Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Uden

Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2020

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieUden
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2020
CiteertitelVerordening parkeerbelastingen Uden 2020
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 225 van de Gemeentewet
  2. https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Uden/CVDR129039/CVDR129039_1.html
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

28-12-2019Nieuwe regeling

19-12-2019

gmb-2019-318119

D00165626

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2020

De Raad van de gemeente Uden;

 

gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van 12 november 2019;

 

gelet op artikel 225 van de Gemeentewet en de Parkeerverordening voor de gemeente Uden;

besuit

 

vast te stellen de

 

Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2020

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

 

a.

parkeren:

het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

b.

motorvoertuigen:

hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1, onder ia, van het RVV 1990;

c.

houder:

degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens;

d.

parkeerapparatuur:

parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;

e.

centrale computer:

computer van het bedrijf waarmee de gemeente Uden een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon;

f.

vergunning:

een fysieke of digitale door het college verleende vergunning voor parkeren op daartoe aangewezen plaatsen;

g.

ambulante parkeervergunning:

een op grond van artikel 3, lid 2, onder c, van de parkeerverordening gemeente Uden, door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning;

h.

bezoekerskaart:

een schriftelijk bewijs, krachtens welk het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren in een vergunninghouderszone aangeduid met bord E09 van het RVV voor een aaneengesloten periode van 24 uur;

i.

bedrijfsparkeervergunning:

een op grond van artikel 3, lid 2, onder b, van de parkeerverordening gemeente Uden, door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning;

j.

bewonersvergunning:

een op grond van artikel 3, lid 2, onder a, van de parkeerverordening gemeente Uden, door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning;

k.

tijdelijke vergunning:

een vergunning waarbij de minimale duur één maand en de maximale duur drie maanden bedraagt.

Artikel 2. Belastbaar feit

Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven:

  • a.

    een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

  • b.

    een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

Artikel 3. Belastingplicht

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

  • 2.

    Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:

    • a.

      degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen;

    • b.

      zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het voertuig, met dien verstande, dat:

      • -

        indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd;

      • -

        indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd.

  • 3.

    De belasting, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, als deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

  • 4.

    De belasting, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.

Artikel 4. Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.

Artikel 5. Wijze van heffing

  • 1.

    De belasting, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften.

  • 2.

    De belasting, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.

Artikel 6. Ontstaan van de belastingschuld

  • 1.

    De belasting, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer.

  • 2.

    De belasting, als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

Artikel 7. Termijnen van betaling

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij aanvang van het parkeren.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen één maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer.

  • 3.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

  • 4.

    Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

Artikel 8. Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen

De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.

Artikel 9. Kosten

De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen € 64,50.

Artikel 10. Vermindering

  • 1.

    Indien de in de tarieventabel onder 2 bedoelde jaarvergunningen worden verleend in de loop van het jaar, wordt het tarief berekend over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde tarief als er in dat jaar na het tijdstip van verlenen van de vergunning nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 2.

    Indien de in de tarieventabel onder 2 bedoelde jaarvergunningen worden ingeleverd in de loop van het jaar, bestaat aanspraak op ontheffing over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar na inlevering van de vergunning nog volle kalendermaanden overblijven

Artikel 11. Vrijstelling van het betalen van parkeerbelastingen

  • 1.

    Het parkeren van de volgende gebruikers wordt niet gereguleerd en zijn derhalve vrijgesteld van het betalen van parkeerbelastingen als bedoeld in artikel 2 van deze verordening:

    • a.

      als zodanig herkenbare politievoertuigen;

    • b.

      als zodanig herkenbare brandweervoertuigen;

    • c.

      als zodanig herkenbare ambulances;

    • d.

      als zodanig herkenbare dierenambulances;

    • e.

      als zodanig herkenbare gemeentelijke voertuigen.

  • 2.

    De parkeerbelastingen worden niet geheven ter zake van het parkeren van voertuigen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht.

Artikel 12. Kwijtschelding

Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 13. Nadere regels door het Dagelijks Bestuur

Het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de parkeerbelasting.

Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De ‘Verordening parkeerbelastingen 2019’ van 20 december 2018 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

  • 4.

    Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening parkeerbelastingen Uden 2020’.

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2019.

De Raad voornoemd

de griffier

drs. M.A.J.R.Hermans

de burgemeester

drs. H.A.G.Hellegers

TARIEVENTABEL BEHORENDE BIJ DE VERORDENING PARKEERBELASTINGEN 2020

 

  • 1.

    Het tarief voor het parkeren bij parkeerapparatuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedraagt:

    a.

    bij parkeermeters

    € 1,00 per uur

    b.

    bij parkeerautomaten

    € 1,00 per uur

  • 2.

    Het tarief voor een parkeervergunning bedoeld in artikel 2, onderdeel b, bedraagt:

    Parkeerprodukt betaald parkeergebied

    Tarief

    Eenheid

    Bewonersvergunning betaald parkeren

    € 72,00

    Per jaar

    Bedrijfsparkeervergunning betaald parkeergebied voor werkdagen (maandag t/m vrijdag 18.00 uur)

    € 245,00

    Per jaar

    Bedrijfsparkeervergunning betaald parkeergebied voor gehele week

    € 323,00

    Per jaar

    Ambulante parkeervergunning

    € 72,00

    Per jaar

    Tijdelijke ambulante parkeervergunningen

    € 12,30

    Per maand,

    maximaal 3 maanden

    Tijdelijke ondernemersvergunningen (geldig voor gehele week)

    € 30,60

    Per maand,

    maximaal 3 maanden

    Parkeerproduktenvergunninghouderszone

     

     

    Bewonersvergunning

    € 37,20

    Per jaar

    Bedrijfsparkeervergunning

    € 72,00

    Per jaar

    Ambulante parkeervergunning

    € 72,00

    Per jaar

    Tijdelijke ambulante parkeervergunningen

    € 12,30

    Per maand,

    maximaal 3 maanden

    Bezoekerskaartjes

    € 6,05

    Per 25 stuks

Behorende bij raadsbesluit van 19 december 2019

De griffier van de gemeente Uden

drs. M.A.J.R.Hermans