Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Vianen

Algemene subsidieverordening gemeente Vianen

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Vianen
Officiële naam regelingAlgemene subsidieverordening gemeente Vianen
CiteertitelAlgemene subsidieverordening gemeente Vianen
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Regeling vervangt Algemene subsidieverordening welzijn Vianen 1995

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, art. 149
  2. Algemene wet bestuursrecht, titel 4.2
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2010Nieuwe regeling

15-12-2009

Het Kontakt, 22-12-2009

V33039

Tekst van de regeling

Intitulé

ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING GEMEENTE VIANEN

De raad van de gemeente Vianen;

gelezen het voorstel van het college van 4 december 2009;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit:

vast te stellen de ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING GEMEENTE VIANEN.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    wet: de Algemene wet bestuursrecht;

  • b.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • c.

    subsidieontvanger: een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een groep die zich de behartiging van belangen van ideële en/of materiële aard ten doel stelt, waaraan het college subsidie heeft verleend;

  • d.

    subsidiejaar: het kalenderjaar.

Artikel 2 Bevoegdheden

Het college is bevoegd tot het beslissen op aanvragen om subsidie.

Artikel 3 Reikwijdte

Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, is deze verordening van toepassing op alle bij het college aangevraagde en door het college verleende subsidies.

Artikel 4 Subsidieplafond

  • 1. Het college kan jaarlijks het subsidieplafond vaststellen voor categorieën van activiteiten. Het college neemt daarbij de gemeentebegroting in acht.

  • 2. Het subsidieplafond geldt voor het betreffende subsidiejaar.

    Bij vaststelling van het subsidieplafond als bedoeld in lid 1 bepaalt het college hoe het beschikbaar gestelde bedrag wordt verdeeld.

Artikel 5 Subsidieaanvraag

  • 1. Een aanvraag om een subsidie wordt schriftelijk ingediend op een door het college te bepalen datum.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde aanvraag gaat vergezeld van een beschrijving van de geplande activiteiten en een begroting van de kosten.

Artikel 6 Weigeringsgronden subsidie

De subsidieverlening kan naast de in de artikelen 4:25 en 4:35 van de wet genoemde gevallen worden geweigerd indien gegronde redenen bestaan aan te nemen dat:

  • a.

    de activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen zijn op de gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen aan de ingezetenen van de gemeente;

  • b.

    de gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen worden voor het doel waarvoor de subsidie wordt verleend;

  • c.

    de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens de wet, het algemeen belang of de openbare orde;

  • d.

    de aanvrager ook zonder subsidieverlening over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken;

  • e.

    de subsidieverlening niet past binnen het beleid van de gemeente;

  • f.

    in die activiteiten op een naar het oordeel van het college toereikende wijze anders wordt voorzien;

  • g.

    de aanvrager met winstoogmerk werkzaam is.

Artikel 7 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1. Het college kan de subsidieontvanger andere doelgebonden verplichtingen als bedoeld in artikel 4:38 van de wet opleggen.

  • 2. Het college kan de subsidieontvanger naast de in lid 1 bedoelde verplichtingen ook niet doelgebonden verplichtingen opleggen als bedoeld in artikel 4:39 van de wet.

  • 3. De subsidieontvanger is verplicht tijdig opgave te doen aan het college van een wezenlijke wijziging van de gegevens die bij de aanvraag om subsidie zijn overgelegd.

  • 4. De subsidieontvanger is aan het college in de gevallen als bedoeld in artikel 4:41 lid 2 van de wet, een vergoeding van de vermogenswaarden verschuldigd.

  • 5. De wijze waarop de hoogte van de in lid 4 bedoelde vergoeding wordt bepaald, wordt vermeld in de beschikking tot subsidieverlening, subsidievaststelling of subsidiebeëindiging.

  • 6. Bij de bepaling van de hoogte van de in lid 4 bedoelde vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen.

  • 7. Indien het de waarde van onroerende zaken betreft geschiedt de waardebepaling als bedoeld in lid 6 door een onafhankelijke deskundige.

Artikel 8 Aanvraag subsidievaststelling

De subsidieontvanger dient binnen 13 weken na afloop van de activiteiten, of na afloop van het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend, een aanvraag om vaststelling als bedoeld in artikel 4:44 en 4:45 van de wet in, tenzij bij de subsidieverlening een andere termijn is gesteld.

Artikel 9 Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen

  • 1. Afdeling 4.2.8 van de wet is van toepassing op door het college per boekjaar verleende subsidies aan rechtspersonen.

  • 2. Het college kan bepalen dat de subsidieontvanger een reserve en/of voorziening mag vormen.

  • 3. Indien de subsidieontvanger zijn inkomen in overwegende mate ontleent aan de subsidie is artikel 4:76 van de wet van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De verplichtingen als bedoeld in artikel 4:78 Ie tot en met 4e lid van de wet gelden niet voor subsidies lager dan € 25.000,-.

Artikel 10 Voorschotten

  • 1. Het college kan de subsidieontvanger voorschotten verlenen.

  • 2. De beschikking tot voorschotverlening geschiedt gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening en vermeldt het bedrag van het voorschot, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.

  • 3. Het voorschot wordt binnen 6 weken na de beschikking tot voorschotverlening betaald.

Artikel 11 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen voor:

  • a.

    de procedure tot indienen van subsidieaanvragen;

  • b.

    de subsidiabele activiteiten;

  • c.

    de verdeling van de beschikbare gelden over de categorieën van activiteiten;

  • d.

    de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 6.

  • e.

    De vorming van een reserve en/of voorziening als bedoeld in artikel 9 lid 2.

Artikel 12 Hardheidsclausule

In bijzondere gevallen, en voor zover toepassing van deze verordening zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, kan het college afwijken van het in deze verordening bepaalde.

Artikel 13 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aangewezen personen.

Artikel 14 Overgangsbepaling

  • 1. Op een aanvraag die is ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening wordt op grond van de voor dat tijdstip geldende regels beslist.

  • 2. Meerjarenafspraken die zijn gemaakt voor de inwerkingtreding van deze verordening behouden de overeengekomen looptijd, mits deze niet langer is dan 31 december 2009.

Artikel 15 Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2010.

  • 2. Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Algemene subsidieverordening welzijn Vianen d.d. 18 september 1995 ingetrokken.

Artikel 16 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als "Algemene subsidieverordening gemeente Vianen".

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 december 2009,

De griffier C. J.Steehouwer
De voorzitter mw. drs. D.A.M.Koreman

TOELICHTING ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING VIANEN

Algemeen

Op grond van artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verleent een bestuursorgaan slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie wordt verstrekt.

Er is een wettelijke grondslag in een subsidieverordening vereist, tenzij:

  • 1.

    opname in door de raad vastgestelde begroting (vermelding subsidiebedrag en ontvanger);

  • 2.

    incidentele gevallen (ten hoogste voor 4 jaar, geen beleid);

  • 3.

    vooruitlopend op nieuw vast te stellen subsidieverordening (max. 1 jaar).

Een subsidieverordening dient minimaal de volgende elementen te regelen:

  • 1.

    regels met betrekking tot de bevoegdheid (4:23 Awb);

  • 2.

    beschrijving van activiteiten/doelgroep (4:23 Awb);

  • 3.

    subsidieplafond (4:25 ev Awb);

  • 4.

    verplichtingen (4:38 lid 2; 4:39 Awb);

  • 5.

    vermogensvoordeel (4:41 Awb).

In de Algemene wet bestuursrecht (in het vervolg: wet) is voor een aantal onderdelen van het subsidieproces de keuzemogelijkheid opgenomen om een nadere regeling te treffen bij subsidieverlening of bij/krachtens wettelijk voorschrift i.c. de subsidieverordening.

Hoofdstructuur

Bij voorliggende herziening van het subsidiestelsel is de volgende hoofdstructuur gehanteerd:

Één algemene subsidieverordening waarin de wettelijke grondslag voor subsidiering van activiteiten staat vermeld. De subsidieabele activiteiten worden op een vrij hoog abstractieniveau in de verordening opgenomen.

Nadere regeling van de subsidiering via beleidsregels dan wel nadere regels door het college.

In uitzonderingsgevallen een nadere regeling via een aparte subsidieverordening, indien de

aard/inhoud van de regeling zulks rechtvaardigt.

Uitvoering door het college als bevoegd orgaan tot subsidiering.

Geen gebruik van het instrument dat in de raadsbegroting naam en bedrag van de gesubsidieerde instelling wordt vermeld. Een belangrijke reden is dat de vermelding van de subsidieontvanger en het bedrag in de gemeentebegroting niet past in het dualistisch stelsel waarbij de raad het begrotingskader (programma’s) vaststelt en het college belast is met de uitvoering daarvan.

Uit oogpunt van deregulering is gestreefd naar een zo kort en bondig mogelijke verordening, aanvullend aan de hoofdstuk 4 van de algemene wet bestuursrecht. De tekst van Titel 4.2 van de wet (Subsidies) is als bijlage bijgevoegd.

In de wet zijn geen hoge eisen opgenomen aan wettelijke subsidieregelingen. Kernelement: in een regeling moet een omschrijving van gesubsidieerde activiteiten worden opgenomen.

Veel subsidieregelingen bevatten weinig bepalingen op grond waarvan het subsidiebeleid genormeerd wordt. In kaderregelingen, zoals beleidsnota’s wordt globaal omschreven welke activiteiten subsidiabel zijn. Vervolgens vindt uitwerking daarvan plaats via beleidsregels.

De subsidieverordening moet het stellen van nadere regels door het college wel expliciet mogelijk maken (delegatie wetgevende bevoegdheid ex. artikel 156 lid 3 Gemeentewet).

Bij het opstellen van een subsidieverordening kan worden gekozen voor specifieke subsidieverordeningen voor ieder beleidsveld of een algemene subsidieverordening met daaronder deelverordeningen, nader regels of beleidsregels.

Hierbij wordt het onderscheid tussen beleidsregel en algemeen verbindend voorschrift (subsidieverordening of op basis daarvan gestelde nadere regels) benadrukt.

Beleidsregel: voor het bestuursorgaan (intern werkend), regelt de wijze waarop een bestuursorgaan omgaat met zijn bevoegdheden, bindt de burger niet. In de wet zijn daarover regels opgenomen vgl. art 1:3 lid 4/Titel 4.3 (artikel 4:81 en volgende).

Een beleidsregel kan geen algemeen verbindend voorschrift zijn en kan geen zelfstandige bevoegdheden in het leven roepen. Een beleidsregel is ondergeschikt aan een algemeen verbindend voorschrift. Voorts kent een beleidsregel een inherente afwijkingsbevoegdheid.

In voorliggende algemene subsidieverordening zijn algemene bepalingen omtrent subsidiering opgenomen. Voor een nadere invulling van hetgeen onder subsidieabele activiteiten wordt vertaan zijn beleidsregels en nadere regels opgesteld.

Artikelsgewijs

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Ten aanzien van het begrip subsidie wordt aangesloten bij hetgeen daarover in de wet is bepaald.

De definitie van het begrip subsidie (artikel 4:21 van de wet) omvat 4 kernelementen:

  • 1.

    aanspraak op financiële middelen;

  • 2.

    verstrekt door bestuursorgaan;

  • 3.

    met het oog op bepaalde activiteiten van aanvrager;

  • 4.

    niet zijnde een betaling voor geleverde goederen of diensten.

Art. 4.21 van de wet kent een materieel subsidiebegrip.

Alles wat onder de definitie valt is subsidie.

Voorbeelden:

  • a.

    bijdrage;

  • b.

    verstrekking;

  • c.

    tegemoetkoming;

  • d.

    uitkering;

  • e.

    garantie;

  • f.

    symbolisch huurbedrag;

  • g.

    verkoop beneden kostprijs (overdracht voor symbolisch bedrag € 1,--).

In de verordening is geen nadere definiëring van het begrip subsidie opgenomen. Dit gebeurt in de algemene beleidsregel. Daarin is het onderscheid weergegeven tussen budgetsubsidies, basissubsidies en activiteitensubsidies.

Artikel 2 bevoegdheden

Uitgangspunt van de verordening vormt dat het college bevoegd is te beslissen op aanvragen om subsidies (autonome bestuursbevoegdheid). De kaderstellende rol van de raad komt met name tot uiting in het budgetrecht, beleidsdocumenten en het vaststellen van de subsidieverordening.

Het feit dat de raad via de begroting (kaderstelling/budgetrecht) middelen beschikbaar moet stellen is primair van belang voor de verhouding raad - college. Niet voor de verhouding college – subsidieaanvrager en de daarbij van belang zijnde bevoegdheidsvraag. Eventueel kan het college in voorkomende gevallen een beroep doen op artikel 4: 34 (begrotingsvoorbehoud) of in het kader van de subsidieprocedure richting aanvragers aangeven dat de raad een krediet beschikbaar dient te stellen.

Indien het college een subsidietoezegging/-verlening doet waarbij (nog) geen of ontoereikende middelen beschikbaar zijn, is het aan het college om separaat (via separaat voorstel, bestuursrapportage of begroting) bij de gemeenteraad daarvoor middelen te verkrijgen.

Artikel 3 reikwijdte

In deze verordening worden de subsidieabele activiteiten op een vrij hoog abstractieniveau omschreven. Het principe is dat alle subsidies onder de verordening gaan vallen, tenzij een andere regeling daarin voorziet. Een limitatieve opsomming kent haar beperkingen, want vooral op welzijnterrein komen er nieuwe taken van de gemeente bij of veranderen deze.

Artikel 4 subsidieplafond

Het subsidieplafond is een bruikbaar instrument om “open einde financiering” tegen te gaan. De wet geeft aan dat de subsidieverordening daarvoor regels moet bevatten. Overschrijding van het subsidieplafond vormt een weigeringsgrond voor de beslissing op een aanvraag om subsidie.

Artikel 5 aanvraag subsidieverlening

In de algemene toelichting is gesteld dat het aanbeveling verdient om de indieningstermijn te laten afhangen van het soort subsidie. Er is daarom afgezien van het noemen van een expliciete datum en wordt het aan het college overgelaten.

In de verordening zijn geen beslistermijnen opgenomen voor de subsidieverlenings-beschikking. Sinds 1 oktober jl. is echter de wet dwangsom in werking getreden Dat brengt met zich mee dat de termijnen zoals genoemd in de wet van toepassing zijn (acht weken, tenzij verdagingsbesluit).

Artikel 6 weigeringsgronden

In dit artikel zijn weigeringsgronden opgenomen die gelden voor alle subsidiesoorten.

Deze weigeringsgronden zijn een aanvulling op de weigeringsgronden van artikel 4:35 van de wet. Artikel 4:35 stelt dat de subsidie in ieder geval kan worden geweigerd indien er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

  • a.

    de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

  • b.

    de aanvraag niet zal voldoen aan de verplichtingen verbonden aan de subsidie;

  • c.

    de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

Indien een aanvraag wordt ingediend buiten de daarvoor gestelde termijn kan uit toepassing van artikel 4:5 van de wet volgen dat deze buiten behandeling wordt gelaten.

Artikel 7 verplichtingen

Volgens de wet moet in een verordening de basis gelegd worden voor het in voorkomende gevallen kunnen opleggen van bijzondere verplichtingen aan de ontvangen van een subsidie.

Artikel 8 aanvraag subsidievaststelling

Het subsidietraject bestaat normaal gesproken uit drie fases:

  • 1.

    subsidieverlening (afdeling 4.2.3.van de wet); 2.

  • 2.

    subsidievaststelling (afdeling 4.2.5 van de wet);

  • 3.

    3. uitbetaling.

Subsidievaststelling vindt plaats op basis van de afgelegde verantwoording waaruit blijkt dat de gesubsidieerde activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen.

Op basis van artikel 4.45 van de wet legt de aanvrager rekening en verantwoording af over hetgeen met de subsidie is gerealiseerd.

In bepaalde gevallen bijvoorbeeld het verlenen van een activiteitensubsidie kan er sprake zijn van directe subsidievaststelling. Dan gaat er geen verleningsbeschikking aan vooraf.

Het gaat immers om de "waardering" van bepaalde activiteiten van de aanvrager in het algemeen waarbij er geen afspraken worden gemaakt omtrent de uitvoering ervan. De aanvrager hoeft zich dus achteraf niet te verantwoorden over wat hij met de subsidie concreet heeft gedaan.

Ook bij structurele subsidies van geringe omvang kan uit praktische overwegingen direct met toepassing van artikel 4:43 van de wet de subsidie worden vastgesteld. Bij de beoordeling van de aanvraag voor het daarop volgend jaar wordt aan de hand van de ingediende rekening getoetst of er aanleiding is de subsidierelatie te wijzigen.

Ten aanzien van de in acht te nemen beslistermijnen wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5.

Artikel 9 per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen

Afdeling 4.2.8. van de wet is van toepassing op de per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen.

Hieronder worden met name begrepen de subsidierelaties met de grote instellingen zoals de bibliotheek, Rivas, welzijn ouderen, etc. Het gaat hierbij met name om budgetsubsidies.

Wij streven er naar in toenemende mate te komen tot beleidsgestuurde contractfinanciering waarbij naast de subsidiebeschikking de subsidieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 4:36 van de wet een belangrijk onderdeel zal uitmaken van de nieuwe subsidierelatie.

Er zal zich een overgangssituatie voordoen waarbij er bijvoorbeeld geëxperimenteerd wordt met het maken van outputafspraken op basis van een productenbegroting, waarbij de subsidie nog wel van jaar tot jaar wordt verleend.

Dit artikel opent de mogelijkheid om een reserve en/of voorziening toe te staan. Omdat het lastig is om hiervoor een hanteerbare norm te vinden die over de gehele linie kan gelden, wordt de voorkeur gegeven aan maatwerk. Met name wordt gedacht een het vastleggen van een afspraak hierover in de uitvoeringsovereenkomsten.

Ingeval er sprake is van een lagere bijdrage dan € 25.000,-- wordt geen accountantsverklaring verlangd.

Artikel 10 voorschotten

Artikel 4:54 van de wet bepaalt dat alleen voorschotten mogelijk zijn indien zulks in de wet (verordening) of bij subsidieverlening is bepaald.

Artikel 11 nadere regels

Binnen de systematiek van voorliggende verordening kan het college nadere regels stellen voor de procedure voor het indienen van een aanvraag op grond van deze verordening, de subsidiabele activiteiten en de verdeling van de beschikbare gelden. Het gaat hier dus om de beleidsregels, die per terrein bepalen wat er gesubsidieerd kan worden en welke grondslagen daar verder voor gelden.

Artikel 13 toezichthouders

Personen die daartoe zijn aangewezen kunnen met de daarbij behorende bevoegdheden zoals genoemd in afdeling 5.2. van de wet in voorkomende gevallen onderzoek doen naar de juiste uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Het college heeft de bevoegdheid toezichthouders te benoemen. Daarmee kunnen toezichthouders gebruik maken van de in afdeling 5 van de wet genoemde bevoegdheden (betreden plaatsen, vorderen inlichtingen en gegevens, onderzoek van zaken, verplichting tot verlenen medewerking).