bestemd is om als afzonderlijk geheel door een particuliere huishouding te worden gebruikt'. Het Hof overwoog dat, nu belanghebbende en zijn echtgenote niet kunnen beschikken over eigen sanitaire voorzieningen (douche en toilet) en nu hun slaapkamer slechts via de gezamenlijke gang bereikbaar is, belanghebbende niet kan worden aangemerkt als feitelijk gebruiker van een perceel (NB: in feite concludeert het Hof dat geen sprake is van een perceel zodat er dan ook geen feitelijke gebruiker kan bestaan). De VNG adviseert om in de verordening afvalstoffenheffing geen omschrijving van het begrip perceel op te nemen. In veel verordeningen afvalstoffenheffing komt in een begripsomschrijving of definitie van het begrip perceel de aanduiding voor van zomerhuisjes e.d. Een dergelijke begripsomschrijving dient er veelal toe om aan te geven dat de afvalstoffenheffing ook zal worden geheven ter zake van het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen die kunnen ontstaan in bijvoorbeeld zomerhuisjes, stacaravans etc. Deze definitie staat ook in de modelverordening die in 1979 door de VNG is uitgegeven. Inmiddels staat blijkens de jurisprudentie voldoende vast dat in deze gevallen zonder meer een afvalstoffenheffing kan worden geheven indien met betrekking tot deze objecten de inzamelplicht geldt van de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer. Derhalve is het niet wenselijk om in de verordening te bepalen dat zomerhuisjes en stacaravans onder het begrip perceel vallen. Voor de gemeente is het overigens wel van belang om te kunnen beschikken over enige aanwijzingen betreffende de inhoud van het begrip perceel. Dit is niet alleen voor de heffing van belang, maar ook voor het nakomen van de wettelijke inzamelplicht. In dit kader geven wij hier een gedeelte weer van de memorie van toelichting bij de Afvalstoffenwet (inmiddels is deze wet vervallen en zijn de bepalingen opgenomen in de Wet milieubeheer), waarin met betrekking tot de inzamelplicht het volgende is opgemerkt: 'De inzamelplicht geldt niet voor huishoudelijke afvalstoffen welke vrijkomen in bijvoorbeeld kantines van bedrijven, ook al zullen deze afvalstoffen, wanneer die bedrijven op de route liggen van de vuilniswagens, meestal wel worden opgehaald. Is dat niet het geval dan dient de afvalproducent zelf zorg te dragen voor de verwijdering ervan. Wat betreft het afval afkomstig. Het afval van die instellingen waarbij, zoals bij hotels, het bedrijfskarakter overheerst, zal door de inzameldienst worden opgehaald op grond van afspraken die ter zake tussen de instelling en de inzameldienst zijn gemaakt.' Gelet op deze passage uit de memorie van toelichting bij de Afvalstoffenwet besliste de Raad van State met betrekking tot een jongensinternaat dat sprake was van een collectiviteit van particuliere huishoudens, waarop artikel 3 van de Afvalstoffenwet (thans de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer) van toepassing is. Het betrof hier een vijftal afzonderlijke wooneenheden. Elke wooneenheid, bestaande uit onder meer een gemeenschappelijke woonkamer en keuken, was geschikt voor de opvang van 12 jongeren (Afdeling rechtspraak van de Raad van State 11 juli 1985, nr. R03.83. 6978). Elke afzonderlijke wooneenheid moet in de afvalstoffenheffing worden betrokken.

 

Met betrekking tot het antwoord op de vraag of een object als perceel kan worden aangemerkt, zullen de feitelijke omstandigheden vrijwel altijd van belang zijn. Vaste criteria voor het al dan niet aanmerken van een object als perceel kunnen immers niet worden gegeven. De VNG wijst hier nog op het arrest van de Hoge Raad van 18 september 1991, nr. 27.597, BNB 1991/333, Belastingblad 1992, blz. 47 (Ermelo). Belanghebbende maakte feitelijk gebruik van een serviceflat welke flat een keuken bevatte waarin zich onder meer een aanrecht met gootsteen alsmede een losstaande twee-pits elektrische kookplaat bevonden. De keukenvoorziening was echter zodanig dat, zonder verandering daarvan, normaal koken niet mogelijk was omdat voldoende apparatuur en luchtafvoer ontbraken. Normaal koken zou zodanige dampen veroorzaken dat daardoor het brandalarm in werking zou treden. Bovendien was de feitelijk gebruiker verplicht de warme maaltijden vanuit de centrale keuken af te nemen. Het Hof oordeelde dat het appartement van belanghebbende niet kon worden aangemerkt als een afzonderlijk perceel in de zin van de verordening, nu belanghebbende voor het bereiden van gekookte maaltijden aangewezen was op elders in het gebouw aanwezige voorzieningen. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en oordeelde dat ingevolge de verordening en de artikelen 10.11 (thans de artikelen 10.21 en 10.22) en 15.33 van de Wet milieubeheer aan de afvalstoffenheffing zijn onderworpen degenen die feitelijk gebruik maken van een perceel waarvoor de gemeentelijke inzamelplicht geldt. Dit betekent volgens de Hoge Raad dat de afvalstoffenheffing wordt geheven daar waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld binnen een particuliere huishouding kunnen ontstaan. De Hoge Raad vervolgt: 'In overeenstemming met die strekking is slechts dan niet sprake van een perceel in de zin van de Verordening indien het gaat om een gedeelte van een onroerend goed dat blijkens indeling en inrichting niet is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Van dat laatste is in het onderhavige geval geen sprake nu belanghebbende blijkens de vaststellingen van het Hof alleen voor zijn warme maaltijden is aangewezen op elders aanwezige voorzieningen maar voor het overige zelf een huishouding voert waar geregeld afvalstoffen ontstaan.' In zijn uitspraak van 19 december 2003, nr. 38874, Belastingblad 2004, blz. 293, geeft de Hoge Raad een positief geformuleerde definitie: een gedeelte van een onroerende zaak dat blijkens indeling en inrichting is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan, is een perceel voor de afvalstoffenheffing. In een uitspraak van 24 november 2000, nr. 99/3908 oordeelde Hof Amsterdam dat er sprake was van zelfstandige gedeelten. Ondanks het feit dat er sprake was van een gezamenlijke doucheruimte, een gezamenlijke voordeur en hal was het Hof van mening dat er sprake was van zelfstandige gedeelten in de zin van de verordening.

 

In zijn arrest van 7 maart 2003 heeft de Hoge Raad bepaald dat de industriële bestemming van een perceel niet aan de verplichting tot inzameling van huishoudelijke afvalstoffen in de weg staat (HR 7 maart 2003, nr. 38055, LJN: AF5365).

 

Voor het belastbaar feit wordt onder andere verwezen naar de bij de verordening behorende tarieventabel. Omdat ingevolge artikel 217 van de Gemeentewet het voorwerp van de belasting en het tarief in de belastingverordening moeten zijn vermeld, mag er geen twijfel over bestaan dat de tarieventabel deel uitmaakt van de verordening. Vandaar dat de woorden 'daarbij behorende' zijn gebruikt. In de tarieventabel wordt dit eveneens uitdrukkelijk aangegeven. In het tweede lid is bepaald dat de afvalstoffenheffing naar afzonderlijke grondslagen wordt geheven. Het is toegestaan naar elke grondslag afzonderlijk een aanslag op te leggen (HR 7 februari 1973, nr. 16885, BNB 1973/69). De bepaling is opgenomen met het oog op het heffen per incidentele gebeurtenis. Op basis van deze bepaling kan naast de jaarlijks verschuldigde belasting, de belasting verschuldigd per aanbieding worden geheven. Iedere aanbieding is een afzonderlijke grondslag voor de heffing. De gemeente kan er ook voor kiezen niet per afzonderlijke aanbieding te heffen, maar naar het aantal aanbiedingen gedurende een belastingtijdvak, bijvoorbeeld het kalenderjaar (zoals bij het basistarief). In dat geval staat de grootte van de belastingschuld pas na afloop van dat jaar vast en kan aan het einde van het kalenderjaar een aanslag naar het aantal aanbiedingen worden opgelegd. In verband hiermee verwijzen wij naar het arrest van de Hoge Raad van 2 november 1994, nr. 29595, Belastingblad 1994, blz. 819 (Amsterdam) inzake het opleggen van een aanslag precariorecht gedurende de loop van het tijdvak. Op grond van de verordening hief de gemeente Amsterdam precariorecht over het tijdvak gelijk aan het kalenderjaar. Aan een aannemer die gedurende een periode van ongeveer anderhalve maand een stukje gemeentegrond had gebruikt voor de opslag werd in juli van dat jaar een aanslag opgelegd. De Hoge Raad oordeelde dat ingevolge het systeem van de artikelen 11 tot en met 15 van de AWR pas na afloop van het tijdvak een definitieve aanslag kan worden opgelegd indien de grootte van de belastingschuld pas na afloop van het tijdvak kan worden vastgesteld. Nu de aanslag binnen het heffingstijdvak was opgelegd, was aldus de Hoge Raad de aanslag terecht vernietigd.

 

Inzamelplicht

 

De afvalstoffenheffing is gebaseerd op het bepaalde in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. Voor de goede orde geven wij hier eerst de tekst weer van het bepaalde in de artikelen 10.21, 10.22 en 15.33 van de Wet milieubeheer.

 

Artikel 10.21

 

  • 1. De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, al dan niet in samenwerking met de gemeenteraad en burgemeester en wethouders van andere gemeenten, ervoor zorg voor dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.

  • 2. Groente-, fruit- en tuinafval wordt daarbij in ieder geval afzonderlijk ingezameld.

  • 3. De gemeenteraad kan besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 10.22

 

  • 1. Elke gemeente draagt er zorg voor: a dat grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen ontstaan, en b dat er op ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om grove huishoudelijke afvalstoffen achter te laten.

  • 2. In het belang van een doelmatig beheer van grove huishoudelijke afvalstoffen kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het eerste lid geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft met betrekking tot bij de maatregel aangewezen categorieën van grove huishoudelijke afvalstoffen, al dan niet voor zover deze vrijkomen in een hoeveelheid of een omvang die, of een gewicht dat groter is dan bij de maatregel is aangegeven.

Artikel 15.33 Wet Milieubeheer

 

  • 1. Elke gemeente kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, feitelijk gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

  • 2. Onder de in het eerste lid bedoelde kosten wordt mede verstaan de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds.

  • 3. Met betrekking tot deze heffingen zijn de artikelen 216 tot en met 219, 229d en 230 tot en met 257 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Wetsvoorstel 32479 heeft artikel 15.33 van de Wet milieubeheer gewijzigd om problemen met de heffing van afvalstoffen, die zich vooral bij kamerbewoning voordoen. Er is bepaald dat:

  • 1. In het eerste lid ‘feitelijk’ vervalt.

  • 2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid, wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt:

    • o

      a. gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

    • o

      b. gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

    • o

      c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie het perceel ter beschikking is gesteld.

De wetswijziging is in werking getreden met ingang van 1 januari 2012.

 

In de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer is bepaald dat het gemeentebestuur er zorg voor draagt dat ten minste éénmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige stoffen geregeld in een particuliere huishouding kunnen ontstaan. Indien de gemeente voldoet aan de hier beschreven verplichting dan kan zij ter bestrijding van de hieraan verbonden kosten een afvalstoffenheffing instellen. Het maakt niet uit of ook daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de reinigingsdienst. Bij vakantiehuisjes die slechts 40 dagen per jaar werden gebruikt, maar waar de gemeente wel aan de inzamelplicht voldeed, kon de gemeente dan ook een aanslag afvalstoffenheffing opleggen naar het volle tarief. Bij de afvalstoffenheffing wordt uitgegaan van het feitelijk gebruik van het perceel waarvoor de inzamelplicht geldt, ongeacht het feitelijk gebruik van de door de gemeente verleende dienst. Zie onder andere HR 30 mei 2001, nr. 36047, VN 2001/32.31 (Hengelo). De Hoge Raad oordeelde hier dat op grond van artikel 10. 11 van de Wet milieubeheer een verplichting tot inzameling van huishoudelijke afvalstoffen bestaat ten aanzien van percelen waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. Het is derhalve niet van belang of er daadwerkelijk (geregeld) huishoudelijke afvalstoffen ontstaan. Zie ook de uitspraak van Hof Amsterdam van 13 september 1995, nr. 93/4751 (fiscaal up to date 96-120). Het Hof oordeelde dat de heffing ook verschuldigd is als van de gemeentelijke huisvuilophaaldienst weinig of geen gebruik wordt gemaakt. De man die beweerde dat hij zijn vuilnis altijd bij zijn bedrijf liet inzamelen, moest de afvalstoffenheffing toch betalen. Voor een vergelijkbare casus zie Hof Amsterdam 16 mei 2000, nr. 99/3654, Belastingblad 2000, blz. 896.

 

Indien de gemeente de haar in artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer opgelegde verplichting niet nakomt dan kan de gemeente geen afvalstoffenheffing heffen. Dit volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 15 februari 1984, nr. 22 311, BNB 1984/154, Belastingblad 1984, blz. 216 (Heerenveen), en van 2 januari 1985, nr. 22 664, BNB 1985/102, Belastingblad 1985, blz. 161 (Epe). In deze arresten heeft de Hoge Raad tevens beslist dat een redelijke uitleg van de inzamelplicht meebrengt dat deze verplichting zich niet uitstrekt buiten de voor het openbaar rijverkeer openstaande en voor de ter plaatse gebezigde vuilniswagens toegankelijke wegen. Dat de afvalstoffenheffing niet los kan worden gezien van de inzamelplicht blijkt ook uit een uitspraak Hof Den Haag van 28 juni 2000, nr. 98/4490, Fiscaal up-to-date. In deze uitspraak oordeelde het Hof dat afvalstoffenheffing niet mogelijk was omdat de gemeente geen duobak had uitgereikt. Door geen duobak uit te reiken voert de gemeente feitelijk de op haar rustende inzamelplicht niet uit. De gemeente voldoet ook niet aan haar inzamelplicht, indien feitelijk met een lagere frequentie wordt ingezameld dan de gemeente zelf blijkens haar beleid noodzakelijk acht en in verband daarmee geen maatregelen treft (Hof Arnhem 17 augustus 2004, nr. 04/00118, LJN: AR2922 (Almelo).

 

Artikel 3 Belastingplicht

 

In dit artikel is de belastingplicht geregeld. Hierbij is aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat als belastingplichtige moet worden aangewezen degene die, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, (feitelijk; zie wetsvoorstel 32479) gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. De verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt voor ieder perceel waar in een particuliere huishouding huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Zie hiervoor hetgeen in de toelichting op artikel 2 is opgemerkt.

 

Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief

 

Voor de toelichting op de grondslagen en tarieven wordt verwezen naar de toelichting die voor de tarieventabel opgenomen is.

 

Artikel 5 Belastingjaar

 

Het belastingjaar voor de belasting als bedoeld in de tarieventabel is gelijk aan het kalenderjaar. Hiermee is bedoeld dat het vaste basisbedrag, de toeslag en de gedifferentieerde tarieven voor de periodieke dienstverlening per jaar geheven worden.

 

Artikel 6 Wijze van heffing

 

In gevolge artikel 233 van de Gemeentewet kan de afvalstoffenheffing worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze. Er is voor gekozen om de afvalstoffenheffing bij wege van aanslag te heffen. Eerst zal een aanslag worden opgelegd voor het vaste deel. Vervolgens zal na afloop van het belastingjaar een aanslag afvalstoffenheffing worden verzonden voor het variabele deel (ledigingen). Beide aanslagen worden indien mogelijk gecombineerd op 1 biljet.

 

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

 

Eerste lid en tweede lid

 

Blijkens de redactie van het eerste en tweede lid wordt de belasting verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of bij het begin van de belastingplicht, zo dit later is. Hoewel in de verordening is gekozen voor een tijdvakheffing en niet voor een tijdstipheffing, ontstaat de materiële belastingschuld ingevolge dit artikellid niet pas aan het einde van het belastingjaar, doch reeds bij het begin ervan. De belastingschuld kan derhalve in de loop van het belastingjaar worden geformaliseerd. Het feit dat gedurende het gehele jaar huishoudelijke afvalstoffen ingezameld worden, rechtvaardigt een tijdvakheffing.

 

Derde en Vierde lid

 

In de leden drie en 4 zijn regels gegeven die betrekking hebben op wijzigingen gedurende het kalenderjaar in de belastingplicht. In de verordening is gekozen voor een tijdsevenredige herleiding per maand, waarbij gedeelten van een maand niet worden meegerekend.

 

Vijfde lid

 

Indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en een ander perceel in gebruik neemt, dan blijft het bepaalde in het derde en vierde lid buiten toepassing. Dit betekent dat een tijdsevenredige herleiding van de belastingschuld dan achterwege kan blijven. Deze herleiding zou slechts louter om formele redenen plaatsvinden. Een materiële wijziging in de belastingschuld zal immers door een verhuizing niet plaatsvinden. Voorwaarde voor toepassing van deze bepaling is overigens wel dat de belastingplichtige het ene perceel verlaat en het volgende perceel in (feitelijk; zie wetsvoorstel 32479) gebruik neemt. Indien een belastingplichtige op enig moment een tweede perceel in (feitelijk; zie wetsvoorstel 32479) gebruik zou nemen dan vindt het bepaalde in het vierde lid geen toepassing, maar wel het bepaalde in het derde lid.

 

Artikel 8 Termijnen van betaling

In dit artikel is de betalingstermijn opgenomen. Er is gekozen voor een afwijking van de hoofdregel die is opgenomen in artikel 9 van de Invorderingswet. In het eerste lid is geregeld dat  aanslagen die in het jaar worden opgelegd, 2 vervaldagen hebben ( 1 maand en 2 maanden na de dagtekening.

Uitzondering hierop vormt de automatische incasso. Indien geopteerd is voor automatische incasso worden bedragen tot € 5000 in maximaal 10 termijnen afgeschreven. Dit geldt alleen voor aanslagen voor het vaste bedrag die in hetzelfde jaar worden opgelegd als het belastingjaar. Als die aanslagen worden opgelegd na het belastingjaar dan zijn slechts drie termijnen toegestaan. Hetzelfde geldt indien de automatische incasso niet kan worden uitgevoerd bijvoorbeeld als gevolg van stornering, dan gelden ook drie termijnen.

De aanslagen voor de ledigingen worden doorgaans opgelegd nadat het belastingjaar is verstreken. Indien deze aanslag 1 jaar na het belastingjaar worden opgelegd gelden 10 termijnen als aan de voorwaarden is voldaan.

 

Artikel 9 Kwijtschelding

 

Op grond van artikel 255 van de Gemeentewet volgen gemeenten het kwijtscheldingsbeleid zoals dat is geregeld in de Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990. Indien een gemeente niets anders regelt geldt deze regeling automatisch voor alle gemeentelijke belastingen. Artikel 255 biedt ook de mogelijkheid om van deze regeling af te wijken. Voor het vaste basisbedrag wordt kwijtschelding verleend. Voor het variabele tarief ter zake van de periodieke inzameling is de kwijtschelding gemaximeerd tot het in de verordening aangegeven bedrag . Voor de toeslag is geen kwijtschelding mogelijk. Hierdoor is het enerzijds mogelijk dat minima geen afvalstoffenheffing hoeven te betalen, doch anderzijds blijft ook voor minima een prikkel bestaan om bewust met afval om te gaan. Tevens wordt door de maximering van de kwijtschelding voorkomen dat misbruik kan worden gemaakt van de kwijtscheldingsregeling, doordat voorkomen wordt dat minima voor derden kunnen fungeren als goedkoop afvaldepot.

 

Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel

 

Dit artikel regelt op welk moment de verordening in werking treedt en vanaf welk moment de belasting volgens de nieuwe verordening wordt geheven. Op basis van deze bepaling gaan de wijzigingen in op 1 januari 2019.

 

Dit artikel geeft aan met welke verkorte naam de verordening kan worden aangehaald.

 

Toelichting bij de tarieventabel

 

Bij de opstelling van de verordening gekozen voor de toevoeging van een afzonderlijke tarieventabel. Deze tarieventabel is onderdeel van (en behoort tot) de verordening. In de verordening zijn geen tarieven opgenomen.

 

Tarieventabel

 

De tarieventabel is onderverdeeld in 3 onderdelen. Onderdeel 1 is het basistarief dat aan ieder perceel in het kader van de afvalstoffenheffing word opgelegd. Het vaste bedrag wordt opgelegd als de gemeente de inzamelplicht voor de afvalstoffenheffing nakomt. Onderdeel 2 is een variabel bedrag dat bepaald wordt door het aantal aanbiedingen van een bepaald volume container danwel een aanbieding bij een ondergrondse container, keer het in de tarieventabel genoemde tarief. Onderdeel 3 is de toeslag. Het basistarief wordt verhoogd met een toeslag. De toeslag is afhankelijk van of het aantal en/of de inhoud van de restafval (grijze) container(s) en wordt in rekening gebracht als dit afwijkt van de standaard 140 liter restafval container. Per keer dat deze afwijkt van de 140 liter restafval container aantal danwel inhoud wordt een toeslag opgelegd. Bijvoorbeeld: De burger heeft een grijze container van 240 liter, een extra grijze container van 140 liter. Dan wordt twee keer toeslag opgelegd, nl. eenmaal voor de grotere grijze container van 240 liter en eenmaal voor de extra grijze container van 140 liter.

 

De onderdelen zoals hiervoor genoemd bepalen tezamen wat de heffingsgrondslagen zijn en hoe hoog het tarief is indien zich een belastbaar feit voordoet. De tarieven zijn zodanig vastgesteld dat de geraamde netto baten van de afvalstoffenheffing niet uitgaan boven de geraamde netto lasten terzake. Het is niet noodzakelijk dat het vaste tarief uitsluitend de vaste lasten dekt en het variabele tarief de variabele lasten.